De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina30/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 29 De leeuwekuil.



(...)

  • In jou is vooral een vatbaarheid voor heilloos leven belichaamd.

  • Onder meer dan.

  • Ja.

  • U heeft altijd een passie voor tegendelen gehad.

  • Dat is waar.

  • Dus ik zou ook ergens een heilzame functie moeten hebben. Volgens u tenminste.

  • Zeker.

  • En?

  • Laat me eens verbaasd staan.

"Wat moet er nu met dit ventje gebeuren?" vroeg Karnk op de jonge Paizifume wijzend. De aangesprokene liet zich echter niet meer bang maken.

"Dat moet de Hoogedele maar uitmaken. Hij heeft me gevraagd of ik wil leven en dat wil ik," verklaarde Paizifume rustig.

"Hij heeft zich zelf in een eervol nieuw evenwicht gebracht," zei Gaosar voorzichtig. "En de gelegenheid om me te verraden voorbij laten gaan."

"Ja, omdat-ie niet meer terug kan," knorde Karnk. "Hee ventje, je hebt zeker wel begrepen dat Kerko je onderdeel voor onderdeel sloopt, als hij vermoedt dat je iets met Gaosar of ons te maken hebt gehad?"

"U kunt me slurf noemen of Paizifume," zei het ventje dapper. "Dat ben ik tenminste gewend. Ventje klinkt niet plezierig."

Naast de reus leek hij nog nietiger.

"Ik sta paf," zei Karnk.

"Hij is heel leuk" zei Sugatha.

"Dank u wel, Vrouwe," antwoordde Paizifume en hij boog kort. Sugatha boog terug.

"En hij is beleefd!"

"Vraag hem om een belofte," adviseerde Tirt. Gaosar en Paizifume keken elkaar aan.

"Ik heb je twee maal kunnen doden," stelde Gaosar vast.

"Dat weet ik, Hoogedele."

"Ik ga je nu niet meer wegsturen om je door een ander te laten doodmaken."

Paizifume zei niets terug.

"En ik hou niet van de beloften van de Shir. Dit zijn mijn vrienden. Allemaal. Dat heb je begrepen."

"Jawel, Hoogedele."

"Vriendschappen worden beproefd. Sommige sneuvelden dan en andere niet. Voel je er wat voor om mijn vriendschap te beproeven?"

"Dat kan ik niet, Hoogedele," stotterde Paizifume. "Ik ben niet aan u gelijk. Ik wil u dienen als u me dat toestaat."

Door Gaosar’s ogen keek een oude, grijze leraar naar een jonge, ambitieuze leerling die nog een lange weg te gaan had. Toen het visioen verdwenen was, knikte Gaosar.

"Jij kiest voor de vorm die je kent. Goed. Maar dan dien je ook mijn vrienden. Allemaal."

"Deze reuzenman is uw vriend, Hoogedele?" vroeg Paizifume met een bedenkelijk gezicht. De pijn in zijn gescheurde oor moest hem veel hinder geven.

"Hij heeft mij pas kort geleden ontmoet, slurfje," jende Karnk maar Paizifume gaf hem lik op stuk: "Dat pleit voor hem!"

"Ik geloof dat we een waardige vriend binnengehaald hebben," concludeerde Tirt. Hij draaide zich half om naar Ishti, die met zijn Tekenduidersdoos in de weer was: "Ishti?"

"Paizifume is een eerbare naam," antwoordde de oudere man. "Hij zal ons geen oneer brengen in de tijd die hij nog te gaan heeft."

Gaosar hoorde er een subtiele ondertoon in en hij probeerde Ishti's blik te vangen. Daar was het echter te donker voor. Paizifume had een diepe buiging voor de Tekenduider gemaakt.

"Ik weet wie u bent, heer Grootstreper. Ik had u eerst niet herkend."

"Kleine wereld," merkte Karnk op.

"Ook kleine mensen hebben recht op hun eigen kleine wereld," zei Paizifume vinnig. Gaosar begon te lachen.

"Welkom, vriend Paizifume. Je vriend Karnk waardeert als geen ander het goede gesprek en jullie kunnen veel aan elkaar hebben."

Karnk grijnsde vol: "Vooruit maar. 't Werd al een beetje saai hier met Siri alleen maar ijlend in die hangmat."

"Er is een kans dat Siri morgen wat beter is," stelde Ishti vast. "Maar Gaosar moet nu beslist slapen gaan, anders is hij morgen zeker ziek." Iedereen zocht een slaapplaats op. Gaosar hield Paizifume tegen.

"Haal je wapengordel maar uit mijn tas. En je kan Viano's vuurblaaspijp voortaan gebruiken. En slaap lekker."

Paizifume maakte een slaapplaats voor Gaosar klaar en legde zich toen naast hem neer. Zijn aanvankelijke trouw aan het Overzichterskamp was even gemakkelijk omgeslagen in een wantrouwende voorzichtigheid naar zijn voormalige werkgever en een enorme loyaliteit naar zijn nieuwe. Hoewel er een kanzei in de grot verzeild geraakt, een krekelsoort die tsirpt als een gemartelde vogel die men veer na veer uittrekt, hoorde Gaosar niets meer, vanaf het moment dat zijn hoofd het kussen raakte. Hij viel als een blok in slaap ondanks de hinderlijke muggen en vele geluiden om hem heen. Het onophoudelijke gebulk van parende padden ging geheel aan hem voorbij evenals het geschreeuw van de nerveuze Overzichters in het gefrustreerde kordon. Ook sloeg er middenin de nacht tot noodlot van alle lichte slapers een gefrustreerde haan aan het kukelen, direct door al zijn kranige concurrenten gevolgd.

Tirt, Sugatha en Karnk wisselden elkaar in de wacht bij de ingang van de grot af, maar ook Paizifume bleek slechts te sluimeren in een uiterst waakzame slagveldslaap. Toen namelijk in de heel vroege ochtend achter in de grot de geheime deur openging, zat hij direct overeind met de vuurblaaspijp gericht op de man die binnenkwam. Gelukkig was het Generaal Horkan Iten en gelukkig herkenden Tirt en Paizifume de generaal aan zijn stem toen hij "Wakker worden!" riep. Bijna had Paizifume toch gevuurd. Op andere plaatsen in andere tijden hadden te waakzame lieden tot hun bitterste spijt ongewild het leven verkort van zulke slordig vermeende vijanden die te laat dode vrienden bleken. Maar gelukkig ging het toen en daar goed. Want Koning Oatreru had zijn generaal nog een tijdje hard nodig.


Een lang vermoeden werd bevestigd. De geheime deur in de grot stond via onderaardse tunnels niet alleen in verbinding met de villa van de familie Iten, maar ook met het koninklijk paleis. Achter Generaal Stormvogel aan kwamen vijf van zijn lijfwachten. Siri's grootvader schetste een bepaald explosieve conflictsituatie. Waarschijnlijk in opdracht van Kerko hadden onbekend gebleven bandieten de vorige avond een bloedige poging gedaan om één van zijn zoons te gijzelen, een oom van Siri. Bij de aanslag had zich echter manmoedig een lijfwacht opgeofferd om zijn heer te beschermen. Verscheidene andere lijfwachten waren zwaar gewond geraakt, maar men had de bandieten met achterlating van twee doden kunnen afweren. Horkan stond er op om de nog steeds zeer zieke Siri in zijn zwaar beveiligde kwartier in het paleis onder te brengen. Sugatha wilde beslist bij haar nicht blijven en vanwege de bloedband stond Horkan dat toe. Tussen haar en Tirt vond een geladen gefluister plaats. Tirt hief de handen herhaalde malen ten hemel en Ishti stond troostend met een arm om hem heen. Karnk poogde Generaal Horkan van iets te overtuigen, waarschijnlijk van de noodzaak van zijn bezoek aan de koning, zoals het Orakel had gewild. Horkan wuifde met de hand op zijn Vervormerholster alle argumenten weg. Hij had al teveel werelds onheil aan zijn hoofd om er nog spirituele missies bij te willen. Gaosar was zo uitgeput dat de diverse emotionele gesprekken zo goed als aan hen voorbij gingen. Pas toen Horkans lijfwachten Siri met hangmat en al de gang in wilden dragen, kwam hij min of meer tot zijn positieven. Hij wankelde op onvaste benen naar haar toe, maar zijn protest werd direct gesmoord. Eén van de lijfwachten zette hem de loop van zijn vervormer tegen het hoofd.

"Achteruit!" beval de man.

"Ik wil met haar mee...," stamelde Gaosar. "Ik moet haar beschermen."

"Dat doen wij wel voor je, ouwe!" snauwde de lijfwacht. Paizifume stond diep ademend naast Gaosar. Hij kuchte schor en bracht er met geknepen stem uit: "Hoogedele, als u niet mag... Ik kan haar misschien vergezellen."

Vanuit de gang gromde Horkan ongeduldig: "Opschieten!"

Gaosar keek met een wanhopige blik naar de kreunende Siri, die even haar ogen opsloeg. Het was een brug, maar die zou niet in dit leven gebruikt kunnen worden. Paizifume was hun getuige. De kleine man nam een vergaande beslissing. Hij verhief zijn stem tot die zelfs oversloeg: "Vaderheer, ik beroep mij op mijn bloedband! Laat mij met u mee komen!"

Verrast kwam Horkan terug: "Wat is hier nou aan de hand?"

"Ik ben uit het geslacht Harteng, Vaderheer. Harteng Paizifume. En ik ben uw kleindochter toegewijd met een belofte van trouw."

Horkan had zijn formidabele generaalsreputatie opgebouwd door vele goede, snelle beslissingen.

"Schiet op dan, slurf!" gromde hij. Paizifume incasseerde het scheldwoord als een gouden eremedaille en boog blozend van dankbaarheid. Hij graaide zijn spullen bijeen en boog ondertussen ook diep voor Gaosar.

"Ik zorg voor haar met mijn leven, Hoogedele," beloofde hij en weg was hij, achter Horkans lijfwachten aan. Paizifume zou zich in ieder geval nooit meer door iemand laten slaan. Zijn drift had een kanaal gevonden waar geen autoriteit hem meer in vernederen kon. En zoals Gaosar hem beschermd had, zo zou hij Siri beschermen. Met zijn leven... Aan die belofte zou de kleine soldaat worden gehouden, wist Gaosar op dat moment. Ishti voorvoelde iets dergelijks.

"Hij is middels zijn moeder verwant aan de familie Horkan," legde de Tekenduider uit. "En zijn zuiverheid van hart en zijn dapperheid is hard nodig daar."

"Onze groep schijnt zich op wonderlijke wijze uit te breiden," antwoordde Gaosar.

"Ons getal wordt even hard verminderd," corrigeerde Tirt nerveus. Hij had het duidelijk nog steeds heel moeilijk met het vertrek van Sugatha. Ishti troostte hem: "Ze is daar veiliger dan hier."

"Dat weet ik wel," gaf Tirt toe. "Maar ik moest ook aan Benko denken." Geschokt keek Gaosar op.

"Ishti voorziet Benko's dood, hoewel niet heel snel," vervolgde Tirt. "Het Huis van Oorlog achtervolgt zijn bark met een oorlogsschip om de Oude Bindi-Moeders te doden voor ze Capai kunnen bereiken. Dat zal ze echter niet lukken volgens de tekens. De Moeders worden door Kerko als de aanstichtsters van alle onrust beschouwd."

"Diezelfde Moeders hebben aan Benko de dood van de broeders voorspeld," herinnerde Gaosar zich ongerust. "Ate en Ushtar dood. Voorspelden ze de dood van iedereen die aan de missie naar Pirtiland heeft deelgenomen?"

"Die toekomst werd gewijzigd toen Tipo en Nisha elkaar vonden," zei Ishti. "Ze waren beiden voor de dood voorbestemd en ze hebben een nieuw leven gekregen."

"Zo voel ik me ook, 's morgens vroeg," zei Karnk.

"Terecht," stelde Ishti zonder om zijn humor te lachen. Er viel maar weinig licht de grot in en zijn gezicht was niet goed te onderscheiden. Gaosar ving echter weer een ongewone gelaatsuitdrukking op, die hij niet goed kon duiden. "Je voorspelt meer doden, nietwaar Tekenduider?" vroeg hij. "Paizifume?"

"Onder andere."

Ishti's stem klonk zo vreemd dat Gaosar alleen maar ongeruster werd. "Toch ook Tipo?"

"Nee. Maar de Moeders zullen Benko slachtofferen om zichzelf te redden," zei Ishti kalmerend. Zijn intonatie was minstens misleidend.

"Jij weet nog veel meer...," zei Tirt.

"Natuurlijk. Ik denk zelf ook niet heel oud te worden."

De tengere gestalte leek welhaast nog kleiner te worden dan hij al was. De drie anderen keken hem aan met een voorvoelen van grote spijt en leegte. Toch wist Gaosar op dat moment, dat Ishti ondanks de waarheid van die voorspelling over zichzelf niettemin de aandacht afleidde van andere feiten. Andere doden...? `Hoe dicht ben ik bij de mijne?' dacht hij ongelukkig. Darmkrampen overvielen hem en hij haastte zich uit het bibberige groepje weg om zich te ontlasten. Dat viel hem nog niet mee. Prangende keutel na keutel moest hij uit zijn harde lijf persen, de ene zware gedachte na de andere kwam er voor in de plaats in zijn hoofd.

"Nou ja, voorlopig leef ik nog," mompelde hij tegen zichzelf tijdens die onplezierige hurkzit. "En 't had erger kunnen zijn... Dood bijvoorbeeld. Verhongerd, gemarteld door een zooitje suikerrietboeren of verzopen in zee."

Maar het was niet de dood zelf waar hij zich zorgen over maakte. Het was de angst voor de wijze waarop. De dagen van honger en dorst tijdens en na zijn ontvoering hadden hem met onderbewuste vragen over schuld en boete opgezadeld, waar zijn geest nog lang geen orde in had. Hij had zich geen moment ongemakkelijk gevoeld over het vermoorden van Twarth en Tayana in het Mengkantoor. Evenmin had hij enig schuldgevoel over het ombrengen van Eichhor. Nadat zijn vader in de slangeval was gestorven, had hij zich partij gemaakt in een oorlog en een definitieve keus gemaakt. De vijand was duidelijk geweest. In deze strijd werd hij echter met zulk onbekend en mysterieus geweld en strijdmiddelen geconfronteerd, dat hij ook in zichzelf wel onvermoede vrezen en pijnen ontdekken moest. Hij herinnerde zich de diepe vreugde bij het gebruik van de vervormer tegen Twarth. `Natuurlijk! Als je zo'n wapen opneemt, dan wil je het testen ook. Maar er blijft verschil in een boogschot om een vette eend neer te halen en het doden van een mens...'

Gaosar’s piekervermogen nam de bekende hoge vlucht. `Iedereen krijgt wat hij nodig heeft,' woorden van Ferirkerie. `Er bestaan geen slachtoffers', een gelijksoortige uitspraak van Oerbash. Maar ondertussen... Lotharixeni had hem geen direct kwaad gedaan, hoewel de Overzichter een verre van prettig karakter getoond had. Toch. Toch... Een schroeiende plek van schuld pijnigde zijn ziel, onuitrookbaar loerend vanuit een duister hol. `De doden kleven aan de levenden tot de boete de schuld delgt.' Dat werd soms op Capai gezegd. Hij voelde opnieuw een zeurderige hoofdpijn opkomen. `Zo maak ik me zelf weer ziek,' realiseerde hij zich. `Ik gun mezelf gewoon geen pauze om echt uit te rusten. Steeds vlucht mijn rusteloze geest in eeuwige herhalingen van dezelfde patronen. En het ergste is, dat ik dit wat ik nu denk, al zo vaak heb gedacht.'

"Je doet er lang over," riep Karnk. Hij stond naast de kunstig gecamoufleerde luchtwagen die precies onder het afhangende plafond van de grotingang paste. Het ochtendlicht, dat naar binnen viel door het groene filter van de hoge bamboe, zette een roodgouden glans in zijn naar alle kanten uitstekende haar. Hij zag er ongewassen, moe en tegelijk verlangend uit. Gaosar verliet zijn meditatieve oefening en veegde zijn aars met een platte steen af. Toen hij opstond, zakte het bloed weg uit zijn hoofd. Wankelend deed hij twee drie stappen naar Karnk toe.

"Ik moet echt nog een tijdje doorslapen," verklaarde hij timide.

"Dat doe ik hier al dagen," mopperde Karnk. "Ik slaap om niet te piekeren en als ik slaap droom ik allerafschuwelijkst. Wij allemaal hier. Behalve Ishti misschien. We hebben op jou gewacht en nu je er bent, wil ik iets. Iemand slaan, iets in de brand steken, een ezel verkrachten. Iets! Snap je me?!"

"Ik snap alles," zei Gaosar, "maar ik moet nu slapen."

Hij kroop in de hangmat en weg was-t-ie weer, verloren als een afdrijvende drenkeling in volle zee.


Hij werd wakker van het gejoel van een groepje grijze apen en van kraaiende en kwetterende groene kortstaartpapegaaien, die in grote zwermen boven de boomtoppen op de heuvelhelling vlogen. De zon was op zijn hoogtepunt. Naast Karnk stond een wijnkruik. Een lege lag omgevallen op de grond. Gaosar’s drie makkers zaten maïskoeken te eten en gedroogde banaanpasta. Hij realiseerde zich dat ze waarschijnlijk al die dagen geen vuur hadden durven maken uit angst voor ontdekking van de rook. Ze zaten in een ernstig, stollingszwaar gesprek maar hij kon hen niet verstaan. Direct buiten de grot waren twee geelbruine kuifpapegaaien aan een competitie van gierend en zagend gesnor bezig, dat alle ander geluid overstemde. Gaosar werd zich er van bewust, dat er tijdens zijn lange slaap ergens in zijn innerlijk vrede gesloten was. `Ik ben uit de dode hoek, weg uit de lijdzaamheid in elk geval,' voelde hij. `Tijd voor iets nieuws. Voor dat iets van Karnk.'

"Goeiemiddag samen," groette hij geeuwend. Karnk zei zonder om te kijken tegen de twee anderen: "Welk een mooie gedachten aan dierbare dingen zaten wij net te hebben. Wordt dat gore ding daar weer wakker."

"Jullie worden lui, suf en dik hier," grijnsde Gaosar. "Dat zit maar doorlopend aan de verfrissinkjes. Je krijgt slappe dijen als gekookte vis van het zitten, Karnk!"

"Precies! Precies! Mijn idee! Ik ben bek af van het drinken, jongen. Heb je inmiddels een nuttige droom gehad over hoe we dat zooitje hier moeten aanpakken?"

De gezichten van de mannen klaarden op als na een wolkbreuk. Ze voelden haarfijn de veranderde energie aan. Karnk trapte een vingerlange kakkerlak dood met voelbaar genoegen.

"Zo, dat is één. Wat gaan we doen, Gaosar?"

"We gaan gewoon de koning opzoeken. Het paleis in."

Hij zei het op zo'n vanzelfsprekende toon dat het vertrouwen in het idee plots met de woorden mee kwam.

"Kijk, Oerbash is dood of bijna dood. Maar hij heeft me een bruikbare erfenis overgeleverd. Ik heb hem horen zeggen: `Als je het leven als strijd ziet, dan krijg je strijd.' Ik ga dat eens omdraaien. Ik ga er vanuit dat ik medewerking van magische krachten krijg, als ik mijn positieve vertrouwen toon."

"Hè ja, onvermoeibaar onzelfzuchtig zijn die demonen, dat is bekend," schamperde Karnk onwillig. Hij had waarschijnlijk op heel andere oplossingen gehoopt. Gaosar liet zich niet van zijn idee afbrengen.

"Ik ga in ieder geval die gang in. Ons doel ligt daar ergens. En ik verwacht steun van de Bindi-Moeders."

Ishti knikte bedachtzaam en op Tirts voorhoofd ontspanden zich dikke piekerrimpels. Karnk was echter niet gemakkelijk te overtuigen.

"De omvang van Gaosar’s geestelijke problemen tart elk giswerk! Wat dacht je nou? Die Horkan heeft zo'n vijftig Rishe een vol jaar aan de magische bescherming van dat paleis laten werken. Hij is de enige die weet hoe er mee om te gaan. Jij bent echt gek!"

"Ik ga het toch doen," stelde Gaosar resoluut. "Ik bied een wapenstilstand aan omdat mijn doel vrede is. Heel simpel. Als Horkan de koning wil beschermen, dan moet diezelfde magie mijn vreedzame bedoelingen kunnen herkennen."

"Vaak is dat zo," interrumpeerde Tirt. "Soms ook niet. Er zijn krachten die geen onderscheid maken tussen wat wij als goed en kwaad zien."

"Misschien moeten wij onze visie daarop ook eens bijstellen," suggereerde Ishti. "Wat tijdelijk als kwaad verschijnt, kan later veel goeds aandragen."

"Zoals al dat gedoe van die Oerbash zeker?" smaalde Karnk. Ondertussen maakte hij de wijnkruik leeg. Ishti maakte een gebaar met zijn handen als van `Wie weet?' en Karnk stond brommend op om een nieuwe kruik te halen. Een klein geel vlindertje was door het groengordijn de schemerige grot in gevlogen en warrelde in elliptische cirkels om zijn hoofd.

"Kom op! Laat die kruik maar staan, Karnk!" drong Gaosar aan. "Ik wil een poging wagen. Langer wachten en nadenken leidt alleen tot dronkenschap en zelfbeklag. Wat denk jij Tirt? Krijgen wij die deur open?"

"Deze wel," zei Tirt. "Mijn magische vaardigheden zijn tamelijk breed."

Hij voegde de daad bij het woord en inderdaad week de deur snel terug.

"Ik was heel oplettend toen Horkan hem sloot," verklaarde Tirt. Karnk deed al zijn bezittingen aan en om.

"Het schijnt zo te moeten wezen, maar ik zie mezelf hier nog niet terug komen."

Dat idee hadden ze allevier. Wat overbodig was, lieten ze achter. Gaosar’s lange Tai-speer bijvoorbeeld. Hij nam met een onbestemd raar gevoel afscheid van het vertrouwde wapen, dat hem lang gediend had. De veranderingen in zijn leven waren zo ingrijpend geweest, dat hij het nog nauwelijks op een rij kon zetten. `Ik ben bijna een hele maanomgang op de eilanden. Vier kwartieren en ik ben in zo goed als niets meer de jager van Capai die overvoer met een boot in Litkaka. Toch ben ik op een bepaalde manier binnenin nog steeds de zelfde nieuwsgierige jongen van vroeger, die een onbekende vallei onderzoekt. Alleen zijn de valleien steeds gevaarlijker geworden...'

"Gaan we?" vroeg hij. Ze gingen. Tirt voorop, Gaosar achter hem, dan Ishti en Karnk achteraan met een toorts. Ze hadden allemaal twee extra toortsen meegenomen, proviand en waterbuidels. Karnk had een waterbuidel leeg gemaakt en er wijn ingegoten.

"Kan ik zo'n demon misschien mee omkopen," motiveerde hij.

"De meesten hebben geen mond," zei Tirt.

"Ik gelukkig wel," beweerde Karnk al weer een stuk opgewekter.

"Een hele grote," vulde Ishti aan.

"Maar toen Siri ziek werd, heb je je netjes ingehouden."

"Ach, wat heet ingehouden? Die onbeklimbare fatsoenlijkheid van haar was alleen nog maar uit te houden zolang ze tenminste met me praten wou. Ik werd op slag serieus toen ook dat nog wegviel."

"Je hebt een zware tijd achter de rug," zei Tirt ironisch, z'n hoofd schuin opzij buigend om Karnk commentaar te bieden. Op dat moment ging er achter hun een luik in het plafond open, dat ze in het voorbijgaan niet opgemerkt hadden. Er kwam een monsterachtig lange gifslang uit de opening glijden. Als één man gaven ze een schreeuw en zetten het op een rennen. Het dier was vrij langzaam in de gang, doordat het geen zijwaartse slingeringen kon maken en ze vergrootten de afstand tussen hen en het ondier gelukkig zienderogen. Een veilig gevoel gaf dat desalniettemin geen moment. Twee maal renden ze andere deuren voorbij. Kennelijk boden die nog weer andere onbekende routes, maar ze durfden geen halt te houden voor nader onderzoek. Op een zeker moment schreeuwde Gaosar dat ze moesten stoppen.

"Ik ga terug om te zien of ik het dier kan doden met de vervormer. Wacht hier!"

Zonder discussie af te wachten wurmde hij zich langs Ishti en Karnk en rende terug, toorts in de ene en vervormer in de andere hand, een allerscherpst en alert rozenveld om hem heen. De slang stierf inderdaad in de vuurbaaierd, maar daarna werd de op Gaosar toewaaiende stank van het verkolende vlees zo afgrijselijk, dat hij voor z'n leven terug moest rennen. De anderen spurten kuchend en zwetend voor hem uit. Hij hoorde aan het ritme van hun voetstappen, dat ze ineens hun pas nog extra versnelden. Vooruit turend zag hij, wat zij gezien hadden. Een eind verderop viel van boven een soort diffuus licht in de gang middels de een of andere lichtkoker. Hij gooide er ook een schepje bovenop, zich bewust van de ijzeren greep waarmee hij de vervormer vasthield. `Ik hou niet van dit soort verrassingen,' dacht hij, maar er stonden hem er nog heel wat te wachten.

In het halflicht viel hem plots een kleurig iets in een kleine nis op. Paars en wit?! Impulsief deed hij een vlugge pas terug. Zijn mond viel wijd open van verbazing. Het was onmiskenbaar een sjaal uit Bessishai! Hier? En waarom was Ishsti er aan voorbij gelopen? Hij aarzelde of hij zijn makkers terug zou roepen. De slangestank was nog steeds meer dan smerig. Hij zag hoe de haastige silhouetten van de drie anderen voorbij een lichte vernauwing in de gang renden, de lichtere plek in. Iets voelde opeens niet goed. Was dat alleen maar een vernauwing? Gealarmeerd begon hij te sprinten. Hij zag pas wat het werkelijk was, toen hij er vlakbij was. Een deur. Een dikke deur. En die deur viel dicht.

Gaosar schreeuwde van ontzetting toen hij van de anderen gescheiden werd. Weer!! Voor Tirt, Karnk en Ishsti was de schok niet kleiner en daar zouden er nog vele op gaan volgen. Aan de andere kant van de ruimte knalde ineens een tweede onverwachte deur dicht. Ze brulden hun ontgoocheling uit, maar ze konden zo goed als niets van Gaosar horen. Wat ze hoorden, bewees dat hij in elk geval nog in leven was. Karnk had het eerst zijn zelfbeheersing terug.

"Het schijnt zo te moeten zijn," gromde hij. "Goed! Dit is het dan! Gaosar heeft z'n verstand, z'n vervormer en zijn mazzel. Hij gaat voor zichzelf en wij kunnen ook niet anders. Wat kan de bedoeling zijn van deze kwelplek?"

Die vraag werd direct beantwoord. De vloer begon onder hun voeten angstwekkend te trillen en daarna zakte hij in een snel tempo omlaag. Hun afgrijzen was niet te beschrijven. Het meest afschuwelijk was het besef, dat er geen weg terug meer openstond. De akelige lift stopte en er klonk een onaangenaam schraapgeluid. Toen scharnierde er een poortdeur open, die een lange, omhooglopende tunnel had afgesloten. Aan het eind ervan was meer licht. En buitenlucht?

"Ze willen ons naar buiten hebben," mompelde Tirt nerveus.

"Ja, hèhè, we zijn d'r net in,' snauwde Karnk met een niet te verbergen ongerustheid in z'n stem. "Voorlopig ga ik die deur weer lekker dicht doen."

Hij liep naar de poortdeur en begon er met al zijn reuzenkracht aan te rukken. Ineens ging zijn stem omhoog: "Help me! Klootverspiesd! Gauw, gauw!"

Tirt en Ishsti vlogen op hem af en meteen ontwaarden ze in de verte de bron van zijn angst. Langs de hellende gang kwamen twee gelige lijven naar beneden geslopen, die een onplezierig bekende lucht met zich mee brachten. Leeuwen. Twee volwassen vrouwtjesdieren, mager, zeer op hun hoede, maar ook heel hongerig. De mannen rukten als bezetenen aan de houten deur, maar die werd doelmatig boven en onder door twee in de muur verdwijnende kettingen geblokkeerd. Voor het eerst zag Karnk Ishsti's gezicht vertrekken van angst. Tirt had zich bij het onvermijdelijke neergelegd en stond met een werpster in zijn ene en een flinterdun maar evenzo vlijmscherp en lang Rishe-mes in zijn andere hand te wachten. Het onbestemde licht weerkaatste op zijn bronzen schedelplaat en zilverkleurige benen. Ondanks de dreigende situatie begon Karnk plotsklaps maniakaal en onbedaarlijk te lachen.

"Die beestjes gaan meteen naar een ander restaurant," hijglachte hij "als ze die metalen kuiten van Tirt geproefd hebben!"

Zijn gebulder kaatste de gang in als in een echoput en de leeuwen verstarden in hun sluipende gang. Hun staarten zwiepten in gespannen drift heen en weer als boomtakken in een storm.

"Heb je ook zoiets voor mij?" vroeg Karnk nog nagrinnikend aan Tirt, wijzend op de werpster. Tirt gaf hem het wapen en haalde een nieuwe van onder zijn tuniek tevoorschijn. Ishsti stond plotseling met een opgloeiende bronzen kristalstaf in zijn hand. Mensen en dieren bekeken elkaar met een misselijk makend oerwantrouwen. Op dat moment werd er een nieuwe beweging zichtbaar aan het einde van de tunnel. Toen de mannen de vorm herkenden, sloeg hen een dubbele angst om het hart. Van verre kwamen er nòg twee leeuwen hun kant uit. Karnk balanceerde op zijn voorvoeten in een berekende geladenheid, nauwkeurig het moment bepalend waarop de voorste leeuw binnen fataal bereik van zijn werpster zou komen.

"Ik neem de linkse," siste hij. Een allerlichtst gerucht schuin achter hen verstoorde echter volledig hun op de leeuwenaanval toegespitste concentratie. Er gleed een kunstig gecamoufleerde, geoliede schuifdeur in de wand open en een lange, zware man in een priestergewaad wenkte hen dringend naderbij. Hij hoefde niemand echt aan te sporen. Met deze redding voor ogen verdrongen de drie zich voor de smalle deur. De priester keek zorgelijk.

"Waar is de Halfbak?" schreeuwde hij, terwijl het even leek, alsof hij de drie mannen de toegang wilde versperren. De leeuwen hadden direct de verandering van energie opgemerkt en gingen van sluipen over naar draf. Karnk greep de priester met twee handen onder diens oksels en sleurde de man als een meelzak in één explosieve gooi over zijn hoofd naar de andere muur van het kleine plaatsje. Het was een naar soort plof. De priester brak daar ter plaatste al van alles, maar helaas stond hem een nog definitiever boetedoening te wachten... De leeuwen waren inmiddels op volle snelheid gekomen. De priester bleef nog lang, nadat de dieren hem bereikt hadden, dramatisch hoog gillen. Karnk was het eerste binnen, toen viel Tirt langs hem heen en Ishsti sloot de deur en daarmee het gillen buiten.

"Kop op kerel!" riep Karnk met als vanouds zijn extreme vaardigheid in het afstand nemen. "Pijn is fijn en bloed moet!"

Het duurde toch nog lang voor ze hun bevende lichamen weer onder controle hadden. Ze roken elkaars angstzweet. Het snuffelen en krabbelen van de leeuwen aan de schuifdeur bracht hen nieuwe zenuwschokken. Het was heel benauwd in het kleine kamertje, waar ze in terecht gekomen waren. Ze zochten tevergeefs naar iets waar ze de schuifdeur mee konden blokkeren. Het lijk van de priester had op geen stukken na de honger van de vier leeuwen kunnen stillen en ze liepen gefrustreerd heen en weer langs de schuifdeur. Aan de andere kant ervan was de frustratie niet minder, toen de mannen geen uitgang konden vinden. Tirt en Ishsti wendden al hun technische en magische kennis aan, maar het hok bleef een gevangenis.

"De Tempel stuurt een tweede," zei Ishsti na een tijdje en gelukkig was dat zo. Plotseling zakte ook deze vloer en daarmee werd eindelijk de lang verbeide deur onthuld. Er zat een luik in, dat openklapte. Er achter lag een helverlichte gang. Een bol gelaat met de matte kleur van een kadaver verscheen. De ogen moesten even wennen aan het donkerder lifthok en toen schrok het hoofd: "Wat!?" Direct werd het luik weer dichtgesmeten, maar niet snel genoeg voor Karnk’s hand. Misschien demonstreerde hij een Niss-kunst maar hoe dan ook, met één enkele ram sloeg hij het gehele luik uit de scharnieren. In diezelfde flits verdween zijn arm daarna tot aan de schouder in het gat. Zijn hand kwam terug met de keel, die ooit "Wat?" geschreeuwd had. De priester zelf zat er niet meer aan. Karnk keek ietwat beduusd naar de bloederige resten en sloeg ze met een geïrriteerd gebaar van zich af.

"Ik houd niet van lui die me opsluiten," zei hij verontschuldigend. Direct wurmde hij zijn arm weer door het luikgat op zoek naar een deurklink of grendel. Ze hoefden niet op een derde priester te wachten, want Karnk kreeg de deur snel open. Op de grond erachter lag in een betrekkelijke stilte de stembandloze priester te sterven. Routinematig beroofde Karnk hem van de inhoud van zijn zakken: een vuurkristal en wat gedroogde etenswaar.

"Laten we de volgende in leven laten voor een gesprek," mompelde Tirt, die met enige afschuw naar de lijdende priester keek. Het Shir-taboe op onderling fataal geweld had hem in ieder geval sterk in z'n greep. Zonder omhaal pakte Karnk de inmiddels overgegane ongelukkige op en wierp het lijk in de liftkamer. Hij sloot de deur. Ernaast zaten twee hendels. Karnk keek Ishsti aan. Die knikte met een gebaar van berusting. De bovenste hendel bleek het hok weer in beweging te zetten, naar boven. Kennelijk hadden de leeuwen de niet geblokkeerde schuifdeur snel open gekregen, want er klonk een dankbaar gegrom op, toen ze nog meer van het reeds vertrouwde gerecht aangeboden kregen.

"Nu lijkt het één en ander in de verte nog op een ongeluk," bedacht Karnk, die zijn bebloede hand aan de muur stond af te vegen.

"Beetje heel flink ongeluk," vond Tirt. "Nou ja, vooruit, keus is er niet. Zullen we dan die kant maar uit gaan?"

Ze gingen met gemengde gevoelens op weg.


Keus was er inderdaad niet. Het was een lange, grijs betegelde gang, die niet op scheen te houden. Karnk gaf de werpster niet meer terug aan Tirt.

"Ik denk dat we uiteindelijk in de Zonnetempel terecht zullen komen," zei Ishsti. En dat was zo. Aan het eind van de gang werd op hun gewacht. Uit een ruime kamer traden bij hun nadering drie Tempelsoldaten, het soort dat ze eerder bij het Doodvorsersritueel gezien hadden. Het waren harde, oplettende mannen van een onbestemd ras, die een veelheid van wapens droegen. Ze gebaarden hen de kamer in. Van achter een kostbare, ebbehouten tafel keek een bejaarde, iets corpulente opperpriester verbaasd naar hun op. Hij had een vlassige grijswitte lange snor en lange oorlellen. Zijn gezicht stond streng, maar niet vijandig. Zijn ogen hadden niet eens geknipperd, maar toch was merkbaar dat hij was geschrokken, toen de drie zonder priesterlijk escorte waren binnengestapt.

"U bent alleen?"

"Helaas," zei Ishsti, die als vanzelf de leiding had genomen. "U verwachtte ons?"

"Inderdaad." De man aarzelde even. "Juist ja. Mmm. Wij moeten een openhartig gesprek met elkaar hebben."

Zijn onzekerheid bracht in zijn vriendelijke gezicht zo nu en dan de rechtermondhoek tot een ontsierend optrekken, hetgeen aan zijn woorden een scharrige leepheid gaf. Het hield de drie bezoekers scherp op hun hoede.

"Ik vlei mijzelf met de gedachte dat wij hier meer dan gemiddeld verstandig zijn," probeerde hij, maar Karnk gaf geen krimp.

"Mijn aanwezigheid jaagt altijd al gauw de gemiddelden op," snierde hij terug, terwijl hij nadrukkelijk zijn rug rechtte. De Tempelsoldaten kwamen er in elk geval niet van onder de indruk. Ze gingen iets verder uit elkaar staan om elkaar bij eventuele gewelddadigheden voldoende ruimte te kunnen geven. Karnk ging recht op zijn doel af: "Ik ben ergens per abuis een verkeerde deur binnengestapt. En ik wou graag weer naar buiten. Kunt u mij zeggen waar de uitgang is?"

De opperpriester zweeg en hield even het hoofd vreemd scheef, alsof hij luisterde naar een boodschap die hem van veraf werd ingegeven. Hij keek de drie beurtelings aan.

"Sar Ishsti, meen ik. Herken ik u correct?"

"Zeker. U bent de Verhevene Jeek?"

"Nee. Men verwart ons vaker. Ik ben Harro Harixeni. Wie is uw metgezel uit het Huis van Onderzoek, als ik vragen mag?"

"Rish Tirt," stelde die zichzelf voor.

"Ah, de man, die gezocht wordt voor de ongeregeldheden in Fort Zong. Ja ja. En hier hebben we dan de Kartan-reus uit Kendoland?" knikte de priester.

"Precies!" zei Karnk ongeduldig. "Fijn dat u me al kent. U is misschien ook al met mijn opvliegende karakter bekend? Ik wou dus graag wat frisse lucht als het u hetzelfde is!"

"Dat kan," gaf Harixeni geheel onverwacht toe. "Ik zal u voorgaan. Ik heb de indruk dat ik niet meer op het vierde lid van uw gezelschap hoef te wachten." Terwijl hij het zei, hield hij opnieuw het hoofd scheef. Ontving hij informatie langs een telepathische weg?

Gang na gang gingen ze door, terwijl de priester hen overdonderde met toeristische bijzonderheden over de Zonnetempel. Karnk kwam er niet door op zijn gemak, ook al omdat de drie soldaten waakzaam met hen mee liepen. Tirt was niet minder zenuwachtig. Alleen Ishsti scheen gerust op de goede afloop en keek geboeid om zich heen.

"Ik heb altijd al vermoed dat er zulke verbindingen waren tussen het koninklijk paleis en de Tempel," fluisterde hij tegen Tirt. "Ben jij ooit in dit gedeelte geweest?"

"Nooit," antwoordde de Rishe terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wiste met een mouwpunt. "Ik denk dat we nog steeds onder de grond zijn."

Hoewel de mannen uiterst behoedzaam gefluisterd hadden, scheen Harixeni hen verstaan te hebben.

"Vele generaties priesters hebben hun optimale arbeidzaamheid aan deze constructies toegewijd," legde hij uit.

"Mooi, mooi," gromde Karnk met een van ironie druipende stembuiging. "Het is allemaal heel oud en fraai en ondertussen bekonkelt en bedriegt hier iedereen iedereen. Eén moment van onnadenkendheid en meteen vliegen de leeuwen je naar de strot."

Hij liep met grote stappen achter Harixeni aan met een onverzoenlijke kop, waarin zijn ogen fonkelden als vuurbakens in de nacht.

"Onze Tempel bewaakt het Allerhoogste, hetgeen voorbij doet zien aan het ongerief van de kleine mens," antwoordde de priester zonder om te kijken.

"Nou, dat is een uitermate verontrustend citaat," snauwde Karnk. "En op dàt motto berust al uw dubieuze gedoe?"

"Onze leer is van een universele simpelheid en tegelijkertijd heel complex. Zelfs nog voor mij."

Karnk begon geïrriteerd hard te lachen: "Ah! Aha! U bedoelt dat uw leer misschien kosteloos door iedere boer valt te begrijpen, maar dat u er dan niets meer aan verdient!"

"Ik verdoe mijn tijd met u," concludeerde de priester zonder kwaad te worden en zonder zijn tempo te vertragen.

"Ik dènk het ook," riposteerde de reus. "Ik bèn namelijk een boer, begrijpt u? Ik wil het graag allemaal zaaibaar en oogstbaar. Gewoon even horen wat er aan de hand is in een overzichtelijk gepresenteerde cyclus. Al die complexiteit waar u het over heeft, is niet meer dan een vorm van bangmakerij. U heeft er talloze levens op gestudeerd en u weet nog niet alles. Dàt wilt u zeggen, toch? En nu moet ik zeker gefrustreerd gaan jammeren, dat ik het dan vast nooit in dit korte leven wat mij nog rest, onder de knie kan krijgen. Wel ja! En dan moet ik zeker ook nog blij zijn met alles wat u mij aan inzicht kunt geven. Is het niet zo?"

"Uw jammerlijke oppervlakkigheid evenaart uw geestelijke luiheid en overtreft zelfs uw arrogantie," was het onverstoorbare antwoord.

"Kortom, ik zit op alle fronten verkeerd?!" balkte Karnk. Harixeni gaf hem een korte, bedachtzame blik over zijn schouder.

"Nee, nee. U bent namelijk desalniettemin dapper in uw drift. En daarom zal ik u datgene tonen in onze Tempel, dat geen uitleg behoeft. Volgt u me maar." Hij opende een met zilver beslagen dubbele deur, die toegang gaf tot een rijk gemeubileerd portaal. Het had een vloer van rood dooraderde witte marmeren plavuizen, die naar een onafzienbaar lange trap leidde. De traptreden waren ook van marmer, maar van een rode soort, die witdooraderd was. De soldaten bleven achter in het portaal en Harixeni nodigde zijn gasten uit om te gaan klimmen. Ondanks zijn zware gestalte hijgde de opperpriester geen moment en dat kon van de anderen niet gezegd worden. Voor Tirt was het alsof het rode marmer de bonkende bloedsomloop van een levend tempelwezen omvatte, hem inkapselend insluitend als een oeroud vleesetend organisme.

"Ik merk een ijselijke magie op," hijgde hij met een droge mond haast onhoorbaar tegen Ishsti, die naast hem omhoog klom.

"De Zonnetempel zelf brengt geen magie voort," mompelde de Tekenduider. "De macht van de priesters beschouwt magie zelfs als iets minderwaardigs. Beheers je angst, vriend Pan."

Ishsti's adem ging hortend en fluitend en soms moest de oude man van pure vermoeidheid even stil staan. Niettemin scheen hij zo op zijn gemak, dat zijn gerimpelde gezicht breed en begripsvol kon glimlachen, toen hij zei: "De leeuwen hebben je uit je centrum gewrongen en je hebt je geest nog niet teruggehaald uit die bijna-dood. Dat is wat je hindert."

Honderd haast ademloze treden later piepte zijn stem weer: "Onverwachte eer, Pan. Onverwachte eer!"

Karnk en Tirt hoorden het allebei, maar ze hadden geen idee, waar hun vriend het over had. De extreme klim vroeg zoveel energie, dat de klimmers alleen nog aandacht konden hebben voor hun schrijnende longen. Afgunst en bewondering voor de onverstoorbare, ontspannen voortgaande Harixeni wisselden elkaar af. Karnk had een rood waas voor zijn ogen gekregen. Zijn speeksel werd taaier en taaier als opdrogende lijm. Plotsklaps drong zich de bitterzoute smaak, die sinds de ontmoeting met de dwergen op de loer had gelegen in zijn tongpapillen verhevigd aan hem op. Het Noodlotszout! Maar een terug was er niet. Iedere ontsnapping met behulp van list of geweld was in deze Tempeldoolhof tot een inhoudsloze denkfutiliteit geworden. `Die dwergen met hun brug!' dacht hij met een toenemende onbehagelijkheid. `In de naam van de Moeder! Wat voor brug moet er nou toch gemaakt worden? Wat wij toch allemaal niet al mòeten!' En toen zei hij het hardop: "Wat mòet ik hier toch allemaal?"

Harixeni stopte en draaide zich voor het eerst helemaal om.

"Goed. Jij bent een reus. Dat zien we allemaal. Bewijs nu ook de grootte van je geest. Welke kracht, welke essentiële aandrift deed jou besluiten om geboren te worden?! Waarom wou je dat?"

Zijn stem was zacht en indringend tegelijk geweest en het beeld trof Karnk als een bliksemschicht. De priester was doodrustig verder gegaan en als een stomgeslagen lastdier sjokte Karnk achter hem aan. Blanko brein. Soms die ene zin: `Besloot om geboren te worden. Ik besloot om geboren te worden.' Het proces ging niet van harte, maar het kwam toch op gang: `Hij bedoelt dat alles mijn eigen keus is? Mijn eigen verantwoordelijkheid. Alles!? En mijn sores, mijn lijden? Niemands lijden is dus de schuld van iemand anders of iets anders!?' Het was maar goed dat zijn lichaam middels de klim tot een niet aflatende inspanning werd gedwongen, want zulke vergaande gedachten kunnen tijdelijk heel wat oerprotest oproepen...




Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina