De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina4/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Hoofdstuk 3 Aankomst.

Na een maaltijd op een groot overhuifd terras van een fraaie uitspanning met de inspirerende naam 'Het Ware Amber' sprak het drietal de herbergier aan. Wat vond hij met betrekking tot de meest doelmatige wijze van welgesteld worden op het eiland? De man verwees naar de handel in edele metalen met de mijnopzichters, "Vooropgesteld dat u aantrekkelijke waar in ruil heeft aan te bieden." Hij keek met een hoopvolle blik naar de bolle reistassen van het gezelschap.

"Om te beginnen zullen we u passend belonen als u ons in contact brengt met een deskundige op dat gebied," zei Karnk vlot. Inderdaad bracht die kleine investering hen snel op het spoor van een oude, krom lopende ex‑mijnwerker met de naam Cugel Forp, die uit zijn werkplaats gehaald werd om een beker stimulerende vruchtenwijn mee te drinken.

"Mag ik het woord doen?" vroeg Karnk vooraf aan de broers. "Ik heb een ruime ervaring in het vinden van alternatieve bronnen van inkomsten naast het gebruikelijke harde werken."

In een nog onbezoedeld vertrouwen stemden Tipo en Gaosar hiermee in. In snel tempo ledigde de uitgenodigde bejaarde een tweede beker, vooruitlopend op de mogelijkheid dat het eventueel een kort gesprek zou kunnen worden. Aanvankelijk bleef de man terughoudend met informatie over de mijneconomie en eventueel boeiender alternatieven dan het onplezierige wassen van looderts. Ze kwamen wel te weten dat hij tot kortgeleden administratieve werkzaamheden in de mijnen had verricht omdat hij naast vaardigheden als smid ook de schrijfkunst beheerste.

"Rish Uto Onsten is met het opzicht belast," antwoordde Forp op een inleidende vraag. "U moet zich maar tot hem wenden."

Daar had Karnk niet de minste behoefte aan. Hij haalde wat geld uit zijn gordel en direct had hij 's mans volledige aandacht.

"Het zou kunnen zijn dat ik u toch kan helpen," zei Forp met een bereidwillige glimlach.

"Wat begrijpen wij elkaar fantastisch," antwoordde Karnk. "Allereerst, ik weet niets van het mijnvak. Kunt u mij er iets van uitleggen? Ik kan enig dompellood tegenover uw gedetailleerde moeite stellen."

"Helaas was ik in mijn jonge jaren dom en onverbeterlijk in mijn hebzucht," legde Forp uit. "Ik kwam herhaaldelijk door mijn even grote slordigheid met de Opzichters in aanraking en zo uiteindelijk jaren als contractgevangene in de mijn in Brank. Vroeger was die straf zo erg nog niet. De bewakers waren streng maar rechtvaardig en wij werkten op laarzen en met stofmaskers. Het voedsel was schraal maar toereikend. Sinds de oorlog met de Pirti is echter het beheer van de mijnen overgedragen aan tovenaars met een uitzonderlijk hardhandige reputatie. Ik hoop dat ik niet te veel zeg?" vervolgde hij met enige reserve. Karnk stelde hem gerust: "In het geheel niet, goede man. Was ik namelijk een vriend van Rish Onsten, ach dan zou ik mij immers zonder reserve tot hemzelf gewend hebben, nietwaar?"

De mijnwerker begreep hem goed, maar toch verkeerd. Hij vroeg: "Bent u uit op wat ...eh, laat ik zeggen, wat aanschaffingen van metalen buiten de geëigende kanalen om? Ik zou u wellicht zeer van dienst kunnen zijn."

Karnk liet het misverstand voorlopig bestaan.

"Vooralsnog oriënteer ik mij op de algemene omstandigheden," sprak hij ontwijkend. "Gaat u toch verder met uw uitleg."

"Wel, voor het smerigste werk, het stukslaan van het looderts gebruikt men nu nog uitsluitend Pirti-slaven. Ze sterven aan het stof of ze doden zichzelf of elkaar. Ach, zij zijn nu eenmaal de oorlog begonnen en men mag geen medelijden met hen hebben."

Forp leek daar persoonlijk wel iets meer mededogen in te voelen, maar kennelijk wilde hij tegenover dit onbekende gezelschap geen radicaal afwijkend standpunt innemen. Na een lichte hapering vervolgde hij: "Na het onaangename vergruizen wordt het erts in een van de vele afvoerkanalen gewassen. Dat gebeurt vooral door Bindi misdadigers. Zij zijn niet veel beter af dan de Pirti. Rish Onsten slaat veel en castreert vlot opstandige lieden. De gevangenen staan tot aan het middel in het water en schudden de manden in het water heen en weer. De zware korrels looderts bezinken direct en het snel stromende water neemt de lichtere stoffen mee. Daarom ziet de zee bij Zolui er zo rood uit. De werkers halen aan het eind van iedere dag, als de sluizen kort het kanaal afsluiten, het op de bodem verzamelde looderts op. Daarna gaat het naar de smelterij. U begrijpt misschien dat er op dat traject wel eens iets naast de kruiwagens valt?"

Karnk knikte zeer geboeid en de man praatte weer door: "In de ovens worden de verschillende metalen apart gewonnen. In geringe hoeveelheden is er zink en zilver te vinden, ijzer komt veelvuldig als verontreiniging van het looderts tevoorschijn. Veel daarvan wordt in de mijn weer gebruikt, want men smelt het looderts in grote ijzeren bakken. Wat heeft uw belangstelling het meest?"

Karnk speelde wat voorzichtig te zijn: "Ik heb nog geen zekere keus gemaakt. Alles hangt van de mogelijkheden af. Hoeveel werkers zijn er en wat is de productie?"

De mijnwerker rekende aarzelend op zijn vingers.

"In de mijn van Brank zijn naar mijn schatting nu enkele duizenden gevangenen te werk gesteld, maar tegenwoordig sterven ze als vliegen. Vroeger was men tevreden met een productie van zo'n acht barken lood en zeven barken ijzer per jaar, mogelijk één of twee barken zilver en meestal eenzelfde hoeveelheid zink. Nu voert men tientallen krijgsgevangenen per week aan, maar wat de opbrengsten zijn, houdt het Huis van Oorlog geheim."

"Wat gebeurt er met de productie, Sar Forp?" wilde Gaosar weten. "En een tweede vraag: wordt het lood hier gesneden en gedompeld?"

Forp keek zuinig.

"Ik kan mij niet goed voorstellen waarom buiteneilanders als ulieden zulke informatie interesseert," zei hij. "Bent u een overval van plan?"

Karnk redde de situatie zonder talmen met wederom een stuk dompellood.

"Sar Forp, vergeef ons deze nieuwsgierigheid en maakt u zich geen zorgen," onderbrak hij. "Wij komen niet onbemiddeld aan hier in Bayin en graag laten wij u delen in onze welvaart. Het is alleen onze behoefte om een permanente bron van inkomen aan te boren. Op langere termijn helpen wij vanzelfsprekend u weer, als u ons nu van dienst wilt zijn."

Forp graaide zonder enige gêne het lood van de tafel en riep uit: "Ach, wat kan het mij verblotekonten! Ik heb zó veel mensen met honger en ziekte geholpen, dat ik nou zelf wel eens..."

"Dat u nu zelf wel eens ziekte en honger wilt hebben?" vulde Karnk zijns ondanks aan. Forp keek heel vreemd en de reus verontschuldigde zich snel voor zijn ontsnapte kwinkslag. Toch was het ijs nu definitief gebroken en Forp praatte honderduit over eerdere criminele activiteiten op het mijnterrein. Het bleek dat er zonder enige raciale hindernis moeiteloos illegaal werd samengewerkt tussen Bindi, Baks, Vuurlanders en zelfs enkele Shir burgers om de mijnproductie te ontlasten van allerlei `overbodigs', zoals Forp dat diepzinnig benoemde.

Gaosar moest ineens denken aan het geheimzinnige gedrag van Geshyo, toen zijn contact met de punthoofdige Vuurlanders ter sprake was gekomen. Het zou hem niet verbazen, als de Falak naast het onderbetaalde vertellen van verhalen, zijn onschuldige image benutte voor nogal wat minder keurige activiteiten. Hoewel het gebruik van vlieggordels strikt was voorbehouden aan Rishe, hun novieten in de Genootschappen en assistenten van de Huizen bleek er door een bepaalde bende een 'manakonda' gebruikt te worden voor nachtelijk transport van `overbodigs' van het verder streng bewaakte opslagterrein.

"Mocht zulke apparatuur tot uw uitrusting behoren," zo gooide Forp een balletje op, "dan is ons fortuin gemaakt."

Het woordje `ons' ontging niemand.

"In de beperking leert zich de meester kennen," merkte Karnk op. "Behoefte aan een grote organisatie hebben wij nog niet. Maar weidt u eens uit over die strenge bewaking waar u het over had, Sar Forp."

Forp tekende in het zand onder hun voeten een ruwe plattegrond. Op het heuvelachtige mijnterrein waren een viertal diepe ertsgroeven tot vrij diep uitgehakt. Twee andere leeggehaalde delen van de loodaders konden onder water worden gezet door de bedding van een kleine beek te verleggen. Bij het allereerste ochtendlicht stroopten enkele lokale armelui het terrein af naar achtergebleven kleine hoopjes los erts, maar dit leek nauwelijks winstgevende arbeid. Met meer belangstelling bestudeerden de vrienden de plaats van de opslagloodsen naast de smeltovens. Vanzelfsprekend was het eindproduct van gereinigd metaal het aantrekkelijkste `overbodige' product. De Shir hadden naast de drie grote stenen loodsen ook een snijderij gebouwd. Hier werd de correcte hoeveelheid per schijf gesneden, nagewogen en gedompeld in grote zinken bakken met een hete vloeibare doorzichtige pasta, die na afkoeling verhardde. De samenstelling van dit loodomhulsel werd uiterst zorgvuldig door de Shir geheim gehouden. In afwachting van transport naar Utrag of Gondar werden dompellood, zink-, ijzer- en zilverbaren in een ondergrondse kluis bewaard, die alleen via het huis van Rish Uto Onsten betreden kon worden.

"De opslagloodsen en de snijderij worden sinds de oorlog dag en nacht in de gaten gehouden door krijgers van Karres," zei Forp. "Dus u begrijpt dat daar zelden iets onregelmatigs plaatsvindt."

"Zo ver reikt mijn begrip nog niet, Sar Forp," onderbrak Gaosar nieuwsgierig.

"De Karreskrijgers hebben Vatchen gereld, die ze aan lijnen bij zich hebben," legde Forp gedienstig uit maar zonder echter het beoogde inzicht te bewerkstelligen.

"Spreekt u over monsters?" vroeg Tipo.

"Ah! Hoe beschaafd drukt u het uit!" riep Forp. "Voor hun plezier spelen de vatchen dat ze honger hebben en wat een vreugde scheppen ze dan in orgaanvlees en bloed! Eens was ik de ongelukkige vinder van één van hun slachtoffers. Een leeg omhulsel van vlees en botten! De Karres-mannen drogen het overblijfsel en eten er de billen en benen van op tijdens hun barbaarse feesten. De hoofden spijkeren ze op de dakrand van de loodsen. Alleen de meest wanhopige dieven willen zo met hun leven spelen. De Vatchen worden evenals hun begeleiders in de juiste stemming gehouden door een regelmatig offer van onproductief geworden gevangenen..."

Forps verhaal was weinig opbeurend.

"Toch ziet u mogelijkheden," voerde Karnk aan. "Anders zou u ons niet zo van informatie voorzien. Heb ik het mis?"

Forp legde onbeschaamd een lege, geopende hand op de terrastafel. Karnk’s gezicht vertrok; zijn mondhoeken gingen een beetje omhoog en de scherpe hoektanden glansden ineens zeer veelbetekenend. Er steeg een zeer apart gegrom uit zijn keel. Gaosar en Tipo, die deze stemmingswijziging nog nooit van hun reisgenoot hadden meegemaakt, keken geschrokken toe.

"U wordt te inhalig," grauwde Karnk. "Alles wat u tot nu toe verteld heeft, had ik van een willekeurige stombo van de straat te weten kunnen komen en voor heel wat minder dan u mij tot nu toe heeft afgetroggeld. Spreek op nu! Maak uw beloning waar of ik laat u kennis maken met één van mijn hardhandiger vrijgevige kanten!"

Forp keek ontsteld om zich heen naar een uitweg, maar zijn bejaarde constitutie liet geen rappe vlucht toe. Hij zuchtte diep en fluisterde: "Wat U wilt, Sares, wat u maar wilt."

"Voor de dag ermee dan, oude!" gromde Karnk weer. Gehaast wees Forp op de plattegrond: "Ooit was er een groep gevangenen, die een vluchtplan koesterden. Om een boot naar Vuurland te kunnen aanschaffen, hadden ze veel lood nodig. Ze groeven een tunnel naar de kluis van Rish Onsten. Ze werden ontdekt en allen voor de Vatchen bestemd. De tunnel werd dichtgegooid."

De oude man kuchte en het zweet brak hem over zijn gehele lichaam uit.

"Uw verhaal ruikt half," gromde Karnk met dezelfde niet aflatende dreiging, "maar u bent op de goede weg, bespeur ik. Komt u tot de kern."

"Eh... ziet u, eh.... ik had enige bemoeienis met die groep," bekende het bibberende oudje.

"Hoe kwam het dat ùw hoofd niet leeggezogen op een dakrand werd gespijkerd?" ondervroeg Karnk meedogenloos.

"Ik was op dat moment buiten de tunnel," aarzelde Forp "en ik eh ..."

"U ging snel even ergens een dringende behoefte doen toen u onraad rook?" veronderstelde Karnk.

"Ach, wie zou zichzelf niet pogen te redden met zo'n vreselijke toekomst in het vooruitzicht?" mompelde Forp verontschuldigend. Zijn gesprekspartners knikten met enig begrip.

"En toen?" drong Karnk aan.

"Die gevangenen waren aan elkaar vastgeketend, dus ze moesten altijd gezamenlijk aan het werk aan de tunnel. Ik was slechts betrokken bij het openen van de deur van hun barak zodat ze 's nachts naar hun groeve terug konden gaan. Daar begint de tunnel namelijk."

"Het verwondert mij dat u in de tegenwoordige tijd spreekt," zei Karnk oplettend.

"Er waren inderdaad twee tunnels!" gaf Forp toe. Ah, eindelijk de kern! De mededeling joeg golven van spanning en verwachting over het verder zo rustige terras van uitspanning 'Het Ware Amber'.

"Verklaart u zich nader," droeg Karnk de nog steeds rillerige man op. Forp keek weer om zich heen, maar in de verste verte was er niemand binnen gehoorsafstand aanwezig om hem te kunnen verraden.

"U weet niet wat ik hier voor een risico's neem," trilde zijn stem.

"Ik hèb een idee," antwoordde Karnk. "Maar wat dompellood versterkt doorgaans direct uw gevoel van eigenwaarde, heb ik gemerkt."


Opnieuw vond er een kleine transactie plaats. Forp hervond inderdaad snel zijn normale tegenwoordigheid van geest. Daarna legde hij uit hoe men eerst een tunnel gegraven had, die aansloot op de ondergrondse tunnel van het huis van de Rishe naar de kluis. Er bleken echter akelige demonen te waken over deze toegang, zodat men besloot om rechtstreeks een nieuwe tunnel naar de kluis zelf te graven. Dat plan was aanvankelijk afgewezen vanwege de harde samenstelling van de omringende rotsen. Alleen de laatste tunnel werd ontdekt.

"En wat zouden wij nu moeten?" vroeg Gaosar. Forp haalde zijn schouders op: "U bent buiteneilanders. Uw metgezel is van een mij onbekend ras en uw eigen afkomst bevreemdt mij ook. Daarom dacht ik eh... wel eh... Wellicht brengt u uit uw landen magie, die ons onbekend is en die afrekent met de demonische bewakers van Onstens tunnel?"

Karnk knikte. "U bent ons boeiend van dienst geweest. We zullen uiteraard eerst uw betrouwbaarheid moeten nagaan. U wijst ons de plaats en mocht ons inspanning resultaten afwerpen, dan deelt u daar in."

"Ik heb een voorkeur voor een onmiddellijke vergoeding hier ter plaatse als ik op de plattegrond aanwijs, waar u de toegang moet zoeken," antwoordde Forp.

"U heeft weinig vertrouwen in een succesvolle afloop," merkte Gaosar op.

"Och," zei Forp. "Op mijn leeftijd leeft men bij de dag, dat zult u begrijpen, nietwaar?"

"Moeten wij niet bedacht zijn op uw verraad aan de krijgers van Karres?" vroeg Gaosar bedachtzaam. Forps gezicht kreeg direct een groengele kleur: "Zij zouden niet eens de vraag stellen hoe ik van het bestaan van de tunnel afwist, maar mij direct op het Vatch-menu zetten," zuchtte hij. Dat argument sneed hout. Karnk betaalde Forp nogmaals een klein bedrag en beloofde een bonus achteraf.

"Ik dank u voor uw vrijgevigheid," zei Forp, terwijl hij de rituele respectbuiging van de Bindi voor het gezelschap maakte. "Op de plaats van mijn teen moet u het struikgewas wegkappen," zei hij terwijl hij de plattegrond in het zand markeerde. "Uw aanknopingspunt is een drietal brede saliestruiken er dicht naast. Ik adviseer u om in de zeer vroege ochtend te gaan. Men zal u eventueel voor afvalrapers houden en niet de moeite nemen om u aan te houden. Ik zal u bekennen dat ik er niet op reken ooit uw bonus te ontvangen, maar ik geef u mijn oprechte goede wensen mee."

Hij boog weer en verdween aardig zwaarder gemaakt, hobbelend uit het zicht. De drie keken elkaar taxerend aan.
In de strakblauwe lucht klapwiekten met lome vleugelslagen een vijftal witroze flamingo's voorbij. Tipo uitte een vreemd krasgeluid en de voorste vogel opende zijn kromme snavel en leek met een even vreemde schreeuw te antwoorden.

"Hee, dat is een goed voorteken," zei Tipo.

"Voor jou misschien," gaf Karnk voorzichtig commentaar. "Maar ze vliegen van het zuiden naar het noorden. In Kendoland zou dat namelijk als een slecht voorteken worden opgevat, een voorbericht van een lange droge tijd."

"Wie heeft er trek in een ruzie met een waakdemon in een donkere tunnel onder de grond?" was Gaosar’s uitermate praktische vraag. "Wat weten wij meer van demonen dan de Bindi? Ik ben erg aan mijn leven gehecht. Die Shir tovenaar zal toch wel weten wat hij doet. En hij is gewaarschuwd doordat zijn krijgers die andere tunnel hebben ontdekt."

"Ze zijn erg met zichzelf ingenomen, die Rishe baasjes," zei Karnk. "Dat is hun zwakke punt. Ze denken dat hun magie hen altijd beschermt. Maar ze kunnen zich alleen met magie beschermen tegen datgene wat ze zich kunnen voorstellen. We moeten met een plan komen dat anders is dan al het eerder bedachte. Iemand een idee?"

Gaosar stelde voor om een slaapplek te vragen in de herberg en te stoppen met nadenken totdat ze de volgende dag de situatie in ogenschouw konden nemen. Lange tijd zaten ze nog buiten te genieten van de in extatische kleurenpracht ondergaande zon.

"Met vaste grond onder m'n voeten voelt ook mijn hoofd zo anders dan op zee," zei Tipo op een bepaald moment.

"Je zweefde meer dan je leefde op die boot," mompelde Karnk. "Je kop zat vol verre dromen over dat bonkig mooie wijf, die Nisha. Zet haar van je af, Tipo Tennen. Hou je voeten op de aarde. Dat deed zij wel in ieder geval. Laat haar jou dàt dan tenminste leren."

"Ik heb liever dat ze me wat anders leert," zei Tipo met een diepe zucht, terwijl hij verlangend over zijn kruis wreef.

"Jij maakt je zelf nog eens gek met dat verlangen, Tipo," zei Gaosar op strenge toon. "Luister naar Karnk en mij. Zet haar uit je kop en uit je beluste kruis. We zijn hier voor heel andere dingen."

"Ha! Dat zeg jij!" mopperde Tipo. "Ik ben hier voor haar. Als ze me tenminste ooit ziet staan..."

Karnk stond op en rekte zich krakend uit. Zijn enorme gestalte torende hoog boven hen uit. Een massieve zwarte berg tegen een bloedrode avondlucht.

"Ik kan niet langer luisteren naar die meelijwekkende bronstpraat. Ik ga slapen. Dat de Moeder over jullie wake!"

Hij keerde zich om en liep naar binnen. Na een tijdje volgden de broers.


De volgende dag toonde de waard, die geen andere gasten had, een grote belangstelling voor hun plannen. Met name wilde hij weten of het contact met Forp tot winstgevende ideeën had geleid. De vrienden hielden zich wat op de vlakte en Gaosar liet weten dat het verkopen van hun handelswaar, het bitterzout, misschien toch wel op aantrekkelijker wijze in hun onderhoud zou kunnen voorzien, dan wat voor soort werkzaamheden dan ook in de mijnen van Brank. Daar was de waard het onmiddellijk mee eens. Hij adviseerde hun met het zout naar de grote stad Utrag te gaan, omdat daar een dagelijkse markt was met een groot aanbod. Lieden van het hele eiland en soms ook zelfs van andere eilanden kochten hier naar hun behoefte en het bitterzout was een handzaam en gewild artikel. Ze maakten graag gebruik van de mededeelzame stemming van de man om hem uit te horen over deze grote stad. Karnk bleek er ook het nodige van te weten en hij vulde aan waar dat nodig was. Hun beschrijvingen van rijke huizen met een eigen riool en warmwatervoorzieningen prikkelden Tipo en Gaosar enorm. Ze hadden nog nooit zo'n grote stad gezien. De koninginnestad Biss-antanna-hai op Capai telde wellicht meer dan tweeduizend mensen, maar verder was het grootste plaatselijke gehucht Tsjonghedjingo aan de noordkust, waar naar schatting een negenhonderd mensen samenleefden. Volgens de trotse opgave van de waard woonden er in Utrag op z'n minst vijfduizend. De Bakbroers hadden grote moeite om de omvang van dit getal te bevatten in hun brein dat bij ieder aantal boven de duizend slechts als omschrijving 'ontzettend veel' kon produceren. Een reis naar Utrag lokte hen dan ook zeer sterk. Toen de waard weer voor zakelijke bezigheden naar binnen werd geroepen, liet Karnk echter weten, dat hij eerst Forps informatie wilde toetsen. Lopend zouden ze in minder dan vijf wateruren1 in Brank kunnen zijn. Er zou voldoende tijd zijn om de omgeving bij daglicht te verkennen en na wat slaap konden ze in de allervroegste ochtend de aanbevolen rol van afvalzoekers op zich nemen. Bovendien lag Brank op de route naar Utrag dus tijd zou er nauwelijks verloren gaan, als men bij nadere bestudering van de confrontatie met Rish Onstens demonen wilde afzien. Karnk’s voorstel klonk redelijk en dus togen ze spoedig op weg.
Ten behoeve van het vervoer van metaalproducten naar de haven van Zolui hadden de autoriteiten een vrij breed pad laten kappen door een majestueus wortelbomenwoud. Steeds lieten hoopvolle bomen van hun over het pad heen hangende takken weer een nieuwe, dunne zwevende tentakel neer in het weelderige mos in hun nooit aflatende expansiedrang. Het eerstvolgende nieuwe konvooi van ezelwagens zou de wortelstrengen weer rap kapot rijden voordat ze tijd genoeg hadden om zichzelf diep genoeg te verankeren. Langs de grillige, in elkaar vergroeide stammen groeiden klimplanten tot in de tientallen manslengten hoge kruinen. Wonderlijke, veelkleurige bloemen staken uitnodigende honingtongen uit voor het gonzende insectenlegioen en voor sporadisch zichtbare blauwe en geelgroene kolibries. Na een vrij vermoeiende wandeling van enkele wateruren steeg de weg nog verder en werd er opvallend gezweet en gehijgd. De vegetatie werd schraler en de wortelbomen maakten plaats voor lager struikgewas met hier en daar notenbomen. Tipo wees op een zeker moment een grijzige, nevelachtige wolk aan, die boven de heuvels leek uit te waaieren.

"Zou dat steenstof zijn?" vroeg hij en zijn gelijk bleek toen ze de volgende heuveltop over klommen. Er waren verschillende diepe ertssleuven uitgehakt in de harde bodem en op een groot centraal liggend veld waren honderden slaven bezig om het daar pas gedolven erts in kleine, handzame brokken te slaan. Per groepje van tien waren allen met voetboeien aan elkaar gekluisterd. Het pad voerde langs de top van de heuvel naar de volgende brede vallei. Terwijl ze aan een langzame afdaling begonnen hoorden ze plotsklaps hoog en doordringend gillen. Ver onder hen zagen ze een paar bruingeklede bewakers met lange zwepen op een groepje passieve mannen inslaan. Het tafereel was des te meer luguber omdat de mannen geketend waren aan een dode. Na de ranselpartij hakte een van de bewakers simpelweg de voeten van het lijk, zodat hij het lichaam uit de voetboeien kon tillen. Hij wenkte een drietal andere slaven, die niet aan elkaar geketend waren, maar wier voeten zodanig met een korte ketting geboeid waren dat ze zich slechts schuifelend konden voortbewegen. Hun privilege leek alleen te berusten op het feit dat zij de dode en zijn losgehakte voeten in een geul aan de andere kant van het terrein mochten gaan gooien. Direct weerklonk uit de geul een gruwelijk gegrom, gehuil en gekras van verder aan het gezicht onttrokken jakhalzen, gieren en mogelijk nog andere aaseters, die elkaar de lekkernijen betwistten. De reizigers waren door Forp al wat voorbereid op een weinig zachtzinnig mijnbeleid, maar het losslaan op de nog levende makkers van de omgekomen man maakte een wel zeer nare indruk. Toen ze de vallei in kwamen, trok een tweede wansmakelijk omen hun aandacht. Wat ze van verre voor wat vreemde bomen gehouden hadden, bleken bij beschouwing van dichtbij wurgpalen te zijn, die ook als galg dienst deden. Ter afschrikking was er een recent slachtoffer zodanig lang aan vastgebonden geweest, dat vogels en ratten alle zachtere delen van het lichaam hadden weggevreten.

"Zo, die heeft geboft," zei Karnk in het voorbij gaan, "als die opzichters nog de moeite hebben genomen om hem eerst te wurgen..."
De hoofdweg voerde weer de vallei uit, maar een zijweg gaf toegang tot een ommuurd gedeelte, waarbinnen diverse gebouwen stonden. Een brede poort in de muur werd bewaakt door twee breedgeschouderde mannen met zeer smalle ogen.

"Dat zijn lui van Karres," fluisterde Karnk toen ze dichterbij liepen. Hij maakte een lichte beleefdheidsbuiging op de manier van de Bindi en vroeg toen: "Sares, kunnen wij Rish Uto Onsten spreken?"

De linker schildwacht liet zijn lange lans tot een schuine stand zakken, alsof hij bereid was om onmiddellijk de vraagsteller de keel te doorsteken.

"Onsten praat met niemand," grauwde de rechter bijl en mes dragende gruwel, wiens gezicht door een grof litteken over de kin ontsierd werd. "Je ken naar binne als je je eigen voor contractwerk komp angeve. En anders rot je maar op, voordat je leg af te rotte zoas hullie daaro."

Hij wees op de wurgpalen in de verte.

"Harde werkers zoals jullie worden meestal slecht betaald," insinueerde Karnk terwijl hij twee kleine schijven dompellood in zijn handpalm legde. De schildwachten loensten naar het betaalmiddel, maar gaven geen krimp.

"Lange vetkop," snauwde de kinbesneden oppasser. "Ik heb een hekel an fooitjesgevers. En ik hoef maar te gille of d'r komme nog een paar mate van me anholle om je klere leeg te schudde en je balle van je lijf. Begrijp je me al?"

Karnk boog ten teken van zijn volledige begrip.

"Ik had enig zilver willen kopen," zei hij verontschuldigend.

"Dat doene de meesten in Zolui," zei de lansdrager wantrouwend.

"Precies, en dat gaan wij dan ook maar doen," antwoordde Karnk. Voortvarend draaide hij zich om, teruglopend naar de hoofdweg. Tipo en Gaosar volgden maar al te graag.

"Heel ontmoedigend," zei Karnk zachtjes, "maar doeltreffend om alle nieuwsgierigen uit de buurt te houden."


Ze klommen aan de andere kant van de weg een stukje de glooiende heuvel op, totdat ze een goed overzicht van het ommuurde terrein hadden. Tot zover klopte de indeling en grootte van de diverse gebouwen goed met Forp’s beschrijvingen. De loodsen, de smeltovens, de barakken voor de slaven en het paleis van Rish Onsten, alles lag daar zoals Forp het in het zand van het terras van uitspanning Het Ware Amber had uitgetekend. Vanuit een kleiner gebouwtje klonk opnieuw smartelijk gillen op, dat in toonhoogte steeg tot een zielschrijnend gegier.

"Ik geloof dat we hier niets te zoeken hebben," stelde Gaosar vast. "Ik wil hier niet op contract werken en ik voel al mijn moed in mijn schoenen zinken, als ik er aan denk dat ik binnen die muren vanwege iets ontoelaatbaars te pakken word genomen door die knapen van Karres."

"Mijn idee," zei Tipo. Karnk bleef lang kijken.

"Alles wat zo groot is en zo grof, heeft zijn zwakke plekken," merkte hij op, niet in het minst uit het veld geslagen. Het gillen was verstomd, maar na enkele ogenblikken golfde een nieuwe stem naar hen toe, uitzinnig van schrik en pijn.

"Onsten heeft het druk met straffen," zei Karnk peinzend. "Dat betekent dat deze gevangenen, deze slaven, met zulke vooruitzichten van dood en marteling ofwel zeer rebels zijn of uitgeblust en afgestompt van angst. Misschien zullen ze ons willen helpen... Wel, er zijn hier talloze beschutte plekjes met een goed overzicht. We kunnen hier overnachten en als onze inspectie niets oplevert, dan gaan we morgen gewoon verder naar Utrag. Wat vinden jullie?"
Gaosar en Tipo zaten voor zich uit te kijken zonder wat te zeggen. Vanuit de verte zagen ze een drietal bewakers naar het kleine gebouw toelopen. Aan een touw werd een gestalte achter hen aan voort gesleurd. De man was met zijn polsen achter zijn rug geboeid en die boeien waren weer aan een metalen enkelband bevestigd. Het lopen ging hem daardoor moeilijk af en halverwege het plein viel hij. De bewakers schopten de liggende man enkele keren en trokken daarna hun schreeuwende slachtoffer het laatste stuk aan het touw voort zonder hem de gelegenheid te geven om op te staan. Dit vertoon van onmenselijke wreedheid prikkelde haast tegelijkertijd hetzelfde diepe gevoel van mededogen en opstandigheid in de beide broers.

"Bah, bah, bah," zei Tipo walgend. "Ze gaan maar door en door. Iemand zou daar wat aan moeten doen."

Gaosar knikte met op elkaar geperste lippen. Aanvankelijk was zijn reactie door angst bepaald geweest, angst dat hem zoiets zou overkomen, angst voor pijn en vooral angst voor die machteloze woede. Nu hij ook lichamelijk meer afstand had genomen van het mijncomplex, kon hij ook zijn verontwaardiging toelaten.

"Je zou dat hele zooitje moeten platbranden," gromde hij. Karnk begon zachtjes te grinniken.

"Op zo'n tip zat ik te wachten," deelde hij laconiek mee. "Hij komt uit de verkeerde stemming voort maar het is toch het juiste antwoord."

"Wat bedoel je daar nou mee?" antwoordde Tipo nijdig.

"Als je wat meer van deze praktijken gezien had, zoals ik bijvoorbeeld, dan kon je je er wat makkelijker bij neer leggen," zei Karnk. "Jullie op Capai hebben lang geen echte oorlog meegemaakt en dat heeft jullie zacht gemaakt. Maar overal om jullie heen is er verschrikkelijk gemoord in de laatste tijden. In het zuiden van Ogdi zijn hele stammen van Bak‑volken uitgeroeid door Shitso‑jagers. In Kendoland martelen de Kendi voor hun plezier. In Vuurland staan tempels met duizenden afgehakte hoofden op palissaden. Van de Pirti weet ik niet veel, maar er gaat een verhaal dat zij hun vijanden levend koken. Er zijn een paar littekens op mijn eigen lijf waar ik niet eens meer het verhaal van het hoe en waarom bij wil vertellen. Er waart een vuur van nood en ellende over onze wereld. De hoop van de gewone mensen dooft uit en hun liefde verkilt. De heersers zijn op macht en genot belust, koelbloedig en gewetenloos. Maar ik zal jullie vertellen, Gaosar en Tipo, hier sta ik. Ik leef nog en ik ben dankbaar voor iedere ademtocht. Ik lag al in een graf om te sterven en daar hebben jullie mij uitgehaald. Dit is mijn nieuwe leven. Ik ben van plan om daar elk moment van te genieten, snap je? Als ik mij te neer laat slaan door al het vreselijke onrecht om ons heen, dan kan ik nooit meer lachen, begrijp je? En wie zit er op een weeklagende Karnk Bartas te wachten? Niemand! Niemand, begrijp je? Het leven om mij heen gloeit en gloeit van leven! Kijk! Kijk hoe de zon ondergaat. Wat een schoonheid! Luister naar de vogels om ons heen. En het is waar, als je over die muren daar heen kijkt, dan zie je de gekwelden en hun kwellers. Maar wie is wie? Kunnen die bewakers genieten van deze zon zoals wij dat kunnen? Nee toch? Hun zielen worden geplaagd door hun drift, door hun schuld, door hun afgestompte gevoel. Vrienden, als wij een mogelijkheid vinden om de boel daar plat te branden, dan zullen we daar nogal wat lui een plezier mee doen. In de verwarring kunnen wij bovendien proberen om even dat kluisje leeg te halen. Zo verlossen wij die duivels van Karres van hun akelige werkjes, er zullen wat gevangenen ontsnappen en anderen zullen verbranden. En misschien zijn die nog wel het beste af ook. Zo, dat is voorlopig mijn plan. Denk er over na. Ik ga verderop buiten gehoorsafstand van onze gemartelde medebroeders een lekker tukje doen. Ik zal jullie wekken bij het allereerste licht. Zo. Punt. Uw lange vriend heeft gesproken."
Grijnzend draaide Karnk zich om en wees. "Daar! Zie je wat ik bedoel? Een mooie zanderige plek tegen dat rotswandje. Mag ik u voor gaan, o, edele Eerwaardige Wereldverbeteraars? Laat ons gemoed door de nachtlucht verkoelen en de zoete slaap onze bitterheid verzachten. Ja?"

Karnk’s manier van praten was zo scherp en tegelijkertijd zo zachtmoedig dat Gaosar en Tipo niet anders konden doen dan zich overgeven aan de visie van hun reisgenoot. Het werd nu snel donker en Karnk’s voorgestelde slaapplek zag er inderdaad goed uit. Ze sloegen een paar kuilen in het zand en wikkelden zich in hun dekens en sjaals tegen de muskieten.


Gaosar werd wakker van het geluid van een verwoed gevecht in de nabije azaleastruiken tussen nog onduidelijke diersoorten. Toen hij één van de werpmessen uit zijn gordelschede wilde pakken, realiseerde hij zich plotseling hoe er een ander, klein lichaam bovenop hem tot leven kwam. Hij besefte dat er een slang op hem lag, die was aangetrokken door zijn lichaamswarmte in de afkoelende nacht. Een lichte kreet van afgrijzen ontsnapte uit zijn verstijvende mond. Er weerklonk een zacht gerucht naast hem maar Gaosar durfde zijn hoofd niet te bewegen om te kijken. In het donker was de al dan niet onschuldige aard van het reptiel niet vast te stellen. Het dier ontrolde zich langzaam. Gaosar voelde nu duidelijk schub na schub over zijn buik en heupbeen glijden. Hij had al te lang zijn adem ingehouden en uiterst behoedzaam vulde hij opnieuw zijn longen. Even voorzichtig ademde hij uit, de naam van zijn broer fluisterend met de grootste intensiteit die hij aandurfde, terwijl hij voelde dat het meeste gewicht van de slang zich naar zijn gezicht toe bewoog. Weer klonk er geluid en toen was er een kort maar wild en zenuwschokkend gespartel op hem voelbaar. Tipo had een worglus over de kop van het ondier gegooid en hem in diezelfde beweging van Gaosar’s lichaam afgesleurd. De nacht was niet helemaal donker meer en Gaosar zag hoe Tipo de slang als een werpsteen in een riem rondzwaaide boven zijn hoofd. Toen hij het wurgtouw losliet, plofte het slangenlijf in de struiken. Alle drie de reizigers stonden klaarwakker en tomeloos gespannen met mes of lans in hun handen, weg gerukt uit hun innerlijke lotgevallen in verre dromen, onomkeerbaar klaar voor de strijd in de huiveringwekkende werkelijkheid.
"Klootverspiesd!" grauwde Gaosar met een hartgrondige opluchting. "Poe, poe. Ah, ik leef nog."

Karnk had Gaosar’s lans gepakt en liep voorzichtig naar de struiken toe. Tipo hield het touw schuin omhoog.

"Hij zit nog steeds in de strop," deelde hij mee, terwijl hij de draad langzaam inpalmde. Op het moment dat de woest tegenstribbelende slang weer tussen de bladeren zichtbaar werd, sloeg Karnk met het scherpe vuurstenen blad van de Tai-speer de kop er af. De smalle maan schuin boven hen bood nauwelijks licht en de twee broers bewonderden Karnk buitengewoon vanwege die volstrekt trefzekere slag. Geen van beiden achtte zichzelf tot zoiets in staat. De kop hing nog in de strop, die niet beschadigd was. Uit de nog in een reflex bijtende bek droop donker gif. Het onthoofde lijf maakte een geweldig lawaai in de droge struiken in niet aflatende stuiptrekkingen. Karnk plukte een breed azaleablad en hield het direct onder de slangenbek. Met een stokje drukte hij de gifklieren verder leeg. Het maanlicht glinsterde op de zwarte druppels.

"Jij boft en ik bof," zei de reus. Ze hadden allemaal de slang herkend als een Zai, wiens gif in kleine doses verlammend maar ook pijnstillend werkte. Om die reden werd het in gedroogde vorm verhandeld en door tovenaars van diverse volken gebruikt. In combinatie met andere middelen kon het zelfs een schijndood bewerkstelligen. Eén beet had Gaosar kunnen overleven, twee beten waren dodelijk. Tipo haalde het langzaam stilvallende lange lijf onder de bladeren vandaan en begon het zonder tijdverspilling schoon te maken. Toen hij het in zijn rugtas stopte, zei hij: "Het lijkt een voorspoedig teken. Een lekker maal voor straks, kostbaar gif èn we zijn op tijd wakker."


Karnk had het gif zorgvuldig in meer bladeren gewikkeld en opgeborgen om het later in de zon te kunnen drogen. Hij keek op vanuit zijn hurkende houding en merkte op: "En je broer is zich nèt niet dood geschrokken."

Gaosar stond inderdaad te trillen als een espenblad aan een spinragdraad.

"Wat ben je toch overdreven gehecht aan je leven!" giechelde de roodharige.

"Inderdaad," was Gaosar’s vinnige antwoord. "Laten we maar snel opbreken en gaan kijken of er een Karresvatch trek in ons heeft. Ze zullen jou wel het eerste nemen want ze schijnen dol te zijn op grote spreeuwenbek!"

"Die vatchen trekken zich niks aan van tijd of ruimte, dus groot of klein maakt hun niets uit," antwoordde Karnk, maar die abstractie ging voorbij aan de tijdelijk bekrompen geest van Gaosar.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina