Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina11/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

2 Tafeldekken

Legt zijn eigen placemats / tafellaken op tafel 02

Legt borden, bestek en bekers op tafel 03

Benoemt vijf voorwerpen die op tafel staan bij de lunch (boter, brood, hagelslag) 03

Verdeelt de borden over de tafel één op één met de stoelen die er rond de tafel staan 04

Legt het tafelkleed op tafel 04

Pakt genoemde spullen voor op tafel (brood, boter, beleg, melk, etc) en zet deze op tafel 04

Pakt evenveel borden als er eters zijn en zorgt dat er bij alle borden een mes en een vork ligt 05

Pakt de gebruikelijke spullen voor de lunch (weet waar ze staan) en verdeelt ze over de tafel (brood, boter,

beleg, melk) 06

Dekt de complete tafel voor de lunch (mes en lepel rechts, vork links) 07

Kan uitgedeelde koffie voorzien van suiker en melk en een lepeltje 07

Benoemt vijf voorwerpen die op tafel staan bij het avondeten (pan, bord, opscheplepel, onderzetter, kaarsen,

servet, bestek, glazen) 08

Vertelt het verschil tussen het tafeldekken voor het ontbijt, de lunch en het avondeten (wat staat wanneer op

tafel) 09

Dekt de tafel voor de hoofdmaaltijd voor meerdere personen en verdeelt de spullen over tafel (servet,

onderzetter, opscheplepel, glazen) 09


Benoemt de volgorde van een meergangen menu (koud voorgerecht, soep, hoofdgerecht, nagerecht, koffie) 10

Brengt koffie en thee rond 10

Dekt de tafel voor een chique maaltijdtijd (volgorde van het bestek voor meerdere gangen, wijnglazen, kaarsen) 11

Deelt opgeschepte borden (ook soep) uit aan mensen aan tafel (rechts uitserveren) 11

Schenkt drinken in voor mensen aan tafel (rechts van de persoon uitserveren) 11

3 Afwassen

Ruimt de tafel af en brengt de spullen naar de keuken 05

Droogt de niet-breekbare spullen van de vaat af 05

Haalt de etensresten van zijn bord en gooit het in de vuilnisbak 05

Droogt breekbare maar hanteerbare spullen van de vaat af (bord en een beker) 06

Spoelt bekers om 06

Ordent de vaat (glazen of bekers bij elkaar, pannen, bestek) 06

Doet het tafel(kleed) af met een doekje 07

Zorgt dat zijn kleren bij het afwassen schoon en droog blijven 07

Vertelt waarom sommige vaat gespoeld moet worden (water wordt vies) 07

Zet de geordende vaat in volgorde waarop het afgewassen wordt (eerst glazen/bekers, pannen op het laatst) 07

Droogt spullen met moeilijke randjes goed af 08

Maakt de vaat schoon met een borstel of een sponsje (borden, bestek en bekers) 08

Gebruikt een vaatdoek/ schuurspons om het aanrecht en fornuis mee schoon te maken/ te drogen 08

Maakt het putje van de wasbak leeg 08

Maakt een sopje voor de vaat (adequate hoeveelheid sop en juiste temperatuur) 08

Hangt het vaatdoekje en de theedoek na gebruik uit 09

Vult de vaatwasser en ruimt hem leeg 09

Wast en droogt ook grote pannen af 09

Schat in welke spullen gespoeld moeten worden 09

Bedient de vaatwasser (tablet, temperatuur instellen en aanzetten) 10

Zorgt ervoor dat de wasmachine vol zit, voordat hij gedraaid wordt 10

Schat in wanneer hij een droge theedoek nodig heeft 10

4 Boodschappen doen

Speelt boodschappen doen na in de klas 05

Haalt boodschappen bij een winkel door een boodschappenlijst af te geven (zonder betalen b.v. in een

winkeltje op school) 06

Sluit achter aan in een rij bij de kassa en wacht rustig 07

Levert de lege flessen in en levert het statiegeldbonnetje bij de kassa in 07

Doet producten op een goede manier in het mandje/ karretje (groente niet onderop) 07

Doet producten op een goede manier in de boodschappentas (groente niet onderop) 07

Neemt van thuis alle benodigdheden mee (geld, lege flessen een boodschappentas en lijst) 08

Bewaart het bonnetje op een veilige plek 08

Vraagt hulp als hij ergens niet bij kan 08

Vindt de producten van de boodschappenlijst in de supermarkt 08


Bestelt bij een aparte afdeling door te vertellen wat hij wil 08

Werkt de hele boodschappenlijst systematisch af 09

Schat in wat een boodschap ongeveer kost (ruime schatting 1-2 t.o.v. 10 euro) 09

Vraagt aan het personeel waar een product ligt in de supermarkt 09

Begrijpt welke van twee vergelijkbare producten goedkoper is (verschil min. 50 eurocent) 09

Controleert of er geld in de portemonnee zit 09

Betaalt met zijn chipknip de boodschappen 10

Pakt zijn boodschappen thuis uit en ruimt ze op de juiste plek op (in de koelkast, keuken of andere plek) 10

Leest en begrijpt hoeveel iets kost (tot 20 euro) 10

Maakt samen een boodschappenlijst voor 1 gerecht 10

Bedient de groenteweegschaal in de winkel 10

Bekijkt de datum van producten in de koelkast en gooit alles over datum weg 10

Verwacht wisselgeld als hij teveel geld heeft gegeven 11

Betaalt contant de boodschappen (met strategieën zoals altijd een euro meer betalen) 11

Vertelt welke informatie op de etiketten staat (datum, hoeveelheid, kilo/literprijs) 11

Bekijkt een boodschappenlijst en kiest de juiste winkel 11

Bekijkt en zoekt naar aanbiedingen in folders 11

Bekijkt en zoekt naar aanbiedingen in de winkel 11

Betaalt met zijn pinpas de boodschappen (inclusief pincode) 12

Maakt een keuze tussen verschillende merken (kwaliteit/prijs) 12

Maakt een boodschappenlijst op basis van de benodigdheden en de aanwezige voorraad 12

Kijkt in de winkel bij aanschaf van producten naar de houdbaarheidsdatum 12

Kiest prijsbewust een winkel om de boodschappen te doen 12

5 Garneertechnieken in ontwikkeling

6 Werken in opdracht (catering) – in ontwikkeling

7 Hygiëne – in ontwikkeling

Modulair – Metaal



1. Kennis
2. Zagen
3. Boren
4. Knippen
5. Vijlen
6. Omzetten/buigen
7. Drijven
8. Draadsnijden
9. Afwerking
10. Solderen
11. Lassen
12. Klinken
13. Felsen
14. Klemmen
15. Meten/aftekenen
16. Veiligheid



1 Kennis

Ik kan 5 metalen herkennen en benoemen (Staal, Koper, Aluminium, Messing en Zink) 03

Ik ken de eigenschappen (zwaar/licht, zacht/hard, sterk/zwak) en weet waar het voor gebruikt wordt 04

2 Zagen

Ik weet dat ik een metaalzaag voor metaal moet gebruiken 01

Ik kan met een metaalzaag metaal doorzagen 06

Ik kan een zaagblad vervangen 06

Ik kan met een elektrische figuurzaag vormen uit metaal zagen 10

3 Boren

Ik weet dat je een spiraalboor voor boren in metaal nodig hebt 01

Ik weet dat je langzaam en met een laag toerental moet boren 04

Ik weet dat ik bij het boren van dik metaal moet koelen 04

Ik kan veilig een gat in metaal boren 05

Ik kan een gat verzinken met een verzinkboor 05

Ik kan zelf een boor inspannen 05

Ik kan de boortafel op hoogte instellen 10

Ik kan de boormachine op diepte instellen 12

4 Knippen

Ik kan met een zijkniptang, kopkniptang, combinatietang draad doorknippen 04

Ik kan met een plaatschaar rechte stukken uit metaal knippen 06

Ik kan met een hefboomplaatschaar metaalplaat en draad doorknippen 07

Ik kan met een latoenschaar, blikschaar figuren uit metaal knippen 07

Ik kan met een elektrische knabbelschaar figuren uit metaal knippen 12



5 Vijlen

Ik weet welke vorm vijl ik voor m'n werkstuk moet gebruiken 01

Ik ken het verschil tussen een grove en fijne vijl en weet deze goed te gebruiken 02

Ik kan met een vijlborstel de vijl weer schoonmaken 02



6 Omzetten / Buigen

Ik kan met een platbektang, telefoontang en combinatietang metaaldraad ombuigen 06

Ik kan met een rondbuigtang, rondbektang metaaldraad rond buigen 06

Ik kan met een zetbank een stuk metaal in een hoek ombuigen en metaaldraad in eenhoek ombuigen 07

Ik kan met een wals een stuk metaal rond buigen 07

7 Drijven

Ik kan op een tas een aambeeld metaaldraad/plaat vlak slaan 07

Ik kan met een kunststofhamer metaal weer vlak slaan zonder het oppervlak te beschadigen 07

Ik kan m.b.v. een drijfmal en een bolhamer een bolle vorm in metaal drijven 08

Ik kan m.b.v. een rekhamer metaal oprekken 08

Ik kan m.b.v. een stuikhamer metaal stuiken 08

Ik kan m.b.v. een bolstaak en bolhamer hamerslag aanbrengen 08

Ik kan m.b.v. een speerhaak / hoorn van het aambeeld ronde vormen in draad / plaatmateriaal maken 09



8 Draad snijden

Ik kan met een wringijzer en draadtap schroefdraad tappen in een voorgeboord gat in metaal 12

Ik kan met een wringijzer en draadsnijplaat schroefdraad op een metalen asje draaien 12

9 Afwerking

Ik kan metaal nat glad schuren 02

Ik kan metaal polijsten m.b.v. polijstpasta en de polijstmachine 06

Ik kan m.b.v. letterponsen m'n naam in metaal ponsen 06



10 Solderen

Ik weet dat ik soldeervloeistof moet gebruiken om de soldeertin beter te laten vloeien 10

Ik kan de juiste hoeveelheid tin toevoegen om een keurige en sterke verbinding te krijgen 11

Ik kan met een soldeerbout / pistool dunne metalen aan elkaar solderen 11



11 Lassen

Ik kan met een puntlasapparaat dunne stukken plaatstaal aan elkaar lassen 10

Ik kan m.b.v. een lastrafo en elektrode dikke stukken staal aan elkaar lassen 12

12 Klinken

Ik kan voorgeboorde platen metaal d.m.v. klinknagels of popnagels met elkaar verbinden 11



13 Felsen

Ik kan twee platen metaal d.m.v. een felsnaad verbinden m.b.v. een felsijzer 11



14 Klemmen

Ik kan met spanplaatjes (ter bescherming) mijn werkstuk inspannen in een bankschroef 02

Ik kan mijn werkstuk met een plaatklem in de bankschroef inspannen 02

Ik kan met een handklem en kantklauw mijn werkstuk in de bankschroef inspannen 03

Ik kan mijn werkstuk in een boorklem inspannen bij het boren in metaal 03

Ik kan met een griptang mijn werkstuk klemmen zonder er daarna kracht op uit te hoeven oefenen 04



15 Meten en aftekenen

Ik kan met een kraspen langs een stalen rij een lijn in metaal krassen 06

Ik kan met een centerpons een putje in metaal slaan 06

Ik kan met een blokhaak / winkelhaak een haakse hoek meten of uitzetten 07

Ik kan met een metalen liniaal een maat opnemen / uitzetten 08

Ik kan met een steekpasser een cirkel in metaal aftekenen 08

Ik kan met een schuifmaat een binnen-, buiten- en dieptemaat opmeten / uitzetten 10

Ik kan met een hoogtekrasser een lijn in metaal krassen 12

Ik kan met een graadmeter een hoek overnemen of uitzetten 12

16 Veiligheid

Ik gebruik uit mezelf de veiligheidsmiddelen 02




Modulair - Repro/ Administratie



1. Repro – Papier
2. Repro – Kopiëren
3. Repro - Kopieerverwerking
4. Repro – Snijden
5. Repro – Inbinden
6. Repro – Werkoverzicht
7. Repro – Versnipperen
8. Repro – Printen
9. Repro – Scannen
10. Administratie – Stickers
11. Administratie – Brieven
12. Administratie – Labelwriter
13. Administratie – Telefoon
14. Administratie – Memo
15. Administratie – Magazijn
16. Administratie – Adressen
17. Administratie – Sorteren
18. Administratie - Agenda

1 Repro Papier

weet hoe papier gemaakt wordt 10

weet papierformaten (A3, A4, A5, A6) 10

kan d.m.v. vouwen en scheuren van een A3 een A6 maken 11

weet voorbeelden te noemen van toepassingen van verschillende formaten (kaart, boek, etc) 11

weet dat je verschillende soorten en gewichten papier hebt 12

kan m.b.v. de papiersnijder verschillende papierformaten snijden 12

2 Repro Kopiëren

kan enkelzijdig kopiëren 09

weet hoe gekopieerd moet worden met automatische invoer 10

kan dubbelzijdig kopiëren 10

kan A3 / A4 kopiëren 11

weet hoe sorteren moet worden ingesteld 11

kan verkleinen/vergroten 12

kan werken met handinvoer (gekleurd papier) 12

kan kopie donkerder/lichter instellen 12

kan m.b.v. een kopieer-opdrachtformulier zelfstandig een opdracht verwerken 12

kan een boekje kopiëren 12

3 Repro Kopieerverwerking

kan 2 bladzijden vergaren (rapen) 09

kan meer dan 2 bladzijden vergaren 09

weet hoe je een paperclip gebruikt 09


kan meerdere vergaarde stapels samenvoegen 09

kan enkelvoudig nieten 10

kan dubbel nieten 10

kan 1 blad netjes vouwen met vouwplank 11

kan 1 blad netjes vouwen zonder vouwplank 11

kan boekje vouwen 12

kan Z vouw vouwen 12

4 Repro Snijden

kan onder toezicht werken met snijmachine 10

kan van A3 A4 maken 11

5 Repro Inbinden

kan 2 gaats perforeren 11

kan 23 gaats perforeren 11

kan 4 gaats perforeren 12

kan inbinden in ringband 12

kan papier in lamineerhoes steken 12

kan lamineren (A4) 12

kan lamineermachine in stellen 12



6 Repro Werkoverzicht

schept orde 10

werkt in logische volgorde 10

ruimt de werkplek op 11

kan omgaan met werkdruk 11

voert controle (kopieën) goed uit 12

ziet wanneer het fout is gegaan 12

geeft aan wanneer het fout is gegaan 12

lost zelfstandig de fouten op 12

7 Repro Versnipperen

weet hoe de versnipperaar aan moet 06

weet hoeveel blaadjes er tegelijk maximaal door kunnen 06

weet dat je eerst de nietjes moet verwijderen 06

weet dat je eerst de paperclips moet verwijderen 06

kan onder begeleiding met de versnipperaar werken 07

kan zelfstandig met de versnipperaar werken 08

8 Repro Printen

weet hoe een all-in-one printer moet worden ingesteld voor een zwart/wit print 10

kan zelfstandig met een all-in-one printer een zwart/wit print produceren 11

9 Repro Scannen

weet hoe je moet scannen met een all-in-one printer 12

weet hoe de printer moet worden ingesteld voor een kleurenprint 12

10 Administratie Stickers

weet wat stickers zijn 09

weet dat er verschillende soorten stickers zijn 10

weet dat er verschillende formaten stickers zijn 10

kan stickers netjes plakken 11

kan op de juiste plaats stickers plakken 12

kan schrijven op stickers 12
11 Administratie Brieven

kan een papier vouwen 08

kan een brief vouwen 08

kan een brief in een envelop stoppen 09

kan een envelop sluiten 09

weet dat er verschillende formaten enveloppen zijn 10

weet dat er verschillende formaten papier zijn 10

kan verschillende formaten enveloppen herkennen 11

kan verschillende formaten papier herkennen 11

kan een envelop openen 11

kan een envelop netjes openen 12

kan meerdere papier van verschillend formaat in één envelop stoppen 12



12 Administratie Labelprinter

kan een labelprinter herkennen 09

weet wat een labelprinter is 09

kan een labelprinter aan/uit zetten 09

kan tekens/getallen invoeren op een labelprinter 10

kan teksten invoeren op een labelprinter 10

kan een spatie uitvoeren op een labelprinter 10

kan geschreven stukken tekst/tekens/getallen invoeren op een labelprinter 11

kan wissen op een labelprinter 11

kan een hoofdletter maken op een labelprinter 11

kan printen met een labelprinter 11

kan een geprint stuk tekst afsnijden met een labelprinter 11

weet dat er labeltape in een labelprinter zit 12

weet wáár de labeltape in een labelprinter zit 12

kan labeltape uit een labelprinter halen 12

kan labeltape in een labelprinter plaatsen 12

weet wanneer er nieuwe labeltape in een labelprinter moet 12

13 Administratie Telefoon

Drukt nummers in op een speelgoedtelefoon en houdt de hoorn bij zijn oor 02

Herkent het geluid van de telefoon 02

Herkent een telefoon in alle vormen, kleuren, afmetingen, namaak of echt 03

Belt en spreekt door de hoorn met een speelgoedtelefoon (iemand in dezelfde ruimte) 04

Spreekt met een ander door een telefoon 05

Drukt aangewezen nummers in op een telefoon 05

Herkent de kiestoon en de ingesprektoon 05

Herkent een bekende aan zijn naam en zijn stem en houdt een kortgesprek aan de telefoon 06

Neemt de telefoon op met “hallo” en zijn naam 06

Houdt er rekening mee dat degene aan de andere kant van de lijn niet kan zien wat hij ziet 06

kan verstaanbaar praten door de telefoon 06

Laat de ander uitpraten 07

Belt een bekende op en zegt hallo/goede morgen, middag, avond en zijn naam 07

kan de telefoon naar de persoon waarom gevraagd is, brengen 07

Zet een mobiele telefoon aan en uit 07

Vraagt met wie hij spreekt 08

Vraagt beleefd “wat zegt u” als het onduidelijk is 08

Zegt beleefd “een ogenblikje alstublieft ik haal even iemand” als iemand gehaald moet worden 08

Vertelt dat bellen geld kost en je niet te lang mag bellen 08

Belt een bekende op met het gebruik van snelkeuzenummers 09

Gebruikt de menu’s van een mobiele telefoon 09

Stuurt een sms met mobiele telefoon 09

Tikt een telefoonnummer van schrift in op de telefoon 09

Voert een door de telefoon gegeven opdracht uit 09

Luistert een antwoordapparaat/ voicemail af 09

Zoekt een nummer op in een eigen telefoongids en belt (op eigen initiatief) een bekende op 10

Geeft een door de telefoon gestelde vraag door aan de juiste persoon 10


Spreekt een voicemail of antwoordapparaat in na de piep 10

Belt een bekende op om een vraag te stellen 10

Neemt de telefoon op met “hallo”, zijn naam en de naam van de school 10

Laadt een mobiele telefoon op voordat de telefoon leeg is 11

Verbindt de telefoon door aan de juiste persoon in een (school)centrale 11

Zet een gesprek in de wacht en meldt dit aan de beller 11

Zet een mobiele telefoon uit en aan met zijn pincode 11

Vertelt het verschil tussen zakelijke en privégesprekken 12

Zoekt een nummer op in de telefoongids 12

Vult het beltegoed op een mobiele telefoon aan 12



14 Administratie Memo

kan een memo herkennen 09

weet wat een memo is 09

kan uitvoeren wat er op een eenvoudige memo staat 10

kan een memo maken 11

15 Administratie Magazijn

kan een magazijnvoorraadlijst herkennen 10

weet wat een magazijnvoorraadlijst is 10

kan een magazijnvoorraadlijst controleren 11

weet wat hij op een magazijnvoorraadlijst moet invullen 11

kan een magazijnvoorraadlijst invullen 11

kan d.m.v. een magazijnvoorraadlijst artikelen bestellen 12

kan een magazijnvoorraadlijst maken 12



16 Administratie Adressen

weet wat een postzegel is 08

weet waar een postzegel toe dient 08

weet waar een postzegel op een kaart/envelop/pakket geplakt moet worden 08

kan een postzegel plakken 08

kan een postzegel op de daarvoor bedoelde plek plakken 08

kan een adres herkennen 09

weet wat een adres is 09

weet wat het eigen adres is 09

weet dat een adres in een bepaalde volgorde geschreven/getypt moet worden 10

kan een adres in de goede volgorde schrijven/typen 10

weet dat je een adres op verschillende producten kan zetten (brief, pakket, formulier, kaart, etc.) 10

weet op welke plek op een kaart/envelop/pakket je een adres moet zetten 10

kan een adres op een kaart zetten 11

kan een adres op een envelop zetten 11

kan een adres op een pakket zetten 11

weet dat op een brievenbus van de post postcodes verdeeld zijn in 2 groepen 12

kan adressen sorteren op basis van die 2 postcode groepen 12



17 Administratie Sorteren
In ontwikkeling

18 Administratie Agenda
In ontwikkeling
Modulair - Textiel



1. Materialen- en gereedschapskennis
2. Technieken
3. Naaien met de hand
4. Naaien met de machine
5. Borduren
6. Breien

1 Materialen en gereedschapskennis

weet wat een stofschaar is 04

weet wat een drukknoop is 04

weet wat een haak en oog is 04

weet wat een centimeter is 04

weet wat een veiligheidsspeld is 04

weet wat dikke en dunne stof is 04

weet wat een rijgpen is 05

weet wat een draadinsteker is 05

weet wat een speld is 05

weet wat een naald is 05

weet wat patroonpapier is 05

weet wat naaigaren is 05

weet wat een tornmesje is 05

weet wat kleermakerskrijt is 05

weet het gebruikte materiaal en gereedschap op de juiste plek op te ruimen 05

weet wat rijggaren is 06

weet wat de goede kant is van de stof 06

weet wat de zelfkant is van de stof 06

weet veilig om te gaan met het gereedschap 08



2 Technieken

Kan stempelen met textielverf 04

Kan stukjes stof scheuren 05

Kan stukjes stof knippen 05

Kan stukjes stof opplakken 05

Kan pompoentjes maken 06

Kan stof verven en afbinden 06

Kan inkleuren met textielstiften 06

Kan weven met repen gescheurde stof 06

Kan een grove rijgsteek maken 06

Kan borduren op een borduurkaart 06

Kan vingerhaken 08

Kan punniken 08

Kan knopen 08



3 Naaien met de hand

Kan een draad door de naald doen 10

Kan een knoopje in de draad leggen 10

Kan aanhechten en afhechten 10

Kan een drukknoop aanzetten 11

Kan een haak en oog aanzetten 11

Kan rijgen/lussen 11
Kan een patroon op stof leggen 12

Kan een knoop aanzetten 12

Kan overhands dichtnaaien 12

Kan een patroon uitknippen 12

Begrijpt hoe je een patroon/zakje in elkaar stikt 12

4 Naaien met de machine

Kan de naaimachine klaarzetten 08

Kan over een rechte lijn stikken 08

Kan over een rechte lijn zigzaggen 08

Kan de juiste steek instellen 09

Kan elastiek of een koord inrijgen 09

Kan het machinelampje verwisselen 09

Kan over een glooiende lijn stikken(sturen) 10

Kan over een lijn met duidelijke hoeken stikken (voetje optillen) 10

Kan draad in de naald doen 10

Kan de onderdelen van de naaimachine benoemen 10

Kan de bovendraad inrijgen 10

Kan de onderdraad ophalen 10

Kan aanhechten en afhechten 10

Kan afwerken door te zigzaggen 10

Kan de spoel opwinden 11

Kan de spoel inbrengen 11

Kan een enkele zoom stikken 11

Kan een dubbele zoom stikken 12

Kan afwerken met biaisband 12

Kan doorstikken op de kant 12

Kan doorstikken voetje breed 12

Kan de machinenaald verwisselen 12



Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina