De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina32/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 31 Koning Katsin Oatreru.

Horkan hield een zware vervormer in zijn hand, maar liet het ding bijna vallen toen hij zag wie zijn alarmsysteem in werking gesteld had. Hij boog in volstrekte verwarring.

"Uwe Genade, vergeef mij."

Het meisje moest nog harder lachen. Ze hield haar buik vast en rolde ongegeneerd met haar natte benen bloot over de grond. Horkan keek naar haar en dan weer naar Gaosar die hijgend en pieplachend half in en half uit de schoenenkast hing. Het duurde even voor Horkan hem met enige opluchting herkende. Gaosar’s vervormer was duidelijk een Overzichterswapen. Evenals zijn andere wapen hing het ding echter loos te bungelen zonder iemand te kunnen bedreigen. Gaosar en het meisje raakten plots in een gelijk ademtempo, dat hun gelach zulk een kracht gaf, dat het ook Horkan als een virus besmette. Zijn handen maakten afwerende gebaren, maar zijn mond hing al half open in een beginnende grijns. Hij deed een poging tot spreken, maar had dat beter kunnen laten. Het meisje gooide er weer een hele zin uit, die hem frontaal raakte en van zijn beheerste stuk bracht.

"O, Stormvogel, wat ben je lief als je zo kijkt," gierde ze en pats, daar ging hij. Hij startte hoog en een beetje geknepen, maar binnen een oogwenk golfde zijn zware buik in en uit in een stormlach, die de kamer als een onweer vulde. Gaosar had met zijn laatste tegenwoordigheid van geest zijn broek iets ordentelijker opgesjord, maar tot meer was hij niet in staat. Bestand tegen Horkans diepe bassende buiklach was waarschijnlijk niemand. De bejaarde generaal haalde zo te horen heel wat in en op het sopraan- en tenorvlak werd hij kakofonisch bijgestaan door zijn bijkans hysterische gezelschap. De rode deuren waren op een kier opengegaan maar geen van de drie kon dat zien. Horkan zat huilend op zijn knieën van de pret half over de benen van het meisje heen gebogen. Gaosar hing kreunend uit de kast, zijn bovenlijf op de lagere vloer en zijn onderlijf tussen de schoenen. Het neusslijm liep hem ongeremd over het gezicht, de tranen stroomden hem over de wangen. Het lachen werd soms zo pijnlijk dat hij echt huilen moest, maar voor het effect maakte dat niets meer uit. Tussen de dubbele deuren stond een lange, magere gestalte in een dun zilverachtig kleed. Hij had donkerbruin schouderlang hoofdhaar en een golvende baard en snor. Hij stond heel lang toe te kijken, maar niemand keek naar hem. Toen hij terugstapte, lagen de drie mensen voor de deuren van zijn slaapkamer nog steeds te lachen. Die onlogische, ongerijmde, onzinnige, ongerichte, alles relativerende levensvreugde had koning Katsin Oatreru wakker gemaakt.
Ook elders was iemand wakker geworden. Maar dan anders. Met dikomwalde, rode ogen van de slaap zat Kerko in een blauwbetegelde, ondergrondse tempelwerkkamer in een enorm kristal te turen. Naast hem zat een haarloze, zwartgeklede reusachtige gestalte in een veel te kleine leunstoel. De figuur had een woeste, dwingende uitstraling.

"Goed, goed. Jij kan er niets aan doen! Dat wil ik aannemen!" bitste de pissige reus. "Sarlof en Onsten werken samen tegen ons. En dat zooitje ouwe Bindi-teven is je ontsnapt op Capai. En Horkan en zijn subversieve familie zijn niet uit hun hol te krijgen. En je zoekt al weken naar die Halfbak en die Oude Mengt-renegaat. En zo te horen blijf je zoeken, maar wat mij bovenmatig ergert, is dat je mijn wetenschappelijke informatie zo knullig benut. Je hebt veertig assistenten aan het werk op Majeste, roep je pathetisch. Maar wat doen ze? Waarom duurt het zo lang? Ik wil Pirtiland gebombardeerd zien voor het volle maan is! Moet ik zelf mijn materiaal inzetten soms?!"

Kerko schrok op. In een pijnlijke mengeling van gekwetste trots, woede en onderdanigheid mompelde hij excuses: "Nee, alstublieft, Sterrenheer. Uw maatregelen zijn te grootschalig. Alstublieft, geeft u mij nog twee dagen."

"Ergerlijk uitstel! Maar goed, ik zal zelf je Tegenstrevers onder handen nemen. En ook Oatreru heeft me lang genoeg dwars gezeten. Mijn geduld is op!"

"Heer!" Kerko ging van schrik staan. "U wilt de koning...?! Maar het Verbond dan? Het Verbond van Ion?"

"Ons Verbond met Koningen van de Shir wordt met de dag verder ontkracht door jullie sluwe vorst, die zijn rechten laat voortduren omdat hij niet sterft, maar zijn verplichtingen niet nakomt, omdat hij niet aktief aan het leven deelneemt!"

"Maar heer Nubisfahrd! Uw belofte!"

"Mijn beloftes zijn de beloftes van mijn voorvaderen, Palo! En mijn geduld is op. Genoeg tijd verspild."

"Er bestaat geen tijd! Dat heeft U ons altijd onderwezen," protesteerde Kerko met een dappere heftigheid. De reus ging driftig naast de stoel staan.

"Zeker, zeker," maande hij met dominant flapperende handen Kerko tot zwijgen. "Maar binnen de tijd valt het handelen. En mijn missie op deze wereld vraagt nù om handelen. En niet over twee dagen! En tijd om te wachten tot het Oatreru belieft om bij zinnen te komen heb ik helemaal niet!"

Nubisfahrds schrille stem stootte Kerko met onzichtbare kracht terug in diens stoel. De gedrongen tovenaar boog het vermoeide hoofd maar zijn ogen schitterden met een ingehouden woede.

"Ik geef je nog één dag!" beval de reus. "Je luchtwagens zijn in orde en de schakeling van de vervormers ook. Je probleem is dat je vliegers zelf bewust of onbewust hun opdracht saboteren."

"Ze vragen zich af of ze heelhuids terug kunnen vliegen naar Majeste als ze de bom afgegooid hebben," zei de Rishe verdedigend.

"Laf en dom! Jullie Shir kennen je eigen kracht niet!"

Kerko dwong zijn gezicht en ogen weer naar de grond. Bang om zijn drift aan Nubisfahrd te verraden? De grote gestalte priemde een korte, dikke vinger in Kerko's borst. Er zaten nog vijf andere vingers aan die hand.

"Jij vliegt zelf mee! Met hun Hoofduitvoerder in de voorste linie zullen ze niet meer aarzelen. Ja? Juist! Ik zal je ondertussen van Onsten en Sarlof verlossen en kijken of ik die Mengt-bastaard kan afleveren waar hij thuis hoort."

Nubisfahrd wipte van de stoelzitting en stapte naar een nis in de wand. Er zwaaide geruisloos een verborgen deur open. Voordat de man verdween, braakte hij nog een waarschuwing uit langs een naargeestig wijzende vinger.

"Laat mij niet twijfelen aan jòuw plaats, Palo! Noch ten opzichte van mij, noch ten opzichte van die halve koning van jullie!"

Kerko antwoordde niet en Nubisfahrd nam niet de moeite om ergens op te wachten. Toen hij verdwenen was, greep Kerko het kristal van de tafel en smeet het in een uitbarsting van tomeloze, zelfdestructieve woestheid tegen de blauwe tegels. Het prijsloze instrument brak in een waterval van uiteenspattend licht. Voor altijd ging er een aardse, maar bijna onaardse schoonheid verloren, een volkomen geheel werd verstrooid in elkaar niet meer kennende delen.

"De Shir kennen hun eigen kracht niet!" schreeuwde hij uitzinnig tegen de dichte nisdeur, maar zoals uit het verloop der gebeurtenissen zou blijken, bleef zijn rebelsheid slechts bij deze conclusie. Zijn handelingen in de tijd zouden zijn lafheid en zijn domheid aantonen en in zoverre had Nubisfahrd inderdaad gelijk gehad.


Generaal Horkan veranderde in een furie van het ene ogenblik op het volgende toen hij hiklachend de openstaande koninklijke slaapkamerdeuren ontwaarde. Hij graaide zijn enorme vervormer naar zich toe en dook in een glijdende sprong naar binnen. Zijn snelheid en alertheid was verwonderlijk voor een man van zijn leeftijd. De bijnaam 'Stormvogel' bewees hij nog onveranderlijk eer. Gaosar reageerde haast even snel. Hij dook gealarmeerd terug in de kast maar kon er niet toe komen om terug de magische onderaardse gang in te gaan. De onbekende hysterica was iets overeind gaan zitten en wreef haar tranende ogen uit. Toen zag ook zij de open deuren. Haar reactie was minstens verwonderlijk. Ze begon even onbedaarlijk te huilen als ze daarvoor gelachen had. Het haar op Gaosar’s armen ging recht overeind staan. Er drong van alles en nog wat tot hem door. Dit kon niemand anders dan koningin Aniz zijn! De herinnering aan zijn eerdere oneerbare gedrag naar haar zwaaide als een moker van onvoorstelbaarheid op hem af. De mentale slag raakte hem net niet toen hij zich háár initiatief weer voor de geest haalde. `Wat voor absurde intrige is dit toch?' De ene paniekflits na de andere raasde door zijn kolkende brein. De koningin had gemeend Oerbash in die kast te zien! En ze was bepaald bang voor diens macht geweest... Maar kennelijk had ze ook direct geweten hoe ze hem tevreden moest stellen. Veel meer bedenktijd kreeg hij niet. Horkan verscheen tussen de rode deuren met zulk een stralend gezicht, dat men hem voor een jongeling had kunnen houden.

"Onze vorst is wakker," riep hij tegen de huilende koningin en zijn vreugde was zo diep, dat ook hem de tranen in de ogen schoten. Hij herhaalde de zin nogmaals, maar haperde met een dik brok in zijn keel van ontroering. Aniz keek hem aan.

"Ik weet het...," fluisterde ze terwijl de tranen over haar gezicht bleven stromen. Horkan huilde geluidloos met haar mee zonder ook maar iets van zijn waardigheid te verliezen. Hij liep naar de koningin toe en hielp haar overeind. Toen ze samen naar de rode slaapkamerdeuren liepen, stopte Aniz plotseling en wenkte Gaosar. De Halfbak was te verbaasd om te weigeren. Beverig kwam hij overeind en greep haar uitgestoken, uitnodigende elleboog. Hij gaf haar aangedaan een arm en zo gingen ze gedrieën naar binnen. Het moment was haast te groot geworden.
Koning Oatreru was een lange man, die ooit heel gespierd moest zijn geweest. Na zeven jaren slapen was hij dat bepaald niet meer, maar er kwam een impressie van kracht en gedecideerdheid van hem af, die een magische oorsprong moest hebben. Hij knikte naar Horkan, gaf Aniz een glimlach en wijdde een korte, stille blik aan Gaosar. Toen stelde hij Horkan een serie indringende vragen waar de generaal korte en besliste antwoorden op gaf. Gaosar had meestal geen idee waar de twee het over hadden. De koning informeerde ook naar zijn paard.

"Kalki is dood," zei Horkan.

"Des te beter," zei Oatreru. "Metsel de hele stal dicht."

"Heb ik zes jaar geleden al laten doen," antwoordde de generaal.

"Goed. Hoeveel ruimte heb je Oerbash moeten geven?"

"Veel."


"Te veel?"

Oatreru keek bezorgd. Horkan keek naar de koningin. Ze keek onbezorgd terug.

"Hij heeft me geen kwaad gedaan," zei ze rustig. "Ik heb zelfs dingen van hem geleerd."

"Die vaardigheid heeft hij ook," beaamde de koning. "En Kerko? Dol geworden?"

"Minstens," gromde Horkan.

"Ik hou zijn Overzichters van me af, maar daar is alles mee gezegd. Mag ik uw vlag hijsen op het dak?"

"Je moet maar eerst onze aftocht regelen. De Mengt zullen razend zijn."

"Vele anderen zijn u toegewijd en blijven dat."

"Het is niet nodig dat ook zij de wraak van de Mengt over zich afroepen door mijn partij te kiezen. Er zullen al slachtoffers genoeg vallen. Maar ik wil Cayobur hier hebben en ik zou Oerbash aan mijn kant willen zien."

Gaosar’s pupillen werden twee keer zo groot vanwege de emoties die door hem heen joegen. Oatreru merkte het direct op.

"Wie ben jij?"

Gaosar maakte een diepe respectbuiging. Hij moest twee keer slikken voor hij zijn stem voldoende in bedwang had om antwoord te geven. Hij noemde zijn naam en Capai. Oatreru keek verwonderd.

"Wie is je vader?" vroeg hij dringend.

"Cayobur Hayo, Uwe Genade."

Nu keken ze alledrie stomverbaasd naar hem.

"Cayobur is dood!" hijgde Horkan. Dat gegeven raakte Oatreru als een teleurstelling maar hij keek direct met andere ogen naar Gaosar.

"Dan hebben we hier een waardige zoon die zijn vader opvolgt," besloot de koning. "De rest van het verhaal hoor ik later wel. Misschien kun je dan Balte Bol bereiken, Horkan. En verder... De Zonnetempel heeft zijn eigen wegen om de waarheid te weten te komen. Fran is een briljant mysticus. Hij verspilt geen moment als hij weet, dat ik de Mengt ga weerstaan. Maar hoe staat het met Oerbash?"

Gaosar voelde de woorden op zijn tong dringen. Een dwingende kracht die niet van hemzelf was, duwde ze uit zijn mond: "Oerbash is stervende, heer."

Weer keek het aristocratische drietal hem met onbeschaafd openvallende monden aan.

"Stervend? Hoe? En waar?" wou Horkan als rasstrateeg weten.

"Op Bonewits. En, en... Hij is al dood!" sprak de stem in Gaosar’s mond. Hij wist dat het waar was en de drie luisteraars waren direct overtuigd.

"Dat spijt me," zei de koning zacht. "Er zal veel veranderen. Horkan, bereid ons voor op een lange tocht. We zullen minstens voorbij Kantmorie moeten."

Horkan boog.

"Ik zal de Halfbak meenemen, heer."

"Goed," knikte de koning.

"Mijn lieve Aniz heeft me veel te vertellen ondertussen."

Dat was minstens het geval.
In een sfeer van euforie en geschoktheid liep Gaosar naast de martiale generaal het paleis in. Horkan schreeuwde overal orders naar gealarmeerde adjudanten. Direct gloeide er een golf van vitaliteit en blijdschap onder zijn manschappen op. Het geëmotioneerde gezicht van hun bevelhebber verraadde ongewild meer dan Horkan wenselijk vond, maar hij was evenmin als Gaosar in staat om zich neutraler te gedragen. Horkan bracht zijn nieuwe gast via een indrukwekkende binnenplaats naar een ontzaglijk ruime hangar, waar in lange rijen de luchtschepen van de koninklijke oorlogsvloot stonden opgesteld. Voor het eerst kon Gaosar het paleis zelf goed zien. Daar stond het indrukwekkendste gebouw, dat hij ooit had aanschouwd, meer dan duizend jaar oud en door iedere koning verder verfraaid. Elke heerser had zichzelf in een manshoog gouden standbeeld laten vereeuwigen op een onafzienbaar plein, dat werd omgeven met de hoogst denkbare cypressen. Vanuit de verte zag Gaosar de wuivende waterbogen van enkele grote, natuurlijke fonteinen, aangeboord tot diepere aardlagen, waar een vulkanische hitte het grondwater verwarmde. Het paleiselijke terrein was op zijn beurt weer afgescheiden door een diepe en brede rondlopende gracht met op alle vier hoeken een dreigend fort. Overal reden kleurige strijdwagens heen en weer van 's Konings garde. Op verschillende plekken vonden gedisciplineerde exercities van toegewijde Nadirkeurkorpsen plaats. Het paleis zelf was in een spiraalvorm gebouwd. In het midden stak het piramidevormige tinnen dak van de persoonlijke tempel van de koning boven alle andere daken uit. In een speciaal beveiligd ondergronds gedeelte van de hangar werden vier grote luchtwagens ingeladen met onbekende goederen door soldaten van de koninklijke garde. Spontaan maar zachtjes zongen sommige mannen koninklijke strijdliederen. Velen hadden tranen in hun ogen. Dat was eigenlijk een bizar gebeuren, omdat ze beschouwd werden als de meest geharde mannen uit het rijk van de Shir. Maar als je gehoord hebt, dat eindelijk, eindelijk je koning wakker is geworden, na zeven jaren van een vreemde slaap, waarin je de hand van zijn vijanden vermoed hebt? Mag je dan even niet gehard zijn? Als je een koning hebt, die je vriend was, een dappere strijdmakker in iedere oorlog, en die koninklijke vriend geneest van een bijna dodelijke ziekte? Mag je dan even je tranen laten gaan?
Terwijl Gaosar een beetje aangeslagen zat te doezelen in het zonlicht op een brede bank op de binnenplaats, kwam één van de persoonlijke lijfwachten van Horkan naar hem toe hollen. Hij herkende hem. Dit was degene, die hem ooit eens 'Ouwe' had genoemd. De man boog eerbiedig, waarschijnlijk om zijn eerdere onwellevendheid in de grot te compenseren.

"Vergeef mij mijn storen, Hooggeborene," stamelde hij, "maar de Zonnetempel heeft twee van uw genoten aan de paleispoort gebracht. Kunnen wij hun vertellen, dat u hier bent?"

Dat kon hij zeker! Gaosar en Karnk hadden elkaar al zo vaak verloren en weer gevonden, dat hun weerzien in het paleis uiterlijk niet meer dan een brede wederzijdse grijns opwekte. Op weg naar de binnenplaats waren als door een wonder ook Tirt en Sugatha elkaar tegen het lijf gelopen. Ze hielden stijf elkaars handen vast en zeiden geen woord. Siri was nog steeds ziek, vertelde ze Gaosar. Die werd ondertussen pijnlijk aan zijn verbond met de Berseng herinnerd door een aantal schrijnende blaartjes op zijn heiligbeen. Hij behandelde de plekken met koningsboombastzalf die hij van Karnk kreeg en dat scheelde onmiddellijk in het ongemak.

"Zo waarschuwt de parasiet mij als ik te veel van mezelf vraag," zei hij.

"Helaas ben jij geen tiep dat houdt van een lekker saai leven," stelde Karnk vast. "Die Berseng krijgt het alleen maar drukker met jou."
Nubisfahrd had veel macht tot zijn beschikking en een groot technisch instrumentarium. Hij spoorde Dut Derhin dus binnen een dag op. Hij ving hem in een melasse-stroopveld en kookte het lichaam een sai in de stroop. Hij maakte de kruinstaart los en bevrijdde Sarlofs kristal uit de losliggende ingewanden. Daarna zette hij een meesterlijke val op voor Onstens geest maar was daarin slechts gedeeltelijk succesvol. Diens wezen was zo weinig gehecht aan de aarde dat het de voorkeur gaf aan een besefloze oplossing in de kosmische getijdestroom boven een eeuwig verblijf in een gevangen lichaam. In elk geval zou Onsten Kerko niet en nooit meer hinderen. Nubisfahrd was nog minder succesvol bij zijn onderhandelingen met de priesters van de Zonnetempel over de Mengtbastaard die hij daar kwam opeisen.

"Hij is niet meer bij ons," had de Hogepriester gezegd. "En we weten niet waar precies hij nu is."

Dat was de exacte waarheid wist de reus, maar hij had staan stampvoeten in de tempelruimte waar Herbertox Fran hem te woord stond.

"Jij weet heel goed waar hij ongeveer zou kunnen zijn!" schreeuwde hij tegen de bejaarde, bolbuikige priester, die er ogenschijnlijk wat indolent bij zat. De glanzende ogen van de oude man stonden echter verre van sullig.

"Ik vertel u geen leugens, Sterrenheer," zei hij rustig. "En meer dan dit deel van de waarheid kan ik u niet meedelen."

Achter hem stonden twee Opperpriesters te trillen, Vance Jeek en Harro Harrixeni. Toen Nubisfahrd dreigend en scheldend was vertrokken, glipte Jeek ook weg. Fran en Harrixeni keken elkaar aan. Twee oude mannen die een zware last torsten en daar niettemin niet onder gebukt gingen.

"Jeek zal aan de Mengt verraden dat we de reus en de Rishe naar het paleis teruggebracht hebben," zei Harrixeni.

"Hij heeft nooit een helder oog voor licht en donker gehad," mompelde zijn superieur. "Maar we hebben voldoende tijd gewonnen."

"En veel informatie," knikte Harrixeni. "Hoewel de dreigementen van de Maanheerser nooit loos zijn. Ik voel dat wij, u en ik, niet lang meer zullen leven. En ik ben niet zo onbevreesd voor de dood als ik lang gedacht heb te zijn."

"Er zal nog heel veel meer veranderen in het Rijk van de Shir dan wij nu kunnen bevroeden," zei Fran. "Maar de koning is wakker. Die agitatie in het paleis toen jullie dat tweetal afleverden, dat kan alleen maar daar op wijzen. Ik hoef geen nader orakel meer te horen. Er wacht ons een buitenissig einde en ik wil dat je een evacuatie van onze meest dierbare relikwieën voorbereid. Laat Jeek zijn onbetamelijke werkjes maar doen. Bemoei jij je niet meer met de strijd tussen de Rishe. Jij en ik zijn hoeders van een erfgoed in de tijd, dat veel belangrijker is. Begrijpen wij elkaar?"

De mannen kruisten de armen over de borst in een zachtmoedig, harthoedend gebaar en bogen naar elkaar. Koning Oatreru had gelijk gehad. De Hogepriester Fran verspilde geen moment van welke tijd dan ook meer aan irrelevante zaken.

Ondertussen had Generaal Horkan verschillende Rishe, onder wie Balte Bol en diverse familieleden in het paleis bij elkaar gebracht in de ondergrondse hangar en verdeelde plaatsen en goederen over vier enorme luchtwagens. Ieder vliegtuig kon twaalf tot vijftien passagiers vervoeren. Horkan besprak met zijn zoons en meest vertrouwde adjudanten een ontsnappingsschema voor de koning en mogelijke afleidingsmanoeuvres voor de andere piloten. Er zouden nog diverse andere missies vertrekken zolang er nog daglicht was. Al Horkans adjudanten en alle aangewezen passagiers werden voorzien van een volgeladen vervormer, een 'manakonda' en een polsband. Gaosar deed het instrument met een diep gevoel van thuiskomen om. Zijn zo andersoortige geboortegeschenk had hem op Capai altijd onderscheiden van andere kinderen en tegelijk als een wonderbaarlijke talisman beschermd. Toen Gaosar een plaats kreeg aangewezen, zag hij Karnk, Tirt en Sugatha in hetzelfde luchtschip, maar Siri niet. Hij ervaarde een steek van pijn. `Wat is, dat is', dacht hij, maar die oude hulp bood deze keer weinig troost. Pas toen de koningin binnen kwam, realiseerde hij zich dat hij deel ging uitmaken van de koninklijke bemanning. Hij kreeg er een hoogrode kleur van. Oatreru werd op een weelderige brancard binnengedragen door Horkan en een mollige bijna zwarte Bindi-vrouw, Iola, 's konings persoonlijke verzorgster. Ze was een formidabele masseuse en vaardig genezeres. Ze bleek altijd zonder onderscheid zowel de koning als de kinderen van zijn dienaren behandeld te hebben. Als terloops nam ze even Horkans schouders onderhanden. Alle passagiers lieten zich haar betuttelende gedrag met de achtergrond van jarenlange volstrekte vertrouwdheid aanleunen. Ze werd 'Tante' genoemd. Haar rug was hol en iets doorgezakt boven zware billen. Ze droeg een oude, versleten roze en geelgebloemde jurk waarin forse borsten bungelden. Haar brede grijsbruine voeten staken in de oudste, afgetrapte teenslippers ter wereld. Haar flodderige verschijning vormde een onwezenlijk wonderlijk contrast met de verfijndheid en luxe van alle andere ingeladen goederen. Kisten van met ivoor en parelmoer ingelegd teakhout herbergden wapens, ingedroogd voedsel, instrumenten en geschriften. Gaosar had een kist zien vullen met een keur aan edelstenen, kleine fraai bewerkte gouden en zilveren juwelen en exotische talismannen.

"Hij neemt minstens de halve erfenis van de Shirkoningen mee," fluisterde Karnk in zijn oor. "Die is niet van plan hier ooit weer terug te komen."

Dat was ook al bij Gaosar opgekomen. Ze wisselden kort de laatste gegevens uit. Ishti's dood verdriette maar verbaasde Gaosar niet. De kleine Tekenduider had hen op een heel subtiele wijze al in de grot voorbereid op iets dergelijks. De feitenkennis van de Tempelpriesters was een grotere schok. Terwijl Karnk hem vertelde over Pippin Tenskwatawa's vermoeden over de relatie van Oerbash met de Nieuwe Mengt en over het vreemde Tempelorakel, liepen de rillingen over Gaosar’s hele lijf: "Een koninklijke gemengdbloedige wekt de koning maar bedrijft zonde in het vuur en in het vlees!"

Hoe wisten de priesters van zijn betrokkenheid bij de brand in het Mengkantoor!? Zouden ze ooit van zijn zondige handelingen met de overspelige koningin Aniz op de hoogte komen? Hij was niet van plan er met iemand over te spreken, maar Horkan had bepaald zijn ogen niet in zijn zak gehad, toen hij het slaapkamerportaal was ingestormd... Zou die getuige ooit over het waargenomene praten?

Gaosar liet het demonenoog aan zijn vrienden zien. Ze keken er door maar namen geen van allen iets ongewoons waar in de luchtwagen. Dat was in zekere zin een geruststelling. Toen Gaosar het oog terugkreeg van Sugatha, zette hij het in een impuls nogmaals voor zijn linkeroog. Direct overviel hem een bitterzoute neerslag in zijn mond, veel sterker dan hij het normaal ervaarde.

"Ik proef het Noodlotszout," hijgde hij geschrokken en tegelijk zag hij ook Karnk verwoede slikbewegingen maken.

"Heel sterk!" bracht hij er uit en Karnk knikte schokkerig met zijn grote hoofd.

"Die dwergen! In Utrag! Dat waren Nieuwe Mengt!" sprak de reus aangeslagen, alsof er een hete knol in zijn mond brandde.

"Maar Oatreru bestrijdt de Oude Mengt," vulde Gaosar met een suizende kop aan. "Maar hij wou toch ook een bondgenootschap met Oerbash aangaan? Ik snap er niets van."

Op dat moment stond de koningin van haar zitplaats naast Oatreru's brancard op en liep naar achteren. Ze moest Gaosar gehoord hebben. Ze keek de stilgevallen vier aan. Ze was in een eenvoudige maar zeer kostbare witte jurk gekleed en droeg laarzen van witgebleekt apenvel. Haar lange haar was met een zilveren kam opgestoken. Gaosar herkende in niets het meisje meer, dat hij in het paleis ontmoet had. Hier stond een volwassen, waardige vrouw voor hem met een adellijk profiel, dat hem moeiteloos ademloos kreeg.

"Er zijn veel verschillende Shir," zei ze. "En zo zijn er ook vele Mengt, reuzen en tegenwoordig ook dwergen. Het is een volk dat bloeit op logica en wetenschap. Ze zochten liefde en vrolijkheid bij de Shir. Dat is de ware aard van het Verbond van Ion. Maar in deze tijden zijn er vele extremen op elkaar gebotst."

Tirt nam in een bevlogen inzicht het woord: "U verwijst naar de Rishe, die machtswellustig tenondergegaan zijn in de techniek van de Mengt? En aan de andere kant bedoelt u wellicht Mengt die lieden uit ons volk in liefde ontmoet hebben? Is het dat?"

"De botsing ligt ook tussen de behoudende Mengt en de Rishe die nu in hun zucht naar kennis en bedreiging voor hun eigen oudste waarden zijn gaan vormen."

Gaosar zag Falak Geshyo's sinistere schavuitenkop ineens voor zich. Een verborgen magiër, uit op macht en bevrediging van hoge ambities.

"Er botsen misschien nog andere krachten ook," insinueerde hij voorzichtig. Aniz keek hem recht in de ogen.

"Sommige botsingen brengen liefde en vrolijkheid," grijnsde ze en giechelend schuifelde ze weer terug naar haar stoel. Gaosar zag drie verbijsterde gezichten naar hem kijken. Tirt hervond het eerste zijn spraak.

"Dat was een gewaarwording van ooguitstekende ongerijmdheid," piepte hij. En toen fluisterend: "Bij Eandro! Wat is er tussen jùllie?"

"Dat hoef je niet te vragen!" siste Karnk. "Kijk maar naar zijn rooie kop! Jij slijmoor! Waar heb jij je nou weer ingestoken?"

Gaosar werd van dat antwoord gered doordat de vier luchtwagens in een kolkende energie-explosie opstegen. Ze hoorden de complete garde "Oatreru!" schreeuwen en de golf van vreugde daarin raakte hen in zo'n innerlijke getijdestroom, dat hen gelijkelijk de adem werd benomen.


Nadat koning Oatreru en zijn gezelschap aan boord waren gegaan, hadden de opstijgende voertuigen een elipsvormige baan om het paleis beschreven. In een knappe werveling waren ze daarna uit elkaar gegaan en in alle vier de windrichtingen uiteengestoven. Niemand kon zo zeggen welk van de vier de koning vervoerde. Dat de koning wakker was en uitgegaan voor een onbekend gevecht, was zeker. Toen de vier luchtwagens uit het zicht verdwenen waren, werd op het piramidevormige topdak van het paleis een gouden standaard geplaatst. Onder daverend gejuich hees een ontroerde lijfwacht van generaal Horkan de koninklijke oorlogsvlag, het blauw met daarop met sabels gekroonde gouden bol met de vier kruisvlakken, het Viervoudige Ei.

"Oatreru! Oatreru!!" schreeuwden de soldaten in een waanzinnige extase en er was er geen die op dat moment niet zijn leven had willen geven voor die aanbeden koning. En kort verderop in de tijd gaven ze hun leven inderdaad, maar dat had niets met hun koning meer te maken.


Waar het koninklijke gezelschap heen ging, scheen niemand te weten. De bestuurder van de luchtwagen was een ouwelijk ogende maar kordaat bewegende garde-officier, Anzul, die in een volle wapenrusting achter het stuur stond. De andere officier, Antar, een boomlange man met een eveneens zeer aristocratisch gelaat, zat bijna voortdurend met zijn hoofd voorover in een bruinzwarte kast. Tirt legde uit dat dit een zeer geheime Mengt-vinding was die alleen in het paleis van de koning mocht worden toegepast. Men kon er klanken en woorden mee overbrengen aan een verder gelegen ontvangststation en ook omgekeerd berichten opvangen. Deze 'ondular' maakte contact tussen de vier luchtwagens mogelijk, veronderstelde hij. Horkan fluisterde regelmatig met zijn twee officieren en soms verlegde de piloot daarna zijn koers. Eenmaal bracht Horkan met een zorgelijk gezicht verslag uit aan Oatreru wiens voeten op dat moment gemasseerd werden door Tante. Oatreru verblikte of verbloosde niet onder het nieuws, maar de zwarte vrouw barstte in een luid snikken uit. 's Konings gasten zaten op het puntje van hun stoel in een gefrustreerde nieuwsgierigheid maar niemand gaf hun nadere informatie. Na een tijdje hield Gaosar het niet meer uit. Hij stond op en stapte naar Horkan toe. De generaal maakte een korte, respectvolle buiging en nogal verrast imiteerde Gaosar de beweging.

"Wat kan ik voor u doen, Hooggeborene?" vroeg de oude man met een aandachtige intentie waar geen enkele ironie of neerbuigendheid in te bespeuren viel.

"Wat is er aan de hand?" vroeg Gaosar rechtstreeks.

"Balte Bol vliegt met een kostbare lading naar Heirgoland. Kerko heeft hem een formatie Overzichters achterna gestuurd die hij ontweken heeft. Maar hun geschut heeft zijn luchtwagen beschadigd. In het slechtste geval zal hij naar zijn bestemming moeten varen. Zijn veiligheid blijft zeer onzeker."

"Dat is niet het slechte nieuws."

"Nee... De Sterrenheren hebben zich rechtstreeks in conflict met onze koning begeven. De Mengt-afgezant Nubisfahrd heeft waarschijnlijk met een bombardement vanuit zijn sterreschip ons derde luchtschip op zijn wijkplaats in Ut vernietigd. Daarmee heeft hij het Verbond van Ion buiten werking gesteld, want het luchtschip was als een koninklijk voertuig herkenbaar."

Horkans stem haperde even: "Als dat zo is, zijn mijn twee zonen en hun bemanning omgekomen."

"Ik betuig u mijn deelneming," zei Gaosar zachtjes en Horkan neeg met een uitdrukkingsloos gezicht even zijn hoofd. Deze man had veel strijd gevoerd en veel doden gezien. Geen enkel gevoel, hoe persoonlijk ook, zou hem uit zijn absolute toewijding aan de zaak van de koning kunnen brengen. Zijn beheersing maakte een diepe indruk op Gaosar. Hij had echter ook zijn eigen ongerustheden. Hij aarzelde maar vroeg het toch: "Was uw kleindochter, Jah Lino Siri, aan boord?"

"Nee, mijn andere familieleden worden langs andere wegen in veiligheid gebracht."

Gaosar ademde weer uit.

"Kan ik u meer vragen stellen?" vroeg hij voorzichtig.

"Ik dien Hayo's geslacht in edel respect," antwoordde de Generaal met vaste stem. "Mijn vorst heeft u als zijn opvolger aangewezen en uw eer is mijn eer."

Het bericht had zo'n kracht dat Gaosar even zijn ogen sloot. Toch. Toch. Had hij dit niet al langer geweten? `Ik een koning? Ik ben nog helemaal geen koning!' dacht hij en, toen de betekenis van een mogelijke oorlog met de oppermachtige Mengt tot hem doordrong, besefte hij het helemaal duidelijk: `Ik word nooit koning. Er zal geen rijk meer over zijn om over te heersen.' Hij werd nog stiller. Horkan wachtte rustig af tot Gaosar weer iets zei. Hoewel de zin van enig antwoord hem haast ontviel, vroeg de Halfbak het toch. "Wat is de opdracht van het andere luchtschip?"

"Onze vierde missie poogt te voorkomen dat Kerko Pirtiland bombardeert. De koning vreest dat Heer Nubisfahrd het Huis van Oorlog misleid heeft over zijn werkelijke bedoelingen."

"Wat zouden die kunnen zijn?"

"Het gezag van de Mengt zoekt immer naar wetenschappelijke experimenten, die misschien op lange termijn gunstig uitvallen, maar die op korte termijn veel bloedvergieten kunnen betekenen."

"U moet duidelijker voor me zijn."

"Wel... De Oude Mengt hebben de Blauwe Eilanden zo goed als leeggehaald van alle metalen die ze nodig hadden. Mijn koning heeft geweigerd om nog meer andere volkeren te onderwerpen, slechts om op hun territorium delfstoffen te kunnen gaan winnen voor de Mengt. Die hebben zich toen uit nagenoeg al hun ondersteunende activiteiten teruggetrokken. Dat heeft vanzelfsprekend vele belanghebbenden met name in de Huizen van Oorlog en Onderzoek tot razernij gebracht. We hebben toen vele schandelijke aanslagen op 's konings leven afgeslagen, hoewel niet van de kant van de Mengt, hoewel iedere onervaren troonopvolger niettemin gemakkelijker slachtoffer van de honger van de Mengt was geworden dan Oatreru. Zeven jaar geleden is bijna een magische aanslag succesvol geweest. Toen heeft mijn vorst echter bewust voor zijn legendarische slaapoffer gekozen door die ongemeen krachtige betovering voor zijn eigen doeleinden te gebruiken. Hij heeft zo elke formele oorlog onmogelijk gemaakt door niet meer beschikbaar te zijn als opperbevelhebber. Tegelijk beschermde de betovering hem grotendeels tegen nieuwe aanslagen. Hij heeft uiteraard al zijn eigen verlangens en vreugden moeten wegcijferen. Dit offer was daarom van een strategische dapperheid zonder weerga. Maar nu de Mengt het Verbond verbroken heeft, rest de koning niets meer dan een vlucht naar Kantmorie. De eenheid van de eilanden is definitief verloren door de revolutie van het Huis van Oorlog."

Gaosar zag vele stukjes van de puzzel op hun plaats vallen. Er bleven nog talloze vragen over en de antwoorden zouden weer nieuwe vragen opwerpen. Oude Mengt en Nieuwe Mengt, de rol van Oerbash en van Cayobur Hayo... Maar eerst moest zijn eigen rol opgehelderd worden.

"En ik...? Waarom nu ik, eh..."

"De koning heeft het magische oog van zijn geslacht. Ondanks uw verre bloedverwantschap heeft u dat ook. En verder... Bekommert u zich niet om de toekomst. Onze situatie hier is al zeer onveilig. Kijkt u maar."

Hij wees naar buiten. De andere inzittenden stonden met ongeruste gezichten bij de ramen. Alleen Oatreru lag onbeweeglijk op zijn matras. Onder hen bewoog een monstrueus magisch ondier in de woelige zee. Als een wanstaltige uitwas bewoog het een zoekende, strekkende tentakel in de lucht. Er bestond geen twijfel over de prooi die het zocht. De piloot liet onmiddellijk zijn vliegende schip naar de maximale hoogte klimmen, maar dat scheen maar beperkt te kunnen. Horkan en zijn eerste adjudant schroefden een vloerluik open en vuurden hun vervormers leeg op het zeewezen. Het scheen er echter geen noemenswaardige last van te ondervinden, omdat de energie grotendeels door het zeewater geabsorbeerd werd. Sugatha deed met de handen voor de mond geslagen een manmoedige poging om haar paniekgillen te onderdrukken. Aniz ging naast haar staan en legde een geruststellende arm om haar schouders.

"Stil. Stil maar. De Vlert kan het water niet verlaten en hij zal sterven, als hij te lang aan de oppervlakte blijft. De Mengt heeft hem uit het diepe opgeroepen om ons te vertragen."

Ze zwenkten met snelle bewegingen heen en weer om de grijpende tentakel te ontwijken. Het dier maakte een enorme snelheid in het water en dwong het luchtschip tot de vreemdste capriolen. Tirt bood Horkan zijn kennis aan.

"De Vlert wordt aangetrokken tot metaal en sterker tot goud dan tot ijzer. Hij zal mogelijk afgeleid worden als we een kist overboord zetten."

Er werd geen tijd verspild. Het was een tweeledig nuttig offer want het luchtschip steeg direct iets en verhoogde zijn snelheid, toen het verlost werd van het forse gewicht. De witte koningin stond vermaakt te lachen toen ze de bedrukte gezichten van Anzul en Antar opmerkte.

"Elke aardeweelde is slechts een tijdelijk bezit, vrienden," troostte ze.

"Uwe Genade, ik dacht slechts aan uw verminderde comfort in Kantmorie," verontschuldigde Anzul zich.

"Onze rijkdom ligt in een veilige landing op land, waar dan ook," wees ze hem terecht. Hij boog. De zware kist bleef een oogwenk dobberen en het massieve lijf van de Vlert stoomde er voorbij. Aanvankelijk scheen hij niets op te merken, maar toen namen de angstige toeschouwers een tweede terugflitsende tentakel waar, die razendsnel de zinkende kist omvatte. Deze vertragende handeling had onmiddellijk een flinke afstandsvergroting tot gevolg tussen luchtschip en zeewezen. Hun gejuich en opluchting zou echter maar kort duren. De ergernis van de Vlert over het verlies barstte uit in de vorm van een zwarte straal teerachtige substantie, die met een tomeloze kracht uit het enorme lichaam geperst werd. Het luchtschip werd er van achteren door geraakt en de stinkende emulsie verspreidde zich als een levend organisme over de ramen. Gaosar hoorde zich zelf niet gillen want iedereen gilde, maar hij wist dat ook hij stond te schreeuwen. Tegelijk was er een centrum van volkomen rust in hem, dat de situatie kalm bleef waarnemen. Het luchtschip bleef doorvliegen. Alleen het uitzicht was veranderd in een zwarte mist en het scheepsinterieur was donker geworden. In het duister baste Horkans stem als een tuba stilte bevelend en het werd stil. Tien hijgende mensen herbevestigden hun levend-zijn. Langzaam kwamen ze bij van hun doodsangst.

"Zodra we kunnen, landen we," sprak de generaal met een ongeschokt vertrouwen en gezag. Maar dat duurde nog een lange tijd.


In de bergen van Ut had een brede inslag van witheet licht, dat uit een moordende strakblauwe hemel kwam, een omvangrijke krater geslagen in een ooit welvarend plateaudorp. Het vernietigde niet alleen een koninklijk Shirluchtschip dat daar net geland was. Waarschijnlijk had Nubisfahrd niet voorzien dat zijn bombardement diep onder de aardkorst twee zware grondlagen iets deed verschuiven. Daardoor kon heet magma een lange, lange grot vullen. De verhitte lucht in de overgebleven ruimte perste zich een weg naar de oppervlakte en veroorzaakte een enorme aardbeving. Op die plaats ging door de schok bovendien een grote vulkaan werken. Een tweede en nog ernstiger aardbeving scheurde een immense voor in het gebergte, die aan tot de oceaan doorliep. Lavastromen uit de ontploffende vulkaan brandden een weg de andere kant op, door de dichte bossen tot aan het Kendomeer. Toen de lava het meer bereikte, ontstonden er enorme stoomwolken en de onophoudelijk uitstromende vurige stroom deed het niveau van het meer met diverse manslengtes stijgen. Het overspoelde de oever op de laagste plek en het woelende water vrat zich met doorbraak na doorbraak een weg uit zijn omhulling van aeonen. Dichter en dichter bruiste het verhitte watergeweld naar Ut toe, waar die juist ontstane bedding wachtte als een maagd in haar vruchtbare tijd op haar minnaar, een tijdstip verbeidend, waarop meer en oceaan verbonden zouden worden in een ontmoeting van vuur en dood.


Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina