Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina14/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

1 Toneelstukjes opvoeren

Gebruikt gebaren die bij een uitdrukking horen (arm uitstrekken bij grote boom) 03

Doet één fantasiehandeling (geeft de pop een prik) 03

Herkent zichzelf en andere bekenden die verkleed of geschminkt zijn (als vlinder of tovenaar) 03

Doet beweging en/ of houding na (krom lopen bij oude man) 04

Doet een eenvoudige pantomime van de leerkracht na (klimmen op een ladder) (iets denkbeeldig oprapen) 04

Combineert eenvoudige fantasiehandelingen (geeft pop een prik en troost hem) 04

Gebruikt materialen om een situatie uit te beelden (kruk als stuur van auto) 05

Bootst een houding na die hij op een foto ziet (bukken om iets op te rapen) 05

Beeldt dieren uit met bijbehorende geluiden 05

Doet bewegingen van de leerkracht na bij voorgelezen bekend verhaal 05

Speelt alleen met een pop in de poppenkast zonder een verhaallijn 05

Begint een rol te vertolken door imitatie en aanwijzingen 06

Beeldt een kenmerk van typische personen uit (sterke man) 06

Reageert op spelaanwijzingen 06

Bootst herkenbare situaties na in zijn spel (zegt tegen een knuffel niet bang zijn, papa is hier) 06

Maakt bewegingen bij een voorgelezen bekend verhaal 06

Speelt samen met een ander poppenkast zonder een verhaallijn 06

Houdt tijdens een korte scène gerichte aandacht (paar minuten) bij een eigen rol 07

Let met aanwijzingen van de leerkracht afwisselend op beweging, houding en mimiek 07

Laat een verhaaltje zien in de poppenkast 07

Speelt voorgelezen en onbekend verhaal na 08

Houdt één hoofdkenmerk blijvend vast tijdens een dramaspel van één scène (zachte stem) 08

Let met aanwijzingen afwisselend op volume, intonatie en tempo 08

Zet zijn tekst van één zin op het juiste moment in een toneelstukje van één scène in 08
Laat samen met een ander een verhaaltje zien in de poppenkast 08

Verzint één hoofdkenmerk bij een typetje dat hij speelt 09

Houdt één hoofdkenmerk blijvend vast tijdens het dramaspel van een kwartier (zachte stem) 09

Zet een aantal regels tekst in meerdere scènes op het juiste moment in 09

Verzint het verloop van eenvoudig dramaspel 09

Houdt twee hoofdkenmerken van een rol blijvend vast tijdens dramaspel (krom lopen, zachte stem) 10

Onthoudt meerdere stukken tekst in een toneelstuk 10

Maakt een eigen verhaaltje en geeft dit vorm 10

Houdt bij spelen de aandacht gericht op zichzelf en het speelvlak 10

Houdt meerdere hoofdkenmerken blijvend vast tijdens dramaspel (krom, langzaam, zachte stem) 11

Past volume, tempo en intonatie in de stem aan aan typetje dat hij speelt 11

Houdt bij het spelen zijn aandacht gericht op zijn medespelers 11

Groeit in zijn rol in een emotionele situatie die de leerkracht stuurt (speelt flink boos, zet emoties in ) 11

Houdt bij spelen de aandacht gericht op zichzelf, medespelers en het speelvlak 12

Speelt een rol in toneelstuk gebruikmakend van stem, mimiek en gebaar 12

Verwerkt tijdens voorstelling tips in zijn rol 12

Vangt met eigen toneelspel een fout van een ander op in een toneelstuk 12

2 Doen-alsof-situaties herkennen

Gebruikt passende attributen om een dagelijkse situatie uit te beelden (bord bij eten, pop is baby,


speelgoedtelefoon is telefoon) 03

Raadt bekende gebaren of voorstellingen van de leerkracht (doen alsof je drinkt) 03

Kijkt naar groepsspel en spel van anderen 04

Vertelt wie en wat hij in de poppenkast ziet 04

Vertelt wat er in de poppenkast gebeurt 05

Benoemt dat cartoonfiguren niet echt bestaan (mickey mouse, pokémon) 05

Vertelt wat hij herkent in spel van een ander (hij speelt een poes, een tovenaar) 05

Geeft bij spel snel aan dat hij doet alsof (ik ben niet echt dood hoor, kijk maar) 06

Benoemt in een verhaal welke figuren wel en niet echt bestaan (soldaten en prinsessen kunnen wel echt
bestaan, draken en elfjes niet) 06
Benoemt welk verhaal echt is gebeurd en welk verhaal een sprookje is 06

Benoemt de gevoelens in spel van anderen 07

Benoemt dat een stripverhaal niet echt gebeurd is 07

Benoemt dat het jeugdjournaal echt is en schooltv-drama gespeeld 08

Benoemt dat Sinterklaas en Zwarte piet niet echt bestaan 08

Kijkt naar spel en benoemt wat niet echt is (iemand doet alsof hij huilt, maar is in het echt niet verdrietig) 09

Speelt een belevenis van zichzelf na en praat hierover 09

Gebruikt situaties van de dagelijkse werkelijkheid in spel 10

Weet dat een quiz met presentator echt is en een soap gespeeld wordt door acteurs 10

Benoemt 3 echte programma’s op tv en 3 onechte (journaal, GTST) 11

Weet dat acteurs andere namen hebben in het dagelijks leven dan in de soap/ film 11

Beseft dat acteurs in het dagelijks leven een andere persoonlijkheid hebben dan in hun rol (de gemene


man is eigenlijk heel vriendelijk) 12

Beseft dat acteurs heel andere rollen kunnen spelen dan ze in een bepaalde soap/ film doen 12




Deze indeling is afkomstig van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2010

Leergebiedoverstijgende kerndoelen

Zintuiglijke en Motorische Ontwikkeling

  1. De leerlingen leren hun zintuiglijke en motorische mogelijkheden optimaliseren en integratief gebruiken.

Sociale en emotionele ontwikkeling

  1. Zelfbeeld

  1. De leerlingen leren met behoud van het gevoel voor zelfvertrouwen en zelfwaardering omgaan met de eigen mogelijkheden en beperkingen.

  1. Sociaal gedrag

  1. De leerlingen leren omgaan met anderen.

  1. Spelontwikkeling

  1. De leerlingen leren zich oriënteren op hun omgeving door middel van spel.

Leren Leren

  1. Werkhouding

  1. De leerlingen leren belangstelling hebben voor de omringende wereld en leren die wereld onderzoeken en daarin taken uitvoeren.

  1. Aanpakgedrag

  1. De leerlingen leren uiteenlopende strategieën en vaardigheden gebruiken voor het opnemen, verwerken en hanteren van informatie.

  1. Omgaan met Media en technologische hulpmiddelen

  1. De leerlingen leren gebruik maken van communicatiemedia en technologische hulpmiddelen.

  1. Praktische redzaamheid

  1. De leerlingen leren hun dagelijkse activiteiten en behoeften zo veel mogelijk zelfstandig realiseren.

  1. Ruimtelijke Oriëntatie en Mobiliteit

  1. De leerlingen leren zich in de ruimte (binnen en buiten) oriënteren en verplaatsen.


Leergebiedspecifieke kerndoelen

Nederlandse Taal

  1. De leerlingen leren communiceren met woorden, gebaren, picto’s of andere voor hen geëigende middelen.

  2. De leerlingen leren gesproken taal begrijpen en gebruiken.

  3. De leerlingen leren deelnemen aan gesprekken in verschillende communicatieve situaties.

  4. De leerlingen leren lezen voor dagelijkse toepassingen.

  5. De leerlingen leren gebruik maken van schriftelijke taalvormen.

  6. De leerlingen leren een zo ruim mogelijke woordenschat begrijpen en gebruiken.

Rekenen en Wiskunde

  1. De leerlingen leren hoeveelheidbegrippen gebruiken en herkennen.

  2. De leerlingen leren rekenhandelingen uitvoeren voor het functioneren in alledaagse situaties.

  3. De leerlingen leren omgaan met tijd in alledaagse situaties.

  4. De leerlingen leren meten en wegen en leren omgaan met meetinstrumenten, gangbare maten en eenheden.

  5. De leerlingen leren omgaan met geld en betaalmiddelen.




Oriëntatie op Mens en Wereld

Mens en samenleving: (= wonen en vrije tijd)

  1. Gezond en redzaam gedrag

  1. De leerlingen leren omgaan met verschillen tussen mensen wat betreft sociale en affectieve behoeften.

  2. De leerlingen leren de eigen en andermans gezondheid behouden en bevorderen en leren de samenhang aangeven tussen het functioneren van het lichaam, de verzorging van het lichaam en de risico’s van verslavende gedragingen.

  3. De leerlingen leren de seksuele verschillen respecteren tussen jongens en meisjes en leren op een weerbare en open wijze omgaan met de eigen lichamelijkheid en die van anderen.

  4. De leerlingen leren op de juiste wijze reageren bij ziekte, ongeluk, of bij een kleine verwonding.

  5. De leerlingen leren op een verantwoorde en veilige manier, zelfstandig of begeleid, deelnemen aan het verkeer.

  6. De leerlingen leren (mede) zorg dragen voor het dagelijkse eten en drinken en leren de daarbij horende regels en tafelmanieren hanteren.

  7. De leerlingen leren zich kleden en leren linnengoed, kleding en schoeisel (helpen) verzorgen.

  8. De leerlingen leren helpen hun huis en kamer inrichten, schoonhouden en op orde houden en leren dat mensen die samen wonen, ook samen zorgen voor de goede gang van zaken.

  9. De leerlingen leren boodschappen doen.

  1. Oriëntatie op de samenleving

  1. De leerlingen leren gebruik maken van de voor hen relevante maatschappelijke en culturele instellingen.

  2. De leerlingen leren herkennen dat in de samenleving verschillen en overeenkomsten zijn tussen mensen en groepen van mensen in de wijze waarop ze leven.

  3. De leerlingen leren zich oriënteren op medezeggenschap, stemrecht, besluitvorming, het gemeentelijk en landelijk bestuur.

  4. De leerlingen leren de vrije tijd alleen en samen met anderen besteden.

Natuur en Techniek (= oriëntatie op natuur en techniek)

  1. Natuur

  1. De leerlingen leren dieren, bomen, planten en bloemen die in de eigen omgeving voorkomen herkennen en ermee omgaan.

  2. De leerlingen leren kenmerken aangeven van bossen, weiden, bouwland, parken en water.

  3. De leerlingen leren met zorg omgaan met de natuur en leren zich houden aan gedragsregels in de woonomgeving en natuur.

  4. De leerlingen leren weermeetinstrumenten aflezen, elementen benoemen die van belang zijn bij het weer en leren aangeven wat de invloed van weertypen op de mens is.

  1. Techniek

  1. De leerlingen leren technische producten en gereedschappen voor dagelijkse toepassingen benoemen en gebruiken.

  2. De leerlingen leren toepassingen gebruiken van natuurkundige verschijnselen als licht, geluid, magnetisme en warmte, en leren toepassingen gebruiken van diverse energiebronnen voor verwarming, verlichting en beweging.

Ruimte (= oriëntatie op ruimte)

  1. De leerlingen leren het eigen lichaamsschema gebruiken voor het verkennen en ordenen van de ruimte om zich heen.

  2. De leerlingen leren de plaats aangeven van voorwerpen in voor hen bekende ruimten vanuit hun eigen positie en ten opzichte van elkaar.

  3. De leerlingen leren de weg kennen en benoemen in de eigen leefomgeving.

  4. De leerlingen leren inrichtingsaspecten herkennen van de eigen leefomgeving.

  5. De leerlingen leren aangeven in welke opzichten het dagelijks wonen, werken en de vrijetijdsbesteding van sommige mensen overeenkomt of verschilt.

Tijd (= oriëntatie op tijd)

  1. De leerlingen leren zich oriënteren op de dagindeling en op de tijdsindeling.

  2. De leerlingen leren de tijdordening gebruiken voor de thuis- en schoolsituatie en leren de dagen van de week, de maanden van het jaar en de seizoenen benoemen en gebruiken.

  3. De leerlingen leren perioden, gebeurtenissen en personen ordenen uit hun eigen leven, uit de geschiedenis van het gezin en de familie en uit hun omgeving.

  4. De leerlingen leren bronnen uit het verleden herkennen en gebruiken.

Kunstzinnige Oriëntatie

Tekenen en handvaardigheid (= beeldende vorming)

  1. De leerlingen leren ideeën, ervaringen en gevoelens uitdrukken in beelden en daarover te communiceren.

  2. De leerlingen leren bepaalde aspecten zoals kleur, vorm, ruimte, structuur van het materiaal en compositie toepassen in een werkstuk.

  3. De leerlingen leren beeldende mogelijkheden van materialen onderzoeken en toepassen in hun eigen werk en leren daarbij de benodigde gereedschappen op een veilige manier gebruiken.

  4. De leerlingen leren ontdekken en ervaren dat mensen iets willen meedelen en overbrengen door gebruik te maken van beeldende producten.

Muziek (= muziek en bewegen)

  1. De leerlingen leren liederen zingen, alleen en in groepsverband.

  2. De leerlingen leren begeleidingsritmes spelen op (school-) instrumenten en leren samen een muziekstuk uitvoeren.

  3. De leerlingen leren speelliederen uitvoeren, bewegen op een gespeeld ritme en leren daarbij de ervaringen, gevoelens en situaties in beweging en dans weergeven.

  4. De leerlingen leren muziek beleven en genieten, onderscheiden en benoemen.

Dramatische vorming

  1. De leerlingen leren een gegeven situatie in een gedramatiseerde vorm uitvoeren, al dan niet met anderen.

  2. De leerlingen leren verschillen en overeenkomsten aangeven tussen de dagelijkse werkelijkheid en de doen-alsof-situatie.

Bewegingsonderwijs

(= bewegingsonderwijs en zwemmen)

  1. De leerlingen leren deelnemen aan de bewegingsvormen:
    voortbewegen, balanceren, springen, klimmen en zwaaien.

  2. De leerlingen leren deelnemen aan verschillende aspecten uit de spelgebieden:
    mikken, jongleren, doelspelen, tikspelen, stoeispelen.

  3. De leerlingen leren zwemmen en gevaarlijke situaties herkennen die zich bij zwemmen voordoen.

  4. De leerlingen leren bij bewegen en spel omgaan met emoties, spanning, vermoeidheid.

  5. De leerlingen leren zich oriënteren op (aangepaste) buitenschoolse sport- en spelactiviteiten.

© Maaike Kieft & Heleen Langenbach



Oktober 2010

Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina