De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina31/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 30 De Zonnetempel.



(...)

  • Soms bezoek ik u zonder oordeel.

  • Dat beschouw ik als een wonder.

Tirt onderwierp zijn geest aan een niet minder fors onderzoek.

`Ik had al minstens twee keer dood kunnen zijn,' sidderde het door hem heen. `Gor was bezig om me levend te ontleden toen en daar. Mijn magie was ontoereikend gebleken tegen die van Eichhor. En mijn kristalveld zonet was onvoldoende krachtig tegen die allerprimitiefste honger van die leeuwen. En ondanks dat alles leef ik nog steeds en doe ik mijn beloftes gestand. Ik steun Karnk in zijn wraak naar Kerko en in zijn missie naar onze koning. Maar is daarin werkelijk mijn diepste motief te vinden? Dit zijn immers volstrekt tijdelijke missies... Waar leef ik dan voor? Voor Sugatha?'

Op de een of andere manier had hij zijn tred weten aan te passen aan zijn ademhaling, maar er bleven kwellende pijnscheuten door de aanhechtingen van zijn protheses jagen. Sugatha's blije gezicht met de zachte ogen dreef steeds binnen in zijn pompende bewustzijn. De weelde van haar roodbruine krulletjes en haar fijngevoelige mond.

`Ik leef voor schoonheid,' wist hij ineens. 'Niets anders, niets minder dan dat. Ik aanbid schoonheid. En de vreugde om de ongeremde vorm. Het immer wonderlijke contrast van het platte met de diepte. Van het samengaan van het grove met het allerfijnste...' Voor zijn geestesoog kwam het gezicht van Sugatha tot leven.

"Dag lieve, mooie man," fluisterde zijn geliefde. "Mijn schoonheid is er helemaal voor jou!"

Toen deed een ongewoon geluid hem opschrikken. Hij sloeg zijn ogen op van de trede direct voor hem en zag dat Harixeni inmiddels was aangeland op een klein plateau. De man opende twee schitterende dubbele deuren, de linkse wit de rechtse rood geschilderd. Hij wenkte het drietal verder te komen.

Een wezensvullende leegte ontvouwde zich voor hun verbijsterde ogen. Ze waren naar de piramidevormige top van de Zonnetempel gebracht. In de immens hoge ruimte viel door lichtpaarsgetinte driehoekige ramen van amethistglas zulk een zacht licht naar binnen, dat een ieders hart zich wel moest buigen in ontzag voor dat wonder. In de hoogste punt van het dak was in een koperen constructie een enorm, in piramidevorm geslepen kristalbrok van rookkwarts bevestigd. Van zijn vier hoeken liepen dikke koperen draden naar beneden, die in de vloer van de tempelruimte verdwenen. Er hing een lichtgloed van absoluut onbevooroordeeld begrip in de zaal, die (althans voor enige tijd) alle denken onthechtte.

Van Ishsti had de klim de hoogste tol gevraagd, een prijs die niettemin een ereprijs was geworden. De kleine gestalte was ineengezegen op de witmarmeren vloer. Tirt was de eerste, die het opmerkte. Hij schrok hevig toen hij het lijkwitte gezicht van de oude man zag. Vlak naast het nog natrillende lichaam zonk hij ontzet op zijn knieën. Harixeni duwde hem direct iets achteruit.

"Verstoor hem niet," fluisterde hij. "Hij heeft een dapper gevecht op Majeste geleverd, dat het uiterste van hem gevraagd heeft. Hij heeft jou en een aantal van je vrienden genezen en nu wordt hij hier zelf genezen."

Die waarheid drong als maanlicht tot Tirt door en hij ging, pijnlijk en met krakende knieën weer staan. Karnk had nog niets gemerkt en stond met openhangende mond omhoog te gapen. Harixeni verhief zonder inleiding zijn stem in een gebed. Noch in de klank noch in de woorden lag iets anders dan een zuivere observatie, die van elke aandrift gespeend was: "O overgave. Aanvaard een lichaam, een geest, die een naam draagt en een naamloze ziel. Moge hij rijzen."

Karnk werd erdoor uit zijn stilte gewekt. `Reizen? Wie moet er nou weer reizen?' dacht hij. Toen viel zijn oog op het vreemd stille, tengere lijfje op de grond naast hem. `Een lappenpopje,' flitste er door hem heen. `Een marionet.' Donderend daagde er begrip. `Ishsti is dood!!'

Daarmee hielden zijn gedachten eventjes op. Een wonderlijke aandoening van vreugde overviel hem. Er was geen enkel gevoel van verlies of verdriet. Zo sterk was die emotie, dat hij met zijn ingeslepen boersheid de gewijde plek ontheiligde met een pittige tekst.

"Bij de kut van de Moeder! Die kiest een mooie plek om de pijp uit te gaan!"

De opperpriester verloor bijna zijn beheersing. Hij greep de beide mannen bij de arm en sleurde hen nagenoeg weg van Ishsti's lijk. Zonder spreken snelwandelden ze naar de andere kant van de tempelzaal. Van buitenaf openden twee tempelsoldaten daar andere, roodwitte dubbele deuren voor hun. Tirt gebaarde naar het vredige hoopje kleren, dat was achtergebleven.

"Ishsti?"

"De Tempel zorgt voor de verbranding," antwoordde Harixeni op licht kribbige toon. "De Tekenduider heeft een geschenk gekregen, dat normaal voor anderen bedoeld is, maar daarom is het niet minder eervol."

Gewoontegetrouw begon Karnk te sputteren en vragen te stellen, als om zijn overweldigende ervaring in een makkelijker vatbare vorm te brengen. De priester woof echter al zijn opmerkingen weg.

"Laat ons onze geheimen, man van Kartan!" zei hij geagiteerd. "Jij zelf hebt meer gekregen, dan je bij je geboorte was toebedeeld en nu is het tijd voor jouw antwoorden op ònze vragen."

Hij greep een kleine bronzen bel van een tafeltje naast de inmiddels weer gesloten deuren. Het geluid tinkelde als een ster de marmeren gangen in. Verderop ging een donkere deur op, die een belangstellend vijftal tempelsoldaten bevrijdde van langdurig al dan niet meditatief wachten. Hun verheugdheid deed niets af van hun vijandige norsheid tegenover Karnk en Tirt.

"Ze gaan naar de Berenzaal," zei Harixeni en dat was het laatste wat ze van hem hoorden.
Vergeleken bij de piramidezaal was de Berenzaal een latrinehuisje. Er stond een vettige tafel en een aantal rechte stoelen. Een pezig manneke met een breed voorhoofd en een dikke neus liet vanuit het dunste mondje in het heelal weten, dat hij Pippin Tenskwatawa heette en dat hij bovendien met 'Verhevene' wilde worden aangesproken. Hij was zo goed als kinloos en compenseerde dat niet met het beetje baard- en snorhaar dat her en der aan hem ontsproot als aan een pootaardappel. Hij legde zijn onevenredig grote handen gedecideerd voor zich op de tafel.

"U gaat mij heel veel vertellen," zei hij toen scherp, iets slissend van tussen zijn korte tanden. Hen recht aankijkend ondervroeg hij hen met een heldere bekwaamheid over hun afkomst, positie en bedoelingen in het gangenlabyrinth. Wat was er voor chirurgie op Tirt toegepast en waartoe dienden Karnk’s amuletten? Ondanks zijn luisterrijke ervaring in de kristalzaal wilde Karnk weinig van zijn wantrouwen naar de priesterstand prijsgeven. Tenskwatawa uitte een duidelijk dreigement: "U kunt net als wij heel oud worden in deze tempel, maar dan onder heel wat minder comfortabele omstandigheden! Rish Tirt verkiest misschien zelfs dat lot. Als de Tempel hem aan Kerko uitlevert, wordt zonder oponthoud de Oceaanplank zijn deel. Dat is geen prettig einde zoals bekend."

"Ha," meesmuilde Karnk. "En wat biedt u dan wel niet allemaal voor onze medewerking?"

"Eeuwig leven," antwoordde het aardpimpelmannetje zonder blikken of blozen.

"Zo. Daar kijk ik van op."

"Dat is geheel terecht. Er wordt u een volstrekte weelde geboden. Van alles. Voor altijd."

"Tja. Wordt ook dat niet saai, geachte Verhevene?"

"Er bereiken ons nooit klachten!"

"En dankbetuigingen? Die krijgt u wèl?"

Pas toen ving de priester iets van Karnk’s ironie op. Hij wierp de enorme kerel tegenover hem een dodende blik toe.

"Goed, goed," verontschuldigde Karnk zich haastig. "Ik wist niet dat u kwaad werd. Maar waarom wilt u ons verhaal horen?"

"De Tempel bestrijdt het Kwaad," zei de aardman stijfjes.

"En wat is er precies kwaad aan het kwaad?" vroeg Karnk dubbelzinnig. Pippin verhief zijn stem: "Het Kwade streeft naar de alleenheerschappij!"

"Is dat niet saai voor het Kwaad?" wou de reus weten. Pippin kreeg een lichte blos van ergernis op zijn verder zonverlaten kopje. Van de vijf wachters waren er drie buiten de verhoorkamer geposteerd. De twee binnen zaten echter geobsedeerd te luisteren naar de ongewone conversatie en hun aandacht hinderde de priester meer en meer. Met een driftige intonatie zei hij: "Het kwaad spreekt in toenemende mate uit uw mond, man van Kartan. U poogt mij belachelijk te maken. Dat plaatst u in de gelederen van het Kwade."

"Wel ja. U zegt het. Maar u probeert mij om te kopen met uw zegenrijke eeuwigheid. Waar plaatst u zichzelf daarmee?"

Net op tijd kwam Tirt tussen beide. Hij had zich de groeiende boosheid èn de macht van de priester gerealiseerd.

"Stelt u ons een bondgenootschap voor, Verhevene?" vroeg hij op verzoenende toon. Tegelijkertijd trapte hij Karnk onder de tafel nadrukkelijk op diens grote voeten.

"Dat valt nog te bezien," gromde Pippin onwillig.

"Luister eens, Sar Verheven," bitste Karnk. "Die Harixeni van jullie heeft mij de goeie vraag gesteld en dan werk ik meteen mee. Bij de verkeerde vragen gaan alleen mijn nekharen overeind staan en mijn handen in de mepstand. Snapt u me?"

De priester keek oprecht verbaasd: "Welke vraag is u dan gesteld?"

"Nou, waarom ik leef. Waarom ik geboren wou worden. En ik heb mezelf per ongeluk nog begrepen ook. Ik doe het om er later om te kunnen lachen. Gek hè? Maar voor mij is het waar. En ik ben die Harixeni d'r nog dankbaar voor. Waar is waar."

"Zo, zo. Zo, zo. Voor u is de humor het allerhoogste?" peinsde het mannetje ernstig.

"Zegt u dat nog eens op diezelfde toon en ik bezeik me hier ter plaatse," grijnsde Karnk. "Bij de kut van de Moeder! Wat een serieuzigheid hier toch allemaal. Ik word er niet goed van. Maar vooruit! U heeft me onbedoeld weer opgevrolijkt, dus laat ik voor de verandering eens meewerken. Krijgen we daarna een reis naar een rustige plek op Capai aangeboden als voorschot op uw eeuwig leven?"

"De Tempel belooft nimmer. Zij beloont slechts naar verdienste."

"Ja ja. Aan de grootste grijphanden en de piepste mondjes zeker?" schamperde Karnk. Hup! Daar ging de emotionele kachel weer op hoog! Pippin en Karnk ergerden elkaar in zulk een extreme, complementaire mate, dat Tirt opnieuw in moest grijpen. Ternauwernood kon hij de woedende priester tot bedaren krijgen. De man was op zijn stoel gaan staan en schreeuwde zo op gelijke hoogte met Karnk hem de ijselijkste bedreigingen toe. Tirt was er van overtuigd dat de kinloze ze zonder mankeren allemaal waar kon maken. Snel pratend begon hij Tenskwatawa te vertellen over hun betrokkenheid bij het welzijn van de koning. Hij legde de tekst van het koningsorakel aan de langzaam kalmerende priester voor en sprak over de vele integere Rishe, die bezwaren hadden tegen de onmenselijke aktiviteiten van de Doodvorsers. Pippin herwon snel zijn behoedzame interesse, zeker toen Tirt ter sprake bracht dat sommige Rishe bovendien het streven naar een gelijkwaardiger positie van de Bindi wilden ondersteunen. Karnk bemoeide zich niet meer met het gesprek en poogde de wachters tot reactie te brengen door het trekken van rare gezichten. Hij was al blij dat het Mengkantoor of het laboratoriumfort niet ter sprake kwamen. Dat was ook Tirts idee.

"En behalve dat hij de ondergang van het Gieshe-ritueel bij de Kendo veroorzaakte, heeft deze reuzenman ook Oerbash tot ingrijpen gebracht," liet hij Pippin weten. Diens aardappelkop kreeg weer een kleur maar nu van opwinding. Hun gezamenlijke wantrouwen naar Oerbash bracht Karnk en de priester weer bijeen. Hij liet zich alle details over de driedaagse reis met de Tat-monnik vertellen.

"Die Tat is een ijdele, jaloerse gek, die zich voorstaat op zijn hypnosekunstjes," snibde Pippin daarna. "Hij heeft een slechte smaak maar laat zich graag goud en glitter door de Rishe aanbieden in ruil voor wat nieuwerwetse Mengt-tovenarij. Ha! Een omhooggevallen koopmanskind dat een koningsspel wil spelen. Maar hij is zeer sluw."

"En hij kan naar believen in het paleis verschijnen, zonder dat Horkans blokkades hem treffen," zei Tirt.

"Ach, Oatreru trekt hem aan en houdt hem bezig, zodat de Tat niet ergens anders grotere schade aan kan richten," informeerde Pippin hen ongevraagd. Hij had ook een verband tussen Oerbash en de Mengt aangegeven, dat noch Tirt noch Karnk was ontgaan. Ze wisselden een snelle blik.

"Vertel mij nu alles over de Halfbak!" sommeerde de priester.

"Waarom wilt u dat weten?" zeurde Karnk, opnieuw op zijn hoede. Voordat er een volgend gevecht zou uitbreken, lepelde Tirt vlot wat ongevaarlijke gegevens op over Gaosar. Handig ontlokte hij Pippin op zijn beurt enkele belangrijke uitspraken.

"Er is een Tempelorakel over een koninklijke gemengdbloedige...," aarzelde Pimpeltje. "Maar als ik het één moet geloven, moet ik ook het andere aannemen."

"Hoe bedoelt u dat, Verhevene?" slijmde Tirt.

"Hij zou de koning wekken, maar zonde bedrijven in het vuur en in het vlees. Zo is het gezegd."

"Verhevene! Maar stellen niet de boeken van de Sterrenheren, dat er maar één zonde is, namelijk de opzettelijke trouweloosheid aan de koning?!"

"Wij zijn voldoende in verwarring gebracht om geen enkel risico meer te nemen. Uw gezelschap is door onze zieners in het paleis gesignaleerd en wij hebben onze eigen middelen aangewend tot nader onderzoek. Ik verwacht dat één van onze maatregelen de Halfbak kortelings binnen ons bereik brengt. Antwoordt u mij nu eens zonder afweren: is u iets over zijn afkomst bekend?"

"Ja," zei Tirt.

"En?" vroeg Pippin. Tirt keek Karnk aan. De reus gaf een fel antwoord: "Zijn vader heeft hem een erfenis beloofd, Pippie. En jullie, noch Oerbash, noch Kerko houden hem daar van af. Reken daar maar op!"

Pippin nam niet eens meer aanstoot aan Karnk’s beledigingen, zo gefascineerd was hij.

"Heeft hij daartoe zelf zijn vader vermoord?" vroeg hij in een opperste nieuwsgierigheid. Er bleef geen twijfel bestaan over het feit, dat hij kennelijk al wist welke vader er bedoeld werd.

"Nee," verdedigde Tirt zijn afwezige vriend. "De slangeval was waarschijnlijk al bij de inrichting van de ruimte genstalleerd."

"Heel triest," knikte de priester. "Hayo heeft zijn oudste Tegenstrever daarmee veel ruimte gegeven. Graag had de Tempel dat anders gezien."

"U beschouwd Kerko als een gevaar voor de Tempel?" verbaasde Tirt zich.

"U bent hier om mijnN vragen te beantwoorden," herinnerde Pippin hen en zichzelf licht geprikkeld. "Was deze Gaosar de man die in Denikens Dageraad gezien werd met de Edele Tayana? Vermomd als een edelman uit Kantmorie? Wij hebben sterke vermoedens. Ontkent u ze?"

"Nee," zei Tirt.

"De zonde in het vuur!" mompelde Pippin met een zeker ontzag.

Karnk voelde zich heel onprettig. `Verloochent Tirt zijn vriendschap voor Gaosar? Hoeveel meer wil hij nog verraden? Of maakt het niets meer uit? Als Gaosar geen geluk heeft, zit hij dadelijk zelf hier. En als hij wel geluk heeft, maakt het ook niet meer uit, wat hier wordt verteld of verzwegen.' Gaosar had inderdaad even pech gehad, maar inmiddels al weer een tijdje geluk...
Met een gevoel van ultieme ontzetting had hij tegen de dichtgeslagen deur geschopt en geslagen. Weer alleen!! De tranen sprongen in zijn ogen. De smerige, verbrande lucht scheen bovendien het demonische karakter van de slang in een onstoffelijke dreiging op hem aan te voeren. Terug naar de grot was daardoor een wel bijzonder onaangenaam alternatief geworden. Met zijn eigen sjaal tegen mond en neus gedrukt deed hij een paar stappen terug. Hij mòest de betekenis van dat buitengewone teken doorgronden. Was dit de hulp van de Moeders, waar Benko over gesproken had? Hij greep de korte paarse sjaal en zag toen meteen dat de stof vastgeknoopt zat aan een brede ijzeren ring. Draaien haalde niets uit maar een ferme ruk er aan deed een kunstig verborgen paneel wegschuiven.

`Alles beter dan die stank' dacht Gaosar en hij stapte naar binnen. Toen hij weer aan de doek trok, gleed het paneel terug. Hij beproefde het mechanisme opnieuw om zeker te zijn van een eventuele vluchtweg terug en tot zijn vreugde werkte het in al die simpelheid. Zijn toorts verlichtte een andere gang. Op zijn hoede ging hij voetje voor voetje vooruit. Er klonk in de verte een flauw gerucht. De vervormer leek tot leven te komen in zijn hand maar voornamelijk omdat hij, ongerust als hij was, steeds in het handvat kneep. De gang splitste zich. Aan de linkerkant verbreedde hij zich aanmerkelijk. Misschien was de rechter een andere vluchtgang naar buiten? Er was niets meer te horen. Zorgvuldig onderzocht hij de wanden, het plafond en de bodem van de bredere gang, voorbereid op valluiken, wurgstroppen en deuren. Zonder Tirts magische kunsten zou hij opnieuw aan de hongerdood ten slachtoffer vallen als hij hier in een gangdeel werd opgesloten. Die gedachte bracht hem onverwacht op het Mengt-demonenoog. Iets van magie had hij tenminste bij zich. Hij pulkte het zakje uit zijn laarsflap en opende het. De bolle lens kon met een band om zijn hoofd vastgezet worden. Enigszins teleurgesteld merkte hij ook nu geen enkele verandering in zijn waarneming op toen hij het voor zijn rechteroog hield. Althans... Zijn linkeroog scheen te knipperen, hoewel hij in het ooglid geen beweging voelde. In een impuls verschoof hij de lens naar zijn linkeroog. In de helft van zijn bewustzijn werd aanvankelijk alles zwart en daarna heel licht. Geschrokken kneep hij beide ogen dicht. Dat hielp. Hij deed eerst zijn rechteroog open. De wereld was er nog. De gang, zijn wapens, de toorts, alles was nog aanwezig. Hij deed zijn rechteroog weer dicht en het linker een pietsje open. Hij had veel erger verwacht dus het beeld van de langharige, wollige kat die voor hem in de gang aarslikkend aan zijn toilet bezig was, ontspande hem redelijk. Behalve dat zijn ademhaling als razend te keer ging natuurlijk en dat zijn knieën als knekelbeenderen tegen elkaar aan kletterden. Hij kneep zijn linkeroog snel weer dicht. Door het andere oog keek hij naar een verlaten gang. Geen kat. Linkeroog. Wel een kat. De kat knipoogde naar hem.

"Wat mot je, joh?" vroeg het dier.

Gaosar nam een lange geestelijke pauze. Hij overwoog een scala aan antwoorden (`Niets' en `Is dit de weg naar het paleis?' of `Wat doe jij hier?' en `Ben ik gek geworden?').

"Is dit de weg naar het paleis?" koos hij.

"Voor iemand die gek geworden is, wel," antwoordde de kat.

"Waar gaat de andere weg heen?"

"Naar de gevangenis van de koning."

"Lieg je me iets voor?"

"Kut!" zei de kat. "Jij hebt me door!"

"Jawel," blufte Gaosar en kneep beide ogen weer dicht. Hij had een rozenveld neergezet met de breedste grondingslijn er aan vast, die hij kon visualiseren. Hij stelde zichzelf voor in een piramide van gouden licht, opstijgend via zijn voeten. Pas toen deed hij zijn beide ogen weer tegelijk open. De kat was er nog, hoewel vager.

"Dat doe je heel mooi," zei de kat. "Vooral dat goud. Heb je ook iets te eten bij je?"

"Misschien," zei Gaosar voorzichtig. "Wat eet je zoal?"

Het antwoord maakte Gaosar niet echt meer bang, hoewel zijn hart als dat van een hardloper begon te bonken en zijn benen van nog slapper rubber werden. Hij overwoog het meest onbevreesde weerwoord.

"Mensenvlees," had de kat gezegd.

"Ik eet graag kat," zei Gaosar met een opgewektheid die niet van hem was en ergens toch weer wel.

"Goed, goed," verontschuldigde de kat zich. "Dat wist ik niet. Dan laten we het gewoon hierbij. Niet?"

"Helemaal niet!" zei Gaosar. "Jij gaat me de weg naar de koning wijzen."

"Vreet je me anders op?"

"Precies!"

"Ah..Aha. Juist. Of lieg je me iets voor?"

"Vanzelfsprekend," gaf Gaosar toe. "Als jij tegen mij liegt, kan ik net zo goed tegen jou liegen. En misschien lieg ik, dat ik tegen je lieg. En vreet ik je dadelijk toch nog op."

"Zulke mensen zijn er veel," overwoog de kat timide en aangeslagen.

"Hou maar op met twijfelen. Wijs me de weg."

"Hoe heet je?" wou de kat weten.

"Gaosar."

"Ah! Heer van de wereld. Mooie naam."

"En wat is de jouwe?"

"Je kan me Solex noemen."

"Wat betekent dat?"

"Iemand die mooi spint, als-t-ie tevreden is."

"Wanneer ben jij tevreden, Solex?"

"Als ik iets te eten krijg."

Gaosar kon een huivering niet onderdrukken maar de afmeting van de kat stelde hem gerust.

"Je bent maar een vrij kleine kat," zei hij.

"Maar ik heb het voordeel dat de meesten me niet kunnen zien," antwoordde Solex met de overtuiging van een succesvol verleden. Gaosar wilde zich daar de bijzonderheden niet bij voorstellen.

"Geloof je in beloftes, Solex?"

"Hangt er van af."

"Jij brengt mij bij de koning en ik beloof jou eten."

"Jij bent een leugenachtig type," monkelde de kat.

"Maar jij hebt hier toch niks beters te doen."

"Als jij die andere deur voor me openmaakt, kan ik slang-saté gaan eten," antwoordde Solex likkebaardend. "Van dat beest kan ik me een maanomgang lang volproppen. Dat is m'n lievelingseten."

"Eet je dat dan vaak?"

"Nog nooit."

"Hoe weet je dat dan?"

"Het lijkt op paling. Daar ben ik ook dol op."

"Juist, ja."

Gaosar overdacht de mogelijkheden grondig.

"Ik zou die deur kunnen openmaken, ja. Maar ik wil zeker zijn van jouw belofte om me te helpen. Want je bent van een onbetrouwbaar soort."

"Ooit een betrouwbare kat ontmoet?"

"Wel eens een betrouwbare hond."

"Hònd! Hond?" vloog Solex ineens op. "Dat is echt het laagste van het laagste. Walgelijk. Hond. Met die gore stinkende kwijlbekken! Schijten en pissen waar ze lopen, zonder er nog naar om te kijken. Rijen zich klaar op alles wat beweegt. Vreten de stront van een andere hond op. Bah! Hònd!"

"Maar wel betrouwbaar!" riep Gaosar tussen het gekrijs door. Solex bedaarde iets. Hij hield zijn kop schuin en de gele ogen vernauwden zich.

"Goed," miauwde hij. "Misschien kunnen we zaken doen."


Dat was nog niet eenvoudig. Solex wou zich eerst gaan volvreten en dan eventueel Gaosar helpen, maar wie ooit een katachtige na een copieus maal gezien heeft, die kan zich niet veel actie meer voorstellen. Uiteindelijk ging Gaosar terug naar de gang en sneed met doodsverachting en voorbij zien aan alle mogelijke frisheidsnormen een flink stuk uit de slang. Solex wachtte hem spinnend op.

"Heerlijk, heerlijk!"

"Nu nog niet," bitste Gaosar. "Eerst jouw deel van de overeenkomst."

Zonder Solex was Gaosar op die weg twee keer doorstoken geweest door een lans, een keer in een valhek met punten gelopen en herhaalde malen verdronken of vergiftigd. En gek gemaakt. Het zichtbare en onzichtbare ging zo vaak in elkaar over dat alleen het demonenoog hem in een overleefbare werkelijkheid hield. Hoewel dat geen feestelijke werkelijkheid was. Soms hielp hij zichzelf uit de beklemmenste momenten door zachtjes blebtaal voor zich uit te murmelen, brabbelwoorden om maar geen gedachten te hoeven hebben. Hij stuurde een dankbeeld naar Oerbash en Mani die hem deze techniek onderwezen hadden. Toen ze door een vierkante zaal liepen, begonnen plotseling de muren te bewegen. Ze leken hem in te sluiten. Hij gaf een schreeuw van schrik en sprong in doodsnood de wegvluchtende kat achterna, die door een klein raam verdween. In de volgende ruimte flitsen in een onregelmatig tempo hakkelende scharnierende panelen uit de wanden, maar een razende koprol bracht hem aan de andere kant in een nis naast de ontspannen kat die hem met toegeknepen gele ogen aankeek.

"Dat deed je heel behendig, man van ver," zei het spookdier. Gaosar was zo in de war dat hij niet kon denken. Een doffe hitte gloeide met golven door zijn ledematen. Sinds het verlies van de polsband had hij zich vaak naakt en onbeschermd gevoeld, volkomen alleen ten opzichte van een onzichtbare overmacht van vijanden.

"Kom ik hier door?" hijgde hij in een tergend besef van afhankelijkheid.

"Hangt van jezelf af," antwoordde de kat, terwijl hij omhoog sprong in de nis naar wat een openklappend plafondluik bleek. Gaosar klom hem na, hoewel een smerige lucht op de vliering hem even kokhalzend deed terugdeinzen. Hij kroop op de tast verder. Alleen het geluid van krassende kattenageltjes leidde hem. Halverwege was er een luik onder hem waar diffuus licht blonk. Een blik omlaag was voldoende om hem met volle kracht vooruit te drijven. Er had een onmenselijk gezicht opgekeken van een onduidelijke werkzaamheid, maar hij voelde zonder woordgebonden besef aan, dat er een onzegbare beestachtigheid bedreven werd. Een schorre kreet achter hem joeg hem op, totdat hij de kat door een tweede plafondluik zag wippen. Hij dook er door en wilde automatisch verder rennen maar Solex hield hem met een scherpe snauw terug. Zwetend en angstig drukte hij zich tegen de achterwand van de nis. Rechts van hem ging een deur open en een groot opgeblazen persoon van onduidelijk geslacht kwam de zaal in. Het wezen droeg een blauwe jurk en veegde met verveelde halen de tegelvloer aan. De platvoeten, de snor en de behaarde handen en onderarmen wezen op een man, de grote borsten en de volle mond op een vrouw. De uitpuilende donkere ogen bleven strak op de tegels gericht. Solex maakte zich zo klein mogelijk in de nis, maar Gaosar haalde zijn vervormer uit zijn schoudertas. Voor het eerst meende hij een gevoel van angst in Solex waar te nemen. Diens oren stonden plat gevouwen af van zijn zwarte kop. De bezem kwam steeds dichterbij. De veger aarzelde zonder het hoofd op te heffen bij de nis. De bolle ogen bewogen niet maar de bezem trilde vlakbij de staart van Solex. Gaosar wachtte niets af. Hij vuurde met de vervormer op de breedste stand en het bovenlijf van de veger schroeide weg met een akelig sissend geluid. Het onderlijf begon echter venijnig met de platvoeten in alle richtingen te lopen en te stampen en de twee losgebrande onmenselijk bezielde handen kropen graaiend de nis in. Er was geen bloed te zien. Gaosar nam een haast nog grotere sprong dan Solex, over de handen heen. In een stinkende gelige plas op de grond kwamen twee witte ballen tot leven, de ogen, die hen op hoge snelheid achterna rolden. Ze sloten direct Solex in, terwijl ze geen aandacht aan Gaosar besteedden. De kat trilde als een espeblad en Gaosar vuurde nogmaals met twee dunne stralen op de ogen totdat ze met een schrille piep open popten. Er ontsnapten twee wezentjes uit, die niet door het vuur gedeerd werden. Solex nam onmiddellijk het initiatief en sloeg zijn klauwen naar hen uit. Zonder uitstel vrat hij beide wezentjes op en zijn gestalte gloeide meteen krachtig op in een onwerelds licht.

"Bedankt," miauwde hij. Gaosar rende al weer verder. De halve veger en de platvoeten achter hen maakten een ijselijk geluid op de stenen vloer. Solex schoot zijn partner voorbij en stopte bij een roodgeverfde deur.

"Hier!"

Gaosar moest al zijn gewicht gebruiken om de zware, massieve deur open te krijgen. De zoveelste gang.

"Deur dicht!" piepte Solex maar die aansporing had zijn gezel niet nodig. De bonkende voeten waren al veel te dichtbij. De oren van de kat gingen weer normaal omhoog staan.

"Nog es bedankt," zei hij hijgend. "Even uitrusten hier."

Gaosar zeeg ineen op de gore lemen vloer van de gang. Er was licht en tegelijk geen licht. Een deel kwam van de kat. Hij keek een tijdje naar het dier. Toen hij zijn hartslag weer een beetje onder controle had, vroeg hij: "Was jij bang, kat?"

"Terecht!" miauwde Solex.

"Kon dat wezen jou dan doden?"

"Ik bèn al dood!" verklaarde de kat heftig.

"Ik snap het niet. Waar ben jij dan bang voor?" verbaasde Gaosar zich.

"Ik kan hier beneden niet weg zonder lichaam."

"O. Juist ja."

"Ik kan alleen van andere halve doden een beetje gewicht krijgen. En van levenden uiteraard."

"Lieden als ik."

"Inderdaad. Maar jij wordt door een Berseng beschermd. Wie jou eet, die sterft een ergere dood. Nee, geef mij maar die slang van jou, dat is het beste."

"O. Juist. Prettig idee."

"Vast!" snauwde Solex. "En dan kom ik hier uit met iets wat op een lichaam lijkt. Daarna laat ik me direct door de eerste de beste, mens of dier, ombrengen. Pas dan kan ik eindelijk weer in een fatsoenlijk omhulsel incarneren."

"Veel succes!" zei Gaosar en hij meende het.

"We zijn er nog niet," zei de kat. Behoedzaam gingen ze verder. Deze gang was anders dan de andere. Gaosar werd zich steeds bewuster van zijn voetstappen, die in een verende kadans waren geraakt. Eerst hadden ze luid en grof geklonken maar na enige tijd scheen het of hij op een klankkast wandelde. Een nagenoeg onhoorbare muziek steeg op onder zijn voeten. Solex liep te spinnen van genoegen.

"Heerlijk, heerlijk," snorde hij tevreden.

"Wie heeft deze gang gemaakt?" vroeg Gaosar toen hij op de wand vreemde tekens zag, die bepaald niet leken op iets van Shir of Bindi.

"Er wonen overal op de wereld volkeren onder de aarde, net zo goed als daarboven," onderwees de kat. "Kijk, daar is één van hun beeldjes."

Verbaasd keek Gaosar in het voorbijgaan naar de aangewezen plaats. Er stond een mensachtig standbeeld opgesteld, klein van stuk met grote handen en lange armen. Eén oog was dichtgeknepen, het andere keek hem hol aan. Die blik stelde hem niet bepaald op zijn gemak.

"Ze komen hier bijna nooit meer," zei Solex. Gaosar’s geest kon helemaal geen ruimte maken voor nieuwsgierigheid die er onder andere omstandigheden misschien wel geweest zou zijn... Hij was zich scherp bewust van de Berseng, die bezwaar leek te maken tegen deze absurde reis. Zijn heiligbeen jeukte verschrikkelijk. Als er een morgen zou zijn, zouden er waarschijnlijk morgen pijnlijke blaren zitten, de prijs voor een doorgaan tegen alle rede in.

Er zou inderdaad weer een ochtend komen, maar deze zwarte nacht was nog lang niet voorbij.

Eenmaal hoorde hij vreemd gerucht in een zijgang. Bekende stemmen? Hij wist het zeker: Karnk en Tirt. Hij was gaan rennen en net toen hij een beeld opving van hun voortstappende gestalten, sprong Solex met venijnige klauwen in zijn rug. Vloekend had hij zich omgedraaid. De kat had zich vastgebeten in de stinkende lap slang die hij in de korte paarse sjaal ontwikkeld had. Blazend en krabbend poogde Solex hem het geheel te ontfutselen.

"Smerig kreng! Wat flik je me nou?" had Gaosar geschreeuwd.

"Mijn recht! Mijn recht!" blies de kat. "Als jij jezelf dood wil hebben, dan wil ik eerst wat je mij beloofd hebt."

Geschokt had Gaosar omgekeken. De gestalten leken nog steeds voort te stappen, maar die beweging was slechts een illusie geweest. Hij keek beter. Er hingen twee geconserveerde lijken in een strop, verhuld in een bedrieglijk magisch licht. Op de aflopende helling bewogen schorpioenen en harige, giftige spinnen. Zijn grote verlangen had hem ongevoelig gemaakt voor de muffe stank van statisch lijkegif, die hij pas toen het al bijna te laat was, ruiken kon. Terugdeinzend uit die mist van verrotting had hij een lekker stukje slang voor Solex afgesneden. De mysterieuze kat had de beloning zonder commentaar opgepeuzeld. Vreemd genoeg werd het dier daarna ook voor Gaosar’s rechteroog vaag zichtbaar.

"Ben jij eigenlijk wel een kat?" vroeg de man.

"Helemaal niet," murmelde Solex onder het eten. Gaosar had niet verder willen vragen. Op een andere plek had Solex hem tot een nog hogere snelheid gemaand. Zelf rende de kat als een hagedis met kleefpootjes over het plafond van de gang. Onderweg zag hij met zijn linkeroog getraliede vensters en hoorde hij heel zacht gekerm en gevloek in onbekende talen. Met zijn rechteroog zag hij deuren, waarachter jonge, zingende vrouwen in sierlijke sluiers bezig schenen met onbenullig huishoudelijk werk, slechts wachtend op een man om tot plezieriger activiteiten over te kunnen gaan. Zijn vertrouwen in de kat was aanzienlijk toegenomen en hij had geen moment zijn looppas vertraagd. Wel had hij zich bezorgd afgevraagd hoe hij ooit z'n weg terug zou moeten vinden. Als dat tenminste ooit zou moeten... Ze hadden zeker vijf, zes splitsingen gepasseerd. Eindelijk had Solex hem dubbele deuren gewezen.

"Verder kan ik niet."

Gaosar legde de rest van het walmende, witte slangevlees op de grond en gretig viel Solex er op aan. Gaosar probeerde de deuren maar ze waren afgesloten. Met de vervormer allerdunst afgesteld brandde hij het slot er uit. Erachter was een klein trapje, dat middels een uitneembaar vloerdeel toegang gaf tot een grote kast die van binnenuit openviel. Op de bodem stonden allemaal laarzen en schoenen. Hij wierp door het sleutelgat een behoedzame blik in een fraaie kamer met beschilderde wanden. Het zag er zeer koninklijk uit. Aan de andere kant glommen twee rode deuren met schitterende houtsnijwerk ingelegd met parelmoer. Hij ging terug naar Solex. De kat werd met iedere hap tastbaarder.

"Je kan teruggaan en die ring proberen. Trekken. Met je voorpoten. Neem mijn sjaal mee en bindt die er om heen. Dan kan je er in gaan hangen bijvoorbeeld."

"Dat heb ik zelf allang allemaal bedacht," miauwde Solex onder het schransen.

"Mooi... Bedankt," zei Gaosar iets van slag. De kat zei niets meer en Gaosar stapte de kast weer in. Maar de kamer was niet leeg meer.
Op haar tenen sloop een meisjesachtige figuur naar de rode deuren. Waar ze vandaan gekomen was, kon hij niet zien. Ze scheen evenals hij op verboden gebied. Haar haar was donkerblond, zwaar krullend omlaag uitwaaierend over haar stevige schouders. Was ze mooi? Toen ze voorbij liep, zag hij haar gezicht. Het was hartvormig door de haarinplant van het haar en de ongebruikelijke breedte van het hoge voorhoofd. De jukbeenderen welfden nadrukkelijk naar buiten onder een matte huid. Haar mond was bleek, een tikje weemoedig maar tegelijk vastberaden. Boven de donkere ogen stonden lange, lichtkleurige wimpers. Haar wenkbrauwen waren fijn en donkerder dan haar hoofdhaar. Was ze mooi? Adembenemend vitaal, dat was ze zeker. De kracht spatte van haar welvende spieren als ze liep. Maar was ze levend? Gaosar voelde een brandende achterdochtige pijn in zijn darmen. Zijn mond werd kurkdroog. Dit zou de nieuwste betovering kunnen zijn en er was geen tijd om te twijfelen noch om risico's te nemen. Hij duwde de linkerkastdeur iets verder open en stak de loop van de vervormer eruit.

"Blijf doodstil staan. Geen beweging."

Zijn krakende stem wrong zich van tussen zijn droge lippen. De jonge vrouw boog haar schoonheid geschrokken zijwaarts naar de kast schuin achter haar, maar Gaosar’s stem kwam scherper nu, nadat hij zijn vrees met wat speeksel had weggeslikt: "Geen beweging! Hoor je me?!"

Zijn mond bleef droog. Het meisje verstarde en het afgrijzen op haar gezicht werd een wit masker, toen ze zijn brandende ogen onder het sluike witte haar ontwaarde.

"Maanheer! Ik behoor u toe maar laat u mij daarna in vrede gaan," fluisterde ze ontzet. "Maanheer, spaart u mij alstublieft. Alstublieft!"

Terwijl Gaosar in opperste verwarring toekeek, hees het meisje haar tuniek op en toonde hem zo een weelderig achterste en een volbegroeide venusheuvel.

"Alstublieft! U moogt me nemen, alstublieft, doet u dàt."

Gaosar gromde zonder woorden te vinden.

`Waar ben ik nu weer in beland?' krijste zijn op hol geslagen geest. Het meisje vatte het geluid in elk geval als een bedreiging op. Ze bracht haar beide handen achterwaarts naar haar billen en trok ze uiteen.

"Maanheer, alstublieft. Neemt u mijn eer in ruil voor mijn vrijheid. Alstublieft. Als u er wat op spuugt, zal het u makkelijk vallen. Ik ben gezond, heer. Ik weet dat u mededogen kent. Alstublieft. Vergeeft u mij. Ik had hier helemaal niet meer moeten zijn. Uw toorn is bekend en uw straffen ook, Maanheer, maar alstublieft, laat mij u op deze wijze vreugde schenken, zodat uw kijkwijze voor één keer verzacht wordt."

Ze ratelde de zinnen er uit in een koortsachtige nervositeit. Ze was uit angst overvloedig gaan zweten en haar roodpaarse tuniekjurk raakte steeds meer doorweekt. Haar borsten begonnen zich er steeds duidelijker in af te steken. Gaosar hield nog steeds de vervormer vooruitgestoken uit de kast, maar hij merkte een toenemend beven van zijn hand op. Golven adrenaline joegen door zijn ingewanden. Als dit een illusie van de paleistovenaars was, dan was het een zeer levensechte. Het zou zelfs de vraag zijn wat de vervormer zou uitrichten tegen zulk mogelijk maar tijdelijk bezield plasma. Hij keek onwillekeurig naar de ronde, rode opening, die hem zo beangst maar bereidwillig werd voorgehouden.

`Ik ben al zo krankzinnig dat niets me meer kan schelen', dacht hij. `Ik loop al weken rond op deze helse eilanden met een plan dat geen plan is. En met een leven dat zo goed als niets waard is. Geslachtelijk zijn, hier nu? Met haar? Zo, temidden van de dood, die uit iedere deur tevoorschijn komen kan? Ze moet net zo wanhopig zijn als ik. Ze heeft een schuldig geweten als ze echt een mens is. Maar ik ben zeker helemaal gek, dat staat vast. Ik ben zo bang dat ik gewoonweg wel iets ongerijmds moet doen. Zoals... ja zoals dit. Ik laat het krankzinnige toe om mijn eigen vertrouwen te testen. Als ik dit overleef, dan kan ik hier misschien later om lachen.'

"Beweeg je langzaam achteruit en kom bij me hier in deze kast," beval hij met trillende stem. Het meisje deed gedwee wat hij haar vroeg.

"Stop!" zei hij toen ze vlak bij hem was. Hij kon een lichte urinegeur ruiken en haar angstzweet. Met zijn linkerhand had hij zijn tuniek geopend, verrast door zijn eigen opgewondenheid. Zijn lid was al overvloedig nat van het voorvocht.

`Twee krankzinnigen! Wij zijn hier beiden met duistere bedoelingen. De ene dief besteelt de andere!' dacht hij. Toen gleed zijn geslachtsorgaan achterlangs in haar terwijl ze nog steeds licht voorovergebogen stond. Met een onderdrukte kreet greep ze zich vast aan de houten panelen in de kast.

"O, dank u wel voor uw genade," zei ze met bibberende stem, terwijl Gaosar met langzame bewegingen in en uit haar schede gleed.

"Wees doodstil," gebood hij zonder een ogenblik zijn ogen van de nauwelijks verlichte kamer af te houden. De vervormer bleef naar de rode deuren wijzen. Hij schoof de demonenbril op zijn voorhoofd maar het beeld op zijn netvlies veranderde niet noemenswaardig. Welke werkelijkheid was echt? Er gingen korte rillingen door het meisjeslijf naarmate de steelse copulatie langer duurde. De temperatuur van zijn lijf en van zijn geest liep op.

`Dit is zo te van alles. Te gek, te gevaarlijk, te schandelijk. We zijn allebei waanzinnig om dit te doen. Maar het is ook heerlijk!'

Ze zeiden geen van beiden een woord, zwetend als otters in de benauwde kast. Gaosar had zijn linkerhand onder haar natte oksel door gestoken, tastend naar haar kleine, maar goed ontwikkelde tepels. Die had zeker kinderen gezoogd. Mooie, ronde borsten. Verraadden zijn vingers hem door hun tederheid? Of gebeurde er iets anders? Ineens slaakte het meisje twee maal een diepe zucht en leek op slag tot bezinning te komen. Zo mogelijk nog erger geschrokken keek ze om naar de man achter haar, pogend om een gezicht te onderscheiden in het halfduister.

"Wie bent ù? In naam van alle Goden van de Shir en de Bindi, wie bent u? U bent heer Oerbash niet!"

"Wees stil. Anders ontlaad ik me direct!" snauwde haar bizarre minnaar. Het uitspreken van deze woorden gaf echter zo'n extra impuls aan het gebeuren dat het al zover was, voor Gaosar iets kon tegenhouden. Het meisje ging in een verbijsterde ruk rechtopstaan en Gaosar’s zaad spoot in vier, vijf krampachtige stralen achter het zich van hem verwijderende lichaam aan. Haar billen en de achterkant van haar dijen dropen van het sperma, de laatste klodders smakten op de grond. Op de schoenen en de laarzen. Even dacht hij dat ze zou gaan gillen. Maar dat deed ze niet. Ze keek naar de bodem van de kast en plotseling begon ze te giechelen! Eerst nog zachtjes maar toen scheen er een ontembare kracht in haar los te barsten. Goddelijk geschater, gierend, brullend, klaterende watervallen van haar vreugde en vermaaktheid, uitstijgend boven alle nervositeit. Haar ongerijmde geamuseerdheid werkte zo aanstekelijk dat Gaosar hoewel onwennig en in verlegenheid gebracht, toch niet anders kon dan meelachen. Ze kakellachte een paar woorden, die haar gejoel nog erger stimuleerden.

"Oatreru's dure schoenen bespat!" piepte ze en die gedachte scheen zo onweerstaanbaar grappig dat ze geen enkele voorzichtigheid meer in acht kon nemen. Ze viel half de kast uit, op haar knieën op de grond in een onstuitbaar proces van gelach. `Die lacht zich nog dood!' dacht Gaosar eventjes ongerust maar hij zelf was er niet veel beter aan toe. Haar geschater was aanstekelijk, besmettelijk en oneindig ontspannend. Gaosar verloor eindelijk zijn controle en gierde het uit. Ook de gedachte aan binnenstormende soldaten van Horkans garde kon hem niet meer bij zinnen brengen. En toen generaal Horkan zelf binnenkwam, hield hij evenmin op, want voor alles is een tijd en het was nu eenmaal even tijd om te lachen.




Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina