De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina34/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 33 De nieuwe tijd.

De rest was de dag ging voorbij als in een droom. In die droom overvielen Gaosar de vreselijkste beelden van een kokende zee, zwarte regen die uit een hemel van vuur viel en ontelbare lichamen van mensen en dieren, die onder een kokende modder werden begraven. Hij was niet alleen in die schrik. Iola en Aniz liepen bibberend rond en Sugatha gaf enkele keren een wanhopige, geteisterde gil.

"Ze zijn allemáál dood!," schreeuwde ze. Niemand durfde zelfs maar een poging te wagen om haar van een troostend tegendeel te overtuigen. Om middernacht legden ze 's konings koude lichaam op de resten van de ontmantelde luchtwagen. Iedereen had droog hout gesprokkeld, alsof hun eigen leven er van af hing. En was dat niet zo?

Toen het vuur oplaaide, stak er plots een vreemde wind op, die bleef waaien tot de laatste vonken gedoofd waren. De wind begon te wervelen en nam de as op, ver omhoog naar de zwarte lucht. Zo ging Koning Katsin Oatreru zijn eigen weg naar de sterren.


Er gingen weken voorbij. De vogels gingen weer zingen. De krekels begonnen waar ze waren opgehouden. Er scheen weer zon. Soms vlood er een kort moment een vreselijke stank de vallei in, meegedragen op een noordelijke wind die van ver kwam. Hij bracht beelden mee van rottende lijken in natte modder, ontelbare kadavers, gespietst in eindelijk drooggevallen boomtoppen. De lucht van de dood prikkelde ook de drang tot leven. Iola bedreef opgewekt de liefde met Anzul, Antar èn Karnk, die eindelijk kreeg waar hij zo lang op gewacht had. Tirt en Sugatha waren heel stilletjes heel tevreden met elkaar, hoewel haar zwangerschap bizarre buien opriep, die tot de meest vreemde dialogen kon leiden.

Sugatha: "Vind jij me eigenlijk mooi, Tirt?"

Tirt: "Het mooiste!"

Sugatha: "Het mooiste? Vergeleken bij wie?"

Tirt: "Nee, ik bedoel gewoon in het algemeen. Van wat er bestaat."

Sugatha: "O ja. Maar wat vind je nou in het bijzonder zo aantrekkelijk?"

Tirt: "Je ogen bijvoorbeeld."

Sugatha: "Bijvoorbeeld? Wat zeg je dat ongemotiveerd."

Tirt: "Nee, nee. Het is echt zo."

Sugatha: "Goed, goed. Wat nog meer? Vind je mijn borsten mooi?"

Tirt: "O ja."

Sugatha: "Zie je wel! Je bent een slijmoor! Mijn borsten hangen. Je zegt dat alleen om me een beetje te troosten."

Tirt: "Kom nou Sugatha!"

Sugatha: "Je wil zeker weer iets belangrijkers gaan doen dan met mij praten. Ga maar naar je vrienden! Toe dan."

Tirt: "Nee, nee."

Sugatha: "Ga maar hoor. Je hoeft je echt niet om mij te bekommeren."

Tirt: "Maar dat doe ik heus wel."

Sugatha: "Vind je me zielig soms?"

Tirt: "Nee, je bent helemaal prima."

Sugatha: "Ja, ja, ogen en borsten. En dat is het dan, nietwaar?"

Tirt: "Nee, nee. Ik vind je helemaal mooi. Alles, alles."

Sugatha: "Echt? Of zit je me te vleien?"

Op dat moment kwam Karnk op hen toe.

"Ga je mee Tirt? We moeten nog wat van die bomen verslepen."

Sugatha: "Vind jij mij mooi, Karnk?"

Karnk: "Ja hoor."

Sugatha: "Maar wat nou speciaal?"

Karnk: "Het mooiste aan jou? Wat mij echt opwindt, Sugatha? Waar ik van droom?"

Sugatha: "Je maakt me verlegen, Karnk maar ik wil het toch weten."

Karnk: "Nou ik, ik persoonlijk ben helemaal weg van die glimmende plekken op je knieën en je ellebogen."

Daarna moest Sugatha door Tirt tegengehouden worden om Karnk niet met een vilmes te vermoorden, terwijl de reus bulderend van het lachen het weelderige regenwoud in rende.
Ondanks hun verborgen kampement waren ze toch niet doelmatig blijvend beschut voor machtige ogen, die voorbij tijd en ruimte konden kijken. Op een morgen daalde er een dofglinsterend, rond sterrenschip neer op een rotsplateau dichtbij het kamp. Hun onwelkome, reusachtige bezoeker kwam, niet gehinderd door het vervormervuur, dat van vele kanten op hem losbarstte, aanzweven middels een grote manakonda. Toen ze ophielden met het nutteloze schieten, klonk er een metalige stem van achter het doorschijnende energieschild, die naar Oatreru vroeg. Generaal Horkan antwoordde hem met een onbewogen gelaat waarin ogen als weerlichten flitsten: "De koning is dood. Hij heeft u niets gelaten, heer Nubisfahrd."

"Ik heb evenmin de nieuwe koning iets gelaten," zei de Sterrenheer. "Wat hij heeft, mag hij houden."

Gaosar bekeek de enorme gestalte met een onpeilbare mengeling van afkeer en gefascineerdheid. In tegenstelling tot de twee dwergen, die Karnk en hij in Utrag ontmoet hadden, sprak deze figuur onberispelijk Tiki. Er straalde een vanzelfsprekende macht van hem uit, die nog nooit beproefd scheen. `Hij bevestigt mij,' dacht Gaosar. `Hij weet wie ik ben. Ik ben de nieuwe koning. Koning zonder koninkrijk... Mijn lot kan hem niet veel meer schelen. Maar waarom wil hij Karnk hebben? En hoe wist Oatreru daarvan? Is dat het magische oog waar Horkan het over had? Ik heb dat ook, denkt Horkan. Maar waarom werkt het dan niet? Hoe kan ik iets doen om te beletten, dat deze sterrenreiziger mijn geliefde bloedbroeder ontvoert?'
Nubisfahrd keek opzij naar koningin Aniz.

"De Kameleonkoningin. De hoogste in het eilandenrijk, die haar schoonheid verbergt om haar genot te kunnen delen met elke laaggeborene die die troost behoeft. Hoe wonderlijk. Heeft zich de dienares van velen gemaakt en is zo meesteres geworden. Wonderlijk. Ik groet u. Mijn opdrachtgevers zouden u graag willen ontmoeten. Er wacht u ongekende weelde daar."

"Hier ook. Ik blijf liever hier," zei Aniz.

"Ik kan u niet dwingen," antwoordde de Mengt en die beklemtoning was opnieuw vreemd maar heel duidelijk. Gaosar vroeg geprikkeld: "Kunt u mij dwingen?"

"Nee. De grote Vir in je hersenen zou mijn vaardigheid kunnen tarten. Ik heb slechts uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid in je dood belang gesteld maar er is nu eenmaal anders beschikt. Ik kom de bastaardreus halen. Dat is alles."

Karnk stapte naar voren. Iola hield zijn linkerhand vast en Aniz zijn rechterhand. Hij zei niets. Nubisfahrd monsterde hem met een voldane uitdrukking op zijn strakke kop.

"Ik wist dat ik je tussen het zwarte en het witte vinden zou," snoefde de Mengt. "Gezocht en gevonden. Zo gaat het altijd. Als je maar tijd neemt. Je hebt mijn drie honden te pakken genomen bij Lithaka, nietwaar?"

"En tijd gewonnen," knikte Karnk.

"Je was een nuttig werktuig om de Kendo te corrigeren, maar we hadden niet op je overleven gerekend."

Gaosar kneep zijn ogen tot spleetjes dicht. `We', had Nubisfahrd gezegd. `Praat hij over zijn lasthebbers? Of over zijn bondgenoten? Over zijn eigen volk? Werkten de vreemde dwergen in Utrag toch met hem samen? Of juist niet?' Zoveel vragen. Er zouden er maar enkele van beantwoord worden.

"Ik heb een meester gevonden, die me onder zijn hoede nam," teemde Karnk.

"Ah, de Niss! Die waardeloze afvallige. Hui Saraha. Mijn huis vervloekt zijn naam."

"Hij eerbiedigt niettemin het uwe."

"De zee heeft hem en de zijnen verzwolgen zoals met jou had moeten gebeuren."

"Ach, wat is, dat is...," mompelde Karnk.

"Je hoeft niet te proberen om indruk op me te maken met wat geleende kennis, bastaard. Je dubieuze Nieuwe Mengt-vrienden hebben je gezouten en dat redt je leven voorlopig."

"Voorlopig heb ik stééds heel bekwame helpers gehad," registreerde Karnk ongeïmponeerd.

"Toch ben je niet bekwaam genoeg geweest om de Falak te kunnen ontlopen."

"Geshyo heeft vooral een grote mond, net als de Maanaap die over hem heerst," zei Karnk uitdagend.

"Hij dient me vaardig niettemin."

"Om brood en macht dient en verraadt hij vele heren," troefde Karnk maar Nubisfahrd lachte hem vierkant uit.

"Oerbash? Die heeft oude schulden afbetaald. Aan zijn Mengt-leermeesters en aan anderen. En voor zijn nieuwe schulden, die uit zijn baatzuchtige magie voortkwamen, heeft hij opnieuw de prijs moeten betalen. De Tat is over zijn eigen genotzucht gestruikeld. Niet over verraad. En Geshyo is slechts tijdelijk met wat van de vroegere macht van Oerbash beloond. Maar je was hem inderdaad te slim af."

Karnk spuugde op de grond.

"Geshyo is alleen onbevreesd in het donker als hij een overmacht aanvoert."

"Hij aarzelde vanwege je gezelschap. Hij verbaasde zich over je bondgenoten. Hoe heb je die gekocht?"

Karnk slikte iets weg in zijn keel.

"Ik heb ze nooit gekocht. Ze hebben hun vriendschap aangeboden en ik heb dat aangenomen."

De Mengt-reus fronste zijn dunne wenkbrauwen.

"Mengt maken geen vrienden. Mengt-bastaarden helemaal niet."

"Toch! Toch!" antwoordde Karnk terwijl hij om zich heen keek. Iola begon zachtjes te huilen. Horkan bevingerde zijn vervormer, alsof hij het apparaat zo betoveren kon tot iets, dat wel Nubisfahrds schild zou kunnen doorboren.

"We gaan terug. Jij en ik," zei Nubisfahrd. "Jij bent de laatste die ik zocht."
Gaosar onderbrak Nubisfahrd met een scherpe stem waarin plots een onmiskenbare en besliste Koninklijke waardigheid doorklonk: "Wat is uw recht hier? Welke wet oefent de Mengt over ons uit?"

De man haalde met tegenzin zijn ogen af van Karnk als een slang die gehinderd wordt bij het verslinden van haar prooi.

"Zonder je drakenruiter was je al dood geweest, loze koning. Daag niettemin mijn gezag niet uit."

"U ontvoert mijn bloedbroeder en ik vraag om rechtvaardiging daarvoor!" zei Gaosar onbevreesd. Ineens deed hij iets heel onverwachts dat Nubisfahrds houding onmiddellijk wijzigde. Hij klom op een rotsblok en keek zo rechtop staand de reus recht in diens priemende ogen: "Ik heb recht op een antwoord op mijn vraag!"

Nubisfahrd gaf dat niet rechtstreeks. Hij leek tot zichzelf te spreken.

"Cayobur en een Bakvrouw. Een witte Koning en een zwarte slavin... Wie had dat kunnen voorzien?"

Zijn stem was ineens bepaald minder vijandig. Gaosar bleef hem aankijken. Zijn tong was zout als een mossel in zee. `Zo vreemd wat de Mengt zegt... Mijn vader was geen koning en mijn moeder geen slavin,' wist hij. Hij bleef bij de kern: "Wat is uw recht? Heb ik geen recht om dat te weten?"

"De Oude Mengt voert beheer, al probeert de Nieuwe dat aan te vechten," antwoordde Nubisfahrd langzaam. "En mijn taak wordt van vele zijden belemmerd. Mijn tijd hier moest kort zijn en ik heb gekozen voor dynamische oplossingen. Jullie zullen geen van allen lang genoeg leven om er het heil van in te zien. Evenals hij die jij je bloedbroeder noemt, ben jij een onvoorziene mutatie. De Mengt laat zulke natuurlijke mutaties ongemoeid. Wellicht is hij levensvatbaar en een verbetering. Maar de Oude Mengt-bastaard hoort hier niet thuis. Hij heeft én de kracht van een oud ras én een ongewone geest, die onvoorspelbare kanten uitgaat. Zulke mutaties controleren wij liever. Dat is de wet van zowel de Oude als Nieuwe Mengt. Hij gaat nu met mij terug."

"Ik blijf ook liever hier," daagde Karnk hem uit. "Ik blijf véél liever hier."

"Kies dan voor de dood hier. Of wil je liever daar leven?"

Nubisfahrd wees naar de blauwe hemel. Karnk keek peinzend omhoog.

"Laten we maar gaan," bedacht hij zich. "Heb je wat te eten bij je, Maanaap?"

"Dat komt later wel," antwoordde de ander, terwijl hij zich begon om te keren. "Kom nu maar mee."

Karnk haalde met een heimelijk gebaar iets uit zijn gordel en stak het snel kauwend in zijn mond.

"Wat was dat?" vroeg Nubisfahrd wantrouwend opzij kijkend.

"Een laatste restje van mijn broodje hondenlul," grijnsde Karnk. "Dat is een heel duur gerecht. Daar hebben de Shir een hele hond voor aan moeten snijden! Stel je voor!"

Hij stond te schuddebuiken van het lachen. Tirt lachte vol met hem mee alsof ze een diep komisch geheim deelden. Toen begon ook de witte koningin te lachen en weer gingen er sluizen open, die ruim baan gaven aan een zee van gelach. Alle emoties konden plots gerelativeerd worden in een zuil van vurige lucht. Gaosar moest Horkan vasthouden om niet op de grond te vallen van het lachen. Toen de oude generaal eenmaal op gang kwam, was er helemaal geen houden meer aan. De hele vallei bulderlachte, piepte, gierde en hinnikte in een orgie van onlogische ongerijmdheid, van ongrijpbaar en onbegrijpbaar genot. Nubisfahrd stond er naar te kijken alsof hij doden zag opstaan uit hun graf. En misschien was dat ook wel zo.

"Dus dit noemen ze de Afstand waar die krankzinnige Zirkontau het steeds over heeft. Meten wat niet meetbaar is! Rebellen! Het onmeetbare meten, dat willen ze. Onberekenbare gekken!" gromde hij. "Jullie zijn alleen krankzinnig van de angst geworden."

Uit een apparaat uit zijn gordel schoot een lichtblauw lint, dat zich om Karnk’s middel wikkelde. Nubisfahrd schakelde zijn vlieggordel in en steeg op. Karnk hing vlak onder hem in de lucht. Hij wuifde en lachte. Wierp handkusjes naar Aniz en Iola.

"Hee Sugatha," riep hij ineens.

"Zorg er voor dat je een meisje krijgt, want Iola krijgt een zoon!"

Toen verdween het tweetal uit het zicht boven de boomtoppen. Gaosar vreesde de overgang al, maar de tranen waren sneller dan zijn beheersende gedachten. Zijn lachen werd een intens huilen. Antar en Anzul ondersteunden hem en huilden moeiteloos mee. Iedereen begon te snikken. Tranen. Om Karnk. Om Oatreru. Om alle andere doden. Om allen die zonder troost of moeite moesten worden achtergelaten. Tipo. Nisha. Benko. Ishsti. Ate en Ushtar. Siri en Paizifume. Verdriet om zonen en dochters. Om vaders en moeders. En tranen om niets.

En toen ze daar waren aangeland, begon Aniz onverwacht weer te lachen. De anderen volgden een voor een. Of Karnk het nog kon horen, wisten ze niet.

Even later steeg het sterrenschip op. In Gaosar’s mond verdween plotseling de smaak van het Noodlotszout. De dwergenvoorspelling luidde dat Kerko dan dood zou zijn, maar ook dat er ergens een brug moest zijn gemaakt. Gaosar kon toen nog niet begrijpen welke brug.


"Wat betekende die grap van Karnk nou eigenlijk?" vroeg hij een dag later toen hij met Tirt op forel zat te vissen. De Rishe keek hem stomverbaasd aan.

"Heb je dat dan niet begrepen? Hij heeft een kleine Berseng meegesmokkeld aan boord van de Mengt."

Gaosar bleef stil in onbegrip. Tirt begon te lachen.

"Ja! Hij vroeg me hoe hij aan een Berseng, eventueel aan jouw Berseng, kon komen. En ik zei dat de Berseng hem zou overweldigen als hij jou zou doden. En toen vroeg hij wat er zou gebeuren als hij bij wijze van spreken een vinger van je zou afbijten en opeten. De Berseng heeft zich door jouw hele zenuwgestel vertakt dus wij dachten dat wel zou werken. Natuurlijk zou hij aanvankelijk wel veel pijn lijden, maar dat kon hem niet schelen. En Oatreru had hetzelfde idee."

Heel langzaam ging Gaosar een licht op: "Dat bedoelde hij met mijn déél?! Mijn voorhuid? Daar zit een stuk van de Berseng in?"

"Precies! Klein maar hij zal snel groeien. En wat die combinatie van Bersengparasiet en Mengt-bastaard nog voor speciale effecten oplevert, dat weet niemand. Maar Karnk laat zich niet meer naar elke willekeurige slachtbank leiden!"

Gaosar had een paar dagen nodig om het allemaal te verwerken. Vaak moest hij terugdenken aan de marteling die hij ondergaan had, toen de Berseng zich had moeten aanpassen aan zijn lichaam. Misschien zou de overgang naar het reuzenlijf makkelijker gaan.
Op een mooie ochtend klom hij de maagdelijke valleihelling op langs de beek die hogerop aan de rotsen ontsprong. Karnk. Was je maar hier. Het was niet makkelijk om werkelijk afscheid van die dierbare vriend te nemen. Hij moest ineens ook aan een andere vriend denken. Het gemartelde gezicht van Oerbash in zijn laatste momenten verscheen voor zijn geestesoog. `Voor alles wordt een prijs betaald,' dacht hij. `Hij heeft aan alle kanten gestreden. Dan doe je strijdmakkers op. En je maakt vijanden. Dat zeker. Of je vrienden maakt zoals Karnk dat gedaan heeft? Ik weet het niet...'

Verderop zag hij plotsklaps de gebruinde gestalte van koningin Aniz langs een paadje de helling afdalen. Het meeste van haar tijd bracht ze met Generaal Horkan door. Heel soms kruisten haar blikken die van Gaosar, maar ergens was het nog niet de juiste tijd voor meer. Hij keek haar met een onbesliste aandacht na, tot ze uit het gezicht was verdwenen. Zonder duidelijk doel liep hij door, totdat hij een lieftallig rustpunt aan de beekoever vond. Hij ging zitten en liet zijn drukke geest wegdrijven met het langs vlietende water. In de verte was iemand aan het zagen. Flarden van een liedje dreven op de wind naar hem toe. Iola? Van wie ze zwanger was, wist ze niet, maar zwanger was ze wel. Ze liep de hele dag te zingen. Iedereen hoopte dat het een kind met rood haar zou worden. Anzul en Antar maakten soldatengrappen over wie de vader van het volgende kind zou worden. Ze deden in elk geval nu al heel erg hun best bij het oefenen voor die toekomstige gelegenheid. Het zou Iola wel zijn die daar zong.

`Raar,' dacht Gaosar. `Alles gaat gewoon door. De halve wereld wordt verwoest en na een tijdje zingen de overlevenden weer. De mannen hakken hout en de vrouwen worden weer zwanger.'

Met scheefgehouden hoofd luisterde hij naar de verwaaiende klanken, die iets in hem deden mee vibreren op een heel bijzondere manier. Hij werd er ongewoon stil van. Ineens viel het waarom hem in. Het herinnerde hem aan een andere melodie, uit een ander land, uit een andere tijd. De Tjetjahvallei op Capai. Een liedje van genegenheid, gezongen voor de allerkleinste kinderen door één van de Ooms uit het mannenhuis. Het oude gerimpelde gezicht van de tengere, zachtmoedige, kleine 'Grote Oom' Orson-Kar-Skod verscheen voor zijn geestesoog. Diens vriendelijke, krakende stem klonk weer: "Nooit zal ik je pijn doen. Altijd zal ik je helpen. Heb je honger? Hier is mijn brood. Ben je bang? Hier staat je vriend. Ik houd van jou. Voor nu en altijd."


Het liedje bracht een zoete stroom van herinneringen mee. Een beeld van grove handen kwam in hem op. Dikdooraderd, altijd zwarte nagels, gebroken en vuil van het harde werken. Oom Orsons handen, die je zorgzaam uit een te hoge boom kwamen tillen, als je verkrampt van angst om een dikke tak heen geklemd hing. Een hand, die je een klap op je achterste gaf, als een Oude Moeder riep, dat je straf verdiend had. En dan leek die klap hard, maar het enige dat je ervan voelde, was een stille waarschuwing om je kattenkwaad voortaan uit te halen buiten het zicht van die ouwe feeksen. Gaosar zong het liedje zelf nog eens, zacht voor zich uit, de ogen op oneindig. Hij herkende er die allereerste belofte in. `En hoe hard had ik die hulp ook nodig!' wist hij. Een anker als je niets weet, als je geen zekerheid hebt, als je klein bent en maar een jongetje. En vergaat het zo niet iedereen?

`Ik zit hier met een brok in mijn keel en rooie, waterige ogen. Ja. En natuurlijk kan ik me onmiddellijk losmaken uit dat gevoel. Onthechten. Daar ben ik heel knap in geworden. Dat is wat Siri me ook vaak verweten heeft. Dat ik onthecht om niet te voelen. En soms had ze gelijk en soms ook niet. Ik ben niet dit gevoel alleen. En ik hoef niet vast te houden aan al die sentimenten en die waarden uit mijn vroege jeugd. Ik ben geen kind meer, geen klein jongetje, dat geschrokken is van een steelse beweging in een donkere schaduw. Kleine Gao die een sterke hand nodig heeft van een oudere jongen. Of van een grote Oom. Of, of... van een vader. Zoals Nisha er eentje in Onsten gezocht heeft. Nee, dat is het niet.'

Wat het wèl precies was, vroeg meer onderzoek. Hij zocht tot hij een antwoord vond: `Hee. Het is de kracht van het besef, dat mijn verbondenheid met Oom Orson door de tijd heen heel gebleven is. Ik voel nòg zijn vriendschap, die niet door eigenbelang of begeerte werd ingegeven maar door liefde. Die niets terugvraagt, maar alleen geeft.'

Het bos om hem heen was rustig en vredig. Het ruisende water was er, dat was alles.

"Hallo, grote Oom Orson," riep hij tegen de strakke hemel. "Waar je ook bent en of je nog leeft of niet, bedankt! En het ga je goed."

Plons. Iets van hem vandaan plonsde er een opspringende vis terug in het water, even buiten zijn heelal geweest, een moment anders geademd, een fractie verder gekeken.

"Nooit, nee nooit zal ik je pijn doen."

Gaosar zong het opnieuw en in dat kleine liedje van genegenheid viel de tijd weg. En daarmee viel ook iedere belofte weg, vervallen, nooit gegeven, nooit nodig geweest, nooit meer nodig. Het werd een ander liedje. Hij zong het opnieuw. Zachtjes, bijna onhoorbaar teder, zoals het een nieuwe vorm in hem gekregen had: "Nog nooit heb ik je pijn gedaan. Ik heb je altijd geholpen. Brood was er steeds genoeg en bang zijn we samen nooit geweest. Ik heb altijd van je gehouden, voor altijd je vriend."


In het dichte struikgewas bewoog zich iets. Een tersluiks gescharrel en toen was er een kort, pijnlijk gepiep hoorbaar. Een muis in de verwurging van een slang? Gaosar voelde er een machtig teken in.

`Alles eet alles. Niets kan bestaan zonder de samenhang met het andere. De Rishe hebben het bewust geweten sinds het Verbond van Ion. En toch hebben ze elkaar en andere volkeren afgeslacht. Hoe kan het anders? Is niet de vernietiging een even vitaal onderdeel van die samenhang als de geboorte?'


Hij stond op en liep een eindje langs het water, voorzichtig oplettend waar hij zijn voeten neerzette. Er zaten soms vuistgrote spinnen tussen het dichte blad, die zeer pijnlijke beten konden toebrengen, als ze in het nauw kwamen. Zo'n beet kon zelfs dodelijk zijn. Al het oude moet sterven, anders kan er nooit enige vernieuwing van het leven zijn. Misschien was de tussenkomst van de Mengt wel een bewuste provocatie. Maar was het hun nu echt alleen om de opbrengst van de mijnen gegaan? Gaosar kon het nauwelijks geloven. Nubisfahrd had een heel andere kant van de Mengt laten zien, dan die twee bizarre dwergen in Utrag. Zirkontau, zo had Nubisfahrd iemand aangeduid, een rebel. Had hij één van die twee bedoeld? Onderzochten bepaalde Mengt alle vooruitgang en verandering om meer te weten te komen van wat zij de gave van de Afstand noemden? Was dat het verschil tussen Oude en Nieuwe Mengt? Misschien zochten sommige van hun afgezanten naar iets, wat de wurgende ernst en logica op hun thuiswereld kon verruimen? Waren ze in paniek geraakt, toen de zaken niet meer logisch waren te beredeneren? Hadden ze niet voorzien, dat koning Katsin Oatreru zichzelf bewust zou offeren in een magische slaap? Oatreru was niet bang te maken geweest. Aan Karnk zouden de Mengt helemaal een goeie krijgen. Zeker niet bang te maken nu hij zichzelf hulp van een Berseng had bezorgd. Karnk... Hoe schrijnend was dat verlies op dat vreselijke moment geweest.

"Hallo, Karnk. Karnk?"

Hij riep het zachtjes tegen een oneindigheid zonder weerga. `Karnk? Maar als er geen tijd is, dan heb ik je nooit verloren, lieve makker. Dan zal ik je nooit verliezen.'

Ergens, ergens klonk er een bulderend gelach van tussen de onzichtbare sterren: "Ja. Als! Als! Als er geen grenzen zijn, dan krijg je luizen als kamelen!"

Gaosar kon niets anders doen dan mee lachen, verbijsterd en twijfelend aan zichzelf. `Hoor ik dit echt? Zijn dit mijn eigen gedachten, mijn eigen verlangens die ik denk? Wat voor werkelijkheid is dit? Of wordt simpelweg alles, wat je denkt, werkelijkheid? Is dit soms de brug, die de Mengt bedoeld hebben? Is dit soort denken gewoon één van de magistrale functies binnen deze enorme samenhang? Is mijn denken werkelijk scheppen? En is het beperkt tot het leven, zoals ik het ken?'

Het kosmische lachen hield niet meer op.

"Ja, mag ik nou ook even?" riep Gaosar luid.

"Even dan," ginnegapte Karnk’s stem. Gaosar was zichzelf en toch niet meer, daar en toen. `Eens valt er een boom op mijn hoofd. Of een kokosnoot. Of een stel rovers vermoordt me. Een slang bijt me. En dan zal deze, die hier nu denkt geen naam meer hebben, geen kracht meer, die een lichaam bestuurt. Oerbash zei me eens iets over het Begrijpen dat pas Begrijpen wordt, als het voorbij de dood kan worden meegenomen.' Bulderlachen. Bulderlachen. Gaosar was blij en in de war op hetzelfde ogenblik. Boven zijn bonkende hoofd gaf een valk een schreeuw. Hij keek op. Op wijd uitgespreide vleugels, bruin en wit, bijna zonder beweging meeglijdend op de thermiek, cirkelde de vogel boven een wat rotsiger deel van de helling, waar minder begroeiing was.

`Zoiets zou het kunnen zijn, die dood. Het doen houdt op en er blijft alleen kijken over. Je zeilt als een vogel boven het gebeuren. Zien wat er altijd al was.'

Voor de valk was dat een landschap in ontelbare tinten kleur, een steelse prooi tussen de stenen en Gaosar’s onbeweeglijke kruin. `Ik vraag me af hoe dat werkt, waarnemen zonder al je zintuigen,' dacht dat hoofd. `Ik ben eigenlijk minder bang voor de dood dan voor de pijn, die ik daarmee verbind.'

Hij dacht eventjes aan de dood van Kerko en de rillingen liepen hem over de rug. Kerko had zich heel ver verheven boven anderen in zijn enorme macht en kennis. Hij had ook steeds gezocht naar een middel om boven de dood uit te stijgen. Iedere hindernis op zijn pad vernietigd, gedood, als hij dat nodig vond. Cayobur Hayo, Onsten. Hoeveel namen konden er niet worden bijgezet in die rij?

`Maar maakt niet ieder mens die vergissing? Je vindt dat het één voornamer is dan het ander. Je maakt jezelf belangrijk en onmisbaar met een zogenaamd doel. Maar wat blijft daar van over als je dood bent? Of hebben dan alleen je vriendschappen geteld?'


Goasar zocht een plek om te zitten, een mooie platte steen tussen het rode vierblad. Daar vandaan had hij een vorstelijk uitzicht over een deel van de vallei. Iola had in de verte een ander liedje ingezet, dat even werd onderbroken door een bassend gelach van Antar. De valk zeilde iets dichterbij in een nieuwe elliptische omloop.

`Zoals ik mijn vrienden groet, zo zal ik ook mijn vijanden groeten,' dacht Gaosar en hardop zei hij: "Hallo Kerko. Hallo Tegenstrever. We hebben elkaar even gezien in Utrag. Ik was een pion in een spel voor jou. Maar de pion heeft een andere kwaliteit veroverd. En jij bent dood. Straks ben ik ook daar, waar jij nu bent... Vroeger of later. Ik ben niet veel anders dan jij. Ik groet je. Ik hoop dat het goed met je gaat. Dat doodgaan was vast geen pretje."

Hij dacht even aan Bels en Bubs, misschien al stilletjes ergens verborgen genietend van de warmte van een liefhebbende moederschoot. Hoe zou het met Ehoe zijn? Nog steeds bezig om zijn/haar wraakzucht te bevestigen? Goed beschouwd was zij de enige, die haar eigen wraak had kunnen nemen. Op Kerko. Karnk had zich ooit voorgenomen om zich op de moordenaar van zijn ouders te wreken. Maar in plaats daarvan had Nubisfahrd hem te pakken genomen. Oorspronkelijk was Benko uitgestuurd door de Moeders om de Rishe-bom op Majeste te saboteren. Maar Tirt had Benko's opdracht vervuld. Tirt had op zijn beurt een heel oude vete met Eichhor. `Maar noodgedwongen heb ik Tirts wraak moeten volvoeren,' dacht Gaosar. `Er is wel samenhang, maar in zo'n waanzinnige onvoorspelbaarheid...'
Kerko had Hiss Sarlof uitgestuurd om Onsten te corrigeren. Uiteindelijk nam Onsten via Sarlof weer wraak op Kerko, totdat Nubisfahrd de laatste resten van Onstens geestbestaan vernietigde. De Oude Moeders van de Bondo hadden wraak willen nemen op de Shir, maar indirect hadden ze zo meegewerkt aan de vernietiging van hun zustervolk, de Bindi. De Zonnetempel had Oerbash beschuldigd van een manipulatie om de Shirtroon te bemachtigen. Er was echter geen Shir-troon meer en met het Rijk van Tillant was ook de macht van de Zonnetempel onder de zeespiegel verdwenen. En Oerbash?

`Zou hij nog steeds kwaad zijn? Of werkte dat niet zo bij magiërs, zoals hij er eentje geweest was? Zou hij net als Onsten postuum blijven doorgaan met allerlei manipulaties om zijn boot te krijgen waar hij hem hebben wou?'

Gaosar nam zijn duizend geestvragen waar, maar ook zijn gevoelens. `Oerbash heeft me de ergst denkbare pijn uit mijn hele leven bezorgd, toen hij me in de Bersengval liet lopen. Maar zonder die Berseng was ik vermoord door Eichhor... En hoeveel heb ik niet van die kleine Tatmeester geleerd!'

Een gevoel van grote dankbaarheid en overstijgende vergeving overspoelde hem.

"Ha, grote Spelbedrijver! Nou, je dòet maar, Basho!" riep hij geroerd en vrolijk tegelijk tegen de blauwe lucht boven hem. Flits! Daar ging de valk naar beneden! Met een duizelingwekkende snelheid strak het hoge gras in tussen twee grote rotsen. Onder triomfantelijk gekrijs steeg de vogel direct weer klapwiekend op met iets grijsbruins tussen zijn klauwen. Een bungelend wollig lijfje, een jong konijn waarschijnlijk. Onervaren, speels, te vroeg boven de grond gekomen. Nog nergens aan begonnen. Zou ook nooit meer ergens klaar mee komen. Was al klaar. Klaar voor het ontbijt van de valk. Precies op tijd voor zijn laatste afspraak daar.

"Dat is het!" riep Gaosar opgewekt uit, wuivend naar de wegwiekende stootvogel. "Alles is altijd precies op tijd. De een z'n dood is de ander z'n brood. Dat is de hele samenhang. Zo simpel."

Hij wilde zich niet van zijn mooie conclusies laten afleiden door het kosmische geproest van Karnk in zijn derde oor. Maar het was er wel... Nou ja.
Hij stond op. Ergens zin in. Eindje lopen? Hij zong zijn nieuwe liedje van genegenheid. Onder zijn voeten knerpten kleine keitjes tussen het gras. Hij nam een aandrang in zijn buik waar, die hij niet thuis kon brengen. Trok er iets van buiten aan hem? Gewoontegetrouw zette hij een achterdochtig rozenveld op. Was het nou nòg niet over allemaal?

`Kom op,' moedigde hij zichzelf aan. `Het is over. Vertrouwen hebben. Het is echt voorbij.'

Glimlachend klom hij weer verder, de zachte kruidige plantengeuren opsnuivend. Ineens ving zijn oog een beweging. In een beschutte kom, een eind schuin onder hem, zat een tengere gestalte haar lange haar te kammen. Hij herkende de witte koningin. En daarmee herkende hij ook het gevoel in zijn buik. Hij stond doodstil. Het zweet brak hem uit. Hij was zich ergerlijk bewust van zijn zenuwachtig trillende handen. Aniz Vastiz. Had ze hem gezien? Hoe anders zag ze er uit dan op die ochtend in het paleis. Hun eerste ontmoeting. `Allebei een masker op. Allebei beducht voor elkaars macht. Zij de kameleon, ik de ontsnappingskunstenaar.' Met die herinnering vlamde er tevens een ondubbelzinnige begeerte in hem op. Dàt was in elk geval echt geweest. Het ging iets harder waaien, maar zijn hete hoofd koelde er niet van af. Verder vooruit ontwaarde hij een steile rotswand, waar losse wervelwindjes de wind uit de lager gelegen boomtoppen ontmoette en hem suizelend neersloegen tegen de dicht met varens begroeide hellingen. Toen overviel hem opnieuw een wonderbaarlijk visioen. De varens werden platgedrukt in een bekend beeld: het lachende gezicht van Cayobur Hayo knikte hem toe. Het laatste stukje van de puzzel viel op zijn plaats. Met een hoofd zo helder als een bos na een regenbui begon hij zo snel hij kon de helling af te dalen, recht op zijn doel af. Zoals een wesp terug naar zijn nest, zoals een valk zich neerstort op zijn prooi, zo wist hij de weg. Roekeloos of moedig, hij ging. Hij stak zijn hand op ten groet naar het vervagende beeld van zijn vreemde vader.

`Dat is dan mijn erfgoed,' dacht hij. `Het doel kennen en er op af gaan. En zolang je leeft, is er een doel!'

De koningin keek op. Ze wist het ook. In een onhandige gratie wenkte ze hem naderbij, alsof hij aansporing nodig had. Ze stond op en wachtte op hem. Zijn verlangen trok hem aan als de zwaartekracht, maar toen hij de kom in sprong, blokkeerde zijn onzekerheid plotseling het magnetisme.

"Ik ben geen koning," hijgde hij hulpeloos.

"En ik ben hier geen koningin," glimlachte ze. "Ik vraag ook niet om een nieuwe echtgenoot."

"Wat heb ik u dan te bieden?"

"Gelijkheid. Je en jij tegen me zeggen. Me nemen voor wie ik ben. Wil je mijn vriend zijn?"

Hij knikte.

"Misschien is dat mijn sterkste kwaliteit," zei hij eindelijk weer volslagen op zijn gemak. "Ja, natuurlijk."

"En wat vind je van mijn sterkste kwaliteit?" glimlachte Aniz. "Nog steeds mijn billen?"

"Nee," antwoordde hij quasistreng. Even keek ze teleurgesteld.

"Nee. Je gevoel voor humor," vulde hij aan.

"Kijk dan toch nog eens goed naar mijn billen," grinnikte ze en zonder bezinning sloeg ze haar rok op. In een groeiende blijdschap knoopte hij haar jakje los en haar volle borsten sprongen naar voren. Zonder terughoudendheid rukte hij zichzelf en haar de kleren van het lijf.

"Heer van de Wereld!" ontmoette ze hem. Haar stem beefde van hartstocht en haar gespierde lijf drong zich dwingend tegen het zijne op. Ze moest al lang vochtig van hunkering zijn geweest, want hij gleed zonder haperen in haar.

"Mag ik je voortaan Vriend noemen?" vroeg ze in zijn oor. Een tomeloze verheuging overspoelde hem en liet zich in haar gezicht weerspiegelen. Er begon een zin in zijn hoofd, de hersenhelling afrollend naar zijn mond.

"Heb je ...?"

Ah! Hij disciplineerde zijn lippen tot ze uitbundig Aniz' nek wilden zoenen vlak onder haar warme oor. `Dit is niet het moment voor een goed gesprek,' wist hij en met die gedachte eerde zijn ziel de grootse geest van een dappere medestander, ergens in het onkenbare heelal. Toen dompelde hij zich onder in de vreugde van het sterfelijke lichaam. `Deze keer is er tijd zat!' wisten ze allebei.

Epiloog



(...)

-Zo. Eindelijk de laatste weer binnen de poort.

-Stelt het u tevreden?

-Binnen de tijd was dat resultaat voorspelbaar.

-Dat is geen antwoord op mijn vraag.

-Deze mutatie geeft me inderdaad veel vreugde.

-En ik?

-Jij bent ook niet meer dezelfde.

-Zo heb ik me dan toch nog aan uw beeld kunnen onttrekken.

-Je dankt dat niet aan mijn mededogen.

-Nee. U blijft vasthouden aan uw macht.

-Die onvoorstelbare mens houdt me wel bezig.

-Uw scheiding is splitsing. De zijne delen.

-Vind je het prettig als ik je gelijk erken?

-Ja.

-Werkelijk?

-Ja.

-Ik heb er nog wel veel moeite mee.

-Ik gun u alle tijd van de wereld.

(...)

EIND
Den Haag, 1989-2012


Voetnoten


1 Wateruur: 12e deel van een etmaal, onderverdeeld in 2 sai.


2 Bong van Getuigen: Driekoppig Comité van Onderzoek, dat namens de drie Huizen, de dood van iedere geregistreerde Rishe onderzoekt en formeel vaststelt.


3 Karsp: mineraleneter, die gangen vreet in de diepe aarde en sporen afzet. De sporen kunnen worden opgenomen in een menselijk lichaam, waar de Karsp zich echter maar miniem kan ontwikkelen. De betrokkene moet een mineralenrijk dieet houden en leert delfstoffen en water in de aarde opsporen.


4 Vlert: zeemonster van onbekende kracht, dat op de diepzeebodem leeft. Wordt aangetrokken door metaal en wordt in zeldzame gevallen gebruikt om goudaders te ontdekken.


5 Chakralenzen: testtoestel dat aura-afwijkingen zichtbaar maakt. Gebruikt in de Lensproef


6 Overzichters: korps van ambtelijke ordehandhavers, in de praktijk ondergeschikt aan het Huis van Oorlog, maar formeel aan de Koning.


7 Zwaar: Tiki-begrip, dat 'welgesteld' kan betekenen, maar ook 'overdreven'.


8 De Shirtijdsverdeling van de uren, maanden en jaren wijkt af van de indeling, die op het continent bekend is. De Shir geven elke sai aan met een Diertotem; als het eerste uur wordt dat van de zonsopgang geteld: het uur van de Ara. Op het vasteland beschouwt men het uur van de zonsondergang als het begin van een nieuw etmaal. Beide culturen benoemen dat uur vreemd genoeg gelijk: het uur van de Leeuw. Het Vlinder-uur is het heetste middaguur.


9 Een loodbolt is onderverdeeld in twaalf setparsies en iedere setparsie is twaalf parsies. Voor één bolt dineert men zeer behoorlijk.


10 Mengkantoor: Shir-instituut, dat de vermenigvuldiging van Shir en Bindi reguleerde. Men poogde allereerst bepaalde occulte en wetenschappelijke talenten te selecteren onder de Shir, maar het funktioneerde ook vooral als beheersingsinstrument naar de Bindi-bevolking.


11 Plank van Oorzaken: Lijst van Schulden, opgetekend door de Sterrenheer. Naar verluidt is het schrift aan de Shir gegeven door de Oude Mengt als een middel om de eigen ontwikkeling bij te houden en om nieuwe uitvindingen te behoeden voor slordigheid van nieuwe generaties.


12 Maangang: de vierweekse omloop van de maan


13 Jah: traditionele aanspreekvorm voor vrouwen uit de krijgersklasse


14 Spelt: een van de oergranen, gecultiveerd door de Shir en ook uitgevoerd naar hun koloniën.


15 Soms spoelen er walvisachtigen aan op de stranden van de eilanden, maar in tegenstelling tot de Pirti jagen de Bindi niet op hen. `Dezen zijn de lievelingen van de Moeder, die tussen haar benen spelen als ze zwemt in de oneindige, goddelijke oceaan.' Dat zeggen de Oude Bindi-Moeders.


16 Oude geschiedschrijving meldt hoe duizenden jaren geleden Illyan en Bayin een groot eiland waren. Een dubbele vulkaanuitbarsting veroorzaakte een diepe breuk van vele werts breed, waar later zeewater in stroomde.



Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina