Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina12/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

5 Borduren

Weet wat een borduurnaald is 05

Weet wat borduurwol is 05

Weet wat borduurstramien is 05

Kan rijgsteek borduren 06

Kan halve kruisjes borduren 07

Kan hele kruisjes borduren 08

Kan aanhechten en afhechten 08

Kan borduren via een telwerkje 12

6 Breien

Weet wat breiwol is 05

Weet wat dunne en dikke breiwol is 05

Kiest de juiste breinaalden 07

Kan recht breien 10

Kan een babydasje breien 10

Kan averecht breien 11

Kan boordsteek breien (1 recht 1 averecht) 12

Kan steken minderen 12

Kan steken meerderen 12

Kan afhechten 12

Kan steken opzetten 12

Kan delen in elkaar zetten 12
Kan boordsteek breien (1 recht 1 averecht)

Bewegingsonderwijs



1. Gaan, lopen, wandelen, rennen
2. Balanceren
3. Springen
4. Rollen
5. Klimmen en klauteren
6. Zwaaien en schommelen
7. Werpen en vangen
8. Mikken
9. Stuiten
10. Schoppen
11. Slaan met knuppel, racket of bat
12. Tikspelen
13. Trefspelen
14. Doelspelen
15. Emotionele spelelementen
16. Georganiseerde sport buiten school



1 Gaan, lopen, wandelen, rennen

kan zich op verschillende manieren verplaatsen, wandelen, rennen 01

kan in looppas lopen 02

kan achteruit lopen 02

kan in zijpas wandelen 02

kan hinkelend een traject afleggen 03

kan huppelend een traject afleggen 04

2 Balanceren

kan gaan en staan op vastliggende vlakken op en laag boven de grond 03

kan met hulp over beweegbare vlakken lopen 06

kan zonder hulp over beweegbare vlakken lopen 07

kan gaan en staan op schuine vlakken met balansverstoringen 08

3 Springen

kan mbv leerkracht en de minitramp rechtstandig springen 02

maakt een begin met dieptespringen vanaf verschillende lage vlakken 05

kan met aanloop over 2 naast elkaar gezette banken rechtstandig in de minitramp springen 06

maakt begin met hoog- en diepspringen 07

kan op uitgerolde langemat "slootje" springen en overbrugt daarbij minstens 50 cm 08

kan zelfstandig met aanloop over de grond in de minitramp springen en hierin rechtstandig op en
neer springen 09
kan zelfstandig met aanloop over de grond in de minitramp springen en vanuit de minitramp tijdens de
afsprong de tenen aantikken 10

kan hoog springen over een lijn / touw dat boven het vloeroppervlak hangt 11

kan met aanloop over de grond op de springplank springen en vervolgens over een obstakel (bank, kast, bok,
trapezoid) zweven 12

4 Rollen

kan rollen om de lengte-as 02

kan mbv leerkracht rollen over de breedte-as (lk rolt de ll om) 03

maakt met hulp een koprol over een schuine mat (zwaartekracht werkt mee) 04

kan zelfstandig koprol maken op een dikke mat 05

kan met aanloop een koprol maken (gewone mat) 06



5 Klimmen en klauteren

kan over verschillende klim- en klautervlakken gaan mbv lkr (kasten, banken, balanceerbalken) 02

kan zelfstandig over verschillende klautervlakken gaan 03

kan mbv de lkr over schuine en beweegbare klim- en klautervlakken gaan, zoals bv banken die in de touwen


hangen 04

kan zelfstandig over beweegbare en schuine klim- en klautervlakken gaan 05



6 Zwaaien en schommelen

kan schommelen in zit op een schommelplank en i.s.m. de lkr het schommelen in gang houden 02

kan zelfstandig zittend blijven schommelen 03

kan m.b.v. een ander in de zwaai blijven in de touwen 06

kan zelfstandig staand blijven schommelen 07

kan zwaaiend vanaf een bank landen op een mat aan de overkant 07

kan zwaaiend vanaf een bank weer terugzwaaien en landen op diezelfde bank 08

7 Werpen en vangen

kan een voorwerp wegwerpen (hoeft niet gericht te zijn) 01

kan een voorwerp wegwerpen waarbij het voorwerp minstens 1 meter verder terechtkomt 02

kan een voorwerp wegwerpen waarbij het voorwerp minstens 2 meter verder terechtkomt 03

kan een voorwerp minstens 5 meter verder wegwerpen 04

kan een voorwerp vangen (precies goed aangegooid door de lkr) op een afstand van een halve meter 05

kan een voorwerp vangen (precies goed aangegooid door de lkr) op een afstand van een hele meter 06

kan een voorwerp vangen (precies goed aangegooid door de lkr) op een afstand van 2 meter 07

kan een voorwerp vangen (precies goed aangegooid door de lkr) op een afstand van 5 meter 08

8 Mikken

kan een bal door een hoepel mikken, die op 1 meter afstand horizontaal omhoog gehouden wordt 05

kan een pittenzak mikken in een vast, op de grond liggend doel zoals een hoepel of korf, dat zich op 2 meter
afstand bevindt 05

kan een bal gericht mikken op een kast, die zich op 2 meter afstand bevindt 06

kan een bal gericht mikken op een kast, die zich op 4 meter afstand bevindt 07

kan een bal gericht mikken op een mat, die zich op 2 meter afstand op de grond bevindt 08

kan een bal gericht mikken op een mat, die zich op 4 meter afstand op de grond bevindt 09

kan een bal door en hoepel mikken, die op 1 meter afstand horizontaal omhoog gehouden wordt 10

kan een bal door een hoepel mikken, die op 1 meter afstand verticaal omhoog gehouden wordt 10

kan een bal door een korf op een paal mikken, vanaf 1 meter afstand 11

kan een bal door een korf op een paal mikken, vanaf 3 meter afstand 12

9 Stuiten

kan een bal gedurende 1 minuut stuiten en opvangen in stilstand 05

kan een bal gedurende 1 minuut stuiten tijdens het lopen 06

kan een bal gedurende 1 minuut stuiten tijdens een looppas 07



10 Schoppen

kan tegen een bal aan schoppen 05

kan zodanig tegen een bal aanschoppen, dat de bal in de vooraf bepaalde richting gaat 06

kan zodanig tegen een bal aanschoppen, dat de bal de hoogte ingaat 07


schopt de bal in een doel of tegen een rechtopstaande mat (zonder keeper) 08

11 Slaan met knuppel, racket of bat

kan een zachte bal raken met een daarvoor bestemd racket 04

kan een zachte bal gericht slaan met een daarvoor bestemd racket 05

kan een bal raken met een plankje (is bat) 08

kan een bal gericht slaan met een plankje (is bat) 09

kan een bal raken met een knuppel 10

kan een bal gericht slaan met een knuppel 11

12 Tikspelen

kan verschillende "wegloop-tikspelen naar vrijheid" spelen, waarbij de lkr tikker is 06

is in staat verschillende tikspelen met een vrijgebied te spelen 07

kan zelf tikker zijn 08



13 Trefspelen

kan verschillende "afgooi-spelen" spelen, waarbij hij de vaste afgooier ontwijkt 10

kan verschillende "afgooi-spelen" spelen, waarbij hij de steeds wisselende afgooier ontwijkt 11

kan het spel Jagerbal spelen volgens de regels 12

kan het spel Trefbal spelen volgens de regels 12

14 Doelspelen

kan verschillende doelspelen spelen, waarbij hij gericht gooit om te scoren 11

kan tijdens deze spelen omgaan met verschillende rollen: keeper, aanvaller, verdediger 12

15 Emotionele spelelementen

kan bij vermoeidheid doorzetten 05

kan omgaan met niveauverschillen binnen het team 06

kan omgaan met winnen 07

kan omgaan met verliezen 08

kan incasseren 09



16 Georganiseerde sport buiten school

neemt deel aan Sportmix 10

neemt deel aan G-Voetbal 11

zit op een gewone sport 12




Zwemmen



Zeester certificaat
Schildpad certificaat
Zeepaard certificaat
Dolfijn certificaat
Waterdiepte 0.80 – 0.90 m
Instructiebad
Instructiebad / 25 m bad
Eisen voor diploma A
Eisen voor diploma B
Eisen voor diploma C
Afstandsbrevetten




Zeester-certificaat

Ik kan mijn neus in het water doen 03

Ik kan mijn gezicht in het water wassen 03
Ik kan mijn oren wassen 03

ik kan mijn haren wassen 03

Ik kan spetters met mijn voeten maken 03

Ik kan naar de overkant rennen door het water 03

Ik kan van de kant af het water in springen 03

Schildpad-certificaat

Ik kan 5 tellen drijven op mijn rug 04

Ik kan 10 tellen drijven op mijn rug 04

Ik kan 5 tellen drijven op mijn buik 04

Ik kan 10 tellen drijven op mijn buik 04

Ik kan 5 tellen mijn gezicht in het water doen 04

Ik kan 10 tellen mijn gezicht in het water doen 04

Ik kan flipperen met mijn benen, op mijn rug, met mijn oren in het water 04

Ik kan flipperen met mijn benen, op mijn buik, met mijn gezicht in het water 04

Ik ben bezig met het aanleren van de beenslag op mijn rug 04

Ik ben bezig met het aanleren van de beenslag op mijn buik 04

Ik kan door een hoepel onder water zwemmen 04



Zeepaard-certfiicaat

Ik kan 10 tellen drijven op mijn rug 05

Ik kan 10 tellen drijven op mijn buik 05

Ik kan flipperen met mijn benen, op mijn rug met mjn oren in het water 05

Ik kan flipperen met mijn benen, op mijn buik met mijn gezicht in het water 05

Ik verbeter mijn beenslag op mijn buik 05

Ik leer de combinatie arm- en beenslag aan 05

Ik verbeter de beenslag op mijn rug 05

Ik kan door een wat diepere hoepel onder water zwemmen 05

Dolfijn-certificaat

Ik gebruik steeds minder drijfmiddelen 06

Ik ga mijn arm- en beenslag steeds beter combineren 06

Ik kan zonder drijfmiddelen op mijn rug zwemmen 06

Ik kan 10 tellen drijven zónder drijfmiddelen op mijn rug 06

Ik kan 10 tellen drijven zónder drijfmiddelen op mijn buik 06

Ik oefen de borstcrawl 06

Ik oefen de rugcrawl 06

Ik kan door het zeil heen zwemmen 07

Waterdiepte 0.80 - 0.90 M

door verticale hoepel duiken en een voorwerp oppakken (onder water kijken) 06

springen van de kant 06

drijven op de buik, zonder hulpmiddelen, 10 sec 06

drijven op de rug, zonder hulpmiddelen, 10 sec 06

schoolbeenslag 06

enkelvoudige rugslag 06

borst- en rugcrawl: beenslag (= trappelen) 06



Instructiebad

door verticale hoepel en doorzwemscherm 07

springen van de kant en geheel onder water gaan 07

schoolslag: met hoofd boven water in de breedte van instructiebad, mét hulpmiddelen 07

enkelvoudige rugslag: over breedte van instructiebad, mét hulpmiddelen 07

beenslag: op buik en rug 07

borst- en rugcrawl: beenslag 07

Instructiebad - 25M bad

door een verticale hoepel en doorzwemscherm 08

springen van startblok en geheel onder water gaan 08

drijven op buik en rug, zónder drijfmiddelen, 10 sec 08

schoolslag: in breedte instructiebad zónder hulpmiddelen 08

schoolslag: in lengte 25M bad mét hulpmiddelen 08

enkelvoudige rugslag: in lengte 25M bad mét hulpmiddelen 08

borst- en rugcrawl 08



Eisen voor Diploma A 25M bad

gekleed: met voetsprong te water, 15 seconden watertrappelen 08

gekleed: 12,5 M schoolslag 08

gekleed: onder een lijn doorduiken, halve draai om lengte-as 08

gekleed: 12,5 M rugslag 08

uit het water klimmen 08


badkleding: met een sprong te water, onder water oriënteren, 3m onder water zwemmen en door gat in zeil 09

badkleding: 50M schoolslag, en 50 M enkelvoudige rugslag 09

badkleding: (uit-)drijven op borst, (uit-)drijven op rug 09

badkleding:8 M borstcrawl (accent op benen) 09

badkleding:8 M rugcrawl (accent op benen) 09

ibadkleding: 60 sec watertrappelen, waarbij 2x een hele draai om de lengte-as 09



Eisen voor Diploma B, 25M bad

gekleed: met voetsrpong te water, halve draai om lengte-as 09

gekleed: 30 sec watertrappelen 09

gekleed: 25 M schoolslag 09

gekleed: onder vlot doorzwemmen, hele draai om de lengte-as 09

gekleed: 25 M enkelvoudige rugslag, uit het water klimmen 09

badkleding: met kopsprong te water en onder water oriënteren en 6 m onder water zwemmen door gat in zeil 10

badkleding: 75 M schoolslag, waarbij 3x voetwaarts naar de bodem zakken 10

badkleding: 75 M enkelvoudige rugslag 10

badkleding: (uit)drijven op borst, (uit)drijven op rug 10

badkleding: 10 M borstcrawl 10

badkleding: 10 M rugcrawl 10

badkleding: 30 sec watertrappelen met armen en benen 10

badkleding:30 sec watertrappelen met alleen benen 10



Eisen voor Diploma C, 25M bad

gekleed: te water gaan met rol voorover 11

gekleed: 30 sec watertrappelen 11

gekleed: 30 sec drijven 11

gekleed:50 M schoolslag, ónder vlot doorzwemmen en óver vlot heenklimmen 11

gekleed: 50 M enkelvoudige rugslag, en dan uit het water klimmen 11

badkleding: met kopsprong te water gaan en onder water oriënteren, 9M onder water zwemmen, door
gat in zeil 11

badkleding; 125 M schoolslag, waarbij 2x koprol voorover én 2x hoofdwaarts naar de bodem duiken 11

badkleding:100 M enkelvoudige rugslag 11

badkleding: (uit)drijven op borst, (uit)drijven op rug 11

badkleding: 15 M borstcrawl 11

badkleding: 5 M wrikken 11

badkleding: 15 M rugcrawl 11

badkleding: hurksprong te water en 30 sec watertrappelen met armen en benen én verplaatsen 11

badkleding: 30 sec verticaal drijven met gebruik van de armen 11

Afstandsbrevetten (in badkleding)

200 meter = 8 baantjes 12

400 meter = 16 baantjes 12

600 meter = 24 baantjes 12

800 meter = 32 baantjes 12

1000 meter = 40 baantjes 12

1500 meter = 60 baantjes 12

2000 meter = 80 baantjes 12

2500 meter = 100 baantjes 12

3000 meter = 120 baantjes 12



Beeldende vorming (Kunstzinnige Oriëntatie)



1.Expressie met materialen
2. Tekenen
3. Knutselen
4. Technieken
5. Werkstukken bekijken en laten bekijken



1 Expressie met materialen

Speelt ongericht met materialen als nat zand, vingerverf en potlood 01

Slaat, trekt, klapt, en duwt met brooddeeg 02

Drukt zijn hand af in nat gips 02

Slaat, trekt, klapt en duwt met fimoklei 03

Rolt ongericht brooddeeg met platte hand 03

Rolt ongericht fimoklei met platte hand 04

Slaat, trekt, klapt en duwt met (harde) grijze klei 05

Maakt een eigen fantasietekening met materiaal als vetkrijt 05

Zet een vooraf bedacht idee op papier met materiaal als waterverf 06

Bedenkt vooraf wat hij wil maken en blijft bij zijn idee (ik ga een huis maken, dit is een huis) 06

Tekent dingen vanuit eigen ervaring als vervoersmiddelen en dieren met materialen als potlood, vetkrijt, verf 07

Zoekt een voorbeeld om een eigen idee beter uit te drukken in een werkstuk (plaatje van een paard) 08

Maakt een werkstuk met een combinatie van werkelijkheid en fantasie (auto met vleugels) 09

Zoekt knutselmaterialen die vorm geven aan zijn verbeelding (tandenstokers zijn stekels van egel) 09

Beschrijft het effect van het gebruik van verschillende materialen als ecoline, oost-indische inkt, verf, houtskool 10

Kiest vooraf het meest geschikt materiaal om zijn idee uit te drukken 10

Kiest kleuren bij een bepaald gevoel en legt zijn kleurkeuze uit (rood bij vrolijkheid) 11



2 Tekenen (beeldende aspecten in het platte vlak)

Maakt krabbels (kronkelend over papier) zonder zijn potlood van het papier te halen 01

Herkent de kleuren rood, blauw, geel en groen 02

Pakt één kleur om mee te kleuren die hem voorhanden komt 02

Benoemt de kleuren rood, blauw, geel en groen 03

Maakt spiraalvormige krabbels op papier die op cirkels gaan lijken 03

Wisselt van kleur bij het inkleuren van een kleurplaat 04

Krast horizontaal en verticaal op papier (maakt kruizen) 04

Gebruikt juiste kleuren bij nakleuren van voorbeeld uit een kleurboek 05

Gebruikt cirkels voor van alles in zijn tekening (boom, huis, zon) 05

Kleurt binnen de lijnen 06

Tekent verdeeld over een vel papier 06

Tekent mens als een koppoter (soort lopend hoofd, benen en armen zitten aan de kop vast) 06

Tekent vierkanten bij vierkante objecten (huis) 06

Kent namen van de kleuren oranje, bruin, grijs, zwart, wit, roze, paars 07

Gebruikt objectkleuren (kleuren passend bij de realiteit) 07

Kleurt egaal een kleurplaat in 07

Benut de ruimte van het tekenpapier 07

Brengt symmetrie in tekening (in beide hoeken hetzelfde) 07

Onderscheidt grove details bij het tekenen van mens en andere figuren (romp, handen en voeten) 07

Weet dingen bewust onder of boven op een blad te tekenen (de zon bovenaan, gras beneden) 08

Tekent figuren met kleine details (wenkbrauwen, appels in boom, geslachtsdelen) 08

Tekent figuren beter in proportie (volwassenen langer dan kinderen, kleine handen) 08

Mengt met twee primaire kleuren een vooraf bedachte secundaire kleur met voorbeeld 09

Weet dat er verschillende tinten van kleuren bestaan en gebruikt deze (donkergroen, lichtblauw) 09

Tekent mannen meer vierkant, rechthoekig en lang en vrouwen rond en korter 09

Mengt met twee primaire kleuren een vooraf bedachte secundaire kleur zonder voorbeeld 10

Maakt kleuren lichter of donkerder met diverse materialen (zachter of harder drukken, meer of minder water


bij waterverf) 10

Tekent kloppend gezichten van opzij (één oog, helft van de mond) 10

Tekent eenvoudige stripverhaaltjes 10

Mengt met drie kleuren een vooraf bedachte kleur met voorbeeld (rood, blauw en wit = lichtpaars) 11

Past contrastkleuren toe om aspecten in een tekening te benadrukken 11

Gebruikt allerhande onderwerpen in zijn tekening buiten zijn directe omgeving (planeten, bergen) 11

Tekent uit het hoofd geen voorwerpen meer die je niet kan zien op een tekening (boom half achter huis) 11

Mengt met drie kleuren een vooraf bedachte kleur zonder voorbeeld (rood, blauw en wit = lichtpaars) 12

Geeft diepte aan in een tekening door voorwerpen kleiner en hoger op vel te plaatsen als ze verder weg zijn 12

Geeft ruimtelijke verhoudingen aan in een tekening (huis in diepte) 12

Tekent een voorwerp na vanuit een gezichtshoek (oor van de koffiekop dat niet te zien is vanuit zijn
gezichtshoek wordt niet getekend) 12

3 Knutselen

Kneedt nat zand in vormen (hoopjes maken en plat slaan) 02

Beplakt een papier met stukjes papier of kosteloos materiaal 03

Maakt met brooddeeg verschillende vormen als grote en kleine bollen, dikke en dunne plakken en rollen 04

Maakt met fimoklei verschillende vormen (grote en kleine bollen, dikke en dunne plakken en rollen) 05

Kneedt ongericht (harde) grijze klei 05

Maakt een bouwsel met wc-rollen en lijm 05

Maakt met (harde) grijze klei verschillende vormen (grote en kleine bollen, dikke en dunne plakken en rollen) 06

Maakt een bouwsel met luciferdoosjes of kurken en lijm 06
Maakt een duimpotje door met zijn duim een holletje in klei te drukken 07

Stelt een vorm samen met kosteloos materiaal als doosjes, kurken en lijm met voorbeeld (voertuig) 07

Brengt symmetrie in een bouwsel 07

Kent de juiste vormen bij objecten en maakt deze globaal na met klei (kop is rond, benen zijn lang) 08

Maakt een bouwsel met rietjes of lollystokjes en lijm (rond hutje) 08

Boetseert vierkantjes en kubussen van klei 09

Maakt bouwsels waarbij hij zelf kosteloze materialen kiest en combineert (vlot van wc-rollen en lollystokjes) 09

Maakt met klei specifieke vormkenmerken na van mensen en dieren (olifant met slurf en staart) 10

Maakt collage door overlappend te plakken en papier halfruimtelijk te verwerken (papier krullen, buigen,
vouwen) 10

Bevestigt functionele details aan kleiwerken (oor aan kopje) 11

Bouwt een potje met ringen van klei (opbouwen van holle vormen) 11

4 Technieken

Kan stempelen met textielverf 04

Kan stukjes stof scheuren 05

Kan stukjes stof knippen 05

Kan stukjes stof opplakken 05

Kan pompoentjes maken 06

Kan stof verven en afbinden 06

Kan inkleuren met textielstiften 06

Kan weven met repen gescheurde stof 06

Kan een grove rijgsteek maken 06

Kan borduren op een borduurkaart 06

Kan vingerhaken 08

Kan punniken 08

Kan knopen 08



5 Werkstukken bekijken en laten bekijken

Herkent dingen in krabbels/ vormen die hij tekent/ maakt, maar noemt steeds iets anders als hem dit gevraagd


wordt (eerst een boom, dan auto) 05
Maakt duidelijk wat voor werkje hij leuk vindt om te maken 05

Houdt vast aan de eerste betekenis van zijn tekening/werkstukje als hem hiernaar gevraagd wordt (boom blijft


boom) 06

Benoemt waarmee een eigen werkstukje is gemaakt (karton en lijm of een kwast en verf) 06

Benoemt waarmee een tekening is gemaakt (potlood, stift, wasco, krijt) 06

Benoemt aan een ander wat hij heeft gemaakt zonder dat hiernaar gevraagd wordt 07

Geeft aan welke materialen hij het liefst gebruikt 07

Laat merken dat hij het werkstuk van de ander mooi/ minder mooi vindt als hem hierom wordt gevraagd 08

Benoemt hoe een werkstuk is gemaakt bij handvaardigheid (met vouwen, kleien, plakken, knippen) 08

Benoemt hoe een tekening is gemaakt ( met stempelen, kleuren) 08

Laat merken wat hij van het werkstuk van een ander vindt zonder aanmoediging 09

Vertelt in een paar stappen hoe hij zijn werkstuk heeft gemaakt (de klei moest eerst drogen, toen kon ik hem


pas verven) 09

Is trots op een werkstuk dat hij gemaakt heeft 09

Reageert zelf op kritiek op zijn werkstuk 10

Kijkt naar en praat over overeenkomst en verschillen tussen eigen en andermans kunstwerken 10

Zoekt (passende) werkstukken voor een tentoonstelling uit 11

Praat over werkstukken waarin ervaringen zijn vormgegeven (huizen, dieren, mensen, bomen, voertuigen) 11

Bekijkt beelden in het park/ op straat 11

Vertelt hoe een kunstwerk in elkaar zit qua techniek 11

Richt een tentoonstelling in van eigen werk 12

Vertelt zijn mening bij een bezoek aan een kunstmuseum, beeld of bouwwerk 12

Kijkt naar een praat over relaties tussen eigen beeldend werk en het werk van kunstenaars 12

Benoemt de betekenis van een kunstwerk 12



Muziek en Bewegen (Kunstzinnige Oriëntatie)



1. Zingen
2. Bewegen op muziek
3. Muziek beleven
4. Muziek beluisteren, onderscheiden en benoemen
5. Ritmisch muziek maken met instrumenten
6. Muziekstuk maken




Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina