De macrofagen bevinden zich in het lichaam in het bloed en in de huid



Dovnload 6.18 Kb.
Datum23.12.2017
Grootte6.18 Kb.

Van HIV naar aids 1.5
De macrofagen bevinden zich in het lichaam in het bloed en in de huid.

Dendritische cellen zijn onderdeel van het immuunsysteem. Deze cellen moet je niet verwarren met dendrieten van zenuwcellen/neuronen. Ze hebben hun naam te danken aan de vorm die ze hebben. Ze hebben twee verschillende taken in het menselijk lichaam:



  1. Ze zijn betrokken bij de eerste reactie van pathogenen (lichaamsvreemde stoffen/ziekteverwekkers). Ze controleren het lichaam voortdurend op de aanwezigheid van deze pathogenen.

  2. Dendritische cellen hebben de eigenschap om pathogenen te kunnen opnemen en hun antigenen aan de buitenkant van hun celmembraan te presenteren.

Het immuunsysteem van de mens kan je verdelen in de aangeboren immuniteit en de verworven immuniteit. De fagocyten hebben een belangrijke taak in de aangeboren immuniteit. Twee types van fagocyten zijn neutrofielen en macrofagen. Zij schakelen pathogenen op hun eigen manier uit door de schadelijke stoffen op te eten. Dit gebeurt door middel van fagocytose. Er zijn verschillende soorten macrofagen:

  1. Weefselmacrofagen, daarvan zijn grote aantallen te vinden in het weefsel.

  2. Giantcellen, zoals je aan de naam kan zien zijn dit hele grote cellen.

  3. Lokaal gevangen macrofagen, deze macrofagen hebben een vaste locatie. Ze zijn er om specifiekere taken uit te voeren.

  4. Alveolaire macrofagen, zij zorgen voor de afweer in de longen.

  5. Gliale cellen, hun functie is het opruimen van dode zenuwcellen.

  6. Osteoclasten, hun functie is het afbreken van bot.

Het complex in het cellmembraan waarin bij fagocyten stukjes van een gefagocyteerde ziekteverwekker zitten wordt het MHC-2 complex genoemd. Als een macrofaag een ziekteverwekker heeft gefagocyteerd (opgegeten) en gelyseerd (verteerd) dan knipt hij daarna stukjes van eiwitten van de ziekteverwekker en presenteert die op het MHC-II.


HIV is een virus, het virus geeft signalen door aan een receptor en die geven dit door aan de cel. De cel reageert bij elke stof anders. Niet elke stof kan zich aan een receptor binden. Hierdoor hebben virussen een voorkeur voor bepaalde cellen, want zonder het passende receptor kan een virus niets doen aan die cel en zelfs niet naar binnen komen. Het virus geeft via de receptoren verkeerde dingen door aan je lichaam en daardoor krijg je vervelende bijwerkingen. Het virus valt cellen aan die helpen voor het immuunsysteem.
De ziekteverwekkers worden in de vacuole verteert met eiwitten uit de lysosomen.
Als de ziekte verwekkers in een macrofaag zijn opgenomen gaan eiwitten uit lysosomen deze ziekteverwekkers bestrijden. Iedere bacterie en ieder virus heeft zijn eigen specifieke eiwitten in zijn wand zitten. Deze eiwitten zijn lichaamsvreemd en worden ook wel antigenen genoemd. Als de macrofaag de ziekte verwekker gaat afbreken dan plaats hij deze antigenen in de MHC II moleculen. De macrofaag produceert ook cytokine die de helper cel activeert. De helpercel gaat naar de macrofaag toe en plakt met zijn receptor aan de MHC II molecuul en de antigenen die daarin zitten.
De stukken ziekteverwekker die in een MHC-II complex worden getoond zijn erg klein, zo klein dat het in het MHC-II past en in de receptor van de helpercel.

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina