De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina7/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   34

Hoofdstuk 6 Basho’s lessen.

Gaosar en Karnk liepen naar het waterstroompje. Oerbash keek niet eens op en Tipo zweeg, kennelijk midden in een zin, toen de twee neerhurkten. Zijn gezicht had een ernstige uitdrukking die ze niet van hem kenden.

"Sar Oerbash, mag ik wat vragen over dat gesprek van daarstraks met Mani?" vroeg Karnk.

"Niks vragen laat veel te denken over en veel vragen ook," antwoordde Oerbash mysterieus.

"En een beetje vragen?" reageerde Karnk ad rem.

"Maak me niet kwaad met bijdehand gebabbel," zei Oerbash dreigend. "Ik heb heel losse handen."

"Best, best, Eerwaardige, ik doe mijn best," antwoordde Karnk. Op een vreemd rustige toon zei de witharige man: "Je doet je best helemaal niet, slurfkop. En hou je eer-geslijm maar voor je. Je kan me gewoon Basho noemen."

Karnk hield even in maar waagde toch weer een poging: "Ik hoorde u over beloften praten, Basho. Over de belofte die de liefde is. Bedoelt u daarmee dat er altijd beloften tussen mannen en vrouwen gedaan moeten worden?"

"Jij begrijpt nog maar heel, heel weinig," zei Oerbash. "Maar de vraag is goed en je wilt tenminste oprecht iets weten. Goed. Luister. Ten eerste. De oorspronkelijke belofte dateert uit een tijd, toen er andere rassen op deze wereld leefden. Hun taal was niet dezelfde als de onze en daardoor is er een afwijkend beeld ontstaan. Het Woord kan immers nooit volledig het Zijn vervangen. Ten tweede: een belofte zal altijd de band tussen twee wezens aanduiden. Twee wezens die beloven om elkaar te helpen om één te worden; dat zal jij wel liefde noemen. Ten derde, dat kan nooit een volledig samensmelten worden, terug naar de eencellige voor de celdeling. De eenheid ligt in het onvoorwaardelijke openstellen en het koesterende insluiten, terwijl het ene zich van het samengaan met de andere bewust blijft. Dat is het doel van deze wereld, die zonder doel geboren is. Er is geen goed noch kwaad te onderscheiden. Alleen kan de mens pogen om de juiste beweging en veranderingen waar te nemen tussen de tegenstellingen. Dit grijpt al boven je macht, nietwaar?"

Karnk maakte een gebaar dat zijn overvolle hoofd aanduidde, maar Gaosar meende de draad te pakken te hebben: "Basho, is er zonder belofte van liefde tussen de mensen altijd strijd?"

"Ah! Die belofte is totale kwekpraat!" fulmineerde Oerbash plotseling met fel bewegende handen. "Alleen denken, alleen woorden. Wat daarmee bedoeld wordt, is uitsluitend de twee, die omvat worden, snap je? En of dat nou binnen liefde is of binnen oorlog, dat maakt niets uit, snap je? Ga eens proberen om die belofte te vòelen. Voelen in je lijf, ja? Zijn jij en ik Eén, Gaosar??? En wie voelt dat dan? Wie ziet dat? Wie kijkt naar wat ons omvat? Wie denkt? Wie voelt? Dat is de derde, die gezocht moet worden, snap je?"

"Nee, Basho," was Gaosar’s eerlijke antwoord. "Ik vind het wel een groot verschil, of er oorlog is of vrede."

"En Oerbash kan dat inderdaad niets, niets schelen," gromde de kleine Tat-meester. "Er is geboorte, leven en dood. Het begint, het doet wat en het vervalt weer. Hier zitten zes bijna-doden bij elkaar. Kijk om je heen!"

Karnk bewoog zich onrustig en zei: "Ik wil niet graag aan mijn dood denken. Ik ben daar al te vaak te dichtbij geweest. Ik wil weten waarom ik leef."

Oerbash boog onverwacht zijwaarts voor Karnk, die daardoor totaal verrast werd.

"Moge je dood waardig zijn," zei de witharige man ernstig. "Ik hoop dat je in dat moment zult weten waarom je geleefd hebt."

Gaosar en Karnk voelden beiden hoe zwaarwegend dit moment was, hoewel ze nauwelijks iets van de omvang van de uitleggingen van Oerbash begrepen.

"Ik leef om mijn vrienden te ontdekken," benadrukte Gaosar "en ja, ik zal het toegeven, ook om de vrouwen te ontdekken. Dat waar over gezongen wordt; ik ben op zoek naar de liefde."

"Dat is een goed begin," antwoordde Oerbash. "Dat is de zegen van je geboorte. Maar daar kan het niet bij blijven. Jouw geest is nieuwsgierig. Jij wilt veel meer ontdekken."

Karnk interrumpeerde met overtuiging: "Precies! Mijn bloedbroeder is net als ik. Ik wil ook de vrouwen ontdekken. Ik heb ook een verlangen in mij naar een verbintenis. Ik ben geen Shir, die zich onthoudt!"

Oerbash rochelde vol overgave en spoog enkele rijke klodders in het kabbelende water.

"Zo. Ik spuug op jouw verbintenis, vleesboom. Dat is weer de zoveelste bedenkelijke vrucht aan de boom van je bemoeizucht. Jij zoekt een verbintenis met een aardig vrouwtje! Bah! Je bent gewoon in de kern een luiaard, die genoegen neemt met wat huiselijkheid en moederlijke beschikbaarheid. Bah, ik verdoe mijn tijd met jou..."

Karnk keek betrapt en aangeslagen naar Gaosar, die solidair durfde te zijn en zeggen: "Basho, als ik mijn diepe gevoelens peil, dan herken ik dat verlangen ook. Ik heb Capai verlaten, ook uit verzet tegen de invloed van de Oude Moeders. Wij mannen mogen onze eigen huizen hebben, zelfs bezit, maar de vrouwen maken uit wie zij liefhebben en wanneer. Bij de Tjetjah is er geen man die een vrouw zijn Geliefde noemt, geen vrouw die een echte vriend kan zijn op de wijze zoals ik met Tipo en Karnk omga. Ik ben op Bonewits geweest net als Karnk. Ik heb de Shir en de Bindi gezien. Zij zijn anders en hun vrouwen ook. Ik beken dat ik geheime gedachten heb over een Verbintenis met een Bindi-vrouw."

Met grote ogen keek Tipo naar zijn halfbroer. Hij had zich heel eenzaam gevoeld in zijn gekwelde verlangen naar Nisha. Doordat Gaosar eerlijk een zelfde soort wens durfde uitspreken, kwamen ze dichter tot elkaar.

Op Oerbash maakte het geen indruk.

"Allemaal angst, jullie allebei, jullie alle drie!" mopperde hij. "Die verbintenissen zijn schijntehuizen, stagnatieproducten van een klein kijkende cultuur. De Moedercultuur van de Baks is niet slechter of beter dan de mannelijke superioriteitspretenties van de Shir. 't Is allemaal even armzalig op controle en macht gericht. Jullie slapen! Jullie snurken op je achterhaalde idealen. De hanen kraaien overal om je heen van een nieuwe tijd. Word wakker!"

"Maar is de liefde dan niet het heerlijkste wat er is, Basho?" vroeg Tipo. Kwaad antwoordde de kleine man: "Jullie weten niet wat liefde is. Jij praat over je behoefte om iets het jouwe te noemen, over veiligheid en zekerheid. Je hebt gewoon een warme kont nodig om tegenaan te slapen. En jouw nood, Gaosar, is dat jij jezelf aan iemand moet tonen om zo jezelf te kunnen zien. En deze grote slimme vleesboom, deze Karnk is niet veel meer dan een onstuitbare zwerver, die alsmaar op zoek is naar meer, naar nieuws. Als het maar niet saai is! Jij hebt een tomeloze zucht naar nieuwe ervaringen voor je altijd bezige brein. Je babbelt voor de gelegenheid eventjes aardig mee met je vrienden, maar jij houdt geen enkele verbintenis langer uit dan een Maanjaar. Verkoop mij geen praatjes en maak jezelf niets wijs! Hoepel nu allemaal op. Ik kan jullie niet meer aanhoren!"

Hij stond op en schudde zijn natte voeten even uit. Het leek net alsof hij zo de ballast van de drie jonge mannen van zich afschudde. De reisgenoten stonden ook op, onzeker en met hun houding geen raad wetend. Nooit eerder had iemand hun op zijn wijze met zichzelf geconfronteerd.

Oerbash liep weg in de richting van het kamp en draaide zich ineens om: "We zullen gauw vertrekken. Jullie kunt met ons mee. Pak rap je spullen, want ik wacht niet."

Opeens glimlachte hij. Zijn bruine tandstompjes contrasteerden opvallend met het witte haar van zijn snor en baard.

"We kunnen ver komen vandaag," zei hij. De temperatuur was iets gedaald en er was een lichte bries gaan waaien.

`Ja,' dacht Gaosar. `We zouden heel ver kunnen komen.'

In de tijd gezien had hij geen idee toen, hoe ver.
Oerbash had gezegd dat ze voorlopig veilig zouden zijn voor de Karreskrijgers. Gaosar moest zichzelf dat ieder ogenblik voorhouden, anders was hij gaan rennen uit pure angst, toen ze eenmaal weer op de hoofdweg van Brank naar Utrag waren aangeland. Zo nu en dan kwam hun een ezelwagen achterop, soms met kisten, soms met passagiers. Alle reizigers, die via de haven van Zolui naar andere bestemmingen in het binnenland van het eiland reisden, maakten gebruik van deze weg, maar Gaosar zag in elke passant een lasthebber van Onsten. Karnk en Tipo hadden minder last van een persoonlijk schuldig geweten. Rustig hadden zij zich aangepast aan het snelle wandeltempo van de drie monniken. Gorba ging voorop. Zijn forse gestalte schommelde op een vreemd vrouwelijke manier op de maat van het onbekende marslied, dat de monniken gebruikten om hun gang te verlichten. Hij droeg het grootste deel van de bepakking met een wonderbaarlijk, moeiteloos gemak. Mani liep achter hem, een extreem contrast. Zijn kale puntschedel reikte nauwelijks tot Gorba's oksel en zijn groengele poncho vloekte gemeen met het paarsbruin van Gorba's broek en het donkere geel van diens jak. Oerbash liep in het midden, Tipo achter hem, dan Gaosar. Karnk sloot de rij. Op een zeker moment realiseerde Gaosar zich dat er niet meer gezongen werd, maar dat er voortdurend door iemand gepraat werd. Toen hij oplettend de bron van al het gebabbel zocht, merkte hij dat Mani bijna de hele tijd aan het woord was. Hij sprak een zeer vreemde taal, die Gaosar niet thuis kon brengen. Het klonk beslist niet als het gebrom en geknauw van de Vuurlanders die hij eerder ontmoet had. Tot zijn verwondering leek Gorba ineens te antwoorden in dezelfde taal, maar de monniken praatten kennelijk volkomen langs elkaar heen, want geen van beiden scheen op elkaars vragen te reageren. Tenminste, vragen? Gaosar kon ook geen vragende intonaties in het gebrabbel onderscheiden. Hij wendde zich onder het lopen tot Karnk: "Waar hebben die twee het over?"

"Ik heb geen flauw benul," zei de reuzenman achter hem. Hun verrassing was compleet, toen Tipo onverwacht instemde met het gezwets van de twee monniken. Gaosar hoorde het een tijdlang aan en tikte toen zijn bazelende broer op de schouder: "Wat loop jij nou te doen?"

"Olleblablep, flierbestatepla kolperatsto," antwoordde Tipo en deed daar een zeer brede grijns bij. Gaosar voelde zich flink in de maling genomen en na het nog even volgehouden te hebben, trok hij nadrukkelijk aan Tipo's haar om hem te herinneren aan de eerder gestelde vraag. Tipo vloekte in gewoon Pai, waarmee de normale verhoudingen weer hersteld werden.

"Wat loop jij te doen!?" wilde Gaosar nogmaals weten.

"Oh, gewoon, blebtaal," antwoordde Tipo over zijn schouder alsof dat alles verklaarde. Gaosar was nog te zenuwachtig over hun eventuele achtervolgers om enig soort humor te kunnen waarderen, dus hij trok nogmaals hard aan Tipo's haar. Tipo snapte gelukkig direct wat zijn broer dwars zat.

"Dit heeft Oerbash me vanmorgen uitgelegd," zei hij tolerant. "Als je te veel loopt te piekeren, dan kan je je geest maar beter met wat anders bezig houden, zei hij. "Het is niets anders dan gewoon hardop brabbelen. Onzintaal, blebtaal, noemt Oerbash het. Je hoofd wordt er leeg van en het wandelt heerlijk, heb ik gemerkt. Mani en Gorba schijnen dat te moeten doen van Oerbash. Oerbash noemt dat een oefening in het Niet-Praten, maar hij bedoelt er iets anders mee dan niet praten, want je praat dus wel, zoals je hoort."

"O. Wel ja," riep Karnk uit de achterhoede. "Praat rustig door. Heerlijk gevoel dat ik ook niet hoef op te letten en niets hoef te antwoorden."

"Probeer het zelf maar. Het is leuk," riep Tipo terug en even later liep Gaosar tussen twee breingestoorden in die blebtaal uitkraamden, alsof ze nooit anders gedaan hadden. Hij dacht bij zichzelf dat ze het wel heel rap beu zouden worden, maar daar vergiste hij zich in. Nadat ze ruim een wateruur gelopen hadden, was er van mondvermoeidheid klaarblijkelijk bij niemand nog sprake. Integendeel. Toen Gaosar eens omkeek naar Karnk, leek het er op dat de reus in een soort prettige trance liep. Gorba stak plotsklaps zijn hand op en wees naar een fraaie open plek een eindje van de weg af tegen de flauwe helling van een oude vulkaan. Er groeide daar dik gras. Tot nu toe had een dichte begroeiing van doornige bremstruiken de wandelaars er van weerhouden om van de weg af te wijken. Ze baanden zich voorzichtig een weg door het struikgewas en rustten korte tijd uit, zonder iets te zeggen. Gorba, Mani, Tipo en Karnk waren opgehouden met hun gebrabbel en hadden Oerbash' voorbeeld gevolgd: ogen dicht en plat op de grond. Gaosar was te onrustig om dat ook te doen. Regelmatig werd zijn blik naar de bewegingloze bruine zak aan Oerbash' gordel getrokken. Het idee dat het demonische aapje mogelijk weer tot leven zou komen, terwijl iedereen hier maar lag te slapen alsof er niets aan de hand was!! Enzovoorts, enzovoorts... Hij bleef knap zelfkwellend sudderen op al zulke gefrustreerde gedachten over het gebrek aan verantwoordelijkheidszin van zijn reisgenoten.

`Ze zouden toch op zijn minst de weg in de gaten moeten houden om verdacht te zijn op onraad?' dacht hij bozig, totdat hij zich realiseerde dat de anderen hèm intuïtief met die activiteit hadden opgezadeld. Bijna moest hij lachen, maar zo'n grote ontspanning stond hij zich toch nog niet toe.

Na verloop van tijd stond Gorba op, hij kuchte twee keer en daar gingen ze weer. Het zelfde hoge tempo werd ook nu aangehouden en na korte tijd begon Mani weer met het geklets, direct gevolgd door de anderen met uitzondering van Oerbash en Gaosar. Na een tijdje flinke strijd met zichzelf besloot Gaosar het wonder van de blebtaal dan ook maar eens zelf te onderzoeken. Hoewel hij dat nauwelijks wou toegeven, kwam na een onbekend lange tijd de gedachte bij hem op, dat hij niet meer aan de Karreskrijgers en de Vatchen dacht. Daarna ging hij vanzelfsprekend weer wèl druk aan Vatchen denken, maar wat extra aandacht aan bizarre bleb-uitdrukkingen verjoeg al snel die angsten. Dat wil zeggen: hij herinnerde zich die eerdere gedachten pas weer, toen hij er opnieuw per ongeluk aan dacht tussen een `flijkliporatsnikof' en een `aoeinakalloperieprats' in. Toen hij daarmee het nut van de oefening eenmaal ondervonden had, vloog de tijd verder om.


Onder het lopen dronken en aten ze wat. Hun tempo lag hoog omdat ze steeds daalden. De weg kronkelde tussen flauwe heuvels door naar beneden, waar het landschap groener en lieflijker werd. In de verte stond een hogere half afgetopte berg, één van de vele niet meer werkende vulkanen op dit eiland. De weg scheen daar op af te gaan. Pas toen het begon te schemeren, hield Gorba zijn pas in. Ze stonden aan de voet van de vulkaan. Vragend keek hij naar Oerbash. De kleine Tat deed allebei zijn ogen dicht en even stond hij doodstil. Het leek of hij ergens naar luisterde. Daarna wees hij schuin omhoog. Gorba brak door het groene woud van kleine bamboescheuten, die hier op het lagere terrein volop groeiden. Hij haalde een vlijmscherp kapmes uit zijn rugpak en kapte een pad als de bamboe te dicht op elkaar stond. Eenmaal gaf Oerbash een aanwijzing en al snel bereikte het gezelschap een breed stuk kale, ijzerhoudende zwartige rots, dat geschikt zou zijn om te overnachten. De mannen kapten zoveel mogelijk jonge bamboe en pelden de sappige scheuten. Tussen de bamboe groeiden diverse andere planten, wier eetbare delen naarstig verzameld werden. Opnieuw werd er een rijke maaltijd toebereid, die met het zelfde vertoon van smaak en in een zo mogelijk nog langzamer tempo dan de lunch naar binnen gewerkt werd. Ook de drie vrienden poogden nu met meer aandacht te eten en langzamer te kauwen, dan ze eigenlijk van nature gewend waren. Daarna zaten ze een tijd rustig bij elkaar. De avondlucht koelde wat af en Tipo en Mani hadden een klein, bijna rookloos vuur aangelegd.

"Basho?" vroeg Gaosar, vooral om opnieuw opkomende angstgedachten over een wraakzuchtige Onsten te verdrijven. "Ik heb een verhaal gehoord over de Rishe die al hun ooit gedane beloftes willen inlossen. Dan zeggen ze een soort beloning te krijgen. Is dat zo?"

Oerbash wees op de pan met soep, die nog naast het Verdichttoestel stond en zei: "Eet als je nog honger hebt."

Gaosar gebaarde dat hij vol zat. Oerbash reikte hem de waterzak aan: "Drink als je dorst hebt."

De Halfbakman voelde zich heel vreemd bij die opdracht, maar voldeed er toch aan. Hij peilde zijn innerlijke verlangen en zag dat er nog dorst was. Hij nam een paar grote slokken en keek toen Oerbash aan, die zonder met een ooglid te knipperen terug keek.

`Hij bedoelt er iets mee' dacht Gaosar. `Het is een soort opdracht in geheimtaal. Ik stel een vraag over een beloning en hij zegt dat ik de behoeften van mijn lichaam moet onderzoeken. Ik voel een verband, maar ik kan het niet onder woorden brengen...'

Zonder iets te zeggen staarden de twee elkaar een tijdje aan tot grote verbazing van Tipo en Karnk. Mani en Gorba leken wel aan dit soort momenten gewend te zijn. Karnk bewoog onrustig heen en weer en vroeg toen: "Ik heb geen antwoord gehoord, Basho. Is er een beloning of niet?"

"Jij praat alleen vanuit je eigen verlangen naar zo'n beloning," mompelde Oerbash. "Ach, de één begrijpt het zo en de ander moet er duizend woorden voor horen. Als er geen misère is, is er ook geen beloning nodig, snap je dat? Nee, hè? Ik zal het maar weer eens anders zeggen. Als je geen pijn lijdt, ben je ook niet blij dat het over is. Luister, sinds de mensen zijn gaan denken, hebben ze beelden gemaakt naar hun gedachten. Ze hopen dat die beelden langer getuigen van hun fraaie denken dan hun sterfelijke lichamen. Ze vereren hun voorouders en luisteren naar hun ijle geestesstem. `O, Moeder, o Vader,' roepen ze vol angst voor de toekomst. Ze denken te weten dat het geestenland mooier is dan deze wereld. Om hun eigen angsten voor de dood en voor het werkelijke leven te bezweren hebben ze zich een paradijselijk geestenland gedroomd, waar alles mooi en vredig is. Ze hebben ontelbare zielen gevangen om voor hen te bouwen aan dat geestesbeeld. Dat noemen ze hun beloning, dat dode land, dat bloedeloze, onbeweeglijke paradijs, dat drijft op de angst van kinderlijke mensen en nooit volwassen geworden demonen..."

Oerbash sloot even zijn ogen, maar Karnk gunde hem nauwelijks de stilte.

"Leef ik voor iets anders dan om dood te gaan?" vroeg hij.

"Aha, je bent dom maar dit is een goede vraag voor een keer," snoof Oerbash. "Je leeft om mee te ademen met de oeradem van de Eerste God, die door jou ruikt en voelt en ziet. Hij denkt door jou, de Ene bouwt door jou, de Ene speelt door jou. Hij verheugt zich in het dansen van zijn kinderen, hij staat versteld van hun kunnen, hij geraakt in extase door hun liefde. Punt! Genoeg! Voor de Ene bestaat er geen tijd, steeds beweegt de stof. Er is geen noodlot, geen zonde, geen verantwoordelijkheid, geen belofte en dus is er ook geen beloning. De Rishe zijn in hun eigen denken gevangen, in hun eigen beloften, hun eigen cirkelredeneringen. Gaosar begrijpt het. Begrijp jij het nu ook, slurfkop?"

"Ik heb u gehoord, Basho," zei Karnk voorzichtig. "Begrijp ik dat het sterven mij niet met angst hoeft te vervullen?"

"Als het bloed in je hart net zo rood is als je haar, zal je leven je met vreugde vervullen," antwoordde de Tat. "Leef! Leef en de dood heeft geen betekenis meer voor je."

"In het land van de Baks is rood de kleur van de rouw, Basho," zei Tipo bevreemd.

"En in het maanland van de Tat is rood de kleur van het hartenbloed, Bakjongen," gromde de oudere man. "En in het hartenbloed klopt de ziel van de Ene. Als hij de liefde voelt, klopt die grootse Ziel sneller van vreugde en als hij de angst voelt, sterft hij opnieuw en opnieuw en opnieuw. Begrijp je dat, Bakjongen?!"

Hij stond op en trok Tipo aan een arm overeind. Met zijn mond vlak bij diens oor siste hij: "Begrijp je dat? Voel je de ziel van de Ene in je hart, Bakjongen?!"

Plotseling greep Tipo met twee handen de tuniekrevers van de Tat beet en slaakte twee onverklaarbare kreten, waar een immense passie in weerklonk.

"Goed, goed, goed, al goed," giechelde Oerbash met een raar getuit mondje als een oude, zwakzinnige vrouw. Grinnikend ging hij weer zitten en laafde zich ruim aan de wijnkruik. Tipo had zich omgedraaid en was vol, vol, vervuld van iets, de nacht in gelopen, een stuk weg van het vuur. Met zijn hoofd ver achterovergegooid stond hij wijdbeens naar de sterren te kijken. Soms hoorden de anderen bij het vuur hem diepe zuchten slaken. In de stilte vibreerden de klanken van krekels en kikkers. Regelmatig klapwiekten er onbekende vogels boven hun hoofden, op weg naar verre verten of rustig speurend in de nabijheid naar een prooi. Mani stak zijn hand op om Oerbash' aandacht te vragen. "Zal er Mani genoeg tijd bemeten worden om dit allemaal te bevatten, Basho?" vroeg hij zorgelijk.

"Vriend Mani, als jij ophoudt met bang te zijn voor de dood, dan is er ook geen tijd meer voor je," zei zijn meester met een grote warmte en tederheid in zijn stem.

"Maar die tijd, ja, wat is eigenlijk, Basho?" was nu een vraag van Gorba.

"Tijd is een weerspiegeling, weerspiegeld licht. En wij zoeken de bròn van het licht," legde Oerbash uit. "Al het ademen, het kloppen, alle trillingen, ritmen en bewegingen van de natuurlijke wereld, op de aarde of in de lucht, hetzij heftig of getemperd, het zijn allemaal weerspiegelingen van de eerste ademhaling van de Eerste God. Alle leven wordt meegenomen op die golfloze oceaanstroom. Zo stroomt ook het denken door het water van de tijd. Maar stel je eens voor: is de zee aan de kusten van het Westland een andere dan de zee die de rivier ontmoet in haar monding in Ogdi? De naam is anders, de kleur van het water is anders, maar is het water anders? Het water is druppel voor druppel verbonden met alle water in de wereld. Zo is het met de tijd. Jij denkt, jij deelt de dingen in, jij plaatst begin en einde. Jij noemt je waarneming van tijd morgen, vandaag en gisteren, alsof het één uit het ander voortvloeit. Ach, waar praat ik over? Begrijpen deze slurfkoppen iets zonder het zelf te ervaren?"

Oerbash stond op en ging met zijn rug naar het vuur staan kijken naar de zwartblauwe, tinkelende nachthemel.

"Is niet verschil daar tussen het dag en de nacht, Basho?" vroeg Gorba.

"Heeft de oceaan een einde?" schreeuwde Oerbash. "Tijd is water, vòel je dat niet? Jij denkt alleen, jij denkt alleen. Begrijp je het verschil?"

"Is het denken dan geheel zinloos, Basho?" vroeg Mani.

"O nee," antwoordde Oerbash weer volkomen rustig. "Het denken is het uitdijende bewustzijn, dat schept door zijn geconcentreerde kracht."

"U bedoelt Gorba kan met zijn denken de wereld naar zijn eigen verlangen vormen?" wilde Gorba weten. Oerbash begon bulderend te lachen en riep, nog nahikkend van plezier: "Ha! Jòuw denken? Dat is een beetje ontleden, een beetje na-apen, een beetje plaatjes kijken. Dat is geen voortbrengen! Dat is geen scheppen. Op zijn best is jouw denken als het niks doet."

Gorba ging met een bedrukt gezicht achteruit zitten, zijn schouders teleurgesteld naar voren hangend. Gaosar betrapte ineens Oerbash met een uitdrukking van teleurstelling op zijn gezicht, terwijl de oude Tat naar Gorba keek. Er overviel hem de gedachte, dat Oerbash eigenlijk op een protest van Gorba had gehoopt, een uiting van kracht, geprovoceerd door de smadelijke beledigingen. Hij sloeg naast zich in de grond een kleine heupkuil en een schouderkuil. Toen ging hij achterover liggen op zijn deken. Hij voelde zich heel moe. Aan de rand van zijn bewustzijn hoorde hij anderen bezig met allerlei huishoudelijke activiteiten. Omdat de watervoorraad flink geslonken was, werden bestek en servies met korrelig rotszand schoon geschuurd. Het gesprek sudderde na in zijn hoofd. Oerbash had gezegd, dat hij iets begrepen zou hebben. Zelf kon hij daar niets over vaststellen. Toch was er iets in hem veranderd. Een soort rust was er in hem gekomen, vergelijkbaar met de vrede na een lange vispartij, wanneer er een grote buit in het net was geraakt. Zijn honger en zijn dorst waren gestild, met wat wist hij niet, maar juist in dat Niet-Weten lag de bron van zijn vredigheid. Zonder overgang viel hij in slaap.


In de vroege ochtend had hij een onthutsende droom. Hij voelde zichzelf op vier poten door een verlaten winters landschap rennen, bewust van een dikke vacht die de kou buiten hield. Onder het rennen gromde en blafte hij, zich een wolf wetend, een wolf. Het land was hem volkomen onbekend, het klimaat ook. Op een hoge rots hield hij halt, piepend, jankend en huilend naar de zilveren volle maan. Hij besefte dat er korsten opgedroogd bloed in zijn mondhoeken zaten, overblijfselen van ontelbare moord- en schranspartijen. Maar de drift en de honger waren nu gestild en hij werd een ondragelijk alleen-zijn gewaar. Een woordeloze eenzaamheid was in hem gevaren. Ver weg hoorde hij plotseling een andere wolf huilen en zijn hart sprong op, beloond voor duizend eenzame jaren niet-aflatend hoopvol huilen naar de maan. Hij hoorde de wolvenkeel brullen en schreeuwen om te kennen en gekend te worden. De wolf Gaosar sprong van de rots en rende alsof zijn leven er van af hing in de richting van het geluid. Een diep ravijn leek hem te stoppen maar in blinde doodsverachting joeg hij er in een reusachtige sprong over heen. Een vette kleverige mist probeerde hem te vertragen maar het vuur van zijn razernij had nu een doel gevonden. Er loeiden vlammen uit zijn muil en de mist dampte er voor weg. Voor hem uit ontwaarde hij ineens een roedel rennende wolven. In zijn wolfsbrein ontvouwden zich verlangende beelden. Mee te mogen. Aansluiting vinden. Al tevreden met de laatste plaats in het wolvenpak. Dichterbij gekomen hield de rennende rij in en stopte. De leider stapte op hem toe, een monsterachtig grote reu met vlammende ogen en een bloedrode tong, lekkend tussen vreeswekkende slagtanden. De wolf Gaosar liet zich vallen. Op de rug, poten omhoog, de geweldige leider in weerloze overgave zijn keel biedend. Een diep verlangen om erkend te worden als een verwant brandde in hem. De monsterwolf keek op hem neer, zijn grote gele ogen fixerend in de zijne. In Gaosar’s wolvengeest verschenen verwachtingsvolle ideeën. Misschien zou hij goed genoeg bevonden worden voor een veel eervollere plaats in de rij, niet achteraan. Ambitie gloeide op als een komeet aan een zwarte hemel: te zijner tijd zou hij goed genoeg zijn om deze wolf als leider op te volgen. Misschien als de oude verzwakt zou zijn, ziekelijk geworden. Hij zou hem kunnen uitdagen en... Zonder waarschuwing beet plots de reu toe, een onuitsprekelijke pijn gloeide op. De genadeloze tanden maakten een eind aan alle illusies. Zijn levenssappen spoten over de rotsen. Er volgde een besef van sterven. maar in een doodse stilte voelde Gaosar zich via de pijn overspoeld worden door een grenzeloos erbarmen. Hij besefte dat dit geen dood was maar een verlossing.

`Ik ben, al sterft de wolf' was zijn eerste bewuste zin in de droom en toen was hij weer Gaosar, wakker, maar niet dezelfde Gaosar. Hij lag lange tijd muisstil, bang om het beeld kwijt te raken, herproevend en herbelevend. Toen hij zijn ogen opende, zag hij hoe aan de oostelijke horizon het grijs roze begon te worden. Hij hoorde gescharrel en het geluid van klaterend wateren. Oerbash verscheen in zijn beeld, nadrukkelijk aan kruis en aars krabbelend. Hij wenkte Gaosar om op te staan.

"Tijd voor een wandeling," fluisterde hij. Gaosar vouwde zijn deken op en zocht een plek om zich te ontlasten. De gele kleur van zijn urine herinnerde hem weer aan de gele ogen van de monsterwolf.

`Wat voor kleur ogen heeft Oerbash eigenlijk?' vroeg hij zich af. Daar had hij nog nooit op gelet. Oerbash stond op hem te wachten. Gaosar liep naar hem toe en miste iets aan de verschijning van de Tat. De bruine zak was weg. Hij durfde niet om uitleg te vragen, maar er ging een golf van opluchting door hem heen. Oerbash zou wel weten wat hij deed. Hij klom achter de tengere man aan omhoog naar het onbekende doel. Er was nog maar weinig licht. De maansikkel was aan het vervagen en het zou nog een tijd duren voor de zon opkwam. Een pad was er niet. Ze klauterden een tijdlang over de hoekig, gestolde lavarotsen, totdat het terrein egaler werd. Overal lagen echter kleinere en grote steenblokken, die het lopen enorm bemoeilijkten. De grond was sterk geërodeerd en de onvruchtbare restantlaag gaf aan niet meer begroeiing leven dan aan wat saliestruiken en een enkele verdwaalde spar. Gaosar keek gefascineerd naar de kleine voeten van Oerbash voor hem, diens gratie van regelmaat en zelfverzekerdheid, het weten waarheen. Gaosar struikelde soms, aarzelend waar zijn voeten te zetten. Herhaalde malen stootte hij pijnlijk zijn tenen. De tegenstelling was zo groot dat hij er wel aandacht aan mòest besteden. Het kwam bij hem op dat hij zijn passen even lang zou kunnen maken als die van de monnik, in diens voetsporen stappend. Bij die gedachte golfde er echter een intense weerstand door zijn ingewanden, de afkeer van alle imitatie, een neurotische aandrang om alles zelf en alleen te doen. Toch leek de harde praktijk hem nu te confronteren met een aanbod van waardevrij gemak. Het zou immers Oerbash niets uitmaken als de jongere man achter hem precies zijn spoor zou volgen. Het zou Gaosar niet afhankelijk maken, elk moment zou hij immers zijn eigen koers, een andere koers kunnen uitzetten?

`Je kunt ook verslaafd raken aan gemak,' dacht Gaosar maar toch liet hij een experiment met zichzelf toe. Vertrouwend op Oerbash' keuze ging hij precies diens voetstappen volgen. In het begin leken sommige stappen onlogisch, te wijd uit elkaar of vermoeiend snel opeenvolgend, later overviel hem een lichte trance. De concentratie sloot nagenoeg alle andere gedachten uit en de aanvankelijke inspanning verdween om plaats te maken voor een gevoel van rust en verbondenheid met de voor hem uit lopende man. Toen hij zich hiervan bewust werd, week hij demonstratief uit het pad, weer zelf zoekend. Direct viel hem zijn grotere moeite op, maar hij weet de inspanning aan het feit, dat hij zijn ogen in plaats van op de rotsige grond voor hem vaker richtte op het doel: de kraterwand boven hun hoofd.

`Waarom loopt die man toch zo snel?' dacht hij ongerust. Toch durfde hij niet achter te blijven uit angst voor de bekende misprijzende beledigingen van de kant van Oerbash. Het zweet liep hinderlijk in zijn ogen, zijn longen zwoegden, zijn enkelbanden en voetzolen werden steeds gevoeliger.

`Dit zou een akelige blarenreis kunnen worden,' bedacht hij met enige angst. Dat gevoel bracht hem weer snel achter Oerbash in een opgeluchte poging om 's mans ritme en spoor opnieuw op te pikken. `Waarom ga je het jezelf toch steeds weer moeilijk maken?' troostte hij zijn drukke verstand. `Deze man kan dit nu eenmaal en ik kan dit niet. Punt. Uit. En in zijn voetspoor bespaar ik mezelf een hoop blaren. Ik heb gewoon een vooroordeel ten aanzien van iets leren van een ander.'

Dat inzicht maakte hem aan het lachen. Oerbash hield plotsklaps in en draaide zich om.

"Moet je een klap?" vroeg hij met een niet thuis te brengen timbre in zijn stem.

"Die verdien ik, Basho," zei Gaosar nog steeds lachend, maar Oerbash sloeg niet en vervolgde zijn weg alsof er niets was voorgevallen.


De krater was een verrassing. Uit de laatste regentijd was er een klein meer overgebleven, dat bestaansrecht schonk aan een weelderige vegetatie. De mannen daalden voorzichtig af langs de binnenste kraterwand.

"Water op vuur," wees Oerbash. "Net als jij."

Gaosar voelde zonder waarschuwing iets als kokend magma in zijn binnenste omhoog schuimen en duizelig moest hij gaan zitten. Geheel op zijn gemak hurkte Oerbash naast hem.

"Als je het erkent, hoef je er niet meer bang voor te zijn," zei hij met een haast tedere stem. "En nu, luister goed naar me en doe wat ik je zeg. Voel je je voetzolen op de aarde?"

Gaosar knikte.

"Ga eens staan," vervolgde de Tat. Gaosar deed het.

"Ogen dicht," klonk Oerbash' stem. "Adem uit, adem uit. Laat je ongerustheden uit je lichaam wegvloeien naar de grond. Je staat hier op een plek van grote kracht. Dit is één van de vurige openingen van de Aardemoeder. Voel haar onder je voeten. Voel je hele lichaam staan. Voel je ruggengraat, je onderste wervel, je stuit. Daar! Knijp je aarsspier samen. En nog eens! Nog eens! Voel je bestaanswortel. Voel je hoe je eigen warmte door je lijf vloeit? Goed. Verbindt die plek via een diepwortelende staart met het binnenste van deze vulkaan. Zo! Juist ja. Maak hem hol, die staart. Ga met je uitademende aandacht er binnen langs naar beneden en neem al je zorgen mee. Laat je faalangst daar beneden achter. Voel hoe de Aardemoeder je met haar energie voedt. Voel hoe ze binnenbruist in je voeten. Voel je het? Ja? Voel je haar kracht opstijgen in je benen? Ja? Mooi. Adem in. Trek haar kracht op je adem mee naar boven. Laat haar ieder deel van je lichaam schoonspoelen. En dan, dan adem je weer uit. Laat alle vervuiling, al je kleine gedachten wegspoelen door je holle grondstaart. Aha, aha. Goed zo."

Toen hij Oerbash' suggesties opvolgde, ervoer Gaosar een uitzonderlijke vanzelfsprekendheid. Het was hem vreemd te moede. `Alsof er geen tijd bestaat,' dacht hij op een bepaald moment. `Alsof ik dit al eens eerder heb meegemaakt.'

Weer drongen zich beelden aan hem op van een winters, bergachtig landschap, het land uit de wolfdroom. Maar de wolf was gestorven.

"Ik ben Gaosar Ouran," zei hij hardop, bijna schrikkend van zijn eigen schorre stem. "De wolf is dood."

"Ja, de wolf is dood," bevestigde Oerbash. "Laat nu alle herinnering aan hem los. Laat hem verdwijnen door je holle stuitbuis. Voel je eigen wezen, hier en nu. Kun je je bewust zijn van je hele lichaam? Tegelijkertijd het geheel waarnemen? Ja? Goed. Voel nu hoe je eigen warmte je omhult. Je straalt jezelf uit in de lucht om je heen. Voel je dat?"
Gaosar knikte zonder te kunnen praten. Heel duidelijk kon hij zijn lichaam ervaren. Hoe het zich onderscheidde van al het omringende. Oerbash' stem verscherpte: "Nu! Baken je grenzen af van jouw eigendom! Plaats een merkteken op alle hoeken. Je kunt een roos gebruiken. Stel je een doornige steel voor. Doornen, die je beschermen tegen dat wat van buiten komt en dat je vijandig gezind is. Stel je zijn diep wortelende steel voor, vast gegrond in de aarde, jouw onwrikbare kracht. En dan de bloem, zijn schoonheid, zijn geur. Jouw liefde kan er door heen, uitstralen naar anderen en hun warmte kan er door heen, je hart rakend. Zie je die koepel van rozenbladeren om je heen staan?"

Gaosar had even een beeld van zichzelf, van boven af gezien. Zijn lichaam bevond zich in een kolossale bolle roos.. Onder zijn voeten wortelde zich een zilveren stuitstaart door de steel van de roos. Boven de kruin was een fontein van licht zichtbaar. Weer klonk de scherpe stem: "Gaosar! Hier blijven. Voeten op de aarde voelen. Stel je een zon voor bovenop dat mooie fonteintje van je. Maar blijf onder je zon staan, niet er boven gaan hangen! O ja, dat is beter. Daar in die zon is alle kennis en ervaring verzameld, zowel uit je vorige levens als uit dit leven. Je hebt niets meer nodig dan dat. Niemand kan je meer vertellen dan jij zelf al innerlijk weet over je eigen opdracht. Ook ik niet. Je innerlijke stem spreekt met een mond aan de onderkant van die zon. Kun je hem horen?"

Voor Gaosar was het ineens of er een bulderend gelach weergalmde in zijn hoofd, gierend gegrinnik.

`O, o, kleine, wat ben je leuk bezig!' riep de gniffelende onbekende. `Ga door, ga door! Ik geniet!'

"Genoeg!" schreeuwde Oerbash boven het gelach uit. "Blokkeer de grote zon. Sluit de roos boven je kruin! Sluit je roos!"

Met grote moeite voldeed Gaosar aan die opdracht. Direct werd het stil. Een grote vrede omgaf hem. Heel rustig ging hij zitten. Hoewel zijn ogen gesloten bleven, ervoer hij het opkomen van de zon. Voor zijn geestesoog onthulde zich kleur na kleur op het palet van de ochtendhemel. Zijn innerlijke warmte binnen het rozenveld om hem heen vervloeide harmonisch met de binnenstromende zonnewarmte. Nog steeds bleef hij zich toch nadrukkelijk van zijn eigen afgescheidenheid bewust. Tijd vergleed.




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina