De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina9/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   34

Hoofdstuk 8 De Berseng.

Een woeste kreet ontsnapte aan Karnk’s keel en direct ging hij tot handelen over. In twee enorme stappen was hij bij Tipo en rukte de bibberende jongen met een reusachtige hand overeind.

"Ti! Hij is verdwaald!" schreeuwde hij. "Hem achterna. Gauw! De tunnel in!"

Tipo kwam onmiddellijk tot zijn positieven. Ook de drie monniken vertoonden een alerte aandacht. Mani ging weer op zijn voeten staan, Gorba liep met wijdopengesperde ogen naar de tunnelopening en Oerbash kwam eveneens overeind. Karnk was zo opgewonden, dat hij Tipo meesleurde naar het gat zonder dat de voeten van de jongen de grond konden raken. Hij plantte hem neer en wees: "Kijk! Die bijen halen water, ja? Als Gaosar op weg naar de bron is, zullen ze hem niet makkelijk passeren. Zie je hun rust en hun regelmaat? Kijk, daar komt er weer een. Nu, wacht even... Hup, daar is de volgende. Snap je? Gaosar is ergens verdwaald. Of hij ligt ergens plat of hij is een verkeerde richting opgegaan."

Tipo gaf niet eens antwoord meer, maar dook direct de opening in. De vier mannen verzamelden zich nu voor het gat en luisterden naar Tipo's stem, die steeds verder weg klonk, schreeuwend naar zijn verloren broer. Oerbash had een peinzende, luisterende blik in zijn ogen gekregen. Nadat er korte tijd verstreken was, duwde hij Mani de laatste waterzak in zijn handen.

"Goed," mompelde hij. "Tipo haalt Gaosar terug. Haal jij nu snel water."

Zonder tegenstribbelen kroop ook Mani naar binnen.

Tijd verstreek. De zon was steeds lager gaan staan. Karnk werd zich steeds bewuster van zijn knagende honger. Door het lange oponthoud hadden ze hun middagmaal overgeslagen. Inmiddels waren ze ook door de laatste restjes van hun wijn- en watervoorraad heen. Oerbash had een lege zak aan Mani meegegeven. Karnk’s geteisterde zenuwgestel was zodanig tot rust gekomen, mede dankzij Oerbash' kennelijke vertrouwen in de goede afloop, dat hij de opengekapte plek durfde te verlaten om naar iets eetbaars te kunnen zoeken. Gorba had eenzelfde gedachte gehad en was terug langs het oude pad gelopen. Toen beiden later met volle tassen terugkwamen, stond Mani hijgend op de open plek met twee tot de rand gevulde waterzakken.

"Ze komen er aan," zei hij. "Gaosar is ziek maar hij leeft."

Lang hoefden ze niet te wachten. Eerst verscheen Tipo's gezicht, druipnat van het zweet. Achter hem aan kroop Gaosar met dichte ogen als een mol, die geen daglicht kon verdragen. Karnk was zo ontroerd en aangeslagen dat hij niet anders dan met grofheid scheen te kunnen reageren. Hij hees met ruwe bewegingen Gaosar op zijn rug en riep: "Weg! Weg hier! Als pus uit een loopoog! Kom mee, allemaal. Ik wil onmiddellijk weg van deze plek!"

Tipo volgde hem, hoewel hij bijna aan het eind van zijn krachten leek. Mani en Gorba keken afwachtend naar Oerbash, maar die schoof zonder dralen achter Tipo aan en drong zich op het smalle pad door het woud heen langs de jongen. Zorgvuldig onderzocht hij al lopend het lichaam van Gaosar dat zich in een langverbeide overgave op Karnk’s massieve schouders liet dragen. Hij tilde het afhangende lange haar van de Halfbak omhoog om in de oren te kunnen kijken en een lange fluittoon ontsnapte aan zijn mond. Zonder te stoppen of om te kijken bromde Karnk: "Wat is er aan de hand, Basho?" waarbij opviel, dat hij niet meer de laatdunkende rasaanduiding 'Tat' gebruikte.

"Maak maar voort, Bartas," antwoordde Oerbash, "want we hebben zo gauw mogelijk een hoog kamp nodig en veel water. Hij is ziek en hij moet gewassen worden."

Hij herhaalde die instructie nog eens over zijn schouder voor de anderen. Toen ze de brede weg naar Utrag weer bereikten, versnelden ze nogmaals hun tempo. De zon stond laag aan de hemel en het zou niet lang meer duren voor het donker het zoeken naar een geschikte plaats om te overnachten zou gaan bemoeilijken. Toen ze uiteindelijk een kleine, nagenoeg onbegroeide heuvel zagen, werden er opgeluchte zuchten geslaakt. De klim naar boven vroeg vooral van Tipo het uiterste en hij moest bijna huilen toen Gorba hem ineens optilde om hem het laatste stuk te dragen. Op Oerbash' instructie werd Gaosar uitgekleed en van top tot teen gewassen. Terwijl de Tat het dikke haar van Gaosar nauwgezet kamde en ontvette met een gelige lotion die hij in een klein kruikje bleek te bewaren, wenkte hij Gorba. De lange monnik was alweer bezig met het opstellen van de oven, terwijl Mani snel en bedreven groenten zat te snijden. Karnk lag moe toe te kijken, vlak naast Gaosar.

"Heb je genoeg koningsbastpoeder voor zijn hele lichaam, Gorba?" vroeg Oerbash. De mengeling van ongerustheid en verwondering in Gorba's gelaatsuitdrukking alarmeerde Karnk direct. Hij ging weer overeind zitten en keek bezorgd naar het naakte lichaam van zijn vriend, dat er zeer wit uit zag in het snel vallende duister. Gorba opende zijn grote reistas en rommelde er een tijdlang in, totdat hij een roodleren zakje tevoorschijn haalde.

"Gorba denkt niet genoeg."

"Jij denkt zàt genoeg!" sneerde Oerbash, ondanks de situatie ook deze gelegenheid niet missend om zijn discipel te confronteren. Hij pakte het zakje aan en woog het op zijn hand.

"We zullen het moeten verdunnen," zei hij. Terwijl Oerbash het bruine poeder in zijn ene handpalm verdunde met speeksel en water, begon hij het met zijn andere hand uiterst nauwkeurig op Gaosar’s huid te smeren.

"Vertel me wat er aan de hand is, Basho," zei Karnk ongerust en op de klank van zijn stem ging ook Tipo zitten met wijd open ogen. Ondertussen legde Oerbash uit wat er gebeurd was.

"Hij is in een sluierval geraakt van een Berseng. Dat is ongunstig en gunstig. De Berseng is door alle openingen van zijn lichaam naar binnen gedrongen en hij zal er nooit meer uit verdreven kunnen worden. De koningsbast zal hem echter ineen doen schrompelen tot een uiterst klein wezen, dat hem niet veel schade kan doen. Alleen als Gaosar dingen tegen zijn diepste gevoelens in doet, breekt de Berseng door de huid naar buiten om zijn zaad te verspreiden in de lucht. Door zulk dom gedrag vermindert namelijk de natuurlijke afweer van het lichaam. Een behandeling met de koningsbast zal meestal de Berseng weer terugdringen. De pijn van de huidwonden zal Gaosar helpen om voortaan zijn zuivere intuïtie te blijven volgen."

"Wat is daar nu gunstig aan, Basho?" vroeg Tipo ongerust.

"Tja." Oerbash aarzelde. Hij boog zich voorover naar Gaosar. "Heb je me gehoord, Gaosar?"

De liggende man gromde ten teken van zijn wakker zijn. Oerbash ging verder: "De Berseng leeft nu in je zenuwgestel en in je schedel. Hij is zich bewust van het feit dat als jij sterft, dat hij ook sterft. Daarom zal hij je lichaam beschermen tegen velerlei soorten aanvallen. Hij houdt niet van tovenarij, omdat zulke kracht rechtstreeks op zijn wijkplaats wordt gericht. En hij houdt niet van de energie van de vervormers van de Shir. Hij kan zichzelf verdunnen tot een ijl schild, dat je zal omgeven met een nieuwe buitenste huid, die zulke krachten voor een deel zal terugkaatsen. Er zijn personen, die vrijwillig samenwerken met een Berseng om deze redenen, hoewel dit zeldzame wezen uitzonderlijk weinig meer voorkomt. Zijn eigenlijke gastheer is de grote staartdraak, die niet meer voorkomt in deze streken."

"Je weet er veel van," mompelde Karnk. "Heb je zelf soms zoiets aan de hand?"

"Eén van mijn eigen leermeesters leefde met een grote Berseng. Na eenentwintig maanjaren kwam het wezen in zijn geheel uit het lichaam tevoorschijn, omdat het een andere Berseng, ik vermoed van een ander geslacht, in een grot aantrof. Dat was een bijzonder onaangename gebeurtenis voor de omstanders en fataal voor zijn voormalige gastheer."

"Er is eten," klonk Mani's stem. Gaosar leek redelijk bij zijn positieven en hij kleedde zich langzaam weer aan. Zijn huid gloeide en zijn hoofd voelde aan als een holle pompoen met een kaars erin. Terwijl ze rond de vervormersoven schoven voor Mani's voortreffelijke soep, vroeg Tipo: "Die koningsbast? Hoe kunnen we daaraan komen?"

Mani gaf voor Oerbash antwoord: "Mani heeft het meegenomen uit Vuurland. Het groeit niet op de eilanden. Het is het meest waardevolle wat Mani met de Shir kan ruilen. Basho is er onbegrijpelijk royaal mee geweest."

Het laatste zei hij met een licht kribbige intonatie en zonder waarschuwing gaf Oerbash hem zo'n klinkende slag op zijn wang dat hij ondersteboven viel, de soep kletterend over hem heen. Onaangedaan aten Gorba en Oerbash door, de anderen zaten er eventjes als bevroren bij, maar toen Mani met een rood gezicht maar zonder commentaar overeind krabbelde en simpelweg opnieuw van de soep opschepte, aten ook zij weer door.

"Ik kan niet zo wennen aan die klappen, Basho," zei Tipo na enige ogenblikken stilte. Oerbash begon verbazingwekkend te giechelen en zei: "Ik heb een hartgrondige hekel aan Mani. Mijn slaag verdrijft hem echter niet. Zijn overgave en onbeperkte vertrouwen in mij beleeft hij zelf als liefde, hoewel het een voortzetting is van zijn afhankelijkheid. Mijn klappen vindt hij een prettige vorm van aandacht en erkenning. Op een nacht bind ik hem vast aan een boom en verdwijn ik. Daarom slaapt Mani nooit diep. Ik moet hem bij verrassing overvallen."

Oerbash zat nu echt kakelend te lachend. "Dat is mij eenmaal bijna gelukt, maar toen heeft Mani mij weten vast te binden. Dat zal de enige nacht geweest zijn, dat Mani echt geslapen heeft!"

Gorba en Oerbash hikten en proesten van het lachen, terwijl Mani uiterlijk onaangedaan van zijn tweede bord soep zat te genieten. In een reactie op de vreselijke spanningen van de afgelopen middag begonnen de drie reisgenoten aanvankelijk nog wat voorzichtig te glimlachen, maar na korte tijd vibreerde de hele heuveltop van het gejoel en gelach. Ook Mani had zijn uitgestreken smoelwerk laten vallen en giechelde ontspannen mee alsof iemand anders onderwerp van dit leedvermaak was geweest.

En vanuit een zeker onthecht gezichtspunt was dat natuurlijk ook zo. Lang duurde de harmonie niet. Gaosar kreeg opnieuw een krampaanval en toen dat enigszins bedaard was, hoorde hij Oerbash al weer schreeuwen tegen Karnk.

"Jij schermt je zelf voor alles af! En je leert niet, dat is het meest ergerlijke. Als je wat van me nodig hebt, is het U en Basho. Maar als ik weer de schuld moet krijgen van jouw eigen gebrek aan afstand nemen van je achterlijke gevoelens, dan ben ik ineens weer 'die Tat' en je en jij! Je hoort zelf niet meer dat je dat doet. Je herhaalt klakkeloos je eigen stompzinnigheid. Houd je mond en ga uit mijn ogen. Ik wil geen woord meer van je horen! Ga ver weg zitten! Heel ver van mij weg!"

Gaosar hoorde het getier in volume toenemen, maar hij sloot zich er bewust voor af. Pijnlijk stond hij op en liep met de wind mee het kamp uit om zich te kunnen ontlasten. Dat was een immens pijnlijk proces. Zijn darmen en zijn urinekanaal brandden. Oerbash had gezegd dat de Berseng door al zijn lichaamsopeningen naar binnen was gedrongen. Zoiets kon Gaosar nu ook voelen. Het was een afschuwelijk idee, zo afschuwelijk dat de grootte van de walging niet eens meer ruimte liet voor een rationele mening noch een herkenbaar tastbaar gevoel er over. Hij zat gehurkt aan de voet van de kleine heuvel. Harde stukken in zijn darmen werden afgewisseld door vurige golven diarree. Het deed hem zo zeer, dat hij een deel van zijn zelfbeheersing kwijt raakte. De angst dat deze ontlastingsproblemen niet en nooit meer over zouden gaan, sloeg zo hevig toe, dat hij kokhalsde. Het braaksel was niet minder vurig en bitter en zijn slokdarm voelde aan als een cocon van blaarnetels. De daaropvolgende stervensangst was zo enorm, dat hij bijna flauwviel in zijn eigen drek en kots. Met een uiterst beroep op zijn innerlijke waardigheid kroop hij een paar passen opzij om althans dàt niet mee te hoeven maken. Hij deed zijn samengeknepen ogen weer open en keek omhoog in de donkerte van het nachtelijke uitspansel boven zijn hoofd.

`Dit is ook Het,' dacht Gaosar gelaten in zijn geteisterde hurkzit. `Ik kan niet anders doen dan accepteren dat dit mij overkomen is. Anders word ik waanzinnig...' Toen na enige tijd de ergste pijn gezakt was, kon zijn brein weer positievere ideeën aan: `Als ik Oerbash moet geloven, is alles wat er gebeurt een aansporing om te leren.'

De onmetelijke flonkering van ontelbare diamanten in hun magistrale nachtelijke diepte bracht hem naar zijn kleinheid terug. `Wat is mijn gekweldheid vergeleken bij de marteling die Onstens slaven in de mijnen van Brank moeten ondergaan?' dacht hij. `Ik leef toch nog? Ti heeft me teruggehaald uit de dood. De Tat heeft me gered met zijn medicijn. Ik leef nog om dit allemaal te ervaren.'

Met een klein beetje van het water dat hij in een pannetje had meegenomen, spoelde hij zijn besmeurde mond en kin schoon. Daarna waste hij zijn aars en geslachtsdelen. Ook dat deed pijn. Een zin van Oerbash schoot door zijn hoofd. Ergens op de weg van de vulkaankrater terug naar het vorige kamp had de kleine man gezegd: "Als je niet tot rust komt in de goddelijke aard van Al Wat Is, dan blijven je ingewanden als een steen en je hart als een gebalde vuist."

De Halfbakman kwam overeind. Een zachte wind streelde zijn hete gezicht. Het was een ervaring van innige vertroosting, die voor het eerst tranen opwekte sinds hij weer bovengronds was. Ook die tranen brandden als vloeibaar vuur, maar hun aard was niet meer die van zelfmedelijden. Ondanks de martelende pijn liet hij het besef van omsloten worden door de wind, de adem van Dat Alles Om Hem Heen, in zich doorwerken. Die ontroering oversteeg alle pijn. Toen hij voelde hoe zijn neus ging lopen, wilde hij die snuiten. Onvermoede kwellingen spatten echter door zijn gezichtszenuwen. Hij kon ieder spoor van de Berseng door zijn slijmvliezen voelen.

"Au au! Ik heb hier niet om gevraagd," kreunde hij hardop met ineens losbarstende driftigheid. "Maar we zijn nu Eén, jij vervloekte Berseng en dit lichaam van deze vervloekte Halfbak. Als ik sterf, sterf jij!"



Hij veegde de tranen uit zijn ogen en keek weer naar de sterrenhemel boven hem. Aan de horizon was de wassende halve maan zichtbaar. Terwijl hij zo zat te kijken, voelde hij een snel krachtiger wordende vibratie in zijn hoofd. Alle pijn vlood plotseling uit zijn lijf en in een gedachteloze verwondering over dat fenomeen, drongen zich ineens vreemde beelden aan hem op. Zijn hoofd leek tot een bonkende ballon te worden opgeblazen en zijn oogballen ondergingen een akelige druk. Hoewel hij met een deel van zijn visuele waarneming de nachtelijke contouren van bergen en boomkruinen om zich heen zag, schoof er een aanvankelijk wazig maar naderhand scherper en lichtsterk scherm tussen. Die projectie was van een totaal andere aard dan hij ooit eerder had meegemaakt. Hoewel hij hevig was geschrokken, kon hij voldoende zichzelf blijven om te durven veronderstellen, dat de Berseng in zijn schedel met hem poogde te communiceren. Hij meende een onherkenbaar landschap te zien, kale hoge bomen, woest maar verdroogd struikgewas. Dit beeld werd waargenomen vanuit een hoge en flexibele positie. Onder zich zag hij bewegende klauwen en voortstampende poten. Reusachtige geschubde poten. Drakepoten! Er was echter iets helemaal fout. Het dier wankelde ziek en richtingloos heen en weer. Toen het viel, overkwam Gaosar de sensatie van een onbeschrijflijk verlies. Het zichtbare beeld viel weg en er kwam een gevoel voor in de plaats van stroperige draden, wegzinkend, druipend in diepe spleten in de verdroogde, gebarsten aarde. Een iele levensvorm bewoog in de spleet en de draden versmolten met het wezentje. Bewustzijn werd samengetrokken tot zijn meest minuscule vorm. Een lang wachten was aangevangen. Er volgde voor Gaosar’s geestesoog een serie losse beelden: zicht op onder hem voorbijflitsende aarde, misschien gezien door de ogen van een vleermuisachtig dier; een tweede beeld vertoonde een gapende muil met monsterlijke slagtanden, een derde beeld was overvol gevuld met roodachtig-oranje kleuren van een onherkenbare oorsprong. Liet de Berseng aan zijn nieuwe gastheer zijn parasitaire verleden zien? Nieuwe flitsen stopten met het beeld van een grote werkende vulkaan. Uit de damp en het lavavuur onder aan de helling klonk een onhoorbaar stervensgegil op. Gaosar werd deelgenoot van het trauma van een wezen dat eindelijk maar te laat een andere soortgenoot vond, het bijna-einde van een eeuwendurende zoektocht. De versmelting met de andere Berseng werd echter smartelijk verhinderd door de vulkaanuitbarsting. Later had een razende wolkbreuk van afkoelend water de verhitte hellingen tot op enorme diepte doen barsten. Op de plaats van de verbrande soortgenoot had de Berseng voor zichzelf een graf gezocht zonder werkelijk te kunnen sterven en daar had Gaosar diens sluimerende bewustzijn gewekt. Hij opende zijn ogen. Terwijl in zijn geest er aeonen verstreken leken, zag hij nauwelijks enige verandering in de stand van de maan. De gehele waarneming moest zich in een minimum van tijd hebben afgespeeld. Eventjes had hij het gevoel dat hij buiten zijn lichaam stond, kijkend naar een ander wezen, bezield door twee geesten. Als een lamp flitste er in het buitenlichamelijke bewustzijn een zin op. `Wie kijkt hier naar wie? Mijn ziel?' Er was zonder overgang een derde dimensie toegevoegd aan de lichaam-geest combinatie, die vroeger Gaosar was geweest. Iets nam iets anders waar. Met een redeloze liefde koesterde de waarnemer het belichaamde Gaosar-fenomeen. Zo groot was die insluiting dat de herinneringen en de lichamelijke bestaansrechten van de oeroude parasiet in de schedelholte moeiteloos opgenomen konden worden in het totaal. In een volgende moment was het weer de Gaosar-identiteit, die domineerde in de waarneming.

`Ik ben absurd' dacht die persoonlijkheid. `Alles is absurd. Niets heeft betekenis. Alles is anders dan ik ooit dacht. Tenminste... ik? Wie is dan mij? Wie denkt er dan?' Een uiterst teder gevoel van twijfel vaagde die totale onthechting weer weg. `Hee, hallo Gaosar. Geliefde Gaosar!' zei die twijfel. `Dit is ook HET! Leuk he?' Gaosar klom de heuvel weer op.


Aan de rand van het kamp zat Karnk op zijn brede achterwerk, zijn armen om zijn knieën geklemd. Gaosar kon in het donker zijn gezicht niet zien, maar hij raadde de uitdrukking.

"Hallo, vriend Karnk," zei hij met een hemzelf verwonderende rust en tederheid. "Wat een mooie nacht, hè?"

Karnk keek stomverbaasd op: "Hee! Gaosar! Weer een beetje in orde? Ik hoorde je kotsen. Ik wist niet of ik naar je toe moest gaan of niet. Ik ... eh, ik heb een beetje bonje met Oerbash."

"Dat zal best."

"Ik heb iets over liefde gevraagd en toen begon hij me uit te schelden en te slaan en toen... Nou ja, ik wou hem terugslaan en toen, ik weet niet wat er gebeurde, maar ik kon hem niet raken. Hij werd nogal kwaad op mij en ..."

"Tja. Dat zal wel. Hij is nu eenmaal vrij opvliegend van aard."

"Wat je opvliegend noemt. Ik kan het zo nu en dan niet uithouden, hoor!"

Karnk was ook opgestaan en samen keken ze naar de rest van het gezelschap. Er was een klein vuur aangelegd op de heuveltop, waar de overblijvende vier gestalten zwijgend omheen zaten.

"Kom," zei Gaosar. "Laten we ons maar weer bij hen voegen. Ik heb het idee dat Oerbash je inmiddels wel weer vergeven heeft."

Gaosar hoorde zichzelf praten en zijn eigen manier van doen verbaasde hem. Er was een rustige autoriteit in hem gevaren, die hij bijna niet als eigen kon ervaren. Terwijl ze op het vuur afstapten, zei Gaosar: "Basho, ik denk dat Karnk graag meer wil horen over de liefde."

Oerbash keek op. Toen zijn blik die van Gaosar kruiste, grijnsde hij vergenoegd. Hij knikte zonder iets te zeggen en wees uitnodigend naar het vuur.

"Karnk is niet anders dan ik," zei hij en zijn bruine tanden glinsterden in het contrast met zijn witte snorharen, die ver over de glimlachende lippen hingen. "Niemand is anders dan ik, nietwaar?"

Mani schonk twee volle kommen in van de opwekkende kruidenthee, die in een grote bruine ketel boven het vuur hing. Toen het warme vocht in Gaosar’s maag terecht kwam, onderging hij opnieuw een vreselijke pijnscheut, maar de kwelling duurde veel korter dan daarvoor. Hij besloot om gewoon door te drinken en daarmee eenvoudigweg zijn pijngrens te verleggen. De gedachte dat hij dit vocht later weer zou moeten lozen via zijn gepijnigde urinekanaal, ontmoedigde hem niettemin flink. Met mentaal geweld drukte hij de woorden, de zin, het hele beeld uit zijn hoofd. `Allemaal beelden van de toekomst,' dacht hij, zichzelf zo over de angst heen helpend. `Op dit moment moet ik wat drinken. Ik drink. Ik drink. Ik drink nu thee. Ik geniet er van.' Even bewoog er iets ergens in zijn geest. Een associatie van een gespitst oor, een onaardse aandacht, die volslagen nieuwe concepten in zich opnam. `Precies', fluisterde Gaosar’s innerlijke stem in dat onzichtbare Berseng-oor, `ik geniet van dit lichaam. Van dit hele lichaam. Met jou er in. Ik neem mijzelf zoals het is, voor wie en voor wat ik dan ook ben. Met wat dan ook, dat mij pijnigt of beloont. Snap je, Berseng? Ik ben jij en jij bent nu mij...'

Kennelijk had er al ondertussen een heel gesprek plaatsgevonden, dat volstrekt aan hem voorbij was gegaan. Oerbash stond weer orerend overeind en draaide zich met zijn inmiddels vertrouwde felheid om, vingerschuddend vooral naar Karnk en Mani.

"Het liefdesvuur is in zijn redeloze afhankelijkheid het meest wankele fundament voor samengaan!" verkondigde hij op scherpe toon. "Natuurlijk brandt het fel. Maar op wat?! Het brandt op je lust, op de brandstof van je lichaam, verterend tot je skelet verkoold is. De werkelijke zoektocht leidt naar het innerlijk, het zelfbewegende oneindige, dat wat zichzelf voedt buiten de tijd. Snappen jullie?" Hij maakte brede gebaren naar de hun omringende nacht. Karnk keek met gefronste wenkbrauwen en een gekwelde uitdrukking van onbegrip op naar de Tat-meester.

"Dus voor mij is het slecht om me af te geven met allerlei hitsige vrouwen?" vroeg hij onzeker. Oerbash maakte schokkerige bewegingen met zijn linkerarm alsof hij dat lichaamsdeel er maar ternauwernood van kon weerhouden om er op te slaan.

"Jij vod! Jij schijnheil! Blurpknobbel! Kijk alleen naar jouw eigen aandeel! Delg toch eerst eens jouw schuld! Jouw stompzinnige passie, jouw hersenloze omklemming verbrandt háár! Niet andersom. Bezie je egoïsme. Als het wicht je geen licht en warmte meer kan bieden, dan wordt ze weggeworpen. En dan? Daarna? Wanneer volgt dan eindelijk de laatste?"

Het werd stil. De loodzware beschuldiging bleef onopgelost in de lucht hangen. Aarzelend schoof Tipo dichterbij in de lichtkring rond het vuur.

"Basho, u sprak van liefde, die ontbreekt," zei hij voorzichtig, voorbereid op stok en hand. "Maar ik voel echt meer dan alleen mijn lust. O, Nisha, ik meen het: mijn hele wezen is toegedaan aan die vrouw. Waar is, dat mijn zaad mij des nachts ontsnapt, als ik van haar droom. Maar ik wil haar ook dienen, wat ze maar van me wil."

Grommend, in zichzelf mompelend stond Oerbash hem aan te kijken. Gaosar voelde een grote bewondering voor Tipo in hem opkomen toen hij zijn broer zo lang hoorde praten, terwijl de houding van de Tat ieder woord scheen af te keuren.

"Ik praat niet over het goed of het kwaad van jouw gevoel naar haar!" bromde Oerbash. "Het zèlf bewegen beschrijf ik. Jouw vreesloze volheid. Jouw buiten de tijd zijn, terwijl je hart klopt, je ballen jeuken en je hoofd denkt! Terwijl! Ondanks dat! Snap je het? Of niet? Nee he? Nou, wat?"

Tipo kon geen woorden voor een antwoord vinden, maar Gaosar ervoer een plotselinge lichtheid in zijn hoofd. `Deze man overspeelt me,' dacht hij even vol vrees, maar toen was ook die gedachte weer weg, vervangen door een zich eindeloos herhalende mantra in zijn hersens: `Mijn vreesloze volheid, mijn vreesloze volheid, mijn vreesloze volheid.'

Veel, veel later zag hij zichzelf zitten temidden van dit vreemde, ongelijksoortige gezelschap, dat niettemin zo verwant was, zo vertrouwd en veilig. Een diepe dankbaarheid naar Oerbash doorstroomde hem, ononderscheidbaar van een voller en voller wordend gevoel van zelfliefde. Het was zo veel, dat hij beide handen beschuttend op zijn hart moest leggen in een irreële bezorgdheid dat het orgaan er anders uit zou springen. Hij sloot zijn ogen in die extatische zelfinkeer. Om hem heen werd gedebatteerd en geschreeuwd, maar binnenin hem was er een onbenoembare vrede ontstaan.

Klap! Direct was hij weer klaarwakker. Vlak voor hem zat een verstijfde Tipo met twee knalrode wangen. De eerste klap was opnieuw aan Gaosar’s waarneming voorbijgegaan, maar de intensiteit van de tweede bracht hem totaal terug. Met een vertrokken gezicht sprong de jongen op, alsof hij door een insekt was gestoken.

"Genoeg, genoeg!" gilde hij. "Houd je broedse poten van me vandaan, of ik bega een ongeluk!"

Een eerdere keer dat zoiets was gebeurd, had Tipo's instinctieve reactie hem naar een werpmes doen grijpen, maar nu stond hij met uitgestrekte, gespannen handen, trillend als een espeblad, klaar om Oerbash naar de keel te vliegen. De Tat-meester ging echter in een volslagen kalmte op de grond zitten. Onaangedaan gebruikte hij zijn zwarte, ebbehouten stok om een stuk hout, dat iets uit het vuur was gezakt, terug te duwen. Die handeling scheen al zijn aandacht op te eisen. Van zijn stuk gebracht keek de Bakjongen neer op de ontspannen bewegingen van de monnik. Hij deed twee zeer voorzichtige stappen terug en hurkte ook weer, intens op zijn hoede, een sfeer van onwereldse alertheid uitademend. Even gespannen keken de andere aanwezigen toe, hoewel Mani druk bezig was om te doen alsof hij niet keek. Gaosar voelde hoe hij wel bij het gebeuren betrokken was, maar tegelijkertijd was het alsof hij met de ogen van iemand anders keek. Deze waarneming werd gedaan door een geheel neutrale toeschouwer, iemand die ook niet van plan leek om ooit partij te kiezen. Aan de andere kant van de kring begon ineens Gorba hard en schril te giechelen. Verrast keek iedereen zijn kant op. Juist op dat moment zag Gaosar vanuit zijn ooghoek Oerbash een bliksemende beweging maken met de zwarte stok. Op de plaats waar net nog Tipo gezeten had, zwaaide de stok nu door het luchtledige. Trillend stond de zwarte jongen iets verderop, de ogen bloeddoorlopen, z'n vuisten samenballend en weer openend. Doodrustig gooide Oerbash met zijn andere hand een nieuw stuk hout op het vuur. Een volle, warme lach overspoelde zijn gezicht.

"Heel goed, Tipo Tennen," zei hij tevreden. "Dat begint er op te lijken, beste vriend."

Tipo hield niet op met trillen. Het leek of Karnk en Mani niet gezien hadden wat er gebeurd was, zo snel had het een en ander zich afgespeeld. Er werd niets meer gezegd. Gaosar vermoedde Gorba's medeplichtigheid aan de situatie, toen hij een bedachtzame blikwisseling opving tussen hem en zijn meester. Kort daarop ging het reisgezelschap zijn slaapplaatsen in orde maken. In de verte klonk kikkergekwaak en een kort gekras van een kraai in de koeler wordende nacht. Tipo had het bepaald niet koud. Naast zich hoorde Gaosar het ratelende geluid van klapperende kaken. Alsof Tipo koorts had. Maar hij wist dat het geen koorts kon zijn. Het duurde lange tijd voor de slaap de broers kon overmannen.


Niet iedereen kon zich die avond ontspannen in het vooruitzicht van een welverdiende nachtrust. Zeker een bepaalde gedrongen zwartharige man niet. Hij stond in een vensterloze kamer in de catacomben van het Huis van Oorlog op het eiland Illyan geobsedeerd in een constructie van kristallen lenzen te turen. Zijn vingers krabden geïrriteerd in zijn gevorkte baard.

"Dit gaat niet goed, dit gaat helemaal niet goed," siste hij tussen zijn op elkaar geklemde tanden. Zijn dunne, bloedeloze lippen spanden zich toe hij aan een koord naast zijn overladen werktafel rukte. Ver weg klingelde er ergens een bel. Het dwingende geluid bracht daar een schrale jongeman tot vloeken. Hij werd midden in een masturbatie gestoord en gegeneerd bracht hij zijn kleding weer in orde. Zijn opvallend lange en dikke geslachtsdeel was in zijn gezwollen staat nog steeds duidelijk waarneembaar in de dunne grijze pofbroek.

"Oh, hoe hij mij tergt, hoe die man mij tergt!" grauwde de jongeman. Om zijn seksuele opgewondenheid te maskeren sloeg hij een lange rode mantel om en haastte zich toen door de donkere gangen naar het werkvertrek van zijn superieur, Rish Palo Kerko. Sinds twaalf jaar was Kerko Hoofduitvoerder van het Huis van Oorlog en sinds zeven jaar President van het Genootschap der Doodvorsers. Met het voorzitterschap van de Rishe Raad was hij één van de machtigste mannen van de staat geworden. Zijn assistent was op zijn minst in lichamelijk opzicht het opvallende tegendeel van zijn opdrachtgever. Hij was lang en nauwelijks gespierd, zijn lichaam getekend door jarenlange zittende arbeid. De onderbuik puilde lichtelijk uit, de lange nek boog wat naar voren, alsof het brein wilde ontsnappen aan de beperking van de opgetrokken schouders. Zijn vlassige baardgroei was onregelmatig, net als zijn dunne, sluike donkerblonde hoofdhaar. Zijn melancholieke gelaatsuitdrukking leek niet op een grote levensvreugde te wijzen. Alleen de geelgrijze snor met de parmantige punten omhoog accentueerde een bepaalde innerlijke trots. Voordat hij de deur van Rish Kerko's laboratorium opende, maakte hij met zijn linkerhand, waaraan hij een zware gouden zegelring droeg, een mysterieus teken op de deur. Geluidloos sprak zijn mond een toverformule en de zin: `Dat je moge sterven onverwijld, onverwijld aan grop en vorig!' De rituele buiging die hij bij binnenkomst maakte, stond in een wel heel schril contrast met de innig-negatieve heilwens, die hij zojuist buiten het gezichtsveld van de tovenaar had geuit. Kerko keek op.

"Houdt je wellust je niet warm genoeg, dat je zelfs binnen een mantel moet dragen, Sarlof?" vroeg hij met een bitse ironie. De assistent verontschuldigde zich met een uitgestreken gezicht: "Ik was juist van plan om buiten even de benen te strekken, Hoogedelheldere."

"Een verbazingwekkende verandering in je avondgewoontes."

De tovenaar wees naar een stoel naast zich.

"Kijk jij eens naar de kleuren van Bayin en vertel me wat je denkt. Tenminste, alleen het gedeelte van je smerige gedachten, dat betrekking heeft op het middenveld, daar in de buurt van Brank."

Sarlof verdroeg gelaten de insinuerende beledigingen en boog zich voorover naar het lenzensysteem. Aandachtig poogde hij zijn waarneming te interpreteren.

"Iemand schermt onze lezing af, Hoogedelheldere," zei hij bevreemd, maar uiterst alert nu. "En aan de hoogste rand van dat gebied vervloeien op twee plaatsen zwartpurper en oranjerood. Dat is een combinatie, die eh... Ik meen... Hoe vreemd. Ik heb dat eenmaal eerder gezien, bij eh, bij Rish Kyosad, eh tja... Inderdaad. Zwartpurper... Tijdens mijn opleiding was men er van overtuigd, dat in dat geval eh... Het zou kunnen dat eh.. iemand heeft, eh, er is, ik bedoel... Er is een oude kracht gewekt uit de vulkaan!" Zijn stem rees een halve octaaf van opwinding. "Maar dat is heel verontrustend!"

"Hoe prettig om te vernemen dat je hersens niet alleen uit spermavloeistof bestaan," was het commentaar van Kerko. "Maar wat jij ziet, dat kan ik allemaal zelf ook zien. Maar wàt is het? En wie heeft die kracht gewekt? Is Onsten aan de gang daar?"

"Het gebeurt vlakbij hem, dat is zeker, Hoogedelheldere. Onsten is bekwaam en ambitieus. Hij zou uitzonderlijk gevaarlijk voor ons kunnen worden, als hij zich verbindt met zulke oude demonen."

"Maar hoe komt Onsten aan de vaardigheid om zich voor onze lezing af te schermen? Hoe heeft hij zichzelf dat aangeleerd zonder dat ons zijn eerdere pogingen daartoe zijn opgevallen? En zwartpurper, Sarlof? Met zulke trillingen? En oranjerood er tegenaan, dat nog uitwaaiert buiten dat scherm? Dat is geen demon. Rish Kyosad uit Majeste, zei je. Ik mocht hem niet. En hij is ook altijd uit mijn buurt gebleven. Vertel me over hem."

"Rish Kyosad heeft zich steeds onttrokken aan alle verplichtingen van Staat en Raad, Hoogedelheldere. Naar een gerucht verluidde heeft hij zijn bloed vermengd met een Bindi-tovenares, tegen alle regels van het Mengkantoor in. Er is een onderzoek naar zijn handelwijze ingesteld door het Huis van Onderzoek. Zijn dood heeft echter de grond voor zulke verdere naspeuringen weggenomen."

"Ik herinner mij de zaak. Jij zat in de Bong van Getuigen2 namens het Huis van Oorlog, nietwaar? Ben je volstrekt zeker van je conclusie met betrekking tot zijn dood?"

"Ik was bij de verbranding van zijn lijk. Daarom moest ik nu aan hem denken. In het vuur nam ik dit zwartpurper waar met lijnen van zilverachtig oranje."

"Wat?! Zilver! Zilver zeg je? Heb je dat toen vastgelegd in je rapportage, snotslurf?! Nee, natuurlijk!!"

Kerko rees woedend schreeuwend op uit zijn stoel en beukte met een vuist op de tafel, terwijl het uit zijn ogen spattende vuur er op duidde, dat hij het liefst zijn ondergeschikte rechtstreeks op diens verschrikte mond had gehamerd. Sarlof was teruggedeinsd en stond nu bevend achter de tafel, terecht vertrouwend op de fysieke afstand tussen hem en zijn doldriftige superieur.

"Ik was nog maar kort assistent, Hoogedelheldere," piepte hij zenuwachtig. "Het was mijn eerste aanwezigheid in een Bong. Geen van de andere Getuigen is iets opgevallen."

"Jij walgelijke angstgier! Alleen je correcte waarneming van dit moment heeft je positie gered. Ik had je voor veertig jaar naar de keukendiensten moeten verbannen voor zulk een nalatigheid. Maar nu is er geen tijd meer te verliezen. Luister!"

Kerko gebaarde met een woeste aandrang naar de stoel naast hem en timide nam Sarlof weer plaats.

"Dàt is wat daar afgeschermd wordt, begrijp je? Het zilver! Iemand wil vermijden dat wij het zilver zien," gromde Kerko. "En dat kan maar op één ding wijzen. Onsten of iemand uit zijn omgeving heeft net zoals die vermaledijde Kyosad een Karsp3 opgespoord in een mijn en misschien nog iets gevaarlijkers, een Vlert4 of Berseng. Zulke wezens zijn zo oud, dat wij geen idee kunnen hebben over al hun vermogens en onze reacties daarop. Kyosad had duidelijk een Karsp in zijn lichaam opgenomen, dat is de betekenis van wat je zag, dat zilverachtige in het oranje. Het is goed dat hij dood is. Waarschijnlijk heeft hij zijn experiment met de parasiet niet overleefd. Ik zal nader laten uitzoeken wat daar aan de hand was, waar hij mee bezig was. We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. Jij vertrekt met de meeste spoed naar Bayin. Je confronteert Onsten met mijn chakralenzen5. Als je lensproef purper en zilver vaststelt, dan smeer je hem alle slijmpraat, die je maar kunt bedenken in zijn brein en je biedt hem een verbond met mij aan, laat zeggen, eh, de positie van Toegevoegd Uitvoerder in het Huis van Oorlog. Als je geen bijzonderheden waarneemt, dan keer je hem gewoon binnenstebuiten. Neem een Overzichter6 mee en sommeer hem voor onderzoek hierheen. Als hij uit zichzelf al praat daar, des te beter. Wees op je hoede. Ik ken hem. Hij is vreemd en onbetrouwbaar, maar de enige die beschikbaar was voor het opvoeren van de oorlogsproductie van de mijnen. Als hij je onverhoopt ombrengt, zal ik je gruwelijk wreken! Schiet op nu. Je vertrekt direct."
Met de nauwelijks opwekkende troost dat zijn verscheiden te zijner tijd tenminste gewroken zou worden, nam Assistent Hiss Sarlof de onzekere en onaangename missie naar Bayin op zich. Hij vertrok in de vroege ochtend samen met Hoofdoverzichter Mui Itward naar Bayin, op weg naar de mijnen van Brank. Onderweg passeerden de met manakonda's vliegende mannen een onopvallende heuveltop waar een onopvallend gezelschap lag te slapen. Hoewel, kennelijk lag één van de zes stille gestalten zich nogal in te spannen om het heuveltje niet te laten opvallen. Het is altijd het donkerste vlak voor de dageraad. Misschien hielp dat voldoende. Sarlof en Itward bleven inderdaad op hun koers naar de villa van Rish Uto Onsten, die een heel onprettig ontbijt stond te wachten.
Het blikkerige gezang van de eerste Dada-vogel wekte de slapers op de heuvel uit een vederlichte slagveldslaap. Allen voelden zich onuitgerust en kwetsbaar.

"Het is alsof ik de hele nacht voorbereid geweest ben op een nachtelijke overval, bereid om me dood te vechten," fluisterde Karnk tegen Gaosar.

"Er was iets heel vreemds aan de hand," beaamde de Halfbak. "Ik droomde dat ik door een dikke modder waadde en dat iets me zocht. Iets met kwade bedoelingen. Gelukkig was het blind. In de droom moest ik mijn hartslag verbergen, want dat zou hem op mijn spoor hebben kunnen brengen."

"Dat klinkt niet als een goed voorteken. Hoe liep je droom af?"

"Mijn hart vluchtte voor mij uit zonder geluid te maken en het wachtte mij op een veilige plaats weer op. Heel gek."

"Gelukkig. Dat klinkt weer beter. Het lijkt me niet op een voorspellende waarschuwing, die we ter harte moeten nemen. Wat is er aan de hand met je broer?"

Tipo's rode ogen leken er op te wijzen, dat ook hij weinig geslapen had. Toch liep hij in een aparte gemoedsgesteldheid rond, thee zettend en samen met Gorba koeken bakkend. Het meeste vreemde was dat hij zong. Vals en onverstaanbaar, maar toch.

"Ti heb ik nou nog nooit zo maar horen zingen," verwonderde Gaosar zich. De zon was nog maar net op en veel licht was er nog niet. De nachtelijke mist trok langzaam op. De mannen hoorden Oerbash aan de voet van de heuvel rondscharrelen. Wat hij zocht of deed, was niet te zien, maar flarden van een gorgelend gebrabbel bereikten hun oren. Er viel voor hen geen enkele betekenis in te onderscheiden.

"Loopt hij toverspreuken te mompelen?" vroeg Karnk zich af.

"Ik weet het niet," antwoordde Gaosar. Ze klopten hun dekens uit en maakten zich reisklaar. Toen Gaosar buiten het kamp zijn ochtendurine loosde, sneed de eerste straal als een kokend mes door zijn penis, maar daarna nam de pijn snel af. `Als het niet erger wordt dan dit, is het dragelijk,' troostte hij zichzelf. Er kwam hem een Capais gezegde te hulp: Alles is tijdelijk, het kwade en het goede...





Deel met je vrienden:
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina