De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina33/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 32 Merkpunt in de tijd.



(...)

  • Ze hebben uitmuntend samengewerkt. Had je dat verwacht?

  • Ik heb ook heel andere waarschijnlijkheden waargenomen.

  • En?

  • U lijkt zich te verheugen in mijn tegenslag.

  • Ik verheug me in vreugde èn in tegenslag.

  • Ik laat Nubisfahrd niettemin alles op alles zetten.

  • Je bent de danser kwijtgeraakt.

  • Onbelangrijk. Maar ik verdenk u van slinks ingrijpen bij zijn ontsnapping.

  • Je eigen wantrouwen velt je keer op keer.

  • Ik ben een deel van u.

  • Daar heb ik het moeilijk genoeg mee.

Op Bonewits zagen de dienaressen van de Tempel der Zuivere Trilling zwarte rookwolken boven het vasteland verschijnen. Ze spraken niet met elkaar maar brachten kleine zaken bijeen en vluchtten zonder dralen noordelijk naar Heirgoland. Een paar vissers en handelslieden zagen hun lichte bootjes vertrekken en voeren ongerust naar Bayin. De hemel in het oosten was inmiddels bruin en grijs geworden. Nog een bark vluchtte weg van Bonewits. Het schip was maar half af en het zou geen grote stormen kunnen doorstaan. Zijn bemanning was echter dapper en toegewijd aan de nagedachtenis van een vreemde vriend en een ideaal dat hij hun had nagelaten. Dat beeld was geschokt en gebutst en het zou opnieuw beproefd moeten worden, maar de mannen en de vrouwen aan boord wisten, dat dit niettemin hun opdracht in die tijd was. Hun bark bracht hen in noordoostelijke richting en viel uit elkaar in de branding van een lang zandstrand aan de westkust van het land van de Gonds. Een kleine Vuurlander met een punthoofd, klem geraakt tussen de gebroken dekspanten, verdronk daar lachend en vredig in de golven, maar de meeste andere opvarenden redden zich op planken en kisten. De stuurman van de boot kon evenmin zwemmen als de anderen maar hem werd zijn gehechtheid aan zijn zware wapenrusting noodlottig. Hij zonk echter heel rustig weg met een open mond vol bruinige tanden, die ook nog onder water "Basho! Basho! Basho!" riep.


De koningin van Capai had wijze vrouwen in haar hofhouding en ze was al tijden voorbereid op noodlottige gebeurtenissen. Ze had een groot gezelschap en haar enorme fortuin naar een hoog gelegen fort in het verre binnenland van de Stingo geëvacueerd. Daar bleken ook de Zeer Oude Moeders van de Bindi de naderende ramp af te wachten. Twee jonge mensen in het gevolg van de koningin keken vaker dan anderen naar de lucht in het westen. De man zei dan soms heel melancholiek zo iets als "Wat is, dat is," of "Iedereen krijgt wat-ie nodig heeft."

En de vrouw gaf hem dan soms een zachte tik tegen zijn hoofd. Maar ze zeiden niks want ze wisten dat het geen nut heeft om tijd te verspillen aan gedachten omtrent de toekomst als het hier en nu al heel ingewikkeld is.


Sommige Rishe ontvluchtten Bayin en vlogen hun luchtwagens naar de oostelijke bergmassieven in het land van de Gonds. Enkelen gingen naar Gondar, waar men het echter heel druk had met een verbeten onderlinge veldslag. Oatreru's koninklijke garde had zo goed als de hele stad verwoest omdat ze het Overzichterskorps wilden treffen in hun basis. Ze staken het Huis van Oorlog in brand en de rookwolken daarvan verhinderden de meeste bewoners om andere onheilstekenen aan de hemel waar te nemen. Kerko was er niet om leiding te geven aan zijn Overzichters omdat hij ver weg op Majeste iets belangrijks moest doen. Net toen zijn bombardementsvloot opsteeg, gebeurde er overigens iets afschuwelijks met hem, maar de piloot van zijn luchtvoertuig was een heel harde knaap die orders zou uitvoeren, zolang hij handen had om knoppen in te drukken. En dat deed hij dus. Zonder omkijken naar zijn superieur. De bommen van de Shir vielen echter niet op Pirtiland zoals bedoeld was. In een ver verleden had een dappere wetenschapper uit het Huis van Onderzoek één van zijn recente geniale vindingen toegepast om iets aan een tijdontsteking te veranderen. Hij was een meester in het transporteren langs schuine lijnen en zo ontploften de serie vervormers niet tegelijk maar met tussenpozen. De eerste ontploffing stuurde de overblijvende vallende bom-delen ver terug in hun koers en de tweede ontploffing deed daar nog een schepje bovenop. Aan boord van de bommenvloot van de Rishe had toen niemand meer handen. Niemand had daar nog iets trouwens. De eerdere ongerustheid van de piloten over hun eventuele onveilige thuisvlucht was geheel terecht gebleken.

De rest van de bommen ontploften onder water en scheurden het hele eiland Majeste van zijn grondvesten in de oceaanbodem. Gloeiend magma brak los uit de aardkorst. Er ontstond een stoomzuil tot tussen de sterren. Die stoom raakte een onvoorbereid koninklijk luchtschip in de buurt van Majeste. De hitte kookte in een oogwenk de inzittenden. Het schip viel verder onbeschadigd in de ziedende zee en werd meegevoerd door een sterke stroming, die het uiteindelijk zou afleveren in een lagune langs de zuidelijke kust van Pirtiland. Tenminste wat daar nog van over was. Nog andere breuken in de zeebodem vernietigden binnen twee dagen bijna alle andere eilanden, die onder de waterspiegel verdwenen. Waar land was, kwam water en waar water was, zonk een verbrokkeld rijk ten onder.


Bij Capai en Ut vaagde er een zondvloed over het vasteland. Bijna tegelijkertijd stroomde het Kendomeer leeg in de oceaan. Dat ging langzaam maar niet minder dramatisch. De zeeën stegen en stegen. Een gigantische moddervloed teisterde de oceaanbodem en de kusten. Ongekende verliezen werden geleden, een halve wereld werd herschapen. Het was volle maan geworden maar het maanlicht zou gedurende een lange zwarte tijd de rokende en zwartbewolkte aarde niet meer kunnen bereiken.
Net voor het zover was, speelden zich in een streek dichtbij Kantmorie nog een vermeldingswaardig tafereel af. Met grote vaardigheid en durf had adjudant Anzul het koninklijke luchtschip een blinde landing laten maken. Het schip zou nooit meer kunnen vliegen en de inzittenden hadden eveneens flinke kneuzingen. Maar iedereen leefde nog en hun dankbaarheid reikte tot in de hemel. Het schip bood hun beschutting tegen een plotseling optredende regenbui en dat water waste ook de ramen weer schoon. Het was naar schatting pas aan het eind van die middag, hoewel het vreemd donker bleef nadat de regen was opgehouden. Er wachtte het hele gezelschap bepaald het tegenovergestelde van nachtrust. Hoewel op dit uur gewoonlijk een immens krekelbestand aan het musiceren sloeg, bleef het landschap sinister stil. Geen vogel liet zich horen, geen maan zich zien. Toch week de spanning en toen Horkan Anzul en Antar van hun dienst onthief, vielen ze in slaap waar ze zaten. Sugatha en koningin Aniz leunden tegen de brancard van Oatreru. Aniz had met haar lichaam Sugatha's buik en het nieuwe leven daarin beschermd tijdens de landing. Horkan had zich over 's konings hoofd heen gebogen en de anderen hadden hem en elkaar vastgehouden toen de klap van de landing kwam. Oatreru was opnieuw in een diepe slaap verzonken, maar net voor het zover was, had hij het hoofd van Aniz naar zich toegetrokken.

"Houd de Halfbak wakker!" had hij dringend gefluisterd, zo dringend dat Gaosar en Horkan het ook hoorden. Gaosar voelde zich er niet minder uitgeput door. Verward en doodmoe keek het drietal elkaar aan. Horkan deelde wachten in. Twee aan twee, elke wacht een wateruur. Tirt en Sugatha deden de eerste. Aniz scheen 's konings aansporing niet erg letterlijk te willen nemen. Ze gebaarde Gaosar dat hij ook moest gaan slapen. Het duurde nog tergend lang voordat zijn bezige geest hem eindelijk toestond in te slapen.


Een snerpend krassen maakte hem wakker, een geluid van nagels over hout. Hoewel zijn lijf als een murw geslagen bonk vlees aanvoelde, dwong een opperste beduchtheid direct zijn handen tot handelen. Zijn hand tastte naar de vervormer en hij schoof naar de geopende deur van het luchtschip. Om hem heen was de rest van het gezelschap vast in slaap. Het geluid herhaalde zich niet meer. Hij voelde zich niet gerustgesteld. Hij speurde in het vale, onwezenlijke nachtlicht het dak van het luchtschip af. Niets. Geen ster was er aan de vreemd gekleurde hemel te zien. Tirt en Sugatha zaten onder het schip op een rots met de armen om elkaar. Op zijn "Psst!" doken ze gealarmeerd achter de rots weg. Alleen de loop van de vervormer glansde nog op de plek waar ze gezeten hadden. Hij klom de luchtwagen uit en hoorde hen herademen.

"Hebben jullie iets vreemds gehoord?" fluisterde hij. Ze schudden geschrokken en zo mogelijk nog meer op hun hoede van Nee. Er hing een beangstigende geur van verbrande zuurstof, die hem flauw aan gerookte vis deed denken. Er was iets helemaal fout, zonder dat hij wist wat. Hij keek om zich heen. Niets bijzonders. Toch was er een aanwezigheid. Iets. Een demon? Hij herinnerde zich een anekdote van Oerbash: `Demonen zijn ouwe, driftige zielen, ontgoocheld en bang om opnieuw te lijden als ze een nieuw lichaam uit zouden zoeken. Er zijn magiërs die hen een smeltveld binnenlokken. Het geeft de demon enige substantie, een soort halfleven, maar hij is horig geworden aan de magiër. Ze teren op lust en angst. Als jij jouw lust en jouw angst beheerst, hebben ze geen macht over je.' Zijn rug en schouderbladen jeukten plotseling. Mieren in zijn hemd? Hij legde de vervormer neer en stak een krabbende rechterhand achterlangs naar de kriebelende plek. Aaaii! Zonder waarschuwing werd hij door onzichtbare krachten opgetild aan zijn voeten en zijn linkerhand. Ver, ver onder zich hoorde hij een hysterische angstschreeuw van Sugatha en Tirts alarmgebrul.

`Grondlijn!' beval een scherpe stem in zijn hoofd. Was dat Oatreru? Denktijd was er niet. Hij projecteerde een beeld van een onbreekbare ankerlijn, een verlenging van zijn ruggengraat, die met een loodzwaar schietlood naar de aarde suisde. Het geestesanker boorde zich diep in de grond naast het luchtschip, ver beneden hem in de inktzwarte diepte. De handen die hem mee droegen moesten nu kracht uitoefenen. Hij voelde de lucht om hem heen vibreren. Inademend verkorte Gaosar met zijn verbeeldingskracht de ankerlijn. De demonische handen drukten nu nagels in zijn enkels en pols. Er werd voelbaar gezwoegd. De makkelijke prooi was Tegenstrever geworden. Nu pas brak het zweet Gaosar uit en daardoor leek de greep om zijn ledematen nog meer kracht te verliezen. Hij haalde diep adem en schreeuwde het uit: "Ik ben Gaosar Ouran! Het is de Vijfde Beerdag in het Leeuwjaar!"

En nog eens en nog eens. Abrupt kwam er een eind aan het stijgen. Hoorde hij gefluister?

"Ik ben die ik ben, Gaosar Ouran, en ik ga naar de grond!" schreeuwde hij. Als bij afspraak begonnen er drie stemmen te krijsen en akelig te lachen. Hij voelde er echter sluw gecamoufleerde onzekerheid in. Een afleidingsmanoeuvre. "Nee, nee, nee! Terug! Terug!" brulde hij met alle kracht en volume, die zijn stem en wezen kon opbrengen. Hij bedacht hoe het zou zijn om zes extra handen te hebben, wurgknijpend om de strotten van zijn ontvoerders. Die gedachte verminderde het gegil boven hem onmiddellijk met de helft.

"Waarom kan dit gebeuren?' vroeg hij zichzelf in functionele paniek af en het antwoord was een woord: angst. Hij ademde al zijn vrees in en toen weer uit! Zonder overgang vond hij zichzelf terug tussen de rotsen in het kamp. De klauwende handen waren er nog steeds maar fladderden in verwarring om hem heen.


`Zo werkt het dus,' dacht Gaosar. Hij zag niets en hoorde niets maar voelde grond onder zijn voeten. Een dodelijke besluitvaardigheid ankerde hem. "Laat mij allemaal los. Helemaal los. Nù!" beval hij. De handen verdwenen en hij zag dat al zijn verbijsterde tochtgenoten naar hem stonden te kijken of ze water zagen branden. Alleen de koning was er niet bij.

"We hebben demonenbezoek," verklaarde hij, maar dat wisten ze al. Hij viste zonder zijn waakzaamheid één moment te verslappen het demonenoog uit zijn gordel. Een beeld van drie vieze beestachtige wezens manifesteerde zich toen hij scherp door de lens keek. Ze dreven geagiteerd half in de lucht. De grootste stond met één poot op een rots in de buurt.

"Ga toch op je gemak zitten, jongelui," zei hij alsof hij een kinderspel speelde en op een bepaalde manier deed hij dat ook. De demonen keken met open, kwijlende monden naar hem.

"Kan je ons zien, mens?" vroeg de middelste verbaasd. Het was voor de andere aanwezigen slechts een ziekmakend grommen maar Gaosar hoorde er de woorden in. Van pure schrik begon Karnk razend te vloeken, totdat Horkan hem voor de kop sloeg en "Kop houden!" beval. "Iedereen stil!"

De demonen waren naast elkaar op de rotsen gaan zitten. Klaarblijkelijk werden ook zij geconfronteerd met een voor hen nieuwe ervaring.

"Niemand heeft ons gezegd dat hij een tovenaar is," jammerde de rechtse gestalte, een aapachtig wezen met lange armen.

"Hij wou een Halfbak-flepkop uit een luchtwagen zei-die," gromde de linkse demon, een langharig soort hond met paardentanden.

"Maar hij is bepaald geen flepkop," zei de middelste demon.

"Wat zal Kerko doen, als we zonder deze buil terugkomen?" vroeg de rechtse demon bezorgd.

"Het is zeker een slurfbuil, zeker," zei het hondpaard.

"Ben jij een slurfbuil?" vroeg de middelste demon op neutrale toon aan Gaosar.

"Sterker nog!" benadrukte Gaosar. "Ik ben Rish Gaosar Ouran en het is een heel foute instelling van jullie om voor te wenden dat jullie mij kwamen halen. In feite heb ik jullie laten komen."

Dit bericht zonk in als een baksteen.

"We zijn weer bedrogen, weer bedrogen, weer bedrogen," jammerde de aap.

"Laat die slurfbuil eerst met bewijzen komen," zei het hondpaard.

"Als het waar is, gaan we wraak nemen," zei de middelste demon, die het meest menselijk leek. Ze veerden alle drie op.

"Precies!" riepen de twee anderen in koor. "Dan gaan we wraak nemen!"

De rechtse demon raakte enorm opgewonden: "Dan ga ik Kerko's ogen uitzuigen, mmm."

"En ik ga Kerko's hersens uit zijn kop pulken," zei de linkse demon.

"En ik ga zijn lul afbijten," zei de middelste, "maar als déze tovenaar ons misleidt, ga ik zijn lul afbijten."

Ze keken verwachtingsvol naar Gaosar.

"Jullie vreetbehoefte is het beste teken van jullie geestelijke ondervoeding," antwoordde Gaosar. "En jullie wangedrag wordt op de lange termijn niet met vreugde beloond."

"Ik word toch nooit, nooit beloond, nergens mee," jammerde het hondpaard op een huiltoon.

"Toch, toch! Kerko laat mij vreten wat ik wil," beweerde de aap.

"O nee. Je bedoelt dat jij mag opvreten wat Kerko aanwijst," interrumpeerde Gaosar.

"Dat is waar," zei de middelste demon, "maar al je praatjes bewijzen nog niet dat je bent wat je zegt. En schiet daar maar een beetje mee op, anders ga ik toch nog je lul afbijten."

Gaosar’s zelfvertrouwen was nu zodanig toegenomen dat hij kon zeggen: "Dat ga jij helemaal niet doen."

"Daag me niet uit," zei de middelste demon.

"Het Ehoe is er dol, dol op!" waarschuwde het hondpaard. "Het vindt het heerlijk. Lekkere lul, lekkere lul, roept het dan altijd."

"Het Ehoe is zeker heel boos op mannen en vrouwen als het voor zichzelf daartussen geen eigen keus kan maken," zei Gaosar alert. Het werd doodstil boven hem. Ergens had hij een gevoelige snaar geraakt. "En jullie twee?" vervolgde hij. "Zijn jullie wel zo dapper dat je weet wie en wat je bent?"

De aapdemon wees: "Bubs is een wijf. Zeurderij, de hele tijd, dat kan iedereen horen zonder dat ze het vertelt. Klaag, klaag, klaag. Om te kotsen." Het hondpaard Bubs protesteerde onmiddellijk agressief: "Praat toch eens niet alleen over anderen. Altijd beter weten, altijd kritiek. 't Is allemaal gewoon haat omdat een vrouw ooit Bels zijn lul heeft afgebeten. Gelijk had ze. Als hij nog een lul had, zou ik het zelf weer doen! Wachtte ik echt niet op het Ehoe."

Gaosar ventileerde zijn plotselinge inzicht: "Ik denk dat het Ehoe eerst ook een mensenvrouw was. Heel jaloers op mannen. Omdat die iets hebben wat zij niet heeft. Nooit tevreden met wat ze wel heeft."

Ehoe ging met haar rug naar de man beneden haar toe zitten. Gaosar was nog niet klaar: "En toen heeft ze om maar wat te proberen een tijdje een bazig mannetje gespeeld met een grote lul, maar hij durfde alleen maar te slaan. Bange vrouwen slaan, o wat een genot, maar niet heus... En nu zit Ehoe in een smeltveld gevangen met een nare belofte van een andere lelijke man. En eigenlijk wil ze gewoon een vrouw zijn die haar liefde kan tonen. Nou Ehoe, spreek ik de waarheid of niet?"

Hij kon zelf haast niet meer uit zijn woorden komen. Tezamen met deze waarneming was het alsof de pijn van de hele wereld, iedere man, iedere vrouw, over hem heen kwam. Ook zijn eigen pijn kwam op. Die momenten van afgewezen liefde, onvervulde beloften. Zelfmedelijden transformeerde zachtjes in mededogen. Tranen welden op uit zijn ogen, stroomden over zijn gezicht in zijn snor en baard. De demon was opgestaan. Met een vertrokken gezicht schreeuwde ze: "Ik haat je. Vervloekt ben je duizend jaar! Ik haat je. Ik ga weg en ik wil je nooit meer zien."

"Hee, Ehoe, je kan niet weg," zei ineens Bubs geschrokken. "De belofte! Je kan alleen terug in het smeltveld. En Kerko zal ons straffen."

Ehoe klom verder omhoog, alleen zichtbaar, invoelbaar voor Gaosar’s ogen. Plots konden alle reisgenoten een dierlijk gebrul en gegil horen, hoog en laag, mannelijk, vrouwelijk, opperste pijn, waar geen eind aan kwam. Het menselijke aspect was volkomen verdwenen en golven rauwe demonenenergie deinden op hen af.


Het gezelschap was doodsbenauwd tegen elkaar aan gaan staan. Gaosar schreeuwde hen toe zo te blijven, terwijl hij een statisch rozenveld om hen heen projecteerde. Toen de bekende verkoelende ervaring hen bereikte, werden ze op slag rustig. Tirt ondersteunde met al zijn Rishe vaardigheid Gaosar’s inspanningen. Gespannen volgde iedereen de Halfbak, die volgens hun waarneming nog steeds tegen de lege lucht stond te praten. Bels en Bubs hadden onder invloed van Ehoe allebei hun mens/dierachtige projectie opgegeven en ze begonnen een vreselijk smerige en angstaanjagende stank te verspreiden. Gaosar voelde zijn aanvankelijk mededogen als sneeuw voor de zon wegsmelten. Ineens schoten hem de woorden van de dwergen te binnen. Kerko zou alleen maar kunnen worden gedood door wat zij een ‘onbestaander’ hadden genoemd. Demonen! Zonder nadenken schold hij de lichaamloze wezens uit, terwijl hij het idee had dat hij een imaginaire zweep in handen had waarmee hij op hen los sloeg. Bels en Bubs krompen ineen toen de zweepslagen op hen neer regenden. Een deel van Gaosar’s geest stond in een onbenoembare verbijstering te kijken naar wat het andere deel deed. `Wie doet dit?' vroeg dat deel zich af. `Wat voor werkelijkheid is dit! Bestaat dit echt of droom ik?' Alleen het overduidelijke gejammer en geblaas van de demonen was een zintuiglijke brug tussen de twee werelden. Gaosar hield op. Net zoals zijn razernij was opgekomen, zo ebde het ook uit hem weg. Bels en Bubs hadden beiden weer een dierlijke vorm aangenomen en zaten in elkaar verstrengeld, elkaar krampachtig omarmend, met hun ogen dicht te snikken. Bubs brabbelde "Een tovenaar, tovenaar, tovenaar" en Bels piepte alsmaar "Mama, mama." Ehoe was niet te zien maar hij voelde haar waanzinnige ogen op hem gericht. Nog één keer liet hij de geesteszweep knallen.

"Nou, gaan we nog praten of niet?" vroeg hij op luide toon. Bels en Bubs sperden hun gele ogen open.

"Ja, ja, ja," zeiden ze gelijk. Ehoe gaf geen antwoord maar hij hoorde een vaag gescharrel, dat hem zeer behoedzaam een paar passen achteruit deed gaan. Er gebeurde echter niets. Hij bleef gespannen.

"De dingen in de juiste volgorde blijven doen," zei hij hardop tegen zichzelf en toen tegen de demonen: "Als jullie mij niet naar Kerko brengen, straft hij jullie, nietwaar?"

Het tweetal knikte en hun gezichten veranderden meer en meer in iets wat althans op menselijk leek.

"Hij straft jullie in het smeltveld, niet?" vroeg Gaosar.

"Voor ontelbaar lang in het zwarte," jammerde Bubs.

"Kerko heeft een gehoorzaamheidsbelofte van jullie gekregen?" wou Gaosar weten.

"Ja en wij krijgen wat ons toekomt," antwoordde Bels in een soort automatisme.

"Wat komt jullie toe?" vroeg Gaosar. Gelijktijdig gilden hun stemmen: "Wráák!" en nu had ook Ehoe's stem geklonken: "Wraak, wraak, wraak."

"En wat is jullie wraak?" riep Gaosar.

"Ik zuig je ogen uit je kop," morde Bubs.

"En ik pulk je hersens er uit," grauwde Bels.

"En ik bijt je lul en je ballen aan flarden," schreeuwde Ehoe, die ineens weer afdaalde naar de rotsen.

"Wat is mijn beloning als ik jullie van je straf in dat zwarte veld red?" vroeg Gaosar. "Dienen jullie mij dan totdat ik genoeg zeg?"

"Ja, ja," zeiden Bels en Bubs als op één toon maar Ehoe zweeg. Na een tijdje spanning zei ze: "Ik haat jou nog erger dan dat ik Kerko haat. Ik zal iedere dag wachten, duizend jaar totdat je overmoedig wordt en vergeetachtig en dan vreet ik je lever uit je levende lijf! Iedere dag zal ik wachten, leven na leven."

Gaosar voelde weer tranen opkomen: "Kan je de waarheid over jezelf niet verdragen, Ehoe?"

Het wezen strekte zich uit: "Omdat je nu toevallig ergens wat tovermacht geleerd hebt, kun je ons even de baas, maar jouw soort is sterfelijk. Jij wordt straks opnieuw geboren, vergeten wie je was en wat je wist. Dan zal mijn wraak zoet zijn. Ha! Als je weer ter wereld komt, bijt ik eerst een klein stukje van je lul af zodat je je weer herinnert wie ik ben. En dan zul je een heel leven lang sidderen voor mijn wraak. Want jouw soort vergeet, maar mijn soort vergeet niets. Niets!"

Ze pauzeerde en toen veranderde haar stem. De grootste drift leek een beetje verdwenen: "Maar ik beloof je inderdaad even te dienen, mens, als je me nu vrijheid geeft. Even! Dit leven. En in je volgende leven zul je in je schijtsbenauwdheid mij dienen."
Gaosar voelde de zwaarte van de voorspelling op hem neerdalen maar tevens schoten hem behulpzame gezegden van Oerbash te binnen: `Hier en nu zijn, alleen dit moment leven en zonder vrees. Ruimte maken voor je werkelijke zijn. Dan verdwijnt de tijd evenals je angstgedachten.'

Hij schudde zijn gespannen lijf in een korte reflex los uit Ehoe's bedreiging: "Dat zullen we nog wel eens zien! Voorlopig vraag ik hier en nu een belofte en van jullie alle drie," zei hij gedecideerd. "Ja of nee?"

De demonen knikten. Gaosar ging door: "Mooi. Ik ga jullie iets uitleggen, dat Kerko je nooit verteld heeft. In zijn eigen belang heeft hij dat voor jullie geheim gehouden. Ik weet dat jullie energie aftappen van levende mensen door hen aan te zetten tot drift, wellust en moordlust, tot akelige emoties. Maar als je van zulke uitstralingen kunt leven, dan kun je ook delen in mijn gevoelens van liefde. Dat is mijn vrijwillige aanbod. Dan hoef je me niet te manipuleren. Dan ben je nooit meer afhankelijk van je slachtoffer. Hoe klinkt dat?"

"Steek je praats maar in je aars," grauwde Ehoe. "Met die truc verander jij mij in jou. Dadelijk ga ik nog van deze schepping houden!"

Haar cynisme was tegelijkertijd zo geladen met waarheid, dat de hele plek voor een moment leek te vibreren.

"Ik wil er over nadenken," zei Bubs met een plots trillende stem.

"Doe maar," glimlachte Gaosar. De kracht van zijn logica deed zijn hele lijf tintelen. "Ik ga verder. Luisteren jullie?"

De wazige wezens knikten.

"Ik ga Kerko's belofte opheffen," beloofde Gaosar. "Beantwoord mijn vragen. Eén: was Kerko verplicht jullie te vangen?"

Er klonk gesnauw en gegrom, toen de oude herinnering bovenkwam. De drie demonen kregen opnieuw beestachtige koppen en begonnen zowaar weer te stinken. De andere tochtgenoten hadden muisstil bijeen zitten luisteren naar de bizarre conversatie met gromgeluiden uit een voor hun oog verlaten ruimte. De stank maakte hun echter demonstratief gewaar van het feit dat er werkelijk zulk een demonische dimensie bestond. Een collectieve huivering besloop hen. Bels brulde het uit: "Nee, nee! Hij lokte mij in een doos met valse beelden. Hij beloofde mij mijn lieve moeder en troost, troost! Maar slechts zwartheid was daarin. Ik haat hem. Ik haat hem."

Bubs zat met lange uithalen te snikken: "Hij beloofde mij de rijkste gewaden, juwelen, paleizen. Gratie toonde hij me. De mooiste handen van de wereld, hij liet ze me zien in zijn valse, valse doos. Ik haat hem. Nooit vertrouw ik meer een mens."

Het lijf van Ehoe schokte en bonkte.

"Hij is een man, die Kerko," grauwde ze met opeengeklemde kaken. "Ik haat hem, maar hij is tenminste een werkelijke man. Ik heb hem eens gevoeld. Ik ben zelf gekomen op de geur van zijn lijf. Maar hij heeft mij eeuwige lust beloofd en het bij één keer gelaten. Daarom haat ik hem zoals ik jou haat. En zoals ik deze twee haat."

Onverwacht begon ze wild om zich heen te slaan naar Bubs en Bels. Dat scheen meer voorgekomen te zijn want de twee aangevallenen lieten hun eigen ellende onmiddellijk schieten en werkten eensgezind samen in een tegenaanval. Binnen een oogwenk lag Ehoe op de grond met de anderen bovenop haar. Haar lijf trilde akelig als een riet in een stormwind. Gaosar moest echter ineens aan een moment met Ferirkerie denken.

"Als Ehoe heel erg diep haat, wordt ze heel geil," zei hij bedachtzaam, conclusie op conclusie stapelend. "En dan mòet ze aangeraakt worden en aanraken. En omdat ze zichzelf haat om die afhankelijkheid, gaat ze slaan. En jullie moeten dan wel met alle geweld op haar gaan zitten. Het lijkt alsof ze beeft van woede maar ze ligt klaar te komen!"

Hij schreeuwde de laatste zin uit vanwege het wonderbaarlijke van zijn logica. Ehoe kromp samen onder die schroeiende woorden en ontplofte toen omhoog en achteruit uit de klauwen van Bubs en Bels. Een hoog, haast onhoorbaar hoog gillen weerklonk. Een geluid dat misschien ooit, eeuwen geleden, eens als huilen begonnen was. Uiteindelijk viel ze op de grond, de dunne, lange onderarmen om haar hoofd geklemd, zinderende doelloze energie vibrerend in haar hele lichaam. Gaosar schreeuwde zijn tweede vraag, hard om ook door Ehoe gehoord te worden: "Geeft Kerko jullie altijd wat je toekomt? Hij heeft jullie mijn lichaam beloofd. Kan hij die belofte waarmaken?"

Verbijsterd keken er drie paar ogen naar hem op. De feilbaarheid van de tovenaar was nog niet eerder tot hen doorgedrongen en daarmee kwam hun vrijheid in zicht.

"Wij gaan hem hier halen," zei Bels "en dan zullen we zien."

Van dat idee was Gaosar minder gecharmeerd. Aan een confrontatie met de samengebalde wraak van het Huis van Oorlog had hij geen enkele behoefte. De vaardigheden van de tovenaar zouden bovendien wel zeer ver boven de zijne uitstijgen.

"Laten we het anders doen," zei hij. "Ik vertel jullie het geheim over hoe jullie aan de belofte kunnen ontkomen en jullie nemen wat je toekomt, niet van mij maar van Kerko. En jullie beloven om mij noch mijn tochtgenoten in dit leven te deren, noch onze geest noch ons lichaam, noch ons wezen."

Het toekomstbeeld van een tijdelijk contract met Gaosar ten opzichte van de eeuwige betovering van Kerko behoefde geen verdere argumenten.

"Beloofd is beloofd!" schreeuwden de demonen uitzinnig. "Vertel het geheim!"

In hun blijdschap hadden de drie wezens elkaar omarmd en Gaosar zag tot zijn verrassing lintdunne etherische navelstrengen bungelen uit de navels van Bels en Bubs en verdwijnen in het onderlichaam van Ehoe. `Een krankzinnige moeder met twee vrij gestoorde kinderen,' dacht hij. Er daagde meer en meer begrip. `Kerko is hun vader,' wist hij ineens. `Verwekt in een ander leven, waarin zij altijd zijn blijven hangen.' Hij hield z'n mond maar. Meer oud zeer oprakelen was beslist niet nodig. De stank was al moordend genoeg.
"Het geheim is simpel," zei hij. "Ten eerste! Jullie vermoorden de tovenaar en jullie eten hem op. Dan zit zijn belofte in jullie wezen. Kerko zal dan opnieuw incarneren in een mensenlichaam, nietwaar?"

"Ja, dat zal hij zeker doen," zei Bels verbaasd. "Maar mijn belofte om hem te dienen dan?"

"Hij kan zijn belofte aan jullie niet nakomen, is het niet?" vroeg Gaosar, een glad pad voor begrip effenend. "Hij heeft jullie mijn lichaam beloofd en dat krijgen jullie niet te pakken."

"Nee, eh... Nee! Die pusbuil," snauwde Bubs.

"Stel je eens voor dat jullie ook in een mensenlichaam zouden incarneren, gelijk met hem?" zei Gaosar tegen de nu onrustig wordende demonen. "Dan waren jullie aan hem gelijk! Iedere belofte, die van hem én die van jullie is dan gebroken. Iedere nieuwe belofte kan daarna gemaakt worden maar uit jullie eigen vrije wil."

Hij voelde hun groeiende angst en weerstand en speelde een troefkaart uit: "Bubs, je kan een heel mooi meisjeslichaam uitzoeken. Heel, heel mooi! En Bels, je kan de liefste, sterkste man van de mensenwereld worden. Wil je dat? En in een lichaam kunnen jullie met Kerko doen en uitwerken wat je maar wil. En Bels en Bubs, jullie zouden zelfs met elkaar kunnen... neuken."

De kracht van dit beeld was zo sterk dat de beide demonen spontaan begonnen te huilen en toen keken ze naar elkaar. Voor zover demonen kunnen lachen, begonnen ze te lachen.

"Wij doen het," zeiden ze gelijktijdig. "Wij doen het."


Ehoe keek afwezig peinzend naar Gaosar. "Mij heb je niks voor te spiegelen, hè slurfbuil?" zei ze met een vreemde rust. "Ik ben geen vrouw meer en ook geen man. En ik wil geen van beiden meer zijn. Al zijn je verhalen ook waar, je oplossing staat me niet aan. Ik ga Kerko's lul afbijten. Niet voor jou maar omdat hij het verdient en omdat ik het wil. Ik zal met zijn ingewanden inderdaad zijn belofte opvreten. En als hij opnieuw incarneert, dan zal ik wraak op hem nemen. Op hem en op zijn hele geslacht. Hij zal twaalfduizend jaar boeten en negen maal negen maal zijn schuld inlossen. Acht dagen na iedere geboorte bijt ik een stukje van zijn lul af om hem te herinneren aan deze belofte. Ik hoef geen lichaam meer, Sar Gaosar, maar ik trek mijn vloek naar je in, omdat je mij van mijn pijn bewust hebt gemaakt. Ik voel mezelf weer. Ik weet weer wie ik ben. Ik ben Jah Ehoe. Nou als je me nodig hebt, roep je maar. Kom kinderen, we gaan een hapje eten."

In één beweging waren ze alle drie weg. Op de rots waar ze gezeten hadden, glansde nog lang een zilverachtig licht.


"Ze gaan Kerko opeten in plaats van mijn lijf," legde Gaosar uit. "Ze zullen hem vinden, waar hij ook is."

Dat de man aan boord van de bombardementsvloot was, kon hij niet bevroeden.

"Klootverspiesd nog aan toe," zuchtte Karnk. "Ben ik blij dat ik dat ontbijt niet hoef te bekijken. Maar het scheelt mij weer een hoop."

Het demonische hapje mocht een bizar gebeuren zijn, toch kon Karnk zich nog niet voorstellen dat er in de nabije toekomst een niet minder bizar hapje op hemzelf te wachten lag.

Huiverend in de ochtendkou stonden ze met z'n negenen dicht tegen elkaar aan, zonder iets te zeggen, maar het was vooral Gaosar vreemd te moede. In zijn hoofd hoorde hij slurpende, smakkende geluiden, kraken en breken van botten, genotvol zuigen en lebberen. Een historisch ontbijt. Niet leuk maar wel waar. Zulke ontbijten worden herkenbare merkpunten in de tijd.
Ze probeerden nog wat te slapen, terwijl Karnk en Anzul wacht liepen, maar daar kwam niet veel van. Oatreru leek weer teruggevallen in zijn magische slaap. In de vroege ochtend ging hij echter plotseling recht overeind zitten en zei met een duidelijke stem tegen Aniz: "Ik ben bijna klaar."

Hij draaide zich schuin om en wenkte Horkan.

"Nubisfahrd komt de reus halen. Geef hem Gaosar’s deel. Weinig tijd," mompelde de koning zacht maar iedereen had het gehoord. Toen viel hij weer achterover. Slapen kon niemand meer. Ze dronken wat wijn, maar de stemming werd er niet vrolijker op. Niemand betwijfelde Oatreru's voorspelling. Wat de koning met Gaosar’s deel bedoeld had, werd nerveus bepraat. Een erfdeel? Zijn abstracte koningschap? Voorzag Oatreru zijn eigen dood? Bedoelde hij Gaosar’s geboorteland? Capai? Capai misschien als een nieuwe basis voor de sterreschepen van de Mengt? Gaosar kwam er ondertussen achter dat het eiland Urda altijd als zodanig gefunctioneerd had. De Mengt bleken reuzen, die een basis op de maan hadden. Ze waren direct betrokken bij kobaltwinning in de komeetmijn van Urda. Dat dit proces voor de delvers weinig gezond was, wist iedereen. Dat de Mengt lood gebruikten om zich tegen bepaalde gevaren te beschermen, was nieuw voor Gaosar. Het gepraat over zijn deel leidde hem helaas niet af van een veel essentiëler pijn. Karnk’s leven werd bedreigd door een ergere vijand dan Kerko! Hij zou met alle liefde van iedere erfenis afstand willen doen om Karnk van die gevreesde Sterrenheer te redden. De reus stond in het schemerige licht verwoed te fluisteren met Tirt. Toen kwam hij naar Gaosar toe.

"Maak je niet druk, makker. Wat er hier voor mij gedaan moest worden, is gedaan. Jij hebt mijn leven gered en wraak voor mij genomen. Als ik die Nuvovort ergens mee tevreden kan stellen, zodat hij jullie met rust laat, dan ben ik geen moment meer zenuwachtig, snappie?"

Gaosar knikte murw.

"Ik red je van de ene dood om je een andere te laten sterven..."

"Dat hou je toch!" grijnsde Karnk. Gaosar kon niet mee lachen. Karnk’s vredige lijdzaamheid verzachtte zijn angst om deze nabije vriend nauwelijks.

"We verliezen elkaar steeds," mompelde hij met verstikte stem.

"Ja, kunnen we éven in het Hier en Nu blijven? Ja? Graag! Ik heb je in het paleis gevonden toen ik alle hoop opgegeven had. En nu zijn we samen Hier en Nu. Ik wou wel dat ze hier ergens zo'n lekker broodje hondenlul verkochten. Iedereen zit volop te denken en eten, ho maar!"

Gaosar kon eindelijk lachen.

"Misschien brengt die Mengt wel wat mee."

Karnk’s stem werd ineens serieus: "Ik wou iets persoonlijks van je hebben, Gaosar. Een amulet voor op reis. 'n Beetje bescherming. Want aan m'n mooie vervormer zal ik wel niet veel hebben tegen die slimme kerels van daar boven."

"Ik kan je het demonenoog geven," bedacht Gaosar.

"Ik dacht meer aan iets van jezelf," zei Karnk. "Iets kleins, iets dat helemaal van jou is. Een aandenken dat van geen ander zou kunnen zijn."


Gaosar ging een heel, heel bizar licht op. Uit zijn gordelbeurs haalde hij het opgevouwen linnen lapje, dat hij bij het demonenoog had bewaard. Het was één van de twee bezittingen die de beroving door zijn ontvoerders doorstaan had.

"Ik raad wat het is en ik neem het aan," zei Karnk resoluut.

"Jouw geschenk aan mij zal ik ook hoog houden," antwoordde Gaosar met een heel droge mond. Karnk beklopte Gaosar’s fraaie sabelschede.

"Mooi sabeltje, hè? Toch nog iets leuks aan een Tat overgehouden."

"Ik zou willen begrijpen wat of wie Oerbash omgebracht heeft," piekerde Gaosar.

"Aan futiel, kwaad geblaat over het verleden heb je niks," antwoordde Karnk opgewekt. "Maar goed. Bedankt voor eh, dit eh... presentje. En nu ga ik even ergens kakken. Kan jij ergens ontbijt voor ons regelen ondertussen?"

Karnk’s praktische regeling gaf als altijd een nuttige structuur aan de dagindeling. Gaosar liet zijn weemoed wat betijen.
Het werd met de grootste moeite ochtend. Zon zagen ze helemaal niet achter het zwartgrauwe wolkendek. Aan het landschap waar ze terecht waren gekomen, mankeerde verder niets. Ruime valleien, hoge, machtige bergen. Ergens onder hen ruiste een waterval. Op de dichtbegroeide hellingen domineerden tussen het gevarieerde groen prachtig felrood bloeiende flamboyantbomen. Ze zagen tussen gigantische bamboe veel bananenblad en overal avocado-, mango- en passievruchtbomen. De lucht rook prettig naar basilicum en citroenmelisse maar iets anders, iets dreigends, gaf een heel flauwe kleuring van dood en brand aan die geuren. Het was nog steeds te stil, doodstil. Antar en Anzul kwamen na een korte inspectietocht met fris water terug en vertelden, dat ze een klein meer tussen geurige larixen gevonden had. Er waren overal bloemen te zien maar geen bij, geen wesp of vlieg was op de honing uit geweest.

"Heel vreemd," zei Antar. "Er is iets helemaal fout."

"We zijn net op tijd weggegaan van Illyan," liet Aniz weten. "Dat is genoeg om te weten..."
Ze aten maïskoeken, gedroogd vlees en bananenpulppasta. Het ontbijt gaf een sterke impuls van levensvreugde, maar alle uitgaande emoties werden gedempt door een collectief somber voorvoelen. Ze richtten dicht bij het pure meer, afgeschermd door enkele hoge eucaliptusbomen, een comfortabel kamp in. Karnk had forel gezien en improviseerde onmiddellijk een hengel.
Vanuit de lucht zou hun luchtwagen snel te herkennen zijn en daarom besloot Generaal Horkan het schip totaal te demonteren. Daarna zouden ze het overbrengen naar het lagere kamp. Iedereen werkte zich in het zweet. Gaosar en Karnk bleven steeds dicht bij elkaar.

"Heb jij wat met dat witte gevaar? Met die dure hoela?" vroeg Karnk, terwijl ze langs een inmiddels platgetreden pad tussen hoge adelaarsvarens een dakspant van de luchtwagen naar beneden droegen. Gaosar keek naar de kleuren om hem heen. De oranjebruine verdroogde stelen van vorige varengeneraties staken fel af tegen het groen. Toch was het bos grauw, terwijl het niet grauw hoorde te zijn. Er was iets met het licht.

"Ik vroeg je wat," drong Karnk aan. Gaosar kon er niets over zeggen.

"Achter iedere belangrijke man staat een intelligente vrouw," wist Karnk. "En achter iedere gelukkige vrouw ligt een uitgeputte man, trouwens."

"Mmm," bromde zijn vriend. Karnk gaf zijn vissen op. Gaosar keek naar het enorme reuzenlichaam. Was deze man nou werkelijk zo geïnteresseerd in vrouwen of gebruikte hij het onderwerp alleen maar om ergens om te kunnen lachen? Of zat de reus nog ingewikkelder in elkaar? Ze klommen over warrige wortels en verstrengelde twijgen, een chaotische jungle waarin overal wilde paarse viooltjes bloeien. Tussen fluwelig mos groeide een overdaad van het rozerode vierblad. Het nieuwe kamp zag er rustig en opgeruimd uit, maar er was iets aan de hand met de koning. Ze versnelden hun pas. Sugatha kwam hen hollend tegemoet.

"Oatreru gaat dood!" hijgde ze. De mannen lieten hun last onmiddellijk vallen en renden met haar mee. De koning zat overeind maar zijn oogleden waren halfgeloken. Hij keek met een zichtbare inspanning de kring rond. Zijn ademhaling was kort en oppervlakkig.

"Weinig tijd," fluisterde hij. "Mijn rijk wordt verstrooid. Oude koning gaat dood. Nieuwe niet meer regeren. Verbrand mijn lichaam vannacht. Ja? Horkan, ja?"

De generaal had tranen in zijn ogen.

"Mijn vaste belofte, heer. Als altijd," fluisterde hij. Oatreru ging heel voorzichtig liggen.

"Laat niets over voor Nubisfahrd. Ja?"

Horkan knikte. De ogen van de koning vielen dicht.

"Karnk," fluisterde hij. De reus boog zich met een volledige aandacht naar de zwakbewegende mond over.

"Haal je een grap uit met de Mengt? Ja? Voor mij? En namens de Halfbak? En namens Oerbash? Heb je van Gaosar wat je hebben moet?"

"Ja heer Oatreru," zei Karnk. "Die dwerg gaat nog lachen. Reken maar."

"Goed, heel goed," zei de koning. En dat was zijn laatste woord. Hij ademde niet meer in. Zijn tijd was gekomen.



Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina