De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina6/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Hoofdstuk 5 De Spuugdemon.

Toen Gaosar vlakbij de tunneluitgang was, begon hij te schreeuwen, alarmkreten, die onmiddellijk Karnk en Tipo in actie brachten. Ze grepen hun spullen in ijltempo bij elkaar en stonden met de twee lansen gereed om een eventuele achtervolger van Gaosar neer te steken. De maan was opgekomen, nauwelijks meer dan sikkellicht, maar voldoende om de hijgende Halfbak te onderscheiden in de donkere opening. Het eerste was hij deed, was de dompelloodgordels losknopen en ze Karnk in diens handen duwen.

"Ha!" schreeuwde de reus toen hij zich realiseerde was het was. "In je eentje die kluis in geweest!?"

Tipo kreeg het zware zakje uit Gaosar’s onbeschadigde broekzak.

"Snel! Wegwezen!" gromde Gaosar. Die boodschap hadden ze trouwens al wonderlijk intuïtief aangevoeld. Ze begonnen te rennen op de manier van de Bak krijgers, lange verende passen, soms onderbroken door een snelle wandelpas, waarmee de longen zich even konden herstellen. Karnk rende voorop, Gaosar als de meest kwetsbare in het midden en Tipo sloot de rij. Toen ze de rotsige, ertshoudende heuvels achter zich lieten, moesten ze door een stuk dichter begroeid bos. Karnk hield de Tai-speer van Gaosar verticaal voor zich uit om zijn gezicht te beschermen tegen onverwachte zwiepende takken. Het hardlopen werd echter steeds moeilijker, zodanig dat ze uiteindelijk moesten vertragen tot een gewone pas.

"Ho maar even," zuchtte Gaosar. "Ik kan haast niet meer."

"Ik ruik je bloed, Gaosar," zei Tipo en zijn broer wees naar zijn oor. Tipo maakte zijn halsdoek nat en begon de vuile wond schoon te maken. Gaosar zat onder het gruis en stof uit de tunnel, dat zich aankoekend vermengd had met bloed. Zorgvuldig maakte Tipo het hele gezicht schoon.

"Je hebt een flinke snee in je oor," stelde hij vast."Maar het zit nog vast. Draai je eens naar het maanlicht toe."

Tipo onderzocht Gaosar’s been, maar vond slechts een oppervlakkige kras. "Daar ben je goed van af gekomen," zei hij. Terwijl ze weer verder liepen, vertelde Gaosar het hele verhaal. Als het terrein en het schaarse licht het toe liet, renden ze weer. Dan hield hij zijn mond. Het duurde zo nog vrij lang voordat zijn vrienden alles wisten. Hij liet twee details weg: Nisha en de spuugdemon. Steeds als ze langzamer liepen, voelde hij een onsmakelijke maar niet zichtbare aanwezigheid ergens net buiten zijn tastvermogen. Ze liepen de hele nacht door. Als ze niet konden rennen, liepen ze in een snelle ganzenpas in het verstandige verlangen om zo veel mogelijk afstand tussen hen zelf en de mijnen van Brank te maken. Ze waren weer op de hoofdweg naar Utrag uitgekomen, hun oren gespitst op achteropkomend verkeer, maar niets verstoorde de nachtelijke rust, behalve de jacht- en doodskreten uit het dierenleven om hen heen.
Pastelkleurige vegen aan de oostelijke horizon gaven een nieuwe dag aan. De drie rennende mannen waren in een bijzondere trance geraakt door hun manier van lopen. Hun passen waren volmaakt op elkaar afgestemd in een ritmische, hypnotiserende cadans, die alle overbodige gedachten verdreef. Er was alleen nog maar de weg en de bewegende voeten van een voorganger, alleen nog het waarnemen van de nachtelijke werkelijkheid, bijna zonder oordeel. Eén keer was Karnk gevallen, gestruikeld over enkele dunne stammetjes, die schuin over de weg lagen. Ze waren onplezierig tegen elkaar aangebotst en uit Tipo's tuniek was een bekend gejammer opgestegen. Gaosar had Tak geheel vergeten en Tipo was in de consternatie na het opduiken van zijn broer vergeten om te melden, dat hij besloten had om het aapje mee te nemen. Ze wreven hun pijnlijke benen en ellebogen en hielden kort halt.

"Ik denk dat Tak een ongewenste bijproduct was van Onstens laboratoriumhobby," opperde Gaosar. Toen ze even pauzeerden haalde Tipo het zware leren zakje tevoorschijn. In het maanlicht zagen ze zeer fijne zilveren schakeltjes glanzen, toen hij het open maakte. Het waren twaalf dunne maar zeer waardevolle kettingen, die als betaalmiddel overal buiten de Tillant-archipel zeer gewild waren, veel meer in trek dan het dompellood. Gaosar dacht aan de rijtjes die hij had moeten laten staan, maar die gedachte bracht ook weer de huiveringwekkende waarneming met zich mee, dat hij ongewild iets anders wèl meegenomen had. Iets viezigs, iets dat kon spugen zonder een zichtbare mond. Het bleef uit de buurt, maar liet hun spoor niet los. Hij was zich bovendien bewust van een licht schrijnend gevoel op verschillende plaatsen in zijn gezicht en op zijn handen, daar waar het demonische speeksel hem geraakt had. Meteen stond hij op en begon weer te rennen, nu op kop. Zijn makkers volgen zonder te aarzelen. Het was alsof zij zelf ook iets van dat akelige achter zich bespeurden.


De opkomende zon leek hen voorlopig van het mysterieuze gezelschap te bevrijden. Toen ze echter stilhielden voor een ontbijt onder een grote acaciaboom en Tipo het aapje uit zijn tuniek wilde halen, verzette Tak zich nadrukkelijk. Hij klemde zich vast aan Tipo's kleren en begon over diens schouder te blazen naar iets ongeziens. Op de een of andere manier kon Gaosar niets zeggen over zijn vermoedens. Hij hoopte nog steeds dat de demon na een bepaalde afstand zou afhaken, hoewel... Het idee dat het wezen terug zou gaan en in staat zou zijn om Onsten zijn vluchtrichting en persoonsbeschrijving over te brengen, stond hem eigenlijk nog veel minder aan. In ieder geval wilde hij Karnk en Tipo niet met voorlopig onnodige angsten opzadelen. Ze hadden door af te gaan op de groenere vegetatie een klein stroompje water gevonden en opgelucht hun waterzakken gevuld. Bovendien groeide er heel fris look en vonden ze ook grote hoeveelheden voedzame worteltjes. Het ontbijt vond daardoor plaats in een algemeen opgewekte stemming. Gaosar moest nu van alle sensationele details verslag doen en de Ah!'s en Oh!'s van zijn toehoorders waren niet van de lucht. Weer liet hij zorgvuldig zijn vermoedens weg over Nisha. Hij suste zichzelf met het idee, dat hij haar immers niet gezien had, alleen gehoord...

"Wat heb je voor rare plekken op je gezicht?" vroeg ineens Karnk, toen hij Gaosar voor het eerst goed in het zonlicht kon bekijken. De Halfbak woof de vraag weg.

"Blaarnetels tussen de struiken, denk ik," probeerde hij en tot zijn opluchting accepteerden de anderen dat verhaal.
Na het ontbijt wilde Tipo in de platte kruin van de kolossale acaciaboom klimmen om van daar uit het landschap te verkennen. Gaosar onderging een onbestemd gevoel van onheil naarmate zijn halfbroer hoger en hoger klom. In een vork van de dikke stam bleef Tipo zitten. Hij wees naar het zuiden.

"De weg kronkelt om een ravijn heen," schreeuwde hij naar beneden. "Ze kunnen hun ezelwagens natuurlijk niet de afdaling in die kloof laten maken, maar wij kunnen ons een flinke omweg besparen als we rechtdoor gaan!"

Hij wees weer. Tak was uit zijn veilige en warme beschutting gekropen en keek verleid naar de kronkelige takken en het gebladerte om hem heen. Ineens sprong hij uit Tipo's tuniek weg en rende een eindje tegen een dikke tak op. Tipo, die naar beneden wilde, poogde het diertje weer te pakken, maar daar had Tak nog lang geen zin in. Steeds deinsde hij speels en behendig weg voor de grijpende vingers van Tipo. De jongen maakte lokkende geluidjes, maar Tak genoot te veel van dit nieuwe avontuur. Hij klauterde in volle vaart langs zulke dunne twijgen verder naar de rand van de kruin, dat Tipo hem niet verder durfde volgen uit angst voor brekende takken. Gaosar stond beneden te kijken naar het schouwspel met een afschuwelijke druk in zijn hoofd. Hij wilde waarschuwingen schreeuwen, maar hij wist niet waarvoor en wie hij moest waarschuwen. Karnk merkte zijn verwarring op en stond op.

"Is er iets?" vroeg hij. "Je kijkt scheel en je gezicht is groen."


Gaosar wist niet wat te zeggen, maar Karnk volgde zijn blik omhoog. Beiden zagen ze hoe plotseling al Taks haar overeind ging staan. Het diertje begon te krijsen en te blazen en vluchtte in een absolute doodsnood naar de allerhoogste takken van de acacia, achterna gezeten door iets gruwelijks. Voor de ontzette menselijke toeschouwers was er beweging in de takken te zien, maar geen vorm. Tipo gilde even hard als het aapje, in een blinde paniek niet wetend wat te doen. Gaosar had met zijn beide handen Karnk’s onderarm gegrepen en er zijn nagels ingeklemd van pure verschrikking. Karnk was zo in beslag genomen door het vreselijke tafereel dat hij de pijn niet eens leek te voelen. Plotseling scheen iets de arme Tak op te tillen, los te scheuren uit zijn krampend vastklauwen in de boomtakken. Er bleven twijgjes en bladeren tussen zijn kleine handjes en voetjes vastzitten, maar een demonische kracht rukte hem met groen en al de lucht in. Het babyaapje schreeuwde nog eenmaal hartverscheurend. Toen was het geluid verdwenen en daarmee ook Tak. Met een blik van onbeschrijfelijke ontzetting keken Karnk en Gaosar elkaar aan. Ook hun beider haar stond recht overeind op hun schedel. Gaosar had een gevoel alsof zijn ingewanden en zijn hart uit zijn lichaam zouden spatten. Tipo liet een verscheurend laag huilen horen, dat uit de boom op hen neerdaalde als druppels pure pijn. Zonder overgang materialiseerde er toen ineens een donkerzwarte wolk op de onderste tak van de grijze acacia. Karnk en Gaosar wankelden achteruit en opzij. Uit de wolk kwamen bruine apenhandjes en daarna zat Tak er weer. Tenminste... er zat een babyaapje, dat zijn lippen vaneen trok en met een onaards venijn spuugde naar Gaosar. Karnk trok wild aan Gaosar’s arm, want de doodsschrik had de Halfbak bijkans totaal verlamd. De klodder donker speeksel raakte nu het verdroogde gele gras onder de boom, dat direct zwart werd. Gaosar kwam weer tot zijn positieven en graaide in één beweging twee werpmessen uit zijn gordel. In de tweede beweging floten ze uit zijn handen. Vliegensvlug ontweek dat, wat ooit Tak de Speer was geweest, de vlijmscherpe doodbrengers. Het wezen vluchtte naar een hogere tak en poogde van daar weer te spugen. De beide mannen renden weg van de boom, maar bleven toen staan, diep bezorgd over Tipo's lot. De jonge Bak was omlaag geklommen tot hij ter hoogte van zijn troetelkind was gekomen. Alsof hij de intentiewisseling niet had willen of kunnen accepteren, fluisterde hij koosnaampjes, klakkend met zijn tong. Het aapje grauwde met een hoog geluid. Het probeerde opnieuw naar hem te spuwen, maar iets hield dat gebaar tijdelijk van binnenuit tegen. Het leek alsof de oorspronkelijke bewoner van het lijfje nog even het schedeltje achterover kon trekken. Het apenmondje produceerde een zwart slijm, dat echter zonder schade aan te richten langs de mondhoeken naar beneden droop, sissend tussen de bladeren. Gaosar schreeuwde een blaffend commando in het specifieke Tjetjah Pai-dialect, een oeroud, traditioneel strijdbevel, dat alleen in uiterste noodsituaties gebruikt werd. Tipo rukte zich uit al zijn verblinde, gekwelde verdriet los en liet zich pardoes uit de boom vallen. Koprollend en zijdelings omrollend maakte hij zo het spugende ondier onmogelijk om een tweede keer goed te mikken. Kennelijk was het laatste restje Tak definitief onder de demonische controle gebracht, want het bruine wezen zat met een woeste kwaadaardigheid naar de drie reizigers te blazen. Tipo had zijn reistas onder de boom moeten laten liggen. Behalve een kostbare waterzak en een deken, vishaken, draad en allerlei kleine zaken zat er ook het zakje zilveren kettinkjes in.
Op een veilige afstand van de grote boom stonden ze besluiteloos te kijken, alle drie met een werpmes in hun hand.

"Het kreng heeft verstand," zei Karnk op een toon van diepe verwondering. "Het is bang voor onze messen. Oh, had ik toch mijn Kendo boog."

"Ik kan hem niet doodgooien," fluisterde Tipo met een schorre stem. "Het is toch Tak? Wat is er met hem gebeurd? Oh, Takkie, oh mijn lieve, zoete Tak. Wat hebben ze met je gedaan?"

Er stroomden tranen langs zijn wangen, glinsterend in het steeds feller wordende zonlicht. Toen hij zijn huilende broer zag, brak er ook iets in Gaosar. Een allesoverheersend berouw golfde in hem naar boven. Al zijn eerdere zelfvoldaanheid over de geslaagde roof, al zijn vertoon van dapperheid en lichamelijke kracht, al zijn succes smolt weg, toen hij de schade in ogenschouw nam in de ziel van zijn ontroostbare broer.

`Waarom heb je het niet voorkomen?' gilde een schelle stem in zijn geest. `Waarom heb je hun niet verteld, dat er ook een minder geslaagd stuk aan je verhaal zat? O, jij bluffer! Jij gruwelijke opschepper. Zie, het gebroken hart van Tipo Tennen, dat zich in zijn volle liefde gehecht had aan een onschuldig wezen, dat die liefde wilde aanvaarden in al zijn volheid. O, Nur-ell- Guin, hoe beschaam ik je nagedachtenis. O, moeder, hoe heb ik je tweede zoon geofferd aan mijn drang om alles in mijn eentje te doen. O, waarom moest ik mijzelf zo nodig bewijzen aan hen die mijn geliefden zijn! Het spijt me zo. Het spijt me zo...'

Ook bij hem welden de tranen op in een niet te stuiten stroom.


Klets! Klets! Zonder waarschuwing sloeg Karnk hen allebei vol in het gezicht. De adrenaline stoof door hun bloed van de schrik, maar de klappen brachten de broers wel weer terug van een verre reis in hun gevoelsleven.

"Lopen!" galmde Karnk. Hij duwde hen in de richting van het ravijn en joeg hen meedogenloos op. Nadat ze korte tijd voort gerend hadden, keek de achteraan lopende Karnk om. Door het gras stoof hun het monstertje achterna.

"Mooi!" schreeuwde Karnk naar voren. "Het komt ons achterna. Als we een betere plek vinden om hem van ons lijf te houden, ga ik langs een omweg terug om je tas te halen, Tipo!"

Tipo stak zijn hand op ten teken van begrip. Gaosar die achter Tipo liep, werd zo verblind door zijn niet te stoppen tranenstroom, dat hij slechts met de uiterste moeite en wilsinspanning op de been kon blijven. De doorwaakte nacht, de spanning en de druk van de monsterlijke geheimen op zijn hart eisten nu hun tol. Als een zombie lette hij alleen nog maar op de voor hem stampende voeten van Tipo. Zijn hele lichamelijke overlevingsinstinct was er slechts op gericht om precies in de voetsporen van zijn halfbroer te stappen. Op een zeker moment renden ze langs een afdalend wildpad, langs scherpgepunte melkwitte rotsen, lichte jaspis dooraderd met oranje. Een rotsformatie richtte zich hoog boven hen op, terwijl het pad omlaag ging naar de voor hen liggende kloof. Opeens schreeuwde Karnk: "Links, links! Bij die oranje hoek. Daar naar boven!"

Ze waren te daas om tegen te stribbelen en zonder commentaar volgden ze Karnk’s bevel op. Al snel zaten ze heel hoog, op een rots waar ze naar alle kanten een vrij uitzicht hadden. Tot hun grote schrik realiseerden ze zich toen, dat Karnk niet meer bij hen was. Tipo moest het plan om de reistas op te halen, nog eens aan Gaosar uitleggen, want die had van het geschreeuw van Karnk niets in zich op kunnen nemen. Plotsklaps hoorden ze gekrabbel in de verte. Er rolden kleine steentjes omlaag. Ze wisten dat het aapje aan de beklimming begonnen was. Het lichaampje bleef de beperking houden van het kleine formaat en de babyzwakheid, maar de demon joeg het dier voort in een niet aflatende wraakzucht.
Gaosar had nu de tijd om zijn vermoedens over de hem achtervolgende demon van Onsten met Tipo te delen. Toen hij zijn diepe berouw onder woorden wilde brengen, barstte hij weer in huilen uit, zo overstuur was hij. Ineens werd Tipo kwaad.

"Nou ophouden jij!" schreeuwde hij. "Bij moeders reet! Het is maar een aap! Een doodgewoon rotapie! Die beesten vreet ik even makkelijk op, klotenkop! Kom op nu! Gooi 'em een mes in zijn strot. En mik met vaste hand."

Hij liet zijn woede vergezeld gaan van een paar driftige stamjachtcommando's, die hun geconditioneerde uitwerking op Gaosar niet misten. Met hun volledige jachtaandacht gespitst op de rotsen onder zich bleven ze lange tijd doodstil staan. Zo hadden ze de snelste vis met een lans in stromend water gedood. Zo hadden ze met een gevorkte stok de giftigste slangen levend gevangen om hun gifklieren uit te kunnen drukken. Het scheen dat de demon hun veranderde houding had opgemerkt. Even had een apenoog om een hoek gegluurd en Tipo's eerste werpmes had hem de neus opengesneden. Ze wisten zich in deze positie superieur. De demon kon hen niet ongezien naderen en zij beschikten over water en voedsel. Het apenlichaampje zou niet onbeperkt lang tegen de felle zon bestand zijn, nu het met de lange ren was uitgeput. Hoe lang ze daar gestaan hadden,wisten ze niet. Of het aapje er ook nog was, wisten ze evenmin. Op een zeker moment hoorden ze een wild geschreeuw en zagen ze ver beneden hen, bijna op de bodem van het grote ravijn, een zwaaiende Karnk staan. Naast hem stond een magere man met een opvallend puntige, kale schedel. Hij droeg een geelgroene poncho, die hem uitstekend camoufleerde tegen de groene achtergrond. Ze konden niet horen wat er geroepen werd, maar Karnk maakte armbewegingen, die er op leken te duiden, dat ze moesten blijven waar ze waren. Er verstreek bijna een wateruur zoals ze zagen aan de stand van de zon. Ze durfden hun aandacht niet te laten verslappen, maar waren overeengekomen om elkaar af te lossen. Terwijl de een waakte, kon de ander even zitten en de van het ingespannen kijken verkrampte oogspieren korte tijd ontspannen.
Op een bepaald moment zat Gaosar zijn gezicht even te masseren, toen hij onverhoeds weer werd overvallen door de vreemde druk in zijn hoofd, die hij al eerder had leren kennen. Nu was hij tijdig op zijn hoede.

"Let op!" fluisterde hij zeer indringend. Eerst hoorden ze niets bijzonders boven alle normale, natuurgeluiden uit, maar toen vernamen ze een vreemd gezang, dat hoger en hoger kwam. Even viel het stil, toen was er een niet thuis te brengen geluid hoorbaar, misschien zo iets als het nasuizen van een nat gegooid brandend houtblok. Een onbekende riep iets in een onbekende taal. Gaosar antwoordde in het Zietse: "Wij zitten hier boven. Er is een bezeten aap daar ergens."

Toen er geen antwoord kwam, herhaalde hij het bericht in Tiki. De onbekende stem antwoordde heel snel, ook in het Zietse: "Oerbash heeft hem al. Klim rustig omlaag."

Hun wantrouwen was zo groot dat ze geen gehoor durfden te geven aan die suggestie. Misschien had de demon simpelweg van lichaam gewisseld? Gaosar voelde wel hoe de druk in zijn hoofd was weggevallen.

"Laat eens zien!" riep Tipo op zijn hoede. Op een heel andere plaats dan waar ze zelf de demon verwacht hadden, werd er een strak dicht gebonden zak op de witte rotsen gesmeten. Uit de zak klonk een zielig gejammer. Nu twijfelden de broers niet meer. Ze klommen de rotspunt af. Tot zijn grote vreugde vond Tipo zijn gebruikte werpmes weer terug. Ze daalden voorzichtig verder af. Toen ze het pad weer bereikten, zagen ze ver voor zich uit iemand in een razend tempo naar beneden klauteren. Het was een kleine witharige man met een witte baard en uitgezakte oorlellen, die de bruine zak aan zijn gordel had gehangen. Ze voelden zich pas echt opgelucht toen ze Karnk zagen. Hij was in het gezelschap van de kale man met de puntige schedel. Ze waren nog meer verrast, toen Karnk behalve Tipo's reistas ook de twee werpmessen van Gaosar bleek te hebben opgehaald van die noodlottige plek onder de acaciaboom.
"Dit is Mani," wees Karnk. "Hij komt uit het Vuurland."

De tengere man boog heel licht zijn punthoofd. Karnk vervolgde: "Hij reist met twee andere mannen. Die oude is een demonenbedwinger. Ze waren al ver op de weg boven, maar het schijnt dat die man speciaal is terug gegaan, omdat hij kon voelen wat er hier gebeurde. Ik begrijp het nog niet helemaal."

De Vuurlander begon te lopen.

"Loop met Mani mee, anders raakt hij te ver achterop bij zijn meester," zei hij. "Mani legt het onderweg wel uit."

Dat de Vuurlander over zichzelf in de derde persoon enkelvoud sprak, bevreemdde de mannen. Hij sprak weliswaar goed de taal van de eilanden, maar zijn buiteneilandse accent was onmiskenbaar. Misschien had die gewoonte met zijn Vuurlandse afkomst te maken, dacht Gaosar. Ze gingen nu allemaal op Tiki over, omdat Mani geen Zietse sprak. Soms begrepen ze niets van zijn verhaal, maar dat weten ze aan hun onwennigheid met de andere Tiki-zinsbouw en aan het Vuurlandse accent.

"Mani reist samen met Gorba, die van Heirgoland komt. Jullie zullen hem straks zien. Vraag hem niet te veel. Hij houdt niet van praten. Mani soms wel, dus vraag maar."

"Zijn jullie een soort Falaks?" wilde Karnk weten.

"Mani beschouwt zichzelf als een monnik. Hij weet niet wat Gorba en Oerbash van zich zelf denken," was het antwoord.

"Oerbash, is dat de naam van de demonenbedwinger bij jullie?" zei Gaosar met al zijn onuitgesproken vragen in die opmerking verstopt. Mani grijnsde van oor tot oor: "Andersom. Mani en Gorba zijn bij Oerbash," corrigeerde hij.

"Wie is die Oerbash dan?" hield Gaosar aan.

"Een Tat-meester," antwoordde Mani zonder daarmee iets duidelijk te maken.

"Ik heb van een volk gehoord dat op Sarda woont," liet Karnk weten. "Zijn dat ze niet, die Tat?"

Mani knikte bevestigend.

"Wat is een Tat-meester dan?" vroeg Gaosar.

"Oerbash is een Uitlegger," zei Mani. "Hij weet hoe hij aan domme mensen zoals Mani kan vertellen wat het Zijn is. In de Oude Taal betekent Tat `Alles Wat Is.' Begrijp je?"

Gaosar noch Karnk of Tipo begrepen er iets van. Maar de prestatie van het moeiteloos uitschakelen van de demonbezeten Tak had zulk een diepe indruk op hun gemaakt, dat ze naast en achter Mani huppelend, aan zijn lippen hingen om er wel iets van te begrijpen. Gaosar knikte lichtelijk schijnheilig: "Misschien. Misschien begrijp ik iets. Je bedoelt dat Oerbash leert hoe je moet zijn."

"Als je het zo zegt, dan zal Oerbash je een klap geven," grinnikte Mani alsof hij zich al verheugde.

"Hij sláát, die Tat?" vroeg Tipo stomverbaasd. "En toch blijf jij met hem mee reizen?"

"Mani is dankbaar voor alles wat de meester hem geeft!"

"Wil je een paar klappen van mij, Mani?" vroeg Karnk opgewekt als altijd.

"Wil jij vast een klap terug, grote man?" vroeg de kleine Vuurlander met zulke ingehouden woede in zijn stem, dat hij er zowaar Karnk mee deed inbinden. "Als je verstandige vragen stelt, geeft Mani verstandige antwoorden. De meester heeft tegen Mani gezegd dat hij drie dagen drie Onmachtigen mee wil nemen. Daar bedoelt hij jullie mee, denkt Mani. De meester doet altijd wat hij wil, maar Mani hòeft niet te praten. Hij kàn wel praten."

"Ja, ja, ik begrijp je," suste Gaosar het dreigende ongenoegen. "Ik wil graag nog meer antwoorden. Spreek alsjeblieft. Vergeef ons ons onbeleefde gedrag. Vertel. Hoe bedwingt je meester demonen?"

"Hij heeft ze lief," legde Mani tot hun grote verbazing uit. "Hij zingt ze hun eigen schaduw in. Dan kunnen ze nog alleen maar aan hun ware aard denken en niet meer aan diegene die hun met een betovering leidt. Zo bevrijdt de meester ze van een lang verleden."

"Bedoel je dat die demon niet meer terug zal gaan naar de tovenaar die hem gestuurd heeft?" vroeg Gaosar gretig.

"Als zijn kleine voertuig sterft, zal hij opnieuw in een levend wezen geboren willen worden," was het antwoord. "Zijn grote voertuig gaat naar geen enkele tovenaar meer toe, nooit meer. Wel is hij Oerbash dank verschuldigd."
Het meeste van dit mysterieuze gepraat ontging Gaosar, maar terwijl hij langs het steile pad in de kloof omhoogklom, ervoer hij een steeds groter wordend, opgelucht gevoel van gered zijn uit een groot gevaar. Inmiddels waren ze tot aan de rand van de andere ravijnkant geraakt. Onder een boom zaten daar, alsof ze er al dagenlang wachtten, de witharige Tat en iemand in een geelachtig jak. Waarschijnlijk was dit degene die als Gorba werd aangeduid. Dat was een boomlange, lichtbruin getinte oudere man met een kortgeknipte grijze baard en een gekromde, puntige neus. Hij was inderdaad heel zwijgzaam en toen hij eens zijn mond opendeed, leek zijn gebit op de kort geschroeide stammetjes in een dennenwoud na een bosbrand. De Tat zat met gesloten ogen wat te brommen en zo nu en dan klopte hij op de bruine zak. In het begin klonk daar nog wat onbestemd geluid uit, maar na een wateruur leek alle leven er uit geweken.
Ze bleven lang op het plateau, omdat de Tat met een gebaar had aangegeven dat hij honger had. Meteen waren Mani en Gorba aan het werk getogen om een maaltijd te verzorgen. De drie anderen zaten er onrustig bij, verlegen met de situatie en met zich zelf. Juist op het moment dat Gaosar wou opstaan om afscheid van het bizarre gezelschap te nemen, zei de Tat zonder zijn ogen te openen: "Blijf. Eet mee. Onsten kan jullie hier niet vinden."

Het gedachtenlezende fenomeen van de kleine man was dermate indrukwekkend, dat geen van de drie ook nog maar overwoog om op te stappen. Er werd bovendien een ongekende culinaire traktatie voorbereid. De vreemde reizigers bleken een inklapbare aanpassing op een klein Shirtoestel te hebben geconstrueerd, dat zij een Verdichter noemden. Het apparaat kon warmte of koude produceren en werkte ook als een oven. In korte tijd werd er brood en eieren gebakken en groenten gestoofd in een pannetje. Het maakte op de drie vrienden een rare indruk dat de twee oudere monniken al het werk verrichtten, terwijl de jongere Tat er ontspannen zijn gemak van nam. Gaosar bood zijn diensten aan bij het schoonmaken van een stapeltje wortels. Terwijl hij er met een mes de aarde afschrapte, stelde hij zich voor aan de man uit Heirgoland. Het was de langste man, die Gaosar ooit had ontmoet op Karnk na.

"Deze is Gorba," sprak de man vanachter zijn geteisterde gebit, op zijn hart wijzend. Hij bracht er de Halfbak even mee in de war. Het gebaar scheen aan te duiden, dat er sprake was van twee verschillende Gorba's, een indruk die nog versterkt werd omdat ook deze monnik de derde persoon gebruikte.

"Mag ik iets vragen?" vroeg Gaosar.

"Gorba gaat water halen," zei de oudere man terwijl hij zich omdraaide. Mani begon te lachen: "Ha. Gorba houdt niet van praten. Wat zijn je gedachten, Halfbak Gaosar?"

"Eh, eh... is Oerbash een tovenaar?" vroeg Gaosar terwijl zijn handen verontschuldigend bezig bleven met de worteltjes.

"Mani denkt van niet."

"Waarom zeg je dat je dat denkt? Weet je het niet zeker?"

Mani lachte klaterend.

"Mani moet heel vaak misschien zeggen. Onze meester houdt van praten, maar soms speelt hij een spel met de waarheid. Mani en Gorba moeten alles zelf uitzoeken, niets aannemen, niets geloven. Als hij merkt dat je zo maar iets gelooft, dan slaat hij meteen. En als Mani eindelijk iets werkelijk innerlijk gelooft, dan slaat de meester soms toch nog om te kijken of Mani het daarna nog steeds weet. Meestal weet Mani het dan niet meer echt en dan moet hij weer zoeken. Een jaar, twee jaar. Vinden is thuiskomen, zegt Basho."

"Basho? Wie is Basho?" vroeg Gaosar weer in de war.

"O, Basho. Dat is Oerbash."

"Waarom noem je hem anders? Oerbash is toch zijn echte naam?"

"Misschien wel, ja," twijfelde Mani. "Maar Mani noemt hem eigenlijk liever Basho. In de Oude Taal betekent dat het Spiegelcadeau. En in mijn taal, die van Vuurland, betekent het woord Geliefde. Voor Mani is dat hetzelfde."

Karnk, die bij hen was komen staan, bewoog zich ongemakkelijk.

"Ik snap echt geen ruk van jullie ingewikkelde praterij," zei hij. "Hoe kan een geliefde nou een spiegel zijn?"

Mani keek met een meewarig gezicht op naar de reus, die bijna anderhalf keer zo groot was. `Zó groot zó dom' zei die blik.

"Omdat de geliefde altijd op je lijkt," zei hij bijna geërgerd. "Alleen zien jouw slaapogen vooral de verschillen. En je ziet wat je mooi vindt en wat je lelijk vindt. Maar in werkelijkheid zie je alleen maar jezelf."

"Dit wordt me allemaal te veel," zuchtte Karnk vermoeid. "Hier achter stroomt een beekje heb ik gezien. Daar ga ik eens even mijn voeten in hangen. Kunnen de vissen er de tenenkaas afvreten."

Gelukkig leed zijn goede humeur niet noemenswaardig onder de opgestapelde spiritualiteit.


Gaosar was nog niet tevreden. Terwijl het eten stond te sudderen in de schitterende machine, kwam hij op een eerdere opmerking terug: "Je zei dat Oerbash me zou slaan, als ik hem zou vragen hoe ik hoor te leven."

Mani lachte opnieuw een schuddebuikende lach. "Nee, nee, je snapt het niet. Het gaat er niet om hoe je hoort te zijn. Het gaat er om wie je bent. Snap je het verschil?"

Gaosar’s onzekerheid werd er niet veel kleiner door. "Ik laat het wel langzaam tot me doordringen," zei hij met een zuinige glimlach. "Mag dat ook?"

Mani klopte hem bemoedigend op zijn schouder. "Zo ging het met Mani vroeger ook," zei hij.

"Hoe lang reis je al samen met die Oerbash?" wilde Gaosar weten.

"Tien jaren van de zon," antwoordde de kleine man en op de vragend opgetrokken wenkbrauwen van zijn gesprekspartner: "De mannen van Vuurland tellen niet de manen, maar de seizoenen van de zon. Kom nu. Geen vragen meer. Basho heeft honger. Hij heeft hard gewerkt om jullie spuugdemon klein te krijgen. Het was toch een spuugdemon?"

Gaosar knikte en hielp mee om het eten te serveren in de prachtige houten kommen, die uit Mani's reistas kwamen. Hij haalde hun eigen etensnappen erbij en schepte ze vol. Er werd in een kring gegeten. Hoewel er heel weinig gezegd werd, was het bepaald niet stil. Gorba slurpte en smakte zeer merkbaar. Oerbash had steeds klonters in snor en baard hangen, die hij er regelmatig met vette vingers uithaalde en met extra smaak wegwerkte. Mani zat zich ondanks zijn tengere gestalte snuivend en kwijlend als een beest met zijn neus vlak boven zijn kom vol te proppen. Alles wees er op dat eten bij de monniken een belangrijke plaats innam. Ze kauwden alle drie hun voedsel zeer nadrukkelijk. De vrienden verbaasden zich voor de zoveelste keer toen ze moesten vaststellen, dat zij al ruimschoots klaar waren terwijl het andere drietal smakelijk smakkend nog pas halverwege was. Van de weeromstuit schepten ze nog maar eens op van de verrukkelijke stoofschotel.
Op een zeker moment vroeg Mani aan Oerbash: "Basho, u vertelde gisteren over de Belofte van het Ene aan het Andere, die de Liefde is. Hoe dichter tot de kern van de Belofte, hoe dieper de Liefde, zei u. Maar u zegt ook steeds `Hoe dichter hoe dunner.' Wat is dan de andere kant van de Belofte?"

"De Niet-Belofte, Mani."

"Is dat wat u bedoelt met het Alleen Bewegen, Basho?"

"De ene getuige die vorm geeft aan dat wat nog vormloos is, Mani."

Mani scheen volkomen tevreden gesteld, maar hun drie gasten zaten met ogen op schoteltjes en wegfladderende oren te luisteren naar deze geheimtaal. Om hun verlegenheid te verbergen tastten ze nog maar eens toe. Zo nu en dan dwaalden Gaosar’s gedachten af naar de verschrikkingen van de afgelopen nacht. Oerbash ving op een bepaald ogenblik zijn ogen en zei plotsklaps: "Zet alles uit je hoofd. Deze plek is veilig tot later op de middag. Dan is het pas weer tijd om hard te lopen."

De kracht achter die opmerking was zo vanzelfsprekend waarachtig, dat geen van de drie zich nog vluchtelingen voelde. Wel bleef Tipo's blik vaak op de stille bruine zak aan Oerbash' gordel rusten. Toen de maaltijd na lange tijd was beëindigd, wuifde Oerbash met een slappe hand naar Tipo.

"Maak jij je nou maar es druk om jezelf, in plaats van over deze aap. Jij hebt je eigen liefde harder nodig dan hij."

Toen Tipo aanstalten maakte om zijn mond te openen, schudde Oerbash ineens een vinger voor Tipo's gezicht.

"Geen woord!" snauwde hij. "Spreek me niet tegen of ik geef je een mep!"

Tipo was zo afgebluft dat hij zijn verdediging inslikte en verbouwereerd stil bleef. Na het eten wasten de mannen, behalve Oerbash, de pannen, eetstokjes en kommen af. Alle keukengerei en bestek bleek als een puzzel in elkaar te passen. De drie vrienden keken met ontzag naar de rest van de uitrusting van de monniken, die al even doelmatig opgeborgen was. Ieder onderdeel was met de meeste zorg vervaardigd.

"Niets van te koop. Dit is allemaal door Mani en Gorba bedacht en gemaakt," lichtte Mani toe op Karnk’s begerige vraag naar de leverancier.

"Altijd reizen wij," vulde plotseling Gorba aan met zijn diepe stem. "Drie dagen blijven. Niet meer. Altijd op reis, dus wij klein pak. Nu heeft Gorba veel gepraat. Hij gaat naar binnen."


Hij stond op uit zijn gehurkte zit. Verwonderd keken Gaosar en Karnk elkaar aan, benieuwd waar de monnik dan wel in zou moeten verdwijnen. Tot hun verbijstering ging Gorba onder een schaduwrijke vijgenboom op zijn hoofd staan. Mani wuifde met zijn hand: "Laatste vraag voor deze middag? Mani gaat ook straks naar huis."

Tipo vond het al weer welletjes en verdween. Gaosar had wel tien vragen maar besloot praktisch te blijven en uit te vinden in hoeverre de twee groepen in elkaars gezelschap konden samen reizen. Het besef van de aanwezigheid van het kleine legertje onbehouwen Karreskrijgers met hun gerelde Vatchen aan de lijn, ergens op een dagreis achter hem, had een wilde vluchtneiging bij hem opgewekt. Toch voelde hij zich op de een of andere wijze heel veilig in de nabijheid van de Tat-meester.

"Waar gaan jullie heen?" vroeg hij dus. Het antwoord verduidelijkte niets. De kale punthoofdman man zei: "De Moeder en de Vader zijn overal. Gorba en Mani gaan naar huis. Basho is al thuis."

Hij maakte een kleine buiging in de richting van de gestalte van Oerbash, die verderop met zijn voeten in het water van het kleine stroompje zat te praten met Tipo naast zich.

"Waar wonen jullie dan?" vroeg Karnk ietsje ongeduldig. Mani begon te lachen: "Moet je Basho maar vragen. Mani gaat naar huis."

Hij stond gedecideerd op, rolde een slaapmatje uit in de schaduw en ging daar op zijn rug liggen. Nieuwsgierig bleef Gaosar kijken. Tot zijn bevreemding sloot de monnik zijn ogen niet om een dutje te gaan doen. Zonder ook maar één keer met zijn ogen te knipperen bleef hij naar een vast punt ergens tussen de boomtakken boven zijn hoofd kijken. "Nou, dat was een heel kort gesprek," zei Karnk "waar ik geen hol van snap. Maar hun spullen zijn fantastisch en echt gek lijken ze me ook niet. Ik wil die Oerbash wat vragen. Ga je mee? Die Tipo zit al een hele tijd met hem te kwekken."




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina