De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina8/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   34

Hoofdstuk 7 Het spoor van de slang.





  • Die andere is leuk.

  • Wie?

  • Een vrije onvoorspelbare is in het spel gekomen.

  • Wat?! Hebt u zo iemand opgespoord?

  • Nee. Hij mij.

  • Hoe is dat mogelijk?

  • Hij is een onverwachte mutatie. Hij is verbonden met degene die wij zoeken.

  • Als u hem voor mijn oog weghoudt, raken wij in conflict.

  • Werkelijk?

  • Waarschijnlijk.

  • Misschien wordt dat wel eens tijd.

Het eerste wat Gaosar zag, toen hij zijn ogen weer opende, waren de lange oren van spelende konijnen in het hoge gras. Oerbash, die naast hem zat, fluisterde iets. Gaosar moest zich inspannen om hem te verstaan.

"Kijk," had Oerbash gezegd. "Dat ben jij. Jij bent een konijn. Jij wil gewoon alles simpel houden. Gezelligheid, paar leuke vrienden, spelen. Vreten en neuken. Maar dat verdraagt zich niet met je innerlijke opdracht."

Er kwam geen respons in woorden op in Gaosar’s geest, tegenspreken kon hij het niet. Lange tijd zaten de twee mannen zwijgend naast elkaar. Toen wees Oerbash naar een beweging links van hem, iets verder weg. Gaosar draaide zijn hoofd een beetje om en keek. Twee zwarte kraaien rukten en pikten aan iets op de grond. Met een grote intensiteit aten ze er van.

"Dat ben jij ook," fluisterde de Tat-meester opnieuw. "Jij bent een kraai. Jij bent handig. Jij ruimt ordelijk de rotzooi van anderen op en daar leef je van. Een kraai op de grond."

"Kijk," vervolgde hij, terwijl hij even een krassend geluid maakte. De vogels stoven de lucht in. "Kraai in de lucht. Die ziet alles. Hij is getuige van veel meer, dan wat hem direct zelf raakt. Soms brengt zijn nieuwsgierigheid hem op vreemde plaatsen..."

Gaosar zuchtte: "Vreemde plaatsen, Basho?"

De Tat bewoog niet en antwoordde ook niet. Een vertrouwd onaangenaam geluid achter hem deed Gaosar ineens opspringen. Een lange zwarte kikkerslang gleed in een geschrokken, versneld tempo zijn spiralende weg naar het meer. Oerbash was blijven zitten en keek onaangedaan naar het reptiel, dat vlak langs zijn voeten ging.

"Kijk naar jezelf, vriend Gaosar," was zijn commentaar, knikkend naar de zwarte streep in het gras. "Daar gaat jouw seksuele aspect. Je glibbert je pik achterna, op weg naar het vrouwenwater en het genot van een volle mond bewegend vlees. Tegelijkertijd ben je beangst voor die drang. Je denkt aan giftanden. Je zoekt een stok om het dier te slaan. Laat die slang toch, terg hem niet. Hij is wijzer dan jij geloven wil. En ook hij dient een doel."

Gaosar zocht naar overtuigende verdedigende argumenten, want seksueel vond hij zichzelf toch...eh. Ja... of eigenlijk nee, aan de andere kant, eh ... tja. Toen hij na verloop van tijd nog geen weerwoord had kunnen formuleren, zag hij er wijselijk maar geheel van af. Domme antwoorden leverden doorgaans verdiende klappen op in de buurt van deze man, dat had hij helder van Mani begrepen. Oerbash stond behoedzaam op, wenkend met zijn hoofd en Gaosar volgde hem. Langzaam liepen ze in het spoor van de slang naar het water toe. Hun naderbij komen deed tientallen kikkers van de walkant af plonzen.

"Daar ga jij ook, vriend!" wees Oerbash. "Het wonder van de transformatie, de kikkervis die landdier wordt. Zo leef jij ook in twee werelden. De reiger verslindt je op het land, de slang slokt je op onder water. Maar jouw kracht is dat je beiden verbindt met elkaar. Daar hoef je zelf niets voor te doen. Je simpele bestaan bewijst het en bewerkstelligt een mystieke bewondering bij iedere toeschouwer voor de grootsheid van de natuur. Begin je jezelf al de moeite waard te vinden?"
Het positieve beeld raakte en vleide de jonge Halfbak en direct daarop moest hij een sterk opkomend gevoel van zelfingenomenheid onderdrukken. Instinctief boog hij zijn gezicht wat achteruit, want in gedachten voelde hij de klap al. Maar Oerbash sloeg niet. Integendeel, hij legde in een zorgzaam gebaar een arm om Gaosar’s schouders en zei: "Je gedachten zijn alleen maar gedachten, jongen. Als je bang bent voor mijn klappen, maak je afstand. Dat is niet nodig. Verheug je op mijn aanraking, of ik je sla dan wel koester. En blijf kijken. Kijk, dáár is eenheid."

Hij wees in het water, waar grote scholen kleine voorn hun zilveren buiken lieten glinsteren: "Vis. Vraagt zich niets af. Het water is hun leven, hun tweede huid. Ze zwemmen in een vloeiende eenheid en toch zijn ze allen unieke, zelfstandige manifestaties. Zie je, dat ben jij ook. Vrouw en man, mens en goddelijk wezen, geen afstand."

Zijn stem viel weg. Gaosar voelde zich heel licht in zijn hoofd worden. Hij sloot zijn ogen. Hij onderging een gevoel alsof iets van hemzelf, dat zich buiten hem had bevonden, terugkwam in zijn lichaam. Ogen smeltend in hun kassen, hartstreek vibrerend. Verder en dieper zakte 'het' in hem, een sprakeloos samengaan. Het woord 'Eenheid' vlamde even in zijn geest op en doofde ook weer uit. Er bleef een alomvattend licht op zijn netvlies hangen. Ongemeten en onmeetbare tijd verstreek. Toen klonk weer de fluisterende stem van de Tat-meester: "Dit ben jij allemaal. Doe nu je ogen weer open en kijk nogmaals. Recht voor je."

Gaosar keek. In een perfect evenwicht daalde er een majestueuze hertenbok van de rand van de krater af naar beneden. De twee toeschouwers zaten doodstil om het dier niet te verschrikken. Nadat de bok gedronken had in het meer, klom hij weer zigzaggend omhoog en verdween.

"Durf je dàt ook te zijn, jongen?" vroeg Oerbash. "Durf je? Bèn je?"

Het visioen van dàt koningschap overviel Gaosar als een mokerslag tussen de ogen. Zijn lijf werd slap van de angst en hij zakte door zijn knieën. O, om de wereld die onverbiddelijke solitaire kracht te durven tonen, de burgerhoon trotserend! Uit louter frustratie begon hij te snikken. Tot zijn onuitsprekelijke verbazing voelde hij een strelende hand op zijn hoofd, een gebaar van wezenlijke troost. Hij rolde op zijn linkerzij, luisterend naar die rustige stem, die zei: "Ontspan, ontspan. Je hoeft dat allemaal niet onverwijld waar te maken. Het komt pas als de tijd rijp is. Maar jij rijpt voor dat moment door nu dit in je toe te laten. Jij bent ook de hertenbok, die doet wat hij wil. De vreesloze vorst."


Gaosar lag als een foetus opgerold in het gras. Oerbash lag vlak naast hem, op zijn rug met dichte ogen. Er klonken vleugelslagen in de lucht boven hen. Een uil beëindigde zijn nachtelijke jacht en vloog terug naar zijn nest ergens ver beneden in het bos. Tweemaal schreeuwde hij zijn diepe oehoe boven hun hoofden. Oerbash rolde naar Gaosar toe en zei met zijn mond vlakbij diens oor: "Hoor je jezelf, vriend? Dat is de stem van de nacht, die raad geeft, die weet. Hij is de almachtige jager, die ziet in het zwart. En hij is dodelijk voor zijn prooi, onaantastbaar voor zijn vijanden als hij eenmaal tot wasdom is gekomen..."

In de verte schreeuwde de uil nog een keer. Gaosar hoorde zichzelf. Hij werd zich van zijn opgerolde lichaam gewaar en strekte zich uit. Hij ging zitten en rekte zich uit. Zijn eigen lichaam en toch niet hemzelf.

"Ik heb honger," zei hij. Oerbash stond op.

"Laten we terug gaan naar het kamp. Ik heb je bijna alles laten zien, wat je nodig hebt. Onderweg zal ik je nog wat kleinigheden leren. Kom je?"


Zo belangrijk als het lopen had geleken, toen ze omhoog klommen, zo futiel was het nu. Gaosar had het gevoel dat hij als een vogel over de steenklompen zweefde. Oerbash bleef vertellen en liet hem allerlei oefeningen doen. Werktuigelijk deed hij zijn uiterste best, maar dat Oerbash hem aan het eind van de tocht uitbundig prees, raakte hem nauwelijks. Eén zin uit het onderricht van de Tat-meester was hem als een brandend vuur boven water bijgebleven: "WAT IS, DAT IS." En eenmaal op die golflengte zwom hij in een oceaan, waarin straf of compliment alsmede tijd en materie geen enkele betekenis meer hadden.
Karnk en Tipo keken met een mengeling van ongerustheid en ongeloof op, toen ze Oerbash en Gaosar terug zagen komen. Bij het ontwaken hadden ze Gaosar gemist en daar meteen de gruwelijkste gebeurtenissen aan verbonden. Slechts met de grootste moeite hadden Mani en Gorba hun kunnen weerhouden van een agressieve zoektocht in de omgeving.

"Oerbash houdt van de vroege ochtend. Hij heeft jullie vriend iets willen tonen, geloof Mani toch!" had de Vuurlander geroepen, los van de grond hangend aan één van de gespierde armen van Karnk, die hem razend van frustratie van zich af probeerde te duwen.

"Wat moet hij hem tonen, dat hij ons niet wil laten zien?" had Karnk geschreeuwd. "Moet ik die witte gluipbek maar vertrouwen, omdat jullie als een stel plathoofden aan zijn voeten liggen?"

Gorba had zich lang afzijdig gehouden, het kamp opruimend, thee makend en reiskoeken bakkend in de verdichter. Al zijn handelingen waren er op gericht om zijn meester direct bij diens terugkomst een smakelijk ontbijt en een vertrek-klaar gezelschap te bieden. Midden in het tumult was hij opgestaan en heel rustig naar Tipo toegelopen. Hem bij de bovenarmen grijpend had hij gevraagd: "Bakman Tipo, vertrouw jij Gorba?"

Zo'n kracht en passie vonkte er uit zijn grijze ogen, dat Tipo niet anders kon dan ja knikken. "Goed," had Gorba gezegd. "Kom dan mee."

Samen waren ze naar het schreeuwende andere tweetal toegelopen en Gorba had zijn hele grote lichaam onverzettelijk voor Karnk geplaatst. Hij was nog minstens een half hoofd kleiner dan de reus, maar zijn evenwicht was net zo goed als overwicht.

"Kijk mij in mijn ogen, Kendoman Karnk," had hij bijna zonder stemverheffing gezegd maar met een onweerlegbare nadruk. "Deze hier spreekt voor zich zelf, niet voor zijn meester. Gorba voelt jouw vriend en Basho zijn samengaande op deze moment. Geen kwaad wordt gedaan aan hem, dat voelt Gorba. Kijk naar hem. Spreekt deze man van Heirgoland waarheid of niet?"

Tipo had naast Gorba gestaan, heel emotioneel, van een aard en orde zoals hij nog nooit eerder ervaren had.

"Karnk, ik geloof hem," had hij schor gepiept. "Laten we wachten. Hou op met schreeuwen. Alsjeblieft!"

Op dat vertoon van gezamenlijke actie had Karnk zich omgedraaid en was gaan zitten. Niettemin was hij even later weer opgestaan om bij Gaosar’s spullen de lange lans te halen. Die wilde hij niet meer loslaten, totdat hij Gaosar terug zag. Mani was Tipo gaan bedanken voor zijn hulp.

"Mani was bevreesd voor de dolle kracht van je vriend," gaf de kleine man schuchter toe. "Mani en Gorba kunnen jullie niet tegenhouden als jullie weg willen, maar zij vrezen de woede van hun meester, als die straks terugkomt."

"Zou hij je slaan?"

"Wel of niet, dat maakt voor Mani niets uit. De meester zou vragen of Mani zich volledig had ingezet voor het juiste handelen."

"Heb je dat niet gedaan dan?"

"Dankzij jouw hulp, ja. Zonder jouw hulp, misschien. Misschien niet. Mani's angst was groot. Mani's praten kon de grote Bartas niet tegenhouden en Mani's magere armen al helemaal niet."

"Waarom maak je je dan druk om de mening van Oerbash daarover?" vroeg Tipo heel verbaasd. "Je hebt toch gedaan wat je kon?"

"Ja, eh... ja. Dat is zo," antwoordde Mani, alsof hem dat nu pas duidelijk werd.

"Vertel me nou ook eens wat jij precies wilt met die Tat-meester?" wilde Tipo weten. Hij was ook nieuwsgierig, maar tegelijk zocht hij in het gesprek afleiding om niet steeds zijn ongerustheid over het wegblijven van zijn broer te hoeven voelen.

"Al Mani's goede eigenschappen en al zijn gebreken zijn aan het licht getreden in de tijd dat hij de Tat dient. Die ontoereikendheden mogen niet verdrongen worden of gemaskeerd met onoprechtheid, dat slaat Basho er zonder dralen uit. Mani heeft geprobeerd anderen de schuld te geven van zijn eigen fouten. Mani heeft zijn eigen moeder en de vuurpriesters van Xlotl uit zijn geboorteland beschuldigd de oorzaak te zijn van Mani's kinderlijke en besmuikte gedrag. Ook vanwege zulke beschimpingen heeft Basho Mani vaak klappen gegeven. `Jij hebt jou zelf dat alles aangedaan' zegt de meester steeds maar weer. Begrijp je, Tipo Tennen?"

"Misschien komt nu de angst voor klappen je belemmeren?" veronderstelde Tipo. "Je bent zo bang om nog meer van dat soort fouten te maken, dat je helemaal je eigen kwaliteiten niet meer zien kan."

"O. Denk je dat?"

"Dat weet ik wel zeker," stelde Tipo met nadruk vast. "Je hoeft toch geen wonderen te verrichten? Ik zou mezelf bevuilen als ik een kwaaie Karnk Bartas tegenover me vond, met of zonder die speer, die hij nu zo zenuwachtig zit op te poetsen. Je bent toch ook maar een gewoon mens, Mani?"

"Precies! Dat zegt Basho ook. Hij wijst mij op mijn menselijkheid. Ziel en geest moeten in evenwicht zijn, zegt hij en hij wijst op het nut van liefdevol zorgen voor het lichaam, ja zeker, dat herhaalt de meester steeds."

"Je hoeft mij niet steeds te vertellen wat je meester nou jou allemaal wel of niet vertelt," zei Tipo wat geïrriteerd. "Luister je ook wel echt naar hem?"

"Ah! Dat vraagt Basho ook al iedere keer aan mij," riep Mani, bijna wanhopig, grijpend naar zijn lange schedelpunt in een gebaar van zelfkwellende gedeprimeerdheid.

"Dat kan ik me nou levendig voorstellen," antwoordde Tipo met een paar diepe zuchten. "Nou, kort en goed: ik vond het heel dapper van je dat je Karnk durfde tegen te houden, toen die als een dolle Jioe-hond het bos in wou stormen om Gaosar te zoeken. En meer valt er niet over te zeggen. Als je alleen maar tegen hem geschreeuwd had, had ik je al een held gevonden, maar je ging ook nog eens aan zijn arm hangen. Eigenlijk was dat voor mij, wat de doorslag gaf. Ik zag zoveel vertrouwen in jou, dat je dingen durfde te doen, die geen weldenkend mens zou doen."

"O, juist," knikte Mani, net of hij nog in het geheel niet aan zulke complimenten kon wennen. "O ja... eh, bedoel je dat ik geen weldenkend mens ben?"

Zoveel domheid kon ook Tipo niet verdragen: "Ik begrijp al niet meer van mijzelf, waarom ik zo met je zit te praten. Soms zeg je de schitterendste dingen en soms praat je als een eitzak. Ik ga ook enorm zin krijgen om je een klap te geven!"

Tot zijn onthutste verbazing begon Mani ineens gorgelend te schaterlachen. De kleine man sloeg zich op de knieën van plezier. Karnk en Gorba keken ook verrast op. Tussen de gierende uithalen in poogde Mani er iets van uit te leggen.

"Ineens begrepen" hinnikte hij. "Mani deed het weer. De oude dingen deed hij zonder het te merken."

Verder was er geen verstandig woord meer uit te krijgen, maar eenmaal uitgelachen zette de Vuurlander een voortreffelijk gezongen lied in zijn eigen taal in, dat de andere mannen sterk ontroerde, hoewel ze er geen woord van verstonden.

"Waar ging je lied over?" vroeg Karnk, toen het uit was.

"Mani zong over zijn dierbaarste geliefde," zei de kale monnik en na een korte, verlegen aandoende aarzeling: "Hij zong over Mani de Dappere."

"Maar dat ben je toch zelf?" vroeg Tipo in een zoveelste aanval van onbegrip over de mysterieuze kijk- en gedragswijzen van deze vreemde monniken.

"Mani IS Mani de Dappere," bevestigde de zanger. "Vandaag was Mani even de Vreesloze zonder zich dat zelf bewust te zijn, maar nu is Mani zich daar wel bewust van en daarom moet hij zijn mooiste liefdeslied zingen."

De draagwijdte van het antwoord ontging Karnk, die het voorgaande verhaal niet gehoord had, maar Tipo ging een licht op. Dat hoefde hij niet verder te laten schijnen, want op dat moment zag hij het witte baardhaar van Oerbash boven hen op de helling wapperen in de ochtendbries. Achter hem daalde Gaosar af, zo te zien in een blakende welstand. Zo'n vreugde overspoelde Tipo dat hij wel tien liederen had kunnen zingen.


Veel gezegd hoefde er niet te worden. De drie omhelsden elkaar. Hun lichamen bevestigden in een stevig vasthouden hun steeds inniger wordende vriendschap. De bloedverwantschap tussen Gaosar en Tipo viel als basis voor hun relatie weg als een toevalligheid. Er voor in de plaats kwam een besef van onvoorwaardelijke bereidheid om elkaar te helpen, te steunen door dik en dun. Alledrie waren ze zich bewust van hun intuïtieve verbond om een gezamenlijk maar nog onbekend reisdoel te willen bereiken. Karnk had door zijn bezorgdheid over Gaosar’s afwezigheid voor het eerst gevoeld, hoe hij op de Halfbakman gesteld was. Dat hij zijn leven aan de twee broers te danken had, was niet eens meer belangrijk. Hij had voor het eerst in zijn leven namelijk ervaren, dat hij een deel van een team was. Dat hij met zijn specifieke vaardigheden, zijn onverbeterlijke optimisme en humor, gevoegd bij zijn uitzonderlijke kracht, iets wezenlijks kon bijdragen aan de zich nu snel ontplooiende vitaliteit van hun drie-eenheid. Geen van de delen kon daar uit gemist worden. De gedachte dat hun nog zo prille lotsverbondenheid zou worden afgebroken, was smartelijker voor hem geweest, dan enig ander verlies hem in zijn levensdagen tot nu toe overkomen. Hij had na zijn vlucht uit Kendoland een bijzonder avontuurlijk leven geleid middels omzwervingen, die hem in en uit onbeschrijfelijke gevaren en vreugden hadden gebracht. Nooit had hij echter het soort gehechtheid ondervonden, dat in de vriendschap met deze donkere mannen was opgebloeid. Verplichtingen waren verdwenen, maar hun hartssolidariteit was onmiskenbaar. Tot aan dit moment waren ze over deze gevoelens naar elkaar nooit zo uitgesproken geweest. Voor geen mens in het Oorsprongland was immers ooit de dood ver af. De natuurlijke omgeving bracht de meest uiteenlopende vijanden van de mens in actie, nog afgezien van zijn soortgenoten uit andere stamverbanden. Kinderen werden er veel geboren, maar er stierven er ook talloze op heel jonge leeftijd. Daar waar oorlogen werden gevoerd, was slavernij normaal. Ieder individu voerde zijn eigen krankzinnige strijd om te overleven. Eén van die overlevingsmechanismen was het samenwerken in stamverband, maar Karnk had zich aan die veiligheid moeten onttrekken, omdat juist daar hem alleen de dood wachtte. Nu was er een volkomen nieuw proces op gang gebracht, dat op respect en genegenheid berustte. Ergens had Karnk het gevoel, dat dit groeiende bewustzijn van hun speciale samengaan versterkt werd door deze ontmoeting met de vreemde monniken. Gaosar wist dat wel zeker, in het bijzonder na de onvoorstelbare inwijding door Oerbash in de afgelopen uren.

`Wat gaat het allemaal hard!' dacht hij. `Ik ben pas een paar weken weg uit de valleien van de Tjetjah op Capai. Dit is mijn vierde nacht op dit eiland. Het is of alles in een stroomversnelling terecht is gekomen.'

De lucht van een opwekkende kruidenthee drong in hun neus. Gorba had bovendien naast de theepot een stapeltje nog warme maïskoeken neergelegd. Tipo maakte zich los uit hun omhelzing en produceerde een brede grijns, toen hij zich in de richting van de verrukkelijke damp omdraaide.

"Ik heb twéé broers tegenwoordig," zei hij. "En dit ruikt alsof ik bij mijn moeder thuis voor onze grot zit!"

"Eten dan!" riep Mani met hetzelfde enthousiasme en in een mum van tijd zaten ze met een bijna overdreven vertoon van huiselijke gezelligheid om het nog nagloeiende Vervormtoestel heen. Er werd druk gepraat, maar niet over de gebeurtenissen van deze vroege ochtend. Tussen de zinnen door werden er echter velerlei signalen van vergeving en verontschuldiging, van begrip en erkenning tussen Karnk en Tipo enerzijds en Mani en Gorba anderzijds uitgewisseld.
Oerbash zat wat achteraf. Tijdens de afdaling had hij een zwart stuk boomtak gevonden. Na het ontbijt nam hij het weer in zijn handen en sneed er langzaam de kern uit los. Tipo was naar hem toegegaan en had oplettend toegekeken, benieuwd naar de functie van de stok.

"Wat moet dat worden, Basho?" vroeg hij tenslotte.

"Het IS al alles," zei Oerbash kortaf.

"Maar u werkt er toch aan?" hield Tipo aan.

"Ik gooi weg wat niet de kern is."

"Maar wat wòrdt het dan?"

"Lùister jij wel eens?" vroeg Oerbash met zulk een onverholen dreiging in zijn stem, dat Tipo, die gehurkt naast hem zat, impulsief iets naar achteren hipte. Daarna zei hij kennelijk iets geheel verkeerds: "Basho, ik zit toch te luisteren?"

De linkerhand van Oerbash schoot uit en raakte Tipo vol op de wang. De jongen rolde ondersteboven, maar in de reflex van een levenslange jagerstraining kwam hij weer in een aanvalshouding op twee voeten overeind, een werpmes in zijn hand, klaar om te gooien. Karnk en Gaosar hadden het gesprek niet gevolgd noch had één van beiden goed gezien wat er gebeurd was. Ze zagen hoe Oerbash volstrekt op zijn gemak doorging met zijn snijwerk, niet eens de moeite nemend om naar Tipo's mes te kijken. Absurd was ook dat Mani en Gorba gewoon doorgingen met wat ze aan het doen waren, namelijk het opruimen en opbreken van het kamp. Geen van de anderen wist zich echter een houding te geven, Tipo nog het minst. Schaapachtig borg hij na enige momenten van wezenloze stilstand het werpmes op. Hij schuifelde naar de plaats waar zijn reistassen lagen en begon ze op zijn rug vast te maken, omdat een spoedig vertrek kennelijk de bedoeling was. Gorba stond al aan de rand van de rotspartij, klaar om bij het eerste teken van zijn meester op weg te gaan. Mani klopte Tipo bemoedigend op zijn rug.

"Zeker een beetje stomme vragen gesteld," constateerde hij zonder op een antwoord te wachtten. Oerbash was nu ook opgestaan. De zwarte stok schoof hij in zijn gordel op de plaats, waar eerder de bruine zak met het demonische aapje had gehangen. Daarna maakte hij een kort gebaar naar Gorba, die meteen de rots afsprong naar het pad door de bamboe, dat hij de vorige dag zelf gekapt had. Mani duwde Tipo voor zich uit en nam achter hem de derde plaats in. Gaosar kwam ook in beweging en volgde. Heel opvallend drong Oerbash zich daarna tussen Karnk en Gaosar in de rij in. Het lag op Karnk’s tong om er iets van te zeggen. Iets in de trant van: `Sommige types houden er niet van om de laatste te zijn,' maar een innerlijke beweging weerhield hem daar van. Z'n verstand dat zich roerde? Een slimme inschatting van een klap met de zwarte stok? Hoewel hij grote twijfels had over het optreden van de Tat, was de onmiskenbare warme relatie tussen zijn twee vrienden en deze kleine monnik voor hem een reden om zijn reserves maar voorlopig voor zich te houden.
Ze pikten snel het inmiddels vertrouwde marstempo van de monniken op. Na enige tijd vroeg Karnk met wat stemverheffing aan de voor hem bewegende rug van Oerbash: "Waar gaan we eigenlijk heen?"

Zonder zich om te draaien riep Oerbash: "Vraag jij jezelf eerst maar eens af waar jij vandaan komt!"



Met die opmerking werd Karnk’s trauma van zijn mysterieus-onbekende geboorte zo prangend in zijn gedachten gebracht, dat het hem lang stil hield. Het kon Gaosar allemaal niets schelen. Met zijn verstandelijke waarneming stelde hij vast dat ze opnieuw in de richting van Utrag gingen en hem was het best. Zijn gemoed en wezen waren nog zo vol van al het beleefde, dat het rustgevende automatisme van de mars door het bos hem zeer welkom was. Mani en Gorba deden weer wat onzinnige rondjes blebtaal, ondersteund door Tipo, die daarmee kennelijk zijn roodgloeiende rechterwang van zich af kon babbelen. Gaosar deed ook even mee, maar ervoer zelfs dat als te veel. Hij liep en liep. En dat was alles wat er was.
De zon was net over zijn middagpunt heen, toen Gorba halt hield. Het verkeer langs de weg was heel druk geworden. Zo nu en dan zagen ze boven hun hoofden zelfs de befaamde vliegtoestellen van de Shir voorbij komen. Voor Karnk was het iets bekends, maar Gaosar en Tipo waren diep onder de indruk. De reus vertelde hun wat hij er van wist. De Rishe hadden uit bepaalde materialen die ze uit de komeetmijnen op het eiland Urda dolven, een soort paneel geslepen, dat de warmte van de zon kon vasthouden. Ze gebruikten ook lenzen van dat gesteente voor allerlei magische doeleinden. Die opgeslagen zonne-energie dreef de vliegtoestellen aan en naar Karnk vertelde ook sommige terreinwagens. Gaosar had eindelijk zijn achtervolgingswaanzin stukjes bij beetjes uit zijn hoofd kunnen zetten. Zelfs toen er een grote mijnwagen voorbij ratelde, getrokken door een fel achtspan van ezelhengsten en hij er Karressoldaten in zag zitten, wist hij zijn adrenalineproductie in bedwang te houden. De beroving van Onsten had op de een of andere wijze niet een zodanig bruikbaar signalement van de dader opgeleverd dat er gericht gezocht kon worden. Gaosar had het vermoeden dat de twee keukenbedienden hun mond gehouden hadden. Dat zijn spuugdemon niet teruggekomen was, zou Onsten waarschijnlijk hogelijk verbaasd hebben. Misschien dacht de tovenaar wel aan een komplot van andere Rishe? Of misschien wilde hij juist op generlei wijze nog meer aandacht vestigen op zijn schatkamer en op zijn extreme tijdverdrijf in die kelders? Alleen dat kon verklaren dat de voorbijrijdende mijnwachters geen bijzondere aandacht schonken aan de andere weggebruikers.
Gorba zei dat hij water rook. Tipo, wiens reukvermogen eveneens buitengewoon scherp was, beaamde dat en wees zelfs een waarschijnlijke vindplaats aan. Ze gingen weer van de weg af en kapten zich soms met grote moeite een pad door de jungle. Op een zeker moment voelden ze allemaal dat ze vlakbij een bron moesten zijn, maar hun pogingen om hem te lokaliseren liepen op niets uit. Ze stonden in een natuurlijke kom tussen dichtbegroeide rotswanden. Tipo liep snuffelend rond. Hij ging op zijn hurken zitten om de sporen van kleine dieren te bestuderen. Door de dikke humuslagen op de bodem staken hier en daar stukken geelachtige steen heen, waar de sporen verdwenen.

"Ik begrijp er niets van," zei de jongen. "We moeten er vlak bovenop staan."

"Laat het denken maar even aan Gorba over," zei Oerbash ineens. "Die kan zijn drukke hoofd dan eventjes voor iets nuttigs gebruiken."

Gorba kreeg een vuurrode kleur, alsof hij betrapt werd op iets zeer onwelvoeglijks. Niettemin boog hij zich ook omlaag naar de sporen.

"Hee, dit diertjes springden, Gorba denkt," wees hij aan. Meteen onderzochten ze met zijn allen de eventuele landingsplaats van het sporenmakertje. Op kniehoogte vonden ze inderdaad de verborgen route: honderden krasjes van kleine pootjes en klauwtjes verdwenen achter de planten. Gorba kapte de wirwar van klimplanten weg tot de okerkleurige rotswand blootlag. Er gaapte een vrij smal donker gat. Gorba wees weer naar de sporen op de grond: "Grote vos gaat in. Hij klimde niet goed. Verwonde achterpoot. Dan de afdaling binnen moet zijn niet moeilijk."

De mannen aarzelden. Op hun lange en warme tocht hadden ze veel water verbruikt en een aanvulling van hun voorraad zou meer dan welkom zijn. Niettemin stond niemand een klim in het donker aan. Er zouden slangen kunnen zijn, maar ook felbijtende vleermuizen zouden voor onplezierige confrontaties kunnen zorgen. Het benauwde kaalgekapte plekje in het dichte oerwoud was overigens ook verre van prettig om lang te blijven staan. Oerbash klopte Gaosar op zijn schouder.

"Jouw dood is het verste weg van ons allen," zei hij met een vreemd lege blik in zijn ogen.

"Waarom moet Gaosar gaan?" protesteerde Karnk hevig. "Als jij de toekomst kan voorspellen, waarom ga je dan niet zelf, Tat? Ik ben er te breed voor en Gorba ook. Maar jij bent smal en Mani ook. Waarom moet Gaosar nou weer? Dit bevalt me allemaal niks."

"Waar bemoei jij je mee?" vroeg Oerbash driftig. "Laat iedereen toch eens voor zichzelf denken en praten. Ik krijg oorinfecties van het luisteren naar jou. Plompe denkbochel! Wou jij soms uitmaken waar we heen gaan en hoe we dat doen? Jij kan in je eentje nog geen klappernoot leegvreten!"

De twee mannen stonden als grommende honden tegenover elkaar. Karnk gooide er onverwacht al zijn ergernissen en wantrouwen naar Oerbash uit.

"Wie denk jij dan wel wie je bent? Griezelkop!" bulderde hij. "Ik weet zelf prima wat goed voor mij is, kleine engbek! Ik heb in mijn leven al heel wat bazige vrouwen gezien en ook een paar van die bazige mannetjes zoals jij. En ik kan je melden dat ik er heel wat definitief van al hun denken verlost heb! Ik ben niet van plan om jouw zoveelste slaafje te worden zoals die ouwe grijze slurf daar en dat iele punthoofd!"

"Nee, jij blijft fijn jezelf, nietwaar?" jende Oerbash.

"Precies! Ik doe geen poging om een kinderlijk afgietsel te worden van de een of andere mooiprater!"

"Precies! Jij blijft lekker stoer pronken met al die afgehakte hoofden, die je voor de gelegenheid uit hun graf haalt!"

Gaosar luisterde wel maar besefte met een toenemende verbazing dat het hele gebeuren tegelijkertijd volstrekt los van hem stond. Hun confrontatie wekte eigenlijk geen enkel gevoel bij hem op. Alsof hij een toeschouwer was. Tussen de tierende mannen in dwarrelde een wonderbaarlijk mooie orchideevlinder, net zo bizar getekend als de bloemen waar zij haar honing in zocht. Terwijl hij de scheldwoorden tussen de kempenden heen en weer hoorde vliegen, viel hem onverwacht op hoe Oerbash de woordkeus en de intonaties van Karnk stond te imiteren. Hoe meer hij er op begon te letten, hoe meer zinnen hij herkende. De eerlijke drift maar ook de slimme luidruchtigheidjes, de pogingen om ondersteunende lachers op zijn hand te krijgen, de opschepperij maar ook het achterliggende bedelen om erkenning. Alles leek Oerbash in een menselijke spiegel aan de kaak te stellen. Karnk onderging aan zijn gezicht te zien zeer ongewone ervaringen. Oerbash gebruikte steeds meer van die typerende vlotte tussenzinnen die hij immers maar al te goed van zichzelf kende zoals: "Mag ik je herinneringen even masseren?" en even later: "Ik zal je nadenken maar weer eens bevruchten."

Met langere en langere tussenpozen reageerde Karnk, niet meer zo furieus, maar geboeid door het fenomenale geheugen van Oerbash en door de kennelijke aandacht die de kleine man dus lang voor hem gehad moest hebben. Op een zeker moment vroeg Oerbash met een andere, nu ineens heel warme stem: "Genoeg gehad, Karnk Bartas?" en de reus knikte. Oerbash keek hem even peinzend aan. Karnk keek ontspannen terug.

"Je bent lang op zoek geweest naar een waardige tegenstander, nietwaar?" vroeg de Tat. Karnk bevestigde de conclusie met een rustige hoofdknik.

"En je bent geoefend door een andere meester, merk ik," vervolgde Oerbash. "Stok en zwaard? En ook de handen en de voeten, neem ik aan?"

Karnk knikte weer.

"Een Niss-tovenaar?"

"Hui-Saraha."

"Hij heeft een onberispelijke krijger van je gemaakt."

"Ik dank je."

Karnk nam de verklaring in zonder een spoor van verlegenheid. Oerbash knikte, de veranderde situatie wegend.

"Je geest bedelt echter nog teveel om erkenning, Karnk," zei hij. "Ben je je daar nu van bewust, reuzenman?"

Karnk boog licht zijn hoofd.

"Goed, dan moeten we nu verder," zei Oerbash. "Kun je door dat gat, Gaosar?"

De aangesprokene stak zijn lans in de donkerte en tastte voorzichtig in het onbekende. Hij legde de lans op de grond en haalde een van zijn tweesnijdende dolken uit zijn gordel.

"Ik ga dan maar," liet hij weten. Toen deed hij een tweede waterzak aan het draagkoord over zijn schouder en dook met zijn gezicht naar voren in het brongat, de dolk in zijn linkerhand.

De tunnel was vol bochten, dalend en klimmend en daarom donker. Slechts een flauw schemerlicht drong van de opening door tot in het innerlijk van de rotswand. Nergens was de zoldering hoog genoeg om te kunnen staan, maar soms kon Gaosar op handen en voeten lopen in plaats van voort te schuifelen op zijn buik. Steeds moest hij denken aan die andere tunnel op het mijnterrein. Het was alsof hij ten tweede male zijn razende vlucht moest doormaken, de doodsangst kloppend in ieder bloedvat, voortstruikelend met iets onzegbaar kwaadaardigs op zijn rennende hielen. Zou Oerbash gedachten kunnen lezen? Zou hij iets af kunnen weten van die mijngang? Misschien niet de feiten, maar dan toch wel het onderdrukte angstgevoel, dat erbij hoorde.

`Daarom juist stuurde de Tat mij hierin,' wist hij. `Deze angst kan mij opnieuw gek maken als ik er aan toegeef.'

Voor hem uit klonk soms geluid. Hij moest zichzelf dan dwingen om te kunnen vaststellen dat het gewone geluiden waren van gewone dieren, geen spugende, giftige monstertjes, die hem in een dodelijke omhelzing naar de keel zouden kunnen vliegen.

De gang splitste zich. De linkergang leek hoger dan de rechter en opgelucht kroop Gaosar meteen die kant op. Zonder denken, woordloos voortscharrelend op de tast dreef hij zichzelf voort op een mengeling van instinct en blinde discipline. Steeds meer tijd verstreek. Er leek geen eind te komen aan de gang. Waar was het water? Verder en verder kroop hij, zijn hele lijf pijnlijk. De onnatuurlijke houding vergde ontzettend veel van zijn reserves. Hijgend viel hij uiteindelijk neer, opgebrand en met een afschuwelijk voorgevoel van ergens een vergissing gemaakt te hebben. Nadat hij wat uitgehijgd was, viel hem op dat er een speciaal soort stilte heerste. De rotsbodem was veel droger dan in het eerste gedeelte van de tunnel, niet bemost. Als een klap in zijn gezicht realiseerde hij zich plots waarom. Het was er veel te droog. De dieren die dronken aan de bron, namen steeds wat vocht mee en ook de luchtstroom naar buiten, die werd veroorzaakt door hun bewegende lichamen, zou een beetje vochtig moeten zijn. Hij onderging een immense teleurstelling toen hij moest vaststellen, dat hij bij de ver terug liggende splitsing het verkeerde pad gekozen had. Overweldigd door het gevoel van falen schroeiden tranen zijn brandend droge ogen. Het vooruitzicht om rugwaarts nog een uur terug te kruipen brak zijn wilskracht. De dolk viel uit zijn krachteloze greep.

`Waar doe ik dit toch allemaal voor?' vroeg hij zich af. `Ik ben alleen maar bezig om te voldoen aan verlangens van anderen,' was een daarop volgende zure gedachte. `Ik schaaf mijn knieën en mijn rug kapot in deze martelgang om aan mijn gezelschap te bewijzen dat ik niet bang ben.'

De gedachte ging door hem heen, dat het heerlijk zou zijn om hier te blijven liggen, ver weg van de wereld en al haar verplichtingen en moeite, diep begraven onder een onmeetbaar gewicht van steen. In een geschokte reactie daarop klonken er vele stemmen in zijn hoofd. Die van Tipo: "Ik zou je zo missen." Die van Karnk: "Ik ken je nog maar net. Er is nog zoveel in onze vriendschap te ontdekken." Mani liet zich horen: "Misschien heb je een overbodige neiging tot martelaarschap?" en Gorba: "Domme denken. Gaosar is niet wat hij denkt dat hij is. Hij is."

Er kwamen nog andere stemmen bij. Tedere, wellustige en eisende klanken, mannelijke en vrouwelijke timbres. Geile fantasieën lokten hem ver weg in rode dromen. Dan weer werden er beschuldigingen geuit met betrekking tot fouten uit een ver verleden. Dreigementen en wraakbeloften volgden. Iedere stem vroeg weer meer aandacht, energie wegzuigend uit het lichaam van de man in de droge zijtunnel.

De stemmen bleven roepen, verleidelijk was het om naar hen te luisteren, antwoord te geven en nieuwe vragen op te roepen. Het scheen muffer en muffer te gaan ruiken, alsof de zuurstof in de lucht geleidelijk aan werd vervangen door iets van meer verraderlijke aard. Gaosar verloor alle besef van tijd. Hij lag daar maar op de grond. Zijn ademhaling was steeds oppervlakkiger geworden, afgenomen tot een flauwe zucht. Een eind verder op in de wand van de tunnel leek de steen te bewegen. Of was het iets dat òp de wand leefde? Over een groot oppervlak leek een rilling te gaan. Een proces van samentrekking kwam op gang. Er glibberde iets van de wand naar beneden, een dunne gelei, die er een oneindige tijd over deed om Gaosar’s voet te bereiken. Gaosar zelf was alle besef van tijd verloren.
"Als hij niet terug komt, dan snijd ik alsnog je keel door, Tat," grauwde Karnk, terwijl hij op zijn knieën voor de tunnelopening zat. Hij had vele malen met zijn stentorstem Gaosar’s naam geroepen, luisterend naar het griezelige nagalmen in de onbekende donkerte. Naarmate hun makker langer wegbleef, nam hun ongerustheid meer en meer irrationele proporties aan. Alle pijn die Karnk en Tipo deze ochtend hadden doorstaan, kwam weer terug in gekmakende herhalingen. Op een bepaald moment, nadat er bijna een wateruur verstreken waren, ging Tipo geagiteerd naast Oerbash zitten, die met gekruiste benen tegen de rotsen zat, zijn ogen bijna gesloten. De smalle spleetjes lieten nog slechts de onderkant van het oogwit zien, omdat de oogballen van de man naar boven gedraaid waren.

"Geef me antwoord alsjeblieft, Basho!" vroeg hij op zulk een indringende toon, dat Oerbash zijn ogen weer opendeed.

"Waarom moest mijn broer gaan? Wat moet hij daar doorstaan? Waarom kan dat nou goed voor hem zijn?"

"Onmachtige piekeraar," fluisterde Oerbash, alsof zijn geest van heel ver weg moest komen. Tipo sprong weer overeind. Zijn hoofd werd knalrood en zijn handen krampten open en dicht, alsof hij zich maar ternauwernood kon inhouden om de Tat niet te wurgen. Ook Karnk keek om naar de Tat met een blik van ijs.

"Ik pieker, ja zeker!" schreeuwde Tipo. "Mijn broer is alles wat ik heb op de wereld!"

"Je liegt," zei Oerbash rustig. "Je zou hem verloochenen voor die vrouw, die de hele dag in je geile geest rondzwerft."

Tipo was zo aangeslagen door deze onthulling dat hij zich niet meer staande kon houden. Van al zijn woede beroofd, stortte hij in, letterlijk inzakkend tegen de rotswand. Hij sloeg zijn handen voor zijn ogen en begon hartverscheurend te huilen. Oerbash schoof een eindje van hem weg, alsof Tipo een besmettelijke ziekte had. Karnk voelde een diepe drift opborrelen, maar hij kon er niets van uiten, omdat een bepaald woord van de Tat nu in zijn geest tekeer ging. 'Onmachtige' had de oudere man Tipo genoemd. Eerder al had Karnk Mani en Gorba onderling hun nieuwe reisgezelschap horen aanduiden als 'die Onmachtigen'. Aanvankelijk had hij het beledigende karakter van die term teruggebracht tot benepen ijdelheid van die monniken en tot hun drang om zichzelf te verheffen boven andere mensen. Daarna was hij toch nieuwsgierig geworden naar de Macht die dan het tegendeel van die Onmacht zou moeten zijn. Omdat hij wanhopig naar een uitlaatklep voor zijn pijn en machteloze woede zocht, schreeuwde hij nog maar eens in de tunnel naar de verdwenen Gaosar: "Schurfthoofd! Kom terug! Balverspiesde kwelgolf! Gaosar!!"

Gorba scheen zich helemaal nergens wat van aan te trekken. Hij had de plek rondom opengekapt en het loof opgestapeld. Hij bereidde zich er klaarblijkelijk op voor dat er hier mogelijk lang gewacht zou moeten worden. Mani stond al enige tijd ontspannen in een kaarsstand op zijn hoofd. Juist hun onaangedane houding prikkelde Karnk bovenmatig. Trek in een nieuwe confrontatie met Oerbash had hij in het geheel niet en dus koos hij Gorba maar uit om zijn beklag bij te doen.

"Ben jij niet onmachtig, haakneus?" daagde hij de Heirgolander uit. Gorba bleef gewoon doorwerken en zei op vredige toon: "Toch vertrouw jezelf toe aan het rivier, Bartas."

"Wat bedoel je dáár nou weer mee?" schreeuwde Karnk.

"Men krijgt wat is nodig. Dat bedoelt Gorba."

"Wat is jullie màcht? Dat wil ik alleen maar weten!" "

De Niet-Macht, Bartas."

"Ik word gèk! Gek!" brulde Karnk. "Hou op met die praat. Leg me gewoon uit waar het om gaat in plaats van dat gezwets over jouw Niet-Macht die maakt dat je niet Onmachtig bent!"

"Maar je hebt goed begrepen," antwoordde Gorba lichtelijk verbaasd. "Spreek nog enenmale uit. Die hetzelfde zin."

Karnk wendde zijn hoofd af in onbegrip en staarde met de blik op oneindig naar het dichte struikgewas. Er warrelden de schitterendste vlinders door heen. Eentje toonde zulk een kleurenexplosie op zijn vleugels dat Karnk wel naar hem kijken moest. Tegelijk poogde zijn logische brein de associaties te blijven volgen, die het gesprek met Gorba bij hem opriep. De aandacht voor de vlinder en de laatste zin versmolten op een ongrijpbare wijze. Hij keek het insekt na en herhaalde langzaam de woorden: "Ik ben niet meer Onmachtig als ik me niet meer met macht, ... als ik me niet meer met macht ... bezig houd." Hij kon niet zien dat Gorba knikte en nauwelijks drong het antwoord van de lange man tot hem door toen die zei: "Macht is de hetzelfde als control van de dingen. Dan laat de man nooit gebeuren wat gebeuren moet. Ja, Bartas, jij begrijpt?"

Maar Karnk hield zich al weer met heel andere dingen bezig. De vlinder was een klein stukje de tunnel in gedwarreld en tegen de donkere achtergrond viel Karnk ineens iets anders op. Er vloog een gestage stroom van gouden bijen de tunnel in en uit, waterhalers. Zijn geest werkte op volle toeren. De bijen zouden zich zeker laten afschrikken door een omvangrijk mensenlichaam dat door de smalle tunnel kroop. Ze zouden wachten tot ze er ongehinderd langs konden om naar de bron door te vliegen! De ongestoorde regelmaat van de diertjes kon maar een ding betekenen: Gaosar was niet de juiste weg naar de bron blijven volgen. Er was iets fout gegaan. En wat was er al ontzettend veel tijd verloren gegaan!



Deel met je vrienden:
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina