Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina13/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

1 Zingen

Doet klanken uit een liedje na 01

Beleeft plezier aan het samen zingen 01

Zingt eenvoudige woorden mee uit een liedje 02

Zingt korte zinnen (2 tot 3 woorden) mee uit een liedje 03

Zingt een kort en éénstemmig liedje mee 04

Zingt liedjes bekend van radio en tv qua klanken mee (bassie en adriaan, kabouter plop) 04

Zingt kinderliedjes uit andere culturen na, doet de woorden qua klank na (Marokkaans, Turks, Surinaams) 04

Zingt liedjes met een omvang van vijf tonen (klinkt vrij zuiver binnen deze tonen) 05

Zingt zelf een refrein wanneer alleen de startzin wordt voorgezongen 05

Zingt een eenvoudig lied mee bestaande uit meer coupletten 06

Zingt zelf een couplet wanneer alleen de startzin wordt voorgezongen 06

Probeert een voorgezongen toon over te nemen 06

Zet op het juiste moment in als de leerkracht een startsein geeft 06

Zingt uit het hoofd een eenvoudig lied bestaande uit meer coupletten (kent de melodie en tekst uit het hoofd) 07

Bedenkt andere woorden in een tekst bij een goedgekend lied (springen i.p.v. klappen) 07

Zingt liedjes met een omvang van meer dan vijf tonen (zuiver stembereik) 08

Neemt een voorgezongen toon over 08

Zingt harder als de leerkracht zijn handen omhoog beweegt of uit elkaar 08

Zingt zachter bij omlaag of naar elkaar toe bewegen 08

Zingt liedjes die passen bij verschillende situaties als feesten en seizoenen 08

Zingt zonder voorbeeld liedjes van radio en tv 09

Zingt liedjes met meerdere coupletten mee die moeilijk zijn qua tekst en ritme 09

Probeert een voorgespeelde toon vocaal over te nemen 09

Zingt Engelstalige liedjes bekend van radio en tv (doet de woorden qua klank na) 10

Zingt liedjes met meerdere coupletten uit het hoofd die moeilijk zijn qua tekst en ritme 10

Neemt een voorgespeelde toon vocaal over 11

Blijft een eigen liedje zingen met een groepje leerlingen terwijl er doorheen gezongen wordt 12



2 Bewegen op muziek

Beweegt ongericht met het lichaam op de muziek 01

Richt zijn aandacht op de muziek gedurende enkele seconden 01

Reageert met bewegingen op vrolijke muziek 02

Is in staat één grof motorische handeling uit te voeren in een liedje (handen in de lucht steken) 02

Imiteert gekoppelde beweging en klank (omhooggaand geluid = handen omhoog) 02

Is in staat twee grof motorische handelingen uit te voeren in een liedje (handen in de lucht, stampen met de

voeten) 03

Marcheert achter de leerkracht aan op tempomuziek (tweekwartsmaat) 04

Staat stil als de muziek stopt 04

Danst met verschillende materialen en attributen als hoepels en lintjes 04

Voert een bekende handeling zelfstandig uit bij een herkenbaar liedje (zo doet een vogel…) 04

Doet de stoelendans 05

Beweegt met de leerkracht mee op een langzame of snelle maat 05

Loopt mee op actuele muziek 06

Doet mee met een reeks eenvoudige bewegingen in stilstaande kring (volksdans) 06

Begint aan het begin en stopt aan het eind van een lied met bewegen 06

Beweegt met de leerkracht mee bij een geleidelijk sneller of langzamer wordende maat 06

Loopt op verschillende aangegeven stampritmes 07

Beeldt een tempowisseling in de muziek uit door anders te bewegen (snellere bewegingen als ritme versnelt) 07

Danst op actuele muziek 07

Beweegt zijn armen los van zijn benen op muziek en omgekeerd 07

Herkent herhaling (beweegt alleen bij het refrein en staat stil tijdens coupletten) 07

Stapt op een door een instrument eenvoudig ostinaat ritme (lang achter elkaar herhaald ritme) 08

Imiteert eenvoudige danspassen van andere leerlingen 08

Houdt bewegingen tijdens muziek vol 08

Bedenkt eigen bewegingen passend bij de gedraaide muziek 09

Springt/ huppelt/ danst geïnspireerd door videoclips bij popmuziek 09

Reageert met een eigen beweging op de beweging van anderen 09

Varieert met bewegingen tijdens muziek 10

Corrigeert eigen bewegingen 10

Imiteert duidelijk de dansbewegingen uit videoclips 10

Stapt op gevarieerde ritmes die door een instrument wordt gespeeld (fluitmelodie, piano) 10

Doet mee aan een volksdans in de kring met wisselende partners 11

Danst passend bij diverse soorten muziek (house, hardrock, slow) 11

Voert verschillende dansjes op dezelfde muziek uit 11


Zingt en danst tegelijk op een eenvoudig liedje 12

Reageert adequaat op muzikale veranderingen betreffende klank, vorm en betekenis (sneller dansen op hoger

tempo en sterkere klanken in de muziek) 12
Leert anderen een dans(je) aan 12

3 Muziek beleven

Wijst de juiste picto (verdrietig) aan bij het horen van treurige muziek 05

Wijst de juiste picto aan bij verschillende stemmingen (blijdschap, boosheid, droefheid, schrik, angst,

romantiek, dreiging en ontspanning) 06


Benoemt of hij iets dichterbij hoort komen of verder weg hoort gaan bij het horen van muziek

(crescendo en decrescendo) 06

Benoemt bij welke gelegenheden bepaalde muziek past (verjaardag-, trouw-, disco-, kerst- en kerkmuziek) 07

Benoemt welke emotie er in een couplet voorkomt 07

Wijst aan op plaatjes wat door muziek wordt uitgebeeld (eng bos bij spannende muziek) 07

Kiest de juiste plaatjes bij een geluidenverhaal (tikjes op een trommel hoort bij het plaatje regen, harde slagen

bij onweer) 08

Reageert met dansante bewegingen op muzikale betekenissen (boze sfeer, grote passen, armen omlaag,

vrolijke sfeer,

lichte pasjes, fladderend met de armen) 08


Geniet van muziekactiviteiten 09

Komt tot rust bij muziekactiviteiten 09

Komt los bij muziekactiviteiten 09

Reageert blij op vrolijke muziek 10

Wijst de juiste picto aan (vrolijk) bij het horen van vrolijke muziek 11

Wijst de juiste picto (vrolijk) aan bij het horen van vrolijke muziek 12

Wijst juiste picto’s (boos, vrolijk) aan bij horen van boze (harde, felle) en vrolijke muziek 12

4 Muziek beluisteren, onderscheiden en benoemen

Imiteert bewegingen met het lichaam die passen bij sterke of zachte tonen (stijf houden bij sterke tonen, losjes


bewegen bij zachte tonen) 03
Benoemt dat een klank lang of kort is 03

Geeft aan welke geluiden hetzelfde zijn (bij gehoorkokers als foto-rolletjes gevuld met rijst/ erwten) 04

Geeft aan of een toon hoog of laag is (benoemt of het klinkt als vogeltje = hoog of beer = laag als deze

begrippen worden aangeleerd) 04

Benoemt dat een toon zeer sterk of zeer zacht is 05

Benoemt dat klank langer of korter is dan een andere klank 05

Benoemt verschil in tonen; hoort sterkere en zachtere tonen 06

Klapt op de maat mee die wordt voorgeklapt 06

Wijst vijf verschillende Orff-instrumenten aan (pauk, xylofoon, tamboerijn) 06

Geeft aan of een toon hoog of laag is met beweging (hoog= armen omhoog, laag= armen omlaag) 06

Benoemt vijfOrff-instrumenten (pauk, trom, xylofoon, klokkenspel, triangel, ratel, bekken, schellenraam,
tamboerijn) 07

Benoemt dat een toon hoger of lager is dan een andere toon 07

Wijst op een plaatje aan welk instrument hij hoort (piano, fluit, trommel, trompet, viool) 08

Wijst de juiste liedprent aan wanneer een lied wordt voorgezongen 08

Benoemt sterke contrasten in een muziekstukje (hoog- laag, sterk- zacht, lange tonen- korte tonen) 08

Maakt onderscheid tussen hoge en lage stemmen 09

Benoemt welke variatie hij hoort in een muziekstukje qua sterkere en zachtere klanken 09

Benoemt welke variatie hij hoort in een muziekstukje qua tempo-verandering 09

Ordent instrumenten aan hun klank (strijk-, slag- en toets- en blaasinstrumenten onderling) 10

Benoemt welke variatie hij hoort in een muziekstukje qua verandering van stemmen 10

Benoemt welke variatie hij hoort in een muziekstukje qua instrumenten 10

Benoemt verschillende muziekstijlen, hiphop, house, jazz, klassiek 11

Laat zien dat hij een tweedelige maatsoort herkent (door steeds alleen de eerste tel te benadrukken door
een klap) 11

Benoemt welke bekende programma’s bij bekende tunes horen die hij beluistert 11

Herkent en ordent twee instrumenten aan hun klank in een popgroep of orkest (viool als strijk-, trommel als
slag-, piano als toets- en trompet als blaasinstrument) 12
Laat zien dat hij een driedelige maatsoort herkent (door alleen steeds de eerste tel te benadrukken door een
klap) 12

Benoemt welke variatie hij hoort in een muziekstukje qua ritmewisseling of maatverandering 12



5 Ritmisch muziek maken met instrumenten

Verkent instrumenten door deze te bekijken en aan te raken 01

Slaat ongericht op een houtblok, trom of tamboerijn, niet in de maat 02

Rammelt met belletjes, niet in de maat 02

Slaat gericht op een Orff instrument als een houtblok, trom of tamboerijn, niet in de maat 03
Speelt een kort zelfbedacht stukje op een Orff instrument als een houtblok, trom of tamboerijn 04

Speelt mee met een eenvoudig ritme met een klankstaaf 05

Speelt op de klankstaaf een ritme met een duidelijk begin en einde 05

Speelt mee met een eenvoudige melodie of ritme met twee klankstaven 06

Speelt een ritme met afwisseling in sterkte 06

Speelt om de beurt (speelt niet zelf steeds door zonder een ander te laten spelen) 06

Luistert naar een ander zonder zelf te spelen 06

Speelt mee met een eenvoudige melodie of ritme met drie klankstaven 07

Speelt een ritme met afwisseling in tempo 07

Speelt een eenvoudig ritme met een andere leerling 07

Speelt een eenvoudige melodie op klankstaven waarbij hij door zang ondersteund wordt 08

Speelt een kort begeleidingsritme met afwisseling in ritme 08

Speelt een eenvoudig ritme met twee andere leerlingen 08

Speelt een eenvoudige melodie op klankstaven zonder door zang ondersteund te worden 09

Speelt een begeleidingsritme met afwisseling in sterkte, tempo en ritme 09

Speelt een afgesproken begeleidingsritme op klein slagwerk, trom of tamboerijn 10

Speelt een paar tonen op een keyboard met hulp van kleurenmuziekschrift (kleur per toon) 10

Voert eenvoudig notenschrift en uit met handen (klappen) 11

Speelt een korte melodie op een keyboard met hulp van kleuren- muziekschrift (kleur per toon) 11

Voert een eenvoudig (eventueel grafisch) notenschrift uit met instrumenten 12



6 Muziekstuk maken

Kiest instrument(en) bij een gegeven sfeer (trommels – spanning, harp – rustige sfeer) 08

Laat een droevige muzikale sfeer horen en een vrolijke muzikale sfeer (lange tonen bij droevige sfeer en
korte tonen bij vrolijke sfeer) 08

Kiest bij een soort geluid een passend instrument (weet wat hij bij welk soort geluid nodig heeft, denk aan een

geluidenverhaal) 09

Kiest passende instrumenten om dieren uit te beelden (grote trom bij beer, fluit bij vogel) 09

Speelt een eenvoudige melodie samen met een andere leerling 10

Begeleidt een gezongen liedje op een slaginstrument of met een paar tonen (op bijvoorbeeld een keyboard,


eventueel met kleurenmuziekschrift) 11
Begeleidt een gezongen liedje met een eenvoudige gegeven melodie (op bijvoorbeeld een keyboard,
eventueel met kleurenmuziek- schrift) 12
Houdt met een subgroepje een melodie vast als andere groepjes een tegenmelodie spelen 12

Dramatische vorming (Kunstzinnige Oriëntatie)

1. Toneelstukjes opvoeren
2. Doen-alsof-situaties herkennen




Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina