De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina5/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Hoofdstuk 4 De apenhouder.





  • Jullie zijn hem kwijt?!

  • Ik vrees van wel.

  • Hij heeft zijn achtervolgers afgeschud. Zelfs de honden van Nubisfahrd..

  • Gebruik je het Orakel?

  • Natuurlijk.

  • En?

  • Het Orakel voelt de weerstand van het onmeetbare.

  • Kan het jouw eigen weerstand zijn?

  • Gaat u het nu ineens opnemen voor mijn opponenten?

  • Ik zou het moeten overwegen.

  • U vindt dat ik tekort schiet?

  • Ach.

  • U hoeft me niet meer te ontzien, hoor. Die tijden zijn voorbij.

  • Mmm.

  • U kunt het niet laten, hè?

  • Nee.

Inmiddels kleurde de hemel in het oosten zich al wat donkerblauw. Binnen korte tijd hadden de drie reizigers hun rugbepakking weer in orde gemaakt en liepen ze de weg terug naar de hoofdweg langs het mijnkampement. Onderweg aten ze wat gedroogde broodwortelknollen en reizigerskoeken, die ze in Het Ware Amber hadden kunnen aanschaffen voor ze vertrokken. Om op de plek te komen die Forp had aangewezen, moesten ze een omtrekkende beweging maken, die veel tijd in beslag nam. Met name vermeden ze om tegen de wind in langs de lijkengeul te lopen, toen ze eenmaal een zeer lichte impressie van die stank hadden opgesnoven.

"Eetlustbedervend, als je de hele dag in die walm moet werken," blies Karnk. "Het doet me ergens aan denken, waar ik helemaal niet aan denken wil."

Tegen de tijd dat ze de beschreven drie grote saliestruiken gevonden hadden, was er een schemerig ochtendlicht ontstaan met vage roze en geelachtige strepen aan de horizon. Nergens was nog iemand te bekennen. Het duurde nog lang voordat ze de tunnelingang ontdekten en de aanvankelijke verwensingen aan het adres van die `leugenachtige pusgleuf' plaatsmaakten voor opgeluchte verontschuldigingen aan Forps onzichtbare zielsaanwezigheid. Ze lieten middels takjes het lot beslissen over wie de wacht zou houden en wie de tunnel in moest. Gaosar werd als wachtpost aangewezen. Hij kreeg Tipo's lans in bewaring omdat die onder de grond te lastig zou zijn. Op zijn beurt gaf hij Karnk twee van zijn messen en een stuk wurgkoord, toen de grote man voor het eerst liet blijken dat hij aan iets meer dan zijn handen en zijn vilmes behoefte had. De donkere opening zag er dan ook weinig aanlokkelijk uit. Ze hadden er verschillende grote blokken uit moeten dragen, waarmee hij vakkundig gecamoufleerd was. De plaats was voortreffelijk gekozen in het heuvelachtige terrein. Noch vanuit de nabij gelegen ertsgroeve noch vanuit het ommuurde gedeelte kon men hem zien en de gravers hadden de uitgegraven aarde en steen deels gebruikt om een extra beschermende wal aan de kant van het bewaakte terrein aan te leggen. Dat was zo goed gedaan, dat de wal in het geheel niet door de zoekende mannen als zodanig was opgevallen, terwijl hij op perfecte wijze graafgeluiden uit de tunnel en eventuele bewegende figuren bij de opening aan ieders gezicht en gehoor onttrokken had. De vrienden hadden ieder voor zich gemengde gevoelens ervaren, toen ze de steenblokken weg sjouwden. Hun kundige en gedreven voorgangers waren allen ten prooi gevallen aan een onvoorstelbare wrede en fatale bestraffing. Zou het hun beter vergaan? Waardoor waren de gevangenen ontdekt? Verraad? Lawaai? Waren er misschien verborgen signaalgevers opgesteld in de ondergrondse kluis? Genoeg om over te piekeren.


Tipo zat zich ter voorbereiding op zijn ondergrondse avontuur luidruchtig te ontlasten. Knetterende winden en spuitende geluiden gaven aan dat zijn darmen met diarree op zijn angsten reageerden. Ook Karnk ontlastte zich.

"Ik kan haast niet geloven dat dit goed afloopt," zuchtte Tipo. Karnk werd onmiddellijk kwaad.

"Sterfslab!" schold hij. "Jij bent zo iemand waar ik spontaan neerslachtig van word. Houd je muil en kom mee. Misschien kan je Nisha omkopen als we hier straks zilverrijk uit komen!"

Dat vooruitzicht stimuleerde Tipo inderdaad, al had Karnk het alleen cynisch bedoeld. Als eerste ging de jonge Bak het duister in. Ze hadden twee fakkels meegenomen, maar hun plan was om die pas te gebruiken aan het einde van de tunnel. Voordat Karnk hem volgde, zei hij tegen Gaosar: "Als je ons hoort schreeuwen, kom dan niet achter ons aan, maar maak dat je wegkomt. Als we zien hoe het er uit ziet daar aan het einde, komen we eerst naar jou terug. Als we er binnen een wateruur niet uit zijn, dan is er toch iets fout gegaan. Maak dan ook dat je wegkomt."

"Dat zou ik niet kunnen," zei Gaosar, die voelde hoe een kille hand zijn hart omvatte en zachtjes kneep.

"Het is je eigen leven," antwoordde Karnk. "Net zo goed als ik nu het mijne mee naar beneden neem. Gegroet, o dierbare vriend."

En weg was hij, met enige moeite zijn zware lijf voorbij de smalle tunnelopening persend.
Gaosar verborg zich tussen de grijzige saliestruiken. Overal om hem heen kwam het dierenleven op gang. Vogels kwinkeleerden, af en aan vliegend boven zijn hoofd. Op de grond renden reusachtige mieren hun dolle gang tussen ontbijt en nest en verder hielden kevers in de meest uiteenlopende vormen en kleuren, gravend, kruipend of vliegend tijdelijk zijn geest bezig. Konijnen en marmotten scharrelden in grote getale rond in het struikgewas.

De zon kwam op, dichte nevelslierten uit de ochtenddauw provocerend. Gaosar voelde de koude uit de grond in zijn botten trekken. Hij dacht aan zijn makkers, diep onder het aardoppervlak. Hun bewegende lichamen zouden hen wel warm houden. Hij kon zich ook hun angstzweet voorstellen, zo scherp dat hij het bijna rook.

`Misschien zijn ze al dood,' dacht hij op een zeker moment, maar daarop volgde direct het weten, dat er niets was wat hij daar aan kon doen of had kunnen doen. Hij probeerde zich te ontspannen door een tijdje uitsluitend op zijn ademhaling te letten. Toen opende hij zijn ogen weer en keek naar twee kleine spelende marmotten in de heuvelkom voor hem. Zijn tevredenheid over zijn zelf verworven gemoedsrust duurde echter niet lang. Een snerpend gegil uit de tunnel schokte hem tot in zijn diepste wezen, niets heel latend van zijn onthechtende ervaring. Zonder zich te durven bewegen keek hij met wijd opengesperde ogen naar de donkere opening, niet meer in staat ze te sluiten, zelfs niet nadat hij het rode hoofd van Karnk zag verschijnen. Karnk zag er vreselijk smerig uit en over zijn rug liepen enkele bebloede striemen. Hij ontdekte Gaosar in de struiken en liep op hem toe. Toen hij de opengesperde ogen zag, zei hij begrijpend: "Hee, makker. Ik ben het. 't Is goed gegaan."

Hij pakte zijn reisgenoot bij een arm en hees hem overeind. Pas toen kwam Gaosar weer een beetje tot zijn positieven, maar praten kon hij niet. Alleen wijzen. Naar de tunnel. Karnk zei snel: "Niks aan de hand met Tipo. Rustig nou maar."

Op dat ogenblik kwam ook Tipo de tunnel uit, even smerig en met een bebloede kras over zijn gezicht. Hij grijnsde heel breed toen hij het zonlicht zag en zuchtte een aantal malen diep.

"Dat geluid!" kraste Gaosar met nog schorre, dichtgeknepen keel. "Wat was dat geluid?"

"Ja, dat is onze verrassing van hedenmorgen," grinnikte Karnk. "We wouen een apie voor je mee nemen."

"Een wàt?!" viel Gaosar uit.

"Nou, gewoon, een apie. Wat hij zegt," antwoordde Tipo naar Karnk gebarend. Hijgend vertelde hij het hele verhaal. Hoe ze een lange afstand kruipend hadden afgelegd om uiteindelijk gestopt te worden door een instorting van grond, gruis en steen. Het leek alsof de verzakking kortgeleden gebeurd was. Toen ze zich er eindelijk langs en onderdoor hadden gewurmd, bleek dat ze iets verder ook het einde van de tunnel bereikt hadden. Hij liep dood op gemetselde stenen. Waar ze terecht zouden komen als ze een gat in die muur konden breken, hadden ze voorlopig niet durven uitzoeken. Hun meest adembenemende ontdekking was echter een babyaapje geweest dat in de tunnel zat. Het mysterie was overweldigend. Hoe was het diertje daar gekomen? En de tweede vraag: hoe was het van zijn moeder gescheiden geraakt? En de derde vraag: wat moest een aap op deze hoogte waar geen jungle was? Op deze berghellingen was nauwelijks voedsel en groeiden er geen hoge bomen, waarin zulke apen plachten te overnachten om zo bescherming tegen grondroofdieren te hebben. Ze hadden de instorting nader onderzocht en het vermoeden was gerezen dat het dier op de een of andere wijze daar doorheen de tunnel in was geraakt. Gaosar was weer geheel hersteld van de schrik.

"Was dat het gegil?" vroeg hij. Tipo knikte en zei: "Ik wou hem pakken om mee naar buiten te nemen, maar hij beet me en krabde me vreselijk in mijn gezicht en tja, toen heb ik van de weeromstuit nogal hard teruggeknepen."


"Nou vrienden, denk eens met me mee," vroeg Karnk de broers en toen somde hij zijn conclusies op. "Die instorting zit vlak bij de kluisgangmuur en aan de noordkant van de villa van die tovenaar. Waarom daar? Wat kan nou zulke trillingen veroorzaakt hebben, dat het tunneldak het deels begeven heeft? Ik zou het niet gek vinden als dat ongeveer de plek is, waar de karren met gereinigde metalen uit de mijnen worden gelost. Ze gooien de baren lood en zilver daar op de grond en andere slaven brengen ze naar binnen. Volgen jullie mij? Onze tunnel ligt niet zo diep onder het oppervlak. De makers hebben hem zo driehoekig mogelijk uitgehakt en gegraven om het instortingsgevaar zo klein mogelijk te houden. Toch is er wat verzakt en waarschijnlijk is er daar een opening geweest. Die opening was er waarschijnlijk al heel lang en nooit ontdekt. Waarom? Omdat er waarschijnlijk struiken omheen groeien. Dat aapje is ergens door in paniek geraakt en heeft zich verstopt in wat het als een hol zag. Ja? Nee?"

Gaosar en Tipo knikten ten teken van hun instemming met deze redenering.

"Kijk, weet je wat ik wil?" vroeg Karnk. "Ik wil per se geen demonen in die kluisgang te lijf. Ik ben al tevreden met een paar kleine aandenkens aan ons tochtje hierheen. Bijvoorbeeld door een paar overbodige baartjes zilver deze tunnel in te smokkelen. Ja? Nee?"

De broers maakten brede handgebaren om hun volkomen begrip te demonstreren. Ieder alternatief vooruitzicht dat uitsteeg boven een weinig aantrekkelijke conversatie met een demon of een Vatch in een nauwe gang sprak hun overlevingsinstincten sterk aan.

"Dus wat wij doen, is eenvoudig. Wij graven heel voorzichtig een gang uit naar boven en gaan kijken en luisteren. Ik stel voor dat maar één van ons dat laatste stuk doet. Als hij betrapt wordt, kan hij zich sneller alleen uit de voeten maken, dan wanneer wij gedrieën in die tunnel achteruit moeten kruipen."

"En als hij gepakt wordt...?" fluisterde Tipo met een uitdrukking van afschuw op zijn gezicht.

"Dan wordt er tenminste maar één van ons gepakt!" reageerde Karnk geprikkeld.
Het duurde een tijd voordat ze hun normale rust weer terugvonden maar de noodzaak van het harde lichamelijke werk droeg daar veel aan bij. Ze ruimden zo geruisloos mogelijk het ingestorte puin uit de verzakking weg, totdat ze inderdaad weer een spoortje daglicht boven hun hoofd zagen. Soms konden ze vaag mensen horen praten. Nog steeds was onduidelijk waar ze precies waren uitgekomen. Hand voor hand haalden ze aarde en kleine stenen weg. Om geen onnodig risico te nemen stopten ze toen er meer daglicht in de tunnel viel. Ze trokken zich terug naar het tunnelbegin en in de beschutte kom aten ze wat. Gaosar had zich als vrijwilliger aangemeld voor de missie van verkenner. Hij zou zich tegen zonsondergang uit het gat pogen te werken en dan zou zijn onderzoek tot verdere plannen moeten leiden. Ze zaten betrekkelijk ontspannen wat koeken en gedroogde vruchten te eten, toen plotseling het kleine aapje in de tunnelopening verscheen. Ze schrokken alle drie verschrikkelijk. Het dier had zich bij hun eerdere graafwerk in de gang voor hen verborgen gehouden, waarschijnlijk uit doodsangst, en daarmee hadden ze ook tijdelijk zijn bestaan vergeten. Hun angstgolf joeg het wezentje weer naar binnen, maar soms hoorden ze het hartverscheurend piepen.

"Die ruikt ons water," bedacht Karnk.

"En ons eten," zei Gaosar.

"En Karnk lijkt op zijn moeder," zei Tipo grijnzend.


Omdat ze toch niets anders te doen hadden, maakten ze het brokje dierenleed tot het centrum van hun gezamenlijke aandacht. Tipo holde een knol zodanig uit dat er een soort drinkbakje ontstond. Het water daarin lokte het beestje, dat verder met Tak werd aangesproken (een Pai-woord voor 'speer'), inderdaad als een speer naar buiten. Aanvankelijk was het echter zo nerveus dat het alle water verspilde. Herhaalde pogingen slaagden echter en na een heerlijke middag van zorgenvrij gepietlut liet Tak zich uiteindelijk kruimels voeren, aanhalen en koesteren. Zonder protest liet Karnk zich ook tot twee keer toe bekakken door Tak, welk intiem blijk van een gezonde stofwisseling met tevreden gejuich door de eensgezind liefdevolle pleegouders werd begroet. Tegen de tijd dat de avondschemering viel, hadden ze hun troetelkind bovendien ettelijke krekels en vlinders gevoerd, waar het aapje dol op was. Zelfs liet Tak zich vlooien door Tipo, die daar uitzonderlijk behendig in was. Gestimuleerd door dat voorbeeld ontvlooiden en ontluisden de reizigers elkaar ook maar meteen, wat bepaald geen overbodige bezigheid was.
Met tegenzin stond Gaosar op een bepaald moment op. Niemand had iets willen zeggen, maar ieder voor zich had zo nu en dan de stand van de zon gepeild. Het was tijd. Karnk leek te slapen in de beschutting van de saliestruiken en Tipo lag met het aapje onder zijn tuniek moeder en kind te spelen. Het was alsof niemand hem zag gaan, alsof niemand hem zou missen, maar toen hij op het punt stond om in de gang te verdwijnen, keek hij om. De beide andere mannen hieven hun handen omhoog ten teken van afscheid.

"Kort kijken en meteen terugkomen!" beval Karnk en Gaosar hoorde zichzelf gedwee: "Ja, moeder" antwoorden. Hoewel het als een grapje werd bedoeld en zo ook werd opgevat, voelde hij werkelijk een golf van moederlijke bezorgdheid met hem mee vloeien toen hij aan zijn onderaardse tocht begon.

`Raar' dacht hij. `Een reuzenman, die van mij houdt zoals een moeder. En zie mezelf nou eens. Soms voel ik mij zijn moederbroer. Hoe zou het zijn om een vaderman te zijn, zoals de Shir en de Bindi dat kennen? Heel vreemd.'

Met steeds een hand tastend in de donkerte voor hem kroop hij vooruit.

`Ik ben niet meer de zelfde als degene, die zich inscheepte op de veerboot,' besefte hij. `Ik verander meer en meer. Eén dag hier is ingrijpender dan een heel maanjaar thuis.'

Zijn duistere tocht in zijn eentje duurde voor zijn gevoel veel langer dan hij ervaren had, toen ze gedrieën achter elkaar gekropen hadden. Na korte tijd kon hij de kleine open plek in het tunneldak in de verte onderscheiden als een stormbaken van licht. Staande op de eerder die dag opgestapelde hoop rotsblokken werkte hij het laatste deel van het gat zo ver open, dat hij in een uiterste stilte zijn hoofd eruit kon steken. Zijn teleurstelling was groot toen hij alleen maar struikgewas kon zien, maar toen drong de voorspoedigheid van deze ideale camouflage tot hem door. In een rap tempo groef hij zich uit het gat. Tussen de bladeren door kijkend merkte hij op, dat hij, bijna zoals Karnk al voorspeld had, naast de ingang van Onsten’s villa terecht gekomen was. Er was niemand te bekennen, hoewel hij van de andere kant van het gebouw woedend getier hoorde en geluiden die klappen zouden kunnen zijn. Daarna kwamen er woedende voetstappen naderbij, gevolgd door andere voeten. Zich platdrukkend tegen de grond en gespannen omhoog glurend zag Gaosar een corpulente, maar breedgebouwde man naderbij stampen. Hij had korte, dikke vingers, die hij beurtelings samenkneep en spreidde, alsof hij wurgenderwijs wat problemen had willen oplossen. Aan zijn rijkversierde gordel hing een dunne staf van edelmetaal met in de punt een groot kristal gevat. Hij had een breed gezicht en droeg een lange zwarte kruinstaart op de manier van de orthodoxe Rishe. Opvallend waren zijn grote puntige en platliggende oren en zijn scherpe, lange neus die hem deden lijken op een kruising tussen een beer en een vos. Achter hem aan dribbelde een nog wat kleinere man, haast nog dikker, die sussend leek te praten. De vreemde, nasale manier waarop ze Tiki spraken, onttrok voor Gaosar de meeste betekenis aan hun conversatie. Bij de trap aangekomen draaide de puntoor zich om en schreeuwde tegen de terugdeinzende dikkerd iets dat Gaosar verstond als "Tanden uit hun bek vijlen!"



De ondergeschikte bleef staan, slikte zijn commentaar in en boog. Daarna verdween hij uit Gaosar’s gezichtsveld. Deze kortaangebonden, briesende Rishe moest wel de tovenaar Onsten zelf zijn. De man beende nog altijd razend de trap op en maakte met een zware sleutel het deurslot van de bordesdeur open. Hij ging naar binnen en smeet de deur met een daverende klap achter zich dicht. Bèng!
Iets klopte er niet. In gedachten repeteerde Gaosar de beelden en de geluiden. Iets was daar anders in dan dat wat te verwachten was geweest... Ineens realiseerde hij zich wat. Het geluid van de dichtvallende deur. Er had iets als een echo geklonken. Onsten was met zoveel kracht te keer gegaan, dat het slot weer uit de slotgreep was gestuiterd zonder de deur werkelijk af te sluiten. In een opwelling van vermetele onnadenkendheid ging Gaosar op zijn hurken zitten, voorover leunend om het hele terrein te kunnen overzien. Er was niemand meer zichtbaar. De deur! De open deur! Wat een kans was dit, een ongekende, ònmogelijke mogelijkheid om de villa van binnenuit te onderzoeken! Het idee maakte zijn bedenkingen kleiner en kleiner. Vliegensvlug en gebogen als een kat wurmde hij zich uit de struiken en rende de bordestrap op. De deur was inderdaad nog open!

Als een spookschaduw sloop hij de ruime hal door. Er kwamen vier deuren op uit. De meest rechtse stond iets open en daar kwam een sterke etenslucht vandaan: een keuken. De meest linkse was met ijzeren balken en sloten nadrukkelijk tegen ongewenste bezoekers beschermd. Gaosar vermoedde daar de kluisingang, maar alle ideeën om daar toegang toe te krijgen, liet hij onmiddellijk varen. De deur naast de kluis had een klein raam van lavaglas en daar doorheen kon men vaag een trap naar een hogere verdieping onderscheiden. Dat onbekende terrein durfde Gaosar evenmin aan. Gelijkvloers zou hij nog naar buiten kunnen ontsnappen, maar boven was dat misschien helemaal niet mogelijk. De deur naast de keuken bleef over. Ook hierin was een lavaglasvenster aangebracht en hij zag in het bobbelige, vertekende perspectief een gang, verlaten, voor zover hij zien kon. Hij ging snel naar binnen. Op de gang kwamen diverse deuren uit. Gaosar voelde zich mateloos kwetsbaar omdat geen enkele nis hem bescherming bood voor de blikken van iemand, die nu uit één van deze ruimten de gang in zou komen. In zijn nood opende hij voorzichtig de dichtstbijzijnde deur en gluurde naar binnen. Het was duidelijk een eetvertrek. Er was een tafel gedekt voor twee personen met kostbaar servies en even kostbaar bestek. In de verst weg gelegen muur was een half openstaande deur, die tot een ander vertrek toegang gaf. Gaosar liep terug naar de gang en sloop naar de tweede deur, die waarschijnlijk ook de entree was voor de kamer naast het eetvertrek. Hij legde zijn oor tegen het hout. Gedempt klonken er stemmen. Weer een ruzie? Het geluid was zo ver weg, dat hij vermoedde, dat dit conflict zich in de derde kamer afspeelde. Toch durfde hij niet rechtstreeks naar binnen te gaan. Hij rende terug naar de eetkamer en nam toen het kleinere risico van binnendringen in de onbekende ruimte ernaast. Het was een zeer weelderig gemeubileerd woonvertrek met schitterende geknoopte kleden op de grond. Er was niemand, maar ook hier was weer een binnendeur naar het volgende vertrek. Ernaast lag op de grond een gebroken drinkbeker. Een kleine plas wijn vloeide langzaam verder uit over het marmer van de vloer. Iemand was zojuist door deze deur gegaan en had de beker laten vallen! Of iemand anders met een slecht humeur had er de drinkende persoon door heen geduwd? Een punt van het kleed lag omgekruld. Gaosar luisterde weer aan de deur. Hier vond een fikse ruzie plaats, stelde hij vast. Hij bepaalde eerst maar eens zijn ontsnappingsroute. Hij zou weg kunnen duiken achter de brede bank met de zwarte kussens. Er was nog een derde deur met een lavaglasvenster, die op een veranda uitkwam. Zo stil mogelijk schoof hij er de binnengrendel van af, zodat hij er in noodgevallen direct door naar buiten kon stuiven. Daarna ging hij terug naar de ruziedeur. Duidelijk kon hij Onstens stem onderscheiden, echter zonder het vreemde accent dat Gaosar eerder was opgevallen. Het was alsof hij dat dialect nu niet kon gebruiken, omdat hij tegen iemand sprak die dat niet zou kunnen verstaan.

"Vee! Vee is het," schreeuwde Onsten. "Zij gehoorzamen me, ze vertrappen op mijn bevel, ze slaan op mijn bevel. Zo bang zijn ze om mijn respect te verliezen. Maar wat heb ik daar aan, als ze zelf niet nadenken?! Ik heb niets aan hun toewijding als ik zelf moet bepalen waar ze slapen, waar ze eten, waar ze schijten en wat ze moeten doen."

Onstens stem ging van woede nog verder omhoog. "En jij bent hetzelfde!" gilde hij tegen de onbekende ander. "Jij gelooft me klakkeloos. Jij doet wat je gezegd wordt, maar niets meer, bang me te ontrieven met iets waar ik niet om gevraagd heb. Bah! Als ik niet zo veel om je gaf, piste ik op je hoofd, maar zelfs dat zou je als een heilige drank opdrinken! Hou op met dat gelukzalige lachen naar me! Hoor je me? En hou op met me Vader te noemen! Houd op! En scheid helemaal daar mee uit! Kleed je weer aan! Bah! Slaven en slavinnen heb ik om me heen. Ik walg van hen zoals ik van jou walg! Aarrggh! Ga je hiernaast maar volproppen. Ga maar zitten zuipen en huilen! Weg! Schiet op!"

Gaosar hoorde hoe er een tweetal kletsende slagen werden uitgedeeld en ogenblikkelijk dook hij weg achter de bank. Hij was net op tijd, want hij hoorde hoe de deur openvloog en blote voeten renden de woonkamer door. Er weerklonk een hysterisch huilen en de stem van een vrouw, die gesmoord: "Vader, nee, o nee, Vader!" leek te roepen, toen ze in de eetkamer was aangeland. Een ijskoude hand woelde rond in Gaosar’s ingewanden. Haar accent, waarmee ze de Tiki woorden uitsprak, was een Pai-accent. Teveel bekends trof hem in de klank van die stem. Was dat niet Nisha? De Maannachtvrouw van Capai? Herinneringen aan een gesprek op de boot met haar tante Barthe vlogen door hem heen. Nisha kon zelfs Shir aan zich binden, had ze gezegd! Was deze Rishe haar doel geweest? De grootse rijkdom in deze tovenaarsvilla zou haar zeker aangetrokken hebben. Maar een verbintenis tussen een Rishe en een Bakvrouw? Gaosar school stomverbaasd weg achter de bank. Hoge Shir verbonden zich naar het gerucht ging al meer dan honderden jaren niet meer met de Bindi, laat staan met Baks. Van laaggeplaatste Shir, die zich niet om hun status bekommerden, kon men zich nog wel belangstelling voor leden van een ander ras voorstellen, maar een Rishe? Gaosar’s gedachten sprongen over van het onvoorstelbare naar het voorstelbare: het gevoel dat Tipo zou hebben als hij hem dit feit zou vertellen. Hij besloot om het helemaal uit zijn hoofd te zetten. Hij was hier om een roof voor te bereiden, niet om zich te bemoeien met een Bakvrouw, die het hoog in haar bol had. Toch denderden de twee klappen in zijn hoofd als gongslagen op zijn zielspiegel van ingeslepen tradities en vooroordelen. Er werd een Bakvrouw geslagen! Een ondenkbaar beeld op Capai: dat een Bakman zijn hand zou opheffen tegen een Moeder! Waar het ooit voorkwam, zou het direct een verbanningsoordeel van de Oude Moeders tot gevolg hebben. Nog moeilijker had hij het met het woord Vader. Nisha had het bijna als een aanspreektitel gebruikt. Ondenkbaar! Onsten zelf had er niets van moeten weten. Ze kon het beslist niet letterlijk bedoeld hebben, dacht Gaosar. Het zou hem verbazen als ze overigens zelf zou weten, wie haar verwekt had. Bakmoeders hielden beslist geen notities bij van de mannen met wie ze gemeenschap hadden. Waarom noemde ze hem dan Vader? Onsten was een oudere man met een grote kracht. Zijn uitstraling was enorm, dat had Gaosar wel gevoeld, zelfs door de deuren heen. Zou Nisha het een eer gevonden hebben om door zo iemand verwekt te zijn?


Hoe langer Gaosar er over nadacht, des te verwarrender zijn eigen gevoelens werden. Ook hij was sinds Karnk’s indringende vragen over zijn afkomst bezig met het verleden. Het mes van de vogelman. Een man, die kon vliegen, maar die uit de lucht gevallen was. Een man die kon vliegen. Wie kon dat anders geweest zijn dan een Shir-tovenaar?

`Ik ben een Halfbak' zei hij tegen zichzelf. `Zou mijn vader een Rishe zijn? En zou ik respect voor hem moeten hebben?'

De vragen vulden zijn geest zodanig, dat hij even keihard op zijn hand moest bijten om zichzelf weer onder controle te krijgen. Dit was niet de goeie plek voor zulke gevoelens, hield hij zichzelf nadrukkelijk voor. ‘Als ze je hier ontdekken, ben je voer voor de Vatchen. In de andere kamer had hij een harde knal gehoord, een deur, die in woede werd dichtgesmeten. Naar de eetkamer kon hij niet meer dus sloop hij de andere kamer in, die inderdaad verlaten was. Ook hier viel hem een grote luxe op. Langs de wanden stonden lange tafels met daarop vreemde instrumenten en allerlei vaten van aardewerk en metaal. Er stond een fraai bed van kunstig bewerkt hardhout naast een breed bureau. Alsof iemand ook 's nachts wilde doorwerken, tot hij echt niet meer kon, dacht Gaosar. Hij hoorde weer een knal, weer een dichtgeslagen deur. Het geluid kwam van de gang. Hij opende de gangdeur en toen hij de drie gesloten deuren snel bevoelde, kon hij aan het natrillende hout merken, waar Onsten was heengegaan. Gaosar aarzelde. Hij moest weg uit de gang. Keukenpersoneel zou ieder moment de maaltijd kunnen opdienen, Nisha zou kunnen verschijnen. Hij besloot Onsten achterna te gaan. Liever wist hij waar de tovenaar was, dan dat hij onverwacht met hem geconfronteerd zou worden. Tot zijn verwondering was er lange gang achter de deur, verlicht door een walmende toorts. Kennelijk was hier een doorgang naar een heel ander deel van het huis. Zijn hart begon in zijn borst tekeer te gaan. Was dit misschien een tweede ingang naar de kluis? Hij bereikte trillend van de spanning een klein portaal. Er was maar een deur, waar een zware ketting op bevestigd was, die echter nu los hing. Zeer op zijn hoede en verrast door zijn eigen doodsverachtende durf opende de hij de deur op een uiterst smalle kier.

De hele vloer achter de deur was van wit marmer en in het midden lag een grote bijna ronde vijver. Het leek op een natuurlijke bron. Het licht van een vijftal toortsen weerkaatste in het bijna rimpelloze water. De rook van de toortsen trok weg naar een ventilatierooster in het plafond. Er naast zat een groot venster van lavaglas. De tovenaar wilde hier wellicht ook wel eens met daglicht een bad nemen. Onsten zelf was verdwenen in de tegenoverliggende deur. Aan een haak in de muur hing een ketting met een enorm slot. Ingeschroefde ogen in de deur en de post gaven aan dat de deur hiermee afgesloten was geweest. Was Onstens schatkamer hier achter? Uiterst voorzichtig opende de jonge man de deur met zijn linkerhand. In zijn rechter hield hij gespannen zijn meest betrouwbare werpmes klaar voor het geval hij de tovenaar zou verrassen. Dat was niet het geval. Hij zag een korte gang met zes deuren, allemaal met tralies. Er hing een heel vreemde lucht, die hij met een schok herkende. Apendrek! Dit was geen schatkamer, integendeel! Zijn teleurstelling was zo groot, dat hij bijna meteen rechtsomkeert wilde maken. Toch dwong zijn nieuwsgierigheid hem verder. In het eerste hok hoorde hij beweging. De stank werd sterker en sterker. In de kooi stond een kolossale mannetjesaap opgericht op zijn achterpoten. Verbijsterend was echter het feit dat het dier onmiskenbaar op mensenbenen stond. Was dit een laboratorium waar Onsten experimenteerde met dieren en mensen? Toen Gaosar trillend van spanning het tweede hok wilde bekijken, trok hij als door een wesp gestoken zijn hoofd terug. Daar lag in een hoek een tweede aap, althans een aap? Het was geen dierengezicht dat hem aankeek, maar eerder dat van een mens. Gaosar hield even op met denken en daarna dacht hij een tijdje voor twee, misschien wel voor drie. Aan het einde van de gang hoorde hij onbestemde geluiden. Kennelijk was Onsten druk met iets bezig.


De geheimzinnigheid rond Onstens werkzaamheden wees op een groot taboe. Andere Rishe zouden informatie hier over zeker boeiend en mogelijk waardevol vinden. Men moest alleen de juiste persoon weten te vinden, eentje die weinig sympathie voor Onsten had. Gaosar’s tweede conclusie was, dat dit laboratorium zo geheim was, dat Onsten er mogelijk andere waarden opsloeg. Snel ging hij terug naar de vijverkamer. In een kast naast de toegangsdeur vond hij precies waar hij op gehoopt had. Naast tien vaatjes met kostbare olie, drie fraaie wapenrustingen van gehard brons en kistjes met gesorteerde kristallen stond er een kistje met aan leren repen geregen dompellood. Hij nam er uit wat hij om zijn middel kon knopen liet bovendien in zijn zakken twee zware leren zakjes glijden, die hij naast het dompelloodkistje aantrof. Tijd om ze open te maken ontbrak hem. De deur naar het laboratorium stond nog steeds open. Hij had eerder opgemerkt dat er een eenvoudige hendel uit de muur stak om hem van binnenuit te sluiten. Het verdwenen slot hing nu over die hendel heen en even aarzelde Gaosar. Zijn geroofde buit was zo zwaar, dat hij zich niet meer snel verplaatsen kon. Even sloegen hem de angsten om het hart. Hoe kon hij hier onbestraft weg komen? Door Onsten op te sluiten natuurlijk! Zonder nadenken graaide hij ineens het slot van de hendel, maar terwijl hij dat deed, viel de sleutel er uit, rinkelend op de grond. Het leek of de tijd en zijn hart stilstond. In het volgende moment bukte hij, pakte de sleutel en duwde de laboratoriumdeur dicht. Achter de deur klonk een woest gebrul, waar echter scherpe woorden in klonken. Gaosar joeg de ketting door de schroefogen en het slot erdoor. Toen begon hij te rennen alsof er hem een demon op de hielen zat. Hij was met die waarneming niet ver bezijden de waarheid. Hoewel het geschreeuw abrupt was afgebroken, had niet het perplexe lichaam van Onsten de achtervolging ingezet, maar iets anders.
Terwijl Gaosar door het huis rende, werd hij op een magische wijze gehinderd. Steeds leek het hem alsof er een klein, maar onzichtbaar wezen hem in het gezicht spuugde, waardoor zijn ogen hopeloos begonnen te tranen. Gaosar’s paniek bracht hem tot een ongewoon woedende reactie. Op zijn beurt spuugde hij doldriftig in de lege lucht voor hem en dat scheen het demonische wezen even op non-actief te zetten, lang genoeg een run naar de voordeur. Die was inmiddels dicht en afgesloten! Volkomen intuïtief rende hij de keuken in. Twee vreemde geelhuidige mannen, `Niss' flitste door hem heen, stonden met hun ruggen naar hem toe op een keukentafel vruchten schoon te maken. Het bovendeel van een tweedelige deur stond open en Gaosar sprong er over heen. Hij had echter onvoldoende rekening gehouden met zijn aanzienlijke overwicht en hij bezeerde zekere delen van zijn onderlichaam flink. Zijn vertraging gaf de Niss tijd om van hun schrik te bekomen en beiden gooiden hun groentemes naar hem toe. Het ene sneed hem in zijn oor en het andere bleef steken in zijn broekzak, gestopt door het leren zakje. In een reflex rukte hij mes, flarden broek en het hem hinderende zakje los en gooide het naar de Niss, die al naar nieuwe keukenmessen graaiden. Hij rende weer verder, zich verbazend over het uitblijven van een nieuwe mesaanval. Als hij de tijd genomen had om over zijn schouder te kijken, dan had hij gezien hoe de Niss zich direct begerig op het zakje gestort hadden. Zonder enig overbodig tijdverlies verborgen ze het broederlijk eensgezind in een zak meel. Ze pakten hun buiten liggende keukenmessen op en gooiden de flarden van Gaosar’s gescheurde broek in een afvalemmer. Daarna gingen ze buitengewoon ontspannen en opgewekt verder met het fruitdessert. Ze wisten nog niet dat hun meester dat dessert voorlopig niet zou komen opeisen.
Gaosar was om de hoek van de villa gerend en even had hij zijn vlucht ingehouden. Hijgend en zwetend, nog trillend van angst, speurde hij het voorterrein af. Als hij met een onverhoedse manoeuvre de tunnel zou verraden aan bewakers zou hij onmiddellijk het leven van zijn makkers in de waagschaal stellen, wist hij. Er was niemand. Het was inmiddels donker en zwaarbewolkt en even was hij niet helemaal zeker van de juiste plaats tussen de struiken. Toen hij struikelde met een voet in het gat, was de stekende pijn in zijn enkel hem haast welkom. Hij liet zich zo snel hij kon in de opening zakken. Iets griezeligs vibreerde in de avondlucht achter hem aan. Het spugende wezentje spuugde niet meer, maar het was ook niet verdwenen. Gaosar strompelde de tunnel door op weg naar Karnk en Tipo. Zijn bebloede oor klopte en zijn geschaafde kruis was zeer pijnlijk. Zijn longen staken en zijn spieren voelden zonder uitzondering overbelast. Toch was hij immens voldaan over zijn vorstelijke beroving, alleen werd hij vaag beangst door het vreemde gevoel over de kleine spuugdemon, die hem kennelijk op enige afstand volgde.

`Voorlopig ben ik hun allemaal te slim af,' dacht hij. `En de tijd zal wel leren of Onsten zijn demon als een speurneus kan gebruiken.'

Dat is inderdaad het mooie van de tijd. Tijd leert.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina