Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina10/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

3 Word

kan het programma Word openen 09

kan letters intypen 09

kan een woord "vet" maken 10

kan een woord onderstrepen 10

kan een woord schuin maken 10

weet waar je een lettertype kan kiezen 10

kan een plaatje invoegen 11

kan een symbool invoegen 11

kan een Word-art invoegen 11


kan een stukje tekst markeren 11

kan een tabel invoegen 12

kan een autovorm invoegen 12

kan een stuk tekst opmaken 12

kan in Microsoft Word werken 12

4 Paint

kan het Paint-programma openen 09

weet welke Tools er zijn 09

kan een tekening maken in Paint 10

kan een foto bewerken in Paint 12
5 Internet

kan op internet komen 09

weet dat www staat voor World Wide Web 09

weet dat er over de hele wereld computers met elkaar verbonden zijn 09

weet dat je op het internet informatie kan vinden 09

weet dat je via Google informatie kan vinden 10

kan via Favorieten in een programma komen 10

kan via Geschiedenis in een programma komen 10

kan zelf een adres intypen van een internetpagina 11

weet dat je niet overal vertrouwelijke informatie moet achterlaten 11

kan via het internet op een spelletjes pagina komen 12

is bekend met Hyves / Schoolbankpagina's 12



6 Mail

kan via een aangemaakte hotmail / g-mail mail lezen 10

weet hoe je bij deze mail kan komen 10

kan met hulp de gebruikersnaam intypen 10

kan met hulp het wachtwoord intypen 10

weet dat je niet aan iedereen je mailadres moet geven 10

weet dat je aan niemand je wachtwoord moet geven 10

kan zelfstandig de gebruikersnaam intypen 11

kan zelfstandig het wachtwoord intypen 11

kan via het adressenboek een mail versturen (hoeft niet iets te betekenen) 11

kan met hulp zelf een mailadres intypen 11

kan zelfstandig een mailadres intypen 12

kan een mail beantwoorden 12

7 Chat

ken het begrip online 11

kent het begrip offline 11

kan via een chat-programma chatten 12



8 Afdrukken

kan met hulp een document afdrukken 10

kan zelfstandig een document afdrukken 11

Modulair – Kaarsen maken



1. Algemeen
2. Fakkels
3. Dompelen
4. Gieten
5. Kleuren
6. Verpakken
7. Werkhouding



1 Algemeen

Weet dat in de kaarsenmakerij altijd gewerkt wordt met een schort/stofjas aan 03

Weet dat de kaarsenpannen heet zijn 03

Kent de materialen waarmee kaarsen gemaakt worden 04

Weet wanneer een dompelbus bijgevuld moet worden 05

Weet op welke wijze de dompelbussen bijgevuld kunnen worden 06


Kan op de juiste wijze de dompelbussen bijvullen 08

Kan zelfstandig een kleur uitgieten op een gietplaat 10



2 Fakkels

Weet welke stappen er gemaakt moeten worden 04

Kan zelfstandig de stokken dompelen 04

Kan repen scheuren 06

Kan de repen zelfstandig om de fakkel draaien 07

Weet hoe dik de fakkel gedompeld moet worden 07

Kan de fakkel zelfstandig kleuren 07

Dompelt zelfstandig fakkels van stof 08

Werkt zelfstandig met gietpan, minibain 11

3 Dompelen

Maakt een vloeiende beweging in de dompelwas met sprookjeskaarsen 03

Stopt op tijd zodat het frame niet onder de was komt 04

Geeft aan wanneer er teveel dompelwas uit de waspan is om goed te kunnen dompelen 04

Spant met de opspanner de kaarsenlonten voor dompelkaarsen 06

Kan zelfstandig knoopjes maken onderaan het frame en laat hier geen lont zitten 08

Weet wanneer de kaarsen de juiste dikte hebben met dompelen 09

Dompelt zelfstandig kaarsen 10

Smelt zelfstandig de kaarsen af in de afsmelter 11

Werkt zelfstandig aan de afwerking van de kaars (pointeren) 12

Bergt de dompelkaarsen op de juiste wijze op 12

4 Gieten

Kan zelfstandig de naalden van de lonten halen 05

Kan zelfstandig het afdichtdopje/klei van de mal verwijderen 05

Kan zelfstandig de kaars uit de mal halen 06

Kan de gemaake kaars opruimen in het juiste mandje/plaats 06

Weet hoe de kaars aan de onderzijde netjes wordt afgewerkt 07

Kan zelfstandig en netjes de gietmallen leegmaken 07

Kan de afgewerkte kaarsen op goede wijze opruimen in de kaarsenkast 07

Weet welke soorten kaarsen bij elkaar horen en een setje vormen 08

Weet welke lontdikte bij welke mal hoort 08

Weet hoe het lont gecentreerd moet worden 08

Kan het lont opspannen in de mal 09

Kan zelfstandig de gietmallen voorzien van het juiste lont (evt.met prikker) 10

Kan zelfstandig de gietmallen afvullen met de juiste was en de juiste hoogte 11

Kan zelfstandig een fantasiekaars maken (lont, centreren, stukjes breken, afvullen) 12

5 Kleuren

Weet op welke wijze en hoe vaak kaarsen gekleurd moeten worden 06

Kleurt dompelkaarsen met een vloeiende beweging 06

Kleurt eenvoudige gietkaarsen 07

Kleurt alle gietkaarsen 07

6 Verpakken

Kan alle ingepakte kaarsen voorzien van een sticker 03

Kan eenvoudige kaarsen inpakken in cellofaan papier 05

Kan alle kaarsen inpakken in cellofaan papier 07



7 Werkhouding

Weet dat niet alles wat je maakt voor jezelf is 03

Kan langer dan een half uur geconcentreerd aan een activiteit werken 04

Kan samenwerken in een kleine ruimte 05

Leert verantwoordelijk te zijn voor zijn/haar werkplek 06

Werkt veilig met de materialen van de kaarsenmakerij 07

Houdt werkplek schoon en overzichtelijk 08


Modulair – Kas / Tuin



1. Kas – Basiskennis en –vaardigheden
2. Kas – Gereedschapskennis
3. Kas – Zaaien
4. Kas – Verspenen
5. Kas – Stekken
6. Kas – Watergeven
7. Tuin – Basiskennis en –vaardigheden
8. Tuin – Gereedschapskennis
9. Tuin – Wieden / onkruid verwijderen
10. Tuin – Snoeien
11. Tuin – Bomen
12. Tuin – Planten
13. Tuin – Gras
14. Tuin - De groentetuin
15. Tuin – Verbrandingsmotoren



1 Kas - Basiskennis en vaardigheden

Kleedt zich om voor het werken in de kas 02

Zet planten bij het raam, zodat ze licht en warmte krijgen 04

Kent de veiligheidspictogrammen 05

Verpot plantjes naar een grotere of andere pot 05

Leerling kent 4 soorten kruiden (tijm, peterselie, salie, dille) 05

Leerling kent 5 eenjarigen (zonnebloem, afrikaantje, madeliefje, vergeet-me-nietje, viooltje) 05

Ruimt na de werkzaamheden de werkplek op 06

Zet de ramen open als het te warm is in de kas 06

Weet wat potgrond is 06

Herkent 9 soorten kruiden (tijm, peterselie, salie, dille, basilicum, bladselderij, koriander, oregano, rozemarijn) 08

Herkent 10 eenjarigen (zonnebloem, afrikaantje, madeliefje, vergeet-me-nietje, viooltje, geranium, begonia,

petunia, vlijtig liesje, schildzaad) 08

2 Kas - Gereedschapskennis

Herkent een gieter 01

Herkent een bezem 01

Herkent een bloempot 01

Herkent een stoffer en blik 01

Herkent een tuinslang 02

Herkent een zaaihulp 05

Herkent een water-geef-computer 10



3 Kas - Zaaien

Weet wat een zaadje is 05

Weet wat je nodig hebt om te zaaien 08

Weet hoe je moet zaaien 08

Weet dat je na het zaaien regelmatig moet begieten 10

Kan zaaien 10

Weet wat de levenscyclus is van zaadje tot plant 12

4 Kas - Verspenen

Weet hoe je moet verspenen 08

Weet wat je nodig hebt om te verspenen 08

Kan verspenen 09

Verpot plantjes naar een grotere of andere pot 09

5 Kas - Stekken

Weet wat stekpoeder is 08

Kan stekgoed verzorgen 08

Weet wat je nodig hebt om te stekken 08

Weet hoe je moet stekken met gebruik van stekpoeder 10

Kan stekken 11



6 Kas- Watergeven

Helpt bij het verzorgen van planten (water geven, dode stukken eruit halen) 04

Geeft voeding aan de planten 07

Geeft water in de kas met de gieter 07

Geeft water met de waterslang in de kas 08

Kan de water-geef-computer bedienen 12


7 Tuin - Basiskennis -en vaardigheden

Maakt kennis met planten en bloemen d.m.v. zintuiglijke waarneming (ruiken, zien, tasten) 01

Benoemt de blaadjes, bloemen, vruchten aan een boom of een plant 02

Kleedt zich om voor het werken in de tuin 02

Onderscheidt planten en bloemen, struiken en bomen door de afbeeldingen bij elkaar te leggen 04

Loopt met volle kruiwagen (lichaamshouding) 05

Herkent 6 bolgewassen (tulp, narcis, hyacint, sneeuwklokje, krokus, blauwe druifjes) 05

Kent de veiligheidspictogrammen 05

Benoemt verschil tussen een siertuin en een groentetuin 05

Geeft de planten water met een gieter 07

Harkt bladeren bij elkaar m.b.v. een bladhark 08

Geeft de tuin water met een tuinslang 08

Voelt zich verantwoordelijk voor de spullen in de tuin (opruimen en schoonmaken) 08

Ruimt bladeren op m.b.v. een bladblazer 10

Benoemt de functie van de kleur en de geur van bloemen (aanlokken van insecten voor bestuiving) 10

Wijst de wortels, de steel/stam en de bladeren en takken van een boom of plant aan 10

Legt afbeeldingen van de levenscyclus van planten in de juiste volgorde (zaadje, kiempje, bloeien en plant) 10

Benoemt de functie van vruchten aan een plant/boom (verspreiding van de zaden) 10

Wijst de meeldraden aan en benoemt de bestuivingfunctie (welke soorten bestuiving: wind, insecten, kruis en zelfbestuiving) 10

Benoemt vier verschillende vormen van vermeerderen (zaad, stek, afleggen, enten) 10

Spit een stuk grond om met een spade 11

Weet hoe je bollen plant 12

Benoemt verschil tussen plant, struik, boom 12

Herkent organische mest 12

Herkent kunstmest 12

Weet volgorde hoe je een tuin onderhoudt 12



8 Tuin - Gereedschapskennis

Herkent een bezem 01

Herkent een gieter 01

Herkent en stoffer en blik 01

Herkent een kruiwagen 02

Herkent een bladhark 03

Herkent een schoffel 04

Herkent een tuinhark 04

Herkent een voegenkrabber 04

Herkent een handsnoeizaag 05

Herkent een heggenschaar 05

Herkent een snoeischaar 05

Herkent een takkenschaar 05

Herkent een ballastschop 06

Herkent een bats 06

Herkent een palenboor 06

Herkent een steekschop 06

Herkent een trechter 06

Herkent een grasmaaier 07

Herkent een grasschaar 07

Herkent een graskantensteker 07

Herkent een stokzaag 10

Herkent een topschaar 10

Herkent een bladblazer 10



9 Tuin - Wieden/onkruid verwijderen

Verwijdert onkruid uit bestrating 04

Verwijdert onkruid uit een tuin door te schoffelen 05

Kent 6 soorten onkruiden (paardebloem, klaver, madelief, wegebree, boterbloem) en maakt hiervan een

herbarium maakt een herbarium 06
Verwijdert onkruid uit een tuin door te wieden 06

Herkent 17 onkruiden (paardebloem, klaver, madelief, wegebree, boterbloem, brandnetel, riet, haagwinde,

hoefblad, kamille, zevenblad, straatgras, vogelmuur, wilgenroosje, kruiskruid, zuring, fluitekruid) en maakt

hiervan een herbarium 08



10 Tuin - Snoeien

Snoeit een tak met een snoeischaar 09

Gebruikt een helm bij stokzaag 10

Gebruikt een helm bij topschaar 10

Snoeit een tak met een takkenschaar 10

Zaagt een tak af met een stokzaag 10

Knipt een tak af met een topschaar 10

Zaagt een tak af met een handsnoeizaagje 11

Knipt een heg met een heggenschaar (veiligheid) 12

11 Tuin - Bomen

Benoemt 5 bomen op straat en in het park (kastanje, beuk, els, berk, eik) 05

Benoemt waarom bomen in de winter hun blad verliezen 08

Benoemt 10 bomen op straat en in het park (kastanje, beuk, els, berk, es, eik, esdoorn, populier, hollandse iep,

wilg, linde) 08

Weet hoe je een boom moet planten 10

Weet hoe je een boom snoeit 12

12 Tuin - Planten

Helpt bij het verzorgen van planten (water geven, dode stukken eruit halen) 04

Benoemt 5 planten in de tuin (welke) 05

Ziet wanneer planten water nodig hebben (droge grond, planten hangen slap) 05

Geeft wat planten nodig hebben om te groeien (aarde, voedsel, licht, water en warmte) 06

Geeft aan dat planten water drinken met hun wortels 06

Weet hoe je een plant moet planten 07

Benoemt 10 planten in de tuin (welke) 08

Benoemt verschillende vormen van planten en geeft een voorbeeld (kruiden, vaste planten, bomen, struiken,

gewassen) 12

Geeft aan dat planten voor zuurstof zorgen (assimilatie) 12

13 Tuin - Gras

Maait een stuk gras met een handmaaier 06

Knipt de graskanten met een grasschaar 06

Maait een stuk gras met een motormaaier (veiligheid) 08

Steekt graskanten af met een graskantensteker 10

Bemest een stuk gras op aanwijzing (welke mest) 12



14 Tuin - De groentetuin

Weet verschil tussen groente en fruit 05

Herkent 5 groentes (aardappel, andijvie, bloemkool,boerenkool, broccoli) 05

Herkent 5 stuks fruit (aardbei, appel, banaan, druif, sinaasappel) 05

Herkent 10 groentes (aardappel, andijvie, bloemkool, boerenkool, broccoli, champignon, komkommer, mais,

paprika, prei) 08

Herkent 7 stuks fruit (aardbei, appel, banaan, druif, sinaasappel, kiwi, peer) 08

Herkent 16 groentes (aardappel, andijvie, bloemkool, boerenkool, broccoli, champignon, komkommer, mais,

paprika, prei, rode biet, sla, tomaat, ui, witlof, wortel) 10

Herkent 11 stuks fruit (aardbei, appel, banaan, druif, sinaasappel, kiwi, peer, framboos, kers, pruim, mandarijn) 10

Poot planten in de groentetuin 10

Oogst planten in de groentetuin 10

Weet wat uitdunnen is en past dit toe 11

Zaait/legt zaad in de groentetuin 12



15 Verbrandingsmotoren

kent de kenmerken van een benzinemotor 12

kent de kenmerken van een dieselmotor 12

kent de kenmerken van een mengsmeringmotor 12

weet wat 1:25 aan mengverhouding betekend (1 liter olie op 25 liter benzine) 12

weet wat een choke is 12

weet wat een bougie is 12

weet wat een verstuiver is 12

weet wat een luchtfilter doet 12

weet dat je een luchtfilter af en toe moet schoon maken 12

weet wat een carburateur is 12

weet dat je de machine mag starten 3 meter van tankpunt 12

weet dat je geen openvuur mag hebben tijdens tanken van een machine 12

weet dat je een trechter moet gebruiken als de vulopening van de tank te klein is 12

weet dat brandstoffen in de zon uitzetten 12

weet dat je olie moet controleren van een motor 12

weet hoe je olie moet controleren van een motor 12

Modulair - Klussen


1. Schilderij ophangen
2. Muurtje behangen
3. Plafond/muur sausen
4. Houten oppervlak egaal verven
5. Dakgoot schoonmaken
6. Hang- en sluitwerk
7. Wandje betegelen
8. Laminaat vloer leggen
9. Montage van onderdelen
10. Elektra verwisselen
11. Verwarming ontluchten/bijvullen
12. Deurklink herstellen
13. Verstoppingen verhelpen/bevriezing voorkomen
14. Auto schoonmaken



1 Schilderij ophangen

Ik kan passend gereedschap uitkiezen voor een uit te voeren opdracht 05

Ik kan de juiste schroef en plug voor de opdracht uitzoeken 07

Ik kan de pluggen en schroefhaken aanbrengen in het geboorde gat 08

Ik kan m.b.v. een boormachine een gat in de muur boren 10

Ik kan m.b.v. een waterpas/rolmaat gaten aftekenen voor het afhangen van een schilderij 12



2 Muurtje behangen

Ik kan een behangtafel opstellen 04

Ik kan behang uitzoeken en daarbij letten op hetzelfde serie/kleurnummer 05

Ik hanteer de picto's voor boven/onder en sluitend of overlappend plakken 06

Ik kan met een behangerskwast de lijm op de baan gelijkmatig aanbrengen 08

Ik kan de muur voorstrijken met verdunde lijm 10

Ik kan volgens de aanwijzing behangplaksel klaarmaken 10

Ik kan het overtollige stuk boven en onder de geplakte baan passend afknippen 10

Ik kan de banen op lengte knippen 10

Ik kan de hoogte van de muur opmeten met een rolmaat 12

Ik kan uitrekenen hoeveel behang ik voor een oppervlakte nodig heb 12

Ik kan een loodlijn waarlangs ik ga plakken aanbrengen op de muur 12

Ik kan de baan na het even in laten werken op de muur langs de loodlijn plakken 12

3 Plafond / muur sausen

Ik kan loszittende delen verwijderen met een plamuurmes 05

Ik kan de te sausen muur repareren met plamuur en plamuurmes 08

Ik kan de te sausen muur voorstrijken met een voorstrijkmiddel 10

Ik kan uitrekenen hoeveel saus ik nodig heb voor het te schilderen oppervlak 12

Ik kan met roller/kwast de muur netjes sausen 12



4 Houten oppervlak egaal verven

Ik kan het oppervlak glad schuren met schuurpapier/vlakschuurmachine 07

Ik kan kleine beschadigingen repareren met plamuur of kneedbaar hout 08

Ik kan de (grond)verf goed roeren en beoordelen of deze dun genoeg is 09

Ik kan te dikke (grond)verf m.b.v. terpentine/water verdunnen 10

Ik kan een laag grondverf aanbrengen met een kwast of roller 10

Ik kan de kwast of roller met het juiste middel reinigen 10

Ik kan indien nodig afplakken met schilderstape 11

Ik kan bepalen of het verf op olie of op waterbasis is 12

Ik weet of ik de verf met terpentine of met water moet verdunnen 12

Ik kan na licht schuren een tweede laag opbrengen met roller of kwast 12

5 Dakgoot schoonmaken

Ik kan het afval opruimen in de container of in de tuin 01


Ik kan m.b.v. een ladder, schepje en emmer de dakgoot leeg en schoon maken 10

Ik kan een ladder uitschuiven en veilig opstellen 10



6 Hang en sluitwerk gangbaar houden

Ik kan de deuropening schoonhouden opdat de deur goed sluit (drempelgoot) 01

Ik kan een slecht gangbaar deurslot inspuiten met siliconenspray 08

Ik kan scharnieren van piepende deuren inspuiten met siliconenspray 08

Ik kan een deur die klemt afschuren opdat hij weer dicht kan 10

Ik kan het geschuurde stuk weer bijschilderen 10

Ik kan kastdeurtjes weer recht hangen d.m.v. de verstelschroeven 12

7 Wandje betegelen

Ik kan loszittende delen verwijderen met een plamuurmes 05

Ik kan met een lijmkam de lijm verdelen over het oppervlak 10

Ik kan na uitharding voegenkit aanbrengen en na enige tijd uitwassen 10

Ik kan m.b.v. kruisjes de tegels recht naast elkaar plaatsen 11

Ik kan uitmeten hoe ik de tegels gelijkmatig wil verdelen 12

Ik kan de muur opmeten en berekenen hoeveel lijm en tegels ik nodig heb 12

Ik kan de tegels op de juiste maat afsnijden met een tegelsnijder(machine) 12

Ik kan de kanten afwerken met (overschilderbare) sanitairkit 12

8 Laminaat vloer leggen

Ik kan de ondervloer volgens het voorschrift snijden en leggen 07

Ik kan de ruimte die ik wil leggen uitmeten 12

Ik kan uitrekenen hoeveel laminaat/ondervloer ik nodig heb 12

Ik kan volgens voorschrift de delen zagen en leggen en in verhouding verdelen 12

Ik kan plinten uitmeten, zagen en plakken 12



9 Montage van onderdelen tot één groot geheel

Ik kan het benodigde gereedschap erbij zoeken 07

Ik kan alles geordend neerleggen a.h.v. de montagehandleiding 08

Ik kan de doos met onderdelen uitpakken en controleren op inhoud 08

Ik kan systematisch het te bouwen product in elkaar zetten 09

10 Elektra verwisselen

Ik kan lege batterijen verwijderen en bepalen hoeveel en wat voor soort ik nodig heb 01

Ik weet dat ik lege batterijen naar een batterijenbak moet brengen 01

Ik kan een kapotte gloeilamp/spaarlamp uit de fitting draaien 03

Ik kan een nieuwe lamp in draaien en controleren met lichtschakelaar op werking 03

Ik weet dat een TL lamp bij het chemisch afval hoort 04

Ik kan d.m.v. vergelijking een nieuwe lamp kopen met kleine/grote fitting 06

Ik kan een defect snoer vervangen door een nieuwe 09

Ik kan een defecte stekker vervangen 09

Ik kan een defecte contactdoos vervangen 09

Ik kan een defecte TL lamp vervangen en evt de starter 10

Ik kan een nieuwe stop indraaien of aardlekschakelaar weer aanzetten 12



11 Verwarming ontluchten/bijvullen

Ik kan van onder naar boven de radiatoren ontluchten met een ontluchtingssleutel 08

Ik kan aan de manometer bij de ketel zien of er moet worden bijgevuld 12

Ik kan de waterslang aansluiten 12

Ik kan de ketel, -en waterkraan openen en de ketel bijvullen tot de gewenste druk 12

Ik kan de kranen weer afsluiten en de slang afkoppelen 12

Ik kan na controle op de manometer alles opruimen of nog een keer herhalen 12
12 Deurklink herstellen

Ik kan een loszittende deurklink demonteren 06
Ik kan het euvel opsporen en de klink weer monteren 07

13 Verstoppingen verhelpen/bevriezing voorkomen

Ik kan een slecht lopende douchebak/ bad/ wastafel ontstoppen met een ontstopper 04

Ik kan tegen de vorst de buitenkraan ontluchten 07

Ik kan een verstopte zwanenhals demonteren 08

Ik kan de zwanenhals schoonspoelen, weer monteren en controleren op werking 08

14 Auto schoonhouden

Ik kan het interieur van de auto zuigen met een stofzuiger 03

Ik kan het interieur afstoffen en schoonmaken met een sopje 04

Ik kan m.b.v. water, shampoo en spons de auto aan de buitenkant wassen 05

Ik kan de autoruiten van binnen en buiten schoonmaken met schoonmaakmiddel 06
Ik kan met cleaner de auto poetsen en evt. in de was zetten 08


Modulair - Koken en Catering



1. Koken
2. Tafeldekken
3. Afwassen
4. Boodschappen doen
5. Garneertechnieken
6. Werken in opdracht (catering)
7. Hygiëne



1 Koken

Kent de functie van de waterkoker door samen thee en cup-a-soup te maken 05

Snijdt groente zoals paprika, komkommer of prei in plakjes of reepjes 05

Wast groenten en aardappels schoon 05

Kneedt deeg met zijn handen en roert ingrediënten door elkaar 06

Snijdt groente zoals courgette en aubergine in stukjes 06

Legt de benodigde spullen klaar voor het maken van een tosti 06

Smeert zijn eigen boterham voor de tosti 06

Stopt eten in de oven/magnetron en zet hem aan 06

Benoemt vijf voorwerpen uit de keuken (weeg-schaal, (koeken)pan, pollepel, oven) 06

Roostert brood in de broodrooster 07

Opent pakken, potten en flessen met schroefdop 07

Snijdt groente op verschillende manieren (broccoli in roosjes, tomaat in partjes) 07

Stelt een tijd in op de magnetron/oven 07

Noemt de basisingrediënten van de avondmaaltijd (aardappels (rijst of pasta), vlees, groente) 07

Benoemt het eten bij het zien van de verpakking (pak rijst, blik bonen) 07

Ziet en beseft dat een pan, schaal of apparaat heet is en gaat daar voorzichtig mee om 08

Maakt een tosti in het tosti-apparaat m.b.v. een stappenschema 08

Leest tijd en temperatuur van een simpel geschreven instructie en voert dit in de magnetron (eenvoudig

stappenplan) 08

is voorzichtig met scherpe messen, zowel voor zichzelf als in de buurt van anderen 08

Gaat voorzichtig om met scherpe messen tijdens het snijden 08

Geeft het verschil aan tussen gezonde en ongezonde voeding met voorbeelden van eten 09

Bakt brood in een broodbak-machine met een kant en klaar pak (met een simpel geschreven instructie) 09

Benoemt de regels rondom hygiëne bij het koken (schoon mes, schort, muts, schoon aanrecht) 09

Vertelt hoe er zorgvuldig en veilig kan worden omgegaan met apparaten die heet worden 09

Werkt veilig met een elektrisch fornuis (evt. met hulpmiddelen) 09

Roert met een garde een mix of sausje totdat de klonten helemaal weg zijn 10

Gebruikt de mixer om ingrediënten te mengen en te kneden 10

Stelt m.b.v. een (kook)wekker de gewenst kooktijd in en houdt deze bij 10

Snijdt het vlees en gebruikt hiervoor een aparte plank 10

Bepaalt de stand van een elektrisch fornuis 10

Bedient adequaat een gasfornuis met automatische ontsteker 11

Controleert altijd na het koken of het gas uit staat 11

Opent blikken met een blikopener 11

Bakt eieren in de pan 11

kookt eieren 11

ruimt de werkplek elke keer weer netjes op 11

Benoemt dat ijzeren voorwerpen nooit in een magnetron mogen 11

Bereidt kant-en-klaar producten met een stappenschema (oven en/of magnetron) 11

Frituurt snacks in een frituurpan en kan zonder gevaar het mandje bedienen 11

Bakt vlees, aardappeltjes in een pan (regelmatig omdraaien en redelijke in kunnen schatten of het gaar is) 12


Kookt groente, aardappels, rijst en pasta’s m.b.v. een stappenschema (inclusief afgieten in een vergiet) 12

Bereidt drie warme gerechten met behulp van een recept uit een kookboek of van een verpakking (geschreven) 12



Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina