De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina3/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Hoofdstuk 2 De veerboot naar Bayin.

De volgende ochtend waren al Karnk’s wonden schoon, zonder enig pus. De kleinere schrammen hadden een korst gevormd en de pijn in het beschadigde been beschreef Karnk als dragelijk. Niemand twijfelde meer aan het nut en de functie van de polsband. Ze demonteerden de draagbaar zodat ze ook hun speren weer ter beschikking hadden. Als ontbijt aten ze de laatste reizigerskoeken op, die ze hadden meegenomen uit Capai. Karnk at er bovendien alle koude geroosterde vis bij op, die van de vorige dag was overgebleven. Hij dronk een hele waterkruik leeg, boerde vreselijk en liet harde winden.

"Ik ben aan de beterende hand," verklaarde hij.

"Beoordeel je dat aan je winden?" vroeg Gaosar.

"Mijn winden zijn berucht: de knal en ook de lucht!" declameerde Karnk. "Maar ik kan weer een hond aan, voel ik."

"Op één been zeker?" grijnsde Tipo.

"Geef mij maar eens een goed mes," zei Karnk. Tipo gaf hem één van de zijne en binnen korte tijd had Karnk, ondanks de pijn die het moest doen aan zijn verwonde handen, een tweetal handzame krukken gesneden uit wortelboomtakken. Hij liet zien hoe hij deze krukken, ze vasthoudend bij de vork, zou kunnen rondzwaaien, terwijl hij inderdaad op één been stond. Gaosar en Tipo stonden werkelijk versteld van de snelheid waarmee deze reuzenman genas. Ze waren nu aan zijn taalgebruik gewend en hij aan het hunne en zijn gezelschap paste perfect. De Baks waren meestal opgewekt van aard maar de lange Kendo-man deed daar nog een paar schepjes bovenop.
"Hebben jullie al besloten wat jullie gaan doen?" vroeg Karnk wat later.

"IK hoef daar niet over na te denken," antwoordde Tipo, "maar die Halfbak misschien nog wel."

"Die Halfbak wil ook wel naar eilanden," zei de Halfbak. "Ik ben alleen ooit es op Bonewits geweest, nooit verder, dus dat moet dan maar eens een keertje."

Tipo bleef heel rustig en knikte alleen, maar Karnk gaf een brul: "Aaahrg! Avontuur! Bindi-meisjes, hier komen we!"

"Hee, wou jij òòk naar de eilanden?" vroeg Gaosar verbaasd.

"Waarom denk je dat ik naar Lit-kaka onderweg was?" riep Karnk uitgelaten. "Hier ligt de veerboot naar Bayin, koekelkoppen! Ik heb een vette lading dompellood bij me, die ik nergens anders kwijt kan dan daar, snap je? Daar ben ik rijk, hier valt er weinig te ruilen. Kom op! Ik ga proberen te lopen!"

Zo goed en zo kwaad als dat ging scharrelde het kleine optochtje door het oceaanzand van de baai naar de lange steiger. Er stonden meer mensen, de meesten met zakken, vaten of reiskisten bij zich. Behalve twee Bakvrouwen bleken de andere vijf Shir en Bindi, die terug gingen naar de archipel.

"Het ziet er naar uit dat we niet veel later hadden moeten komen," zei Karnk. "Die Shirbark staat op het punt van vertrekken."

De veerboot zou inderdaad al gauw, op het uur van de Hond uitvaren. De Bindi schipper accepteerde twee zakjes bitterzout als passage voor de broers. Karnk betaalde met twee dunne schijfjes dompellood. Het schip was een ontzagwekkend product van het vernuft van de Shir. Terwijl de bewoners van de kusten van het continent nog nauwelijks verder in de scheepvaart waren dan het met vuur uithollen van boomstammen, konden de Shir hardhout zagen en verlijmen. De schuit had hoge boorden en twee masten, waaraan grof geweven zeilen hingen. De passagiers verdeelden zich over het dek. Ze zouden zeven dagen in elkaars gezelschap gaan doorbrengen.

De drie Shir kooplieden namen niet de moeite om zich voor te stellen en verspreidden een sfeer van welwillende neerbuigendheid om zich heen. De Bakvrouwen waren verkoopsters van messen en pijlpunten van lavaglas, een lacherig stel, wat zwaar maar fraai gebouwd. De oudste heette Barthe-kank-oei ('Zij die haar sterke handen toont') en haar jonge nicht droeg de naam Nisha-cham-pohie ('Maannachtvrouw'). Hun zwarte haar had een roodachtige glans en was opgestoken en ingevet, hetgeen wees op hun stamafkomst van de Tsjoer, uit het noordoosten van Capai. Als vanzelfsprekend domineerden zij de jonge Bakmannen, maar voor de opvallende lengte van Karnk toonden ze een apart ontzag. Onder de Shir waren de mannen het dominante geslacht en daardoor ontstond er tussen de vrije Bakvrouwen en hen een lichte spanning. Ook bemoeiden de vrouwen zich niet met een witharige, langbesnorde man van een onbekende afstamming, te oordelen naar zijn koperen oorringen afkomstig uit Ut. Hij droeg twee lange, kromme messen, uit geweistangen gesneden op de manier van de Gonds. Hij stelde zich aan de groep voor als Falak Geshyo. Karnk lichtte Tipo en Gaosar in. Falaks waren reizende legenden- en verhalenvertellers, die zeiden de Ene Witte God te zoeken, die zich volgens hun overtuiging in een rode kalebas schuilhield en die zich alleen wilde vertonen als alles in de natuur zich stilhield. De Falaks bedelden niet maar voorzagen met vertellen in hun levensonderhoud.

De drie deelden het tussendek met een kleine maar breedgebouwde kleurstof- en inkthandelaar met de naam Soerd. Hij was afkomstig van Bayin en een BakBindi-halfbloed. Tipo en Gaosar hadden een prettig contact met hem omdat de man bereisd en praatlustig was en bovendien tweetalig: hij sprak Tiki en Pai. In korte tijd hadden ze heel veel praktische woorden van hem op gepikt.
Om hun vorderingen te testen, vertelde hij op de tweede dag van hun zeereis in het Tiki een vrolijk Bindi verhaal van de dikke, rijke Assio en de dunne, arme Nassio.

"Assio was een gierige herbergier die Nassio hard liet werken in de keuken. Op een dag sloeg hij Nassio hard op diens hoofd voor een onbenullig vergrijp en het slachtoffer zon lang op een kosteloze wraak. Het was hem opgevallen dat de dikkerd altijd zorgvuldig zijn ontlasting inspecteerde en op een dag sloop hij zijn baas achterna toen die zich achter een eucalyptusstruik afzonderde. Terwijl Assio zich met langdurige, luid bekreunde moeite onthechtte van een zwaar model, stak Nassio een grote paplepel onder de struik door en ving geheel onopgemerkt het bruine present van zijn baas op. Hij sloop terug en begroef het geroofde uitwerpsel snel onder een hoop zand. Ontspannen keek hij toe, hoe Assio in grote ongerustheid de gehele omgeving afzocht, bij zichzelf ook de lange broekflappen bekloppend en bevoelend om te zien of het verdwenen voorwerp daar mogelijk onbedoeld in terecht was gekomen. Toen Assio later die middag nog steeds nerveus de keuken bezocht, ging Nassio opvallend ruikend en snuffelend de keuken door, de dikkop in grote verwarring brengend. Daarna sloeg Nassio de erfhond, roepend dat het dit dier wel zou zijn, dat zulke vieze scheten liet. Elke dag opnieuw herhaalde hij zijn insinuerende gesnuffel, zodat Assio zich behekst ging voelen en van bezorgdheid niet meer eten kon. Hij werd dunner en dunner, maar Nassio bleef evenveel eten maken als altijd en at zich ronder en ronder. En Assio ontlastte zich voortaan nog alleen maar met laag gebogen hoofd, zodat hij onder zijn geslacht door kon kijken om te controleren of geen stinkdemon hem bestal. En Nassio werd behalve dik ook sterk en Assio sloeg hem nooit meer."

Het bulderende gelach van de jonge mannen trok ook de andere reizigers aan en al spoedig had zich een kleine kring om hen heen gevormd.

"Ik zou ook een goed verhaal weten, maar hebben jullie mij wat te bieden?" vroeg de Falak. Eén van de Shir bood hem een geroosterde broodwortelknol aan, die de witharige man wegstopte in zijn reistas.

"Goed, goed," zei hij, lichtelijk teleurgesteld, toen het bij die bijdrage bleef. "Wie het geringe afwijst, krijgt het grote op zijn hoofd."

Hij ging op het kleine kussentje zitten, dat hij kennelijk tot zijn comfort voor dit soort regelmatig terugkerende situaties permanent op zijn rug droeg.

"Wat willen jullie horen?" vroeg hij. De broodwortelverschaffer riep: "Wat is er waar van het verhaal van de vrouwenmannen bij de Oeroude Moeders?"

Geshyo gebaarde naar de andere omstanders om toestemming. De reizigers knikten zonder uitzondering.

"Goed," zei Geshyo. "Lang geleden waren de Baks maar één van de kleinere stammen van het grote Bondo-volk. Na de grote droogte zijn alle stammen gaan trekken, maar nog steeds leven er Bondo aan de oorsprong van de Strirat-rivier in het berggebied van Hinokai. Net als bij Bindi en Baks zijn de vrouwen in ieder opzicht de mannen de baas. Zij dragen enorme halskettingen, gouden of ebbenhouten oor- en neussieraden en ze zijn uitzonderlijk gespierd. Zij bewerken het land en soms jagen zij, hoewel de jacht vooral mannenterrein is. De Bondo vrouwen kiezen uit de jongens, die twaalf jaar worden, hun echtgenoten. Zo zijn ze verzekerd van het meeste plezier in hun huwelijk en van het meest krachtige zaad."

Karnk begon te lachen.

"Precies! Zo hoort het!" riep hij. "Zo was het ook bij de Kendo. Dat kan ik in ieder geval aan goeds over hun melden. Maar hoe gaat het verder met de mannen? Bij de Kendo worden de mannen na hun tweeënveertigste maanjaar 'naar de ernst gestuurd', zoals ze dat daar noemen. En dat betekent daar dus geen geslachtelijk plezier meer!"

Geshyo knikte: "De Bondo mannen hebben minder geluk dan de Kendo. Zij worden meestal al teruggewezen naar de mannenhuizen als ze vierentwintig jaar worden. Hun voormalige echtgenotes kunnen dan nogmaals voor een periode van twaalf jaar een nieuwe minnaar kiezen. Dan hebben zij wel de tweede keus. Meestal prefereren ze dan het gezelschap van een jong meisje uit hun familie, die ze dan een aantal jaren inwijden in de kunsten van het genot."

De Shir kooplieden knorden afkeurend.

"Het is dus toch waar, wat men vertelt," riep één van hen geschokt, echter onmiddellijk naar Geshyo gebarend om verder te vertellen, nieuwsgierig naar nog meer zalige smerigheid. De Falak trok drie dikke rimpels in zijn voorhoofd vanwege zulk een beperkte visie maar sprak rustig verder: "Bij de meeste stammen zorgen de mannen voor de opvoeding van alle mannelijke kinderen, vanaf het moment dat ze door de moeder gespeend worden. Sommige mannen gaan vrouwenoorringen dragen en trouwen met andere mannen, die geen vrede met de 'ernst' kunnen hebben. Dit worden inderdaad de vrouwenmannen genoemd."

Wederom werd er vreselijk gemompeld onder de Shir. Geshyo liet zich niet afleiden en vertelde gewoon verder: "De vrouwelijke kinderen worden tot hun geslachtsrijpheid in de vrouwenhuizen opgevoed door oude moeders. De mannen houden zich intensief met magie en voortekenuitleg bezig, maar zij onderwerpen zich verder aan de kracht van enkele Oeroude Moeders, bij wie alle gezag berust. Incidenteel roven de Bondo mannelijke kinderen uit andere volken om hun bloed vers te houden. Die gewoonte is door sommige andere stammen overgenomen."

Karnk knikte demonstratief."Daar weet ik alles van," zei hij.


Geshyo leunde achterover. "Van het vertellen krijgt men een droge mond," zei hij zeer nadrukkelijk. Direct opende de kleine inkthandelaar een wijnzak, waaruit de Falak zeer begerig dronk. Toen hij de zak teruggaf, maakte hij de man een compliment over diens streeploos oker geverfde onderbenen.

"Het is een techniek, die ik kortgeleden van Vuurlandse edellieden heb geleerd," legde de kleine man uit. "Men herkent daaraan nu direct mijn beroep en vertrouwt met dit voorbeeld vlugger op de kwaliteit van mijn waar."

Geshyo keek verrast op. "Vuurlandse edelen, zegt u? Mogelijk punthoofdmannen?"

Nu was het de beurt van de inkthandelaar om verbaasd te zijn.

"U kent hen?" vroeg hij. "Ze kwamen bij mijn weten rechtstreeks uit Toea met hun befaamde dubbele kano's. Ze waren op doorreis en ik ontmoette hen in Bins op de zuidpunt van Urda. Ik verkocht hen purper en oker en zij betaalden met sieraden van walvisbalein. Die heb ik zojuist profijtelijk kunnen ruilen op Capai. Inderdaad, puntschedels... Mag ik weten hoe ze u bekend zijn?"

Geshyo aarzelde even, op een onopvallende manier op zijn hoede. Nu hij voor zichzelf kennelijk belangrijke informatie vergaard had, was hij niet scheutig met wederdiensten.

"Ach, ik hoop dat ze van Urda naar Bonewits reizen voor de moessonconcerten. Ik heb altijd graag hun fluitspel willen horen, waar ze zo gunstig om bekend zijn."

De handelaar nam genoegen met het antwoord maar Gaosar keek vreemd op en ontmoette toen de even verraste blik van Karnk. Gaosar was eenmaal zelf op Bonewits geweest tijdens zo'n concert en de Vuurlandse fluitspelers daar waren bepaald geen welgestelde edelen geweest. Op dat moment streek er een kolossale pelikaan neer op de voorplecht van de boot en er kwam onmiddellijk een discussie op gang over al dan niet smakelijk te bereiden pelikaanvlees, hetgeen de aandacht volkomen van het onderwerp afleidde. Gaosar vroeg zich af wat een verhalenverteller uit Ut toch aan moest met vreemde Vuurlandse edelen, maar het leek hem niet raadzaam, om Geshyo met wantrouwen te prikkelen.


Tipo bleef met een haast onlesbare woordendorst in het Tiki praten met een Bindi-matroos, die plezier had in de weetgierigheid van de Bakjongen. Gaosar voelde zich echter steeds weemoediger worden toen hij de kusten van Capai langzaam uit het zicht zag verdwijnen. Op een bepaald moment werd het gevoel zo sterk, dat hem zelfs een soort zekerheid overviel dat hij zijn geboorteland nooit meer terug zou zien. Dat noodlottige besef groef zo diep, dat hij niets beters te doen wist dan zich tussen een rol touw en een vrachtkist op te rollen om zijn afscheidspijn weg te slapen.

Een paar uur later werd hij gewekt door het volle gezang van Karnk, die zo te horen geen enkele last meer had van zijn verwondingen. Zijn been vertoonde afschrikwekkend dik rood littekenweefsel, maar hij leek er al licht op te kunnen steunen. Hij produceerde nu fraaie falsetriedeltjes, snorkende ritmes, halve coupletten van het ene lied naadloos geïmproviseerd vastgeplakt aan het volgende, een bruisende levensvreugde in minstens tweeënhalve octaaf. Gaosar merkte er een eerder gehoord kinderliedje in op:

`Al ga je heel vroeg dood, al word je heel, heel oud,

Aan de kant van je hart hangt een zakje met goud.'

Hij had die melodie op het eiland Bonewits horen zingen. Het vorige jaar had hij het beroemde moessonconcert kunnen bijwonen. Was ook Karnk daar aanwezig geweest?
Voorafgaand aan het muzikale gebeuren was Bonewits elk jaar het toneel van een enorme twaalfdaagse vrijhandelsmarkt, die traditioneel alle deelnemers vrijwaarde van mogelijke anders wel bestaande raciale conflicten. Reizigers van overal vandaan, uit Ut, Igdi en Ogdi, van Sarda en Bres maar ook uit Gond, uit Heirgoland, Parth en Tunth, zelfs uit het verre Oosten, uit Atthio, allen komen na de volle maan van de Slangenmaand samen op de vlakte van Katatnia. Daar is het centrum van de muzikanten van Bonewits. Na de markt begint het hele eiland te vibreren van de klanken. Voorafgaand aan de eerste regen barst er dan een ware muziekorkaan los. Wilde strijkstokken, opzwepende trommelstokken en gepassioneerde blazers roepen hun goddelijke boodschappen naar de hemel met verheerlijkte gezichten, klaterend gelach weerklinkt. Bij de meesten, muzikanten en toeschouwers stromen tranen over het gezicht. Men zingt of speelt tot de uitputting of verveling toeslaat, tot de mond of de handen weigeren. Vrouwen en mannen vallen op de grond, totdat iedereen stil is, wachtend op het opbollen van de regenwolken, zwarte, grijze wereldwangzakken, volgezogen op barsten staande waterballonnen.

"Gaat het nu gebeuren? Nu? Nu?" brommen de mannen. Dan gillen de hoogste meisjesstemmen, een maagdelijke aanroep: "Kom! Kom! Kom!"

Diep zucht de menigte als de eerste druppels hun opgeheven handen en gezichten raken. Heel rustig bergen muzikanten hun vochtgevoelige instrumenten op in beschermende foedralen. Mensen omarmen elkaar in de innigste dankbaarheid naar elkaar.

"Wij hebben de regen naar de aarde gebracht," is het rituele woord. "Wij zijn de tranen van liefde van de Eerste God."

In stilte vertrekken ze dan weer naar hun woonsteden. Sommigen zullen er dagen, weken, misschien wel maanden over doen voor ze thuis zijn. En op hun eigen hoogtijdagen zingen ze liederen uit de vlakte van Katatnia. Zo is het eiland Bonewits sinds mensenheugenis een bron van inspiratie geweest voor liefhebbenden tot ver in de bekende en onbekende landen.
Karnk’s gezang deed Gaosar ook denken aan het altijd vrolijke zingen van Nur-ell-Guin en onverwacht trof hem weer het verdriet om zijn gestorven moeder. Er was niets meer zichtbaar van Capai en voor het schip lag een oneindige, lege, lege zee. Opnieuw vluchtte hij voor de pijn weg door aandachtig te luisteren naar het zingen van Karnk op de stampend voort zeilende bark. Hij realiseerde zich ineens wat 'Karnk' in Pai betekende: 'vrijheid'. Hij vroeg zich af wat de Kendo betekenis er van was. Toen Karnk ophield, vroeg hij er naar.

"Het is een Kendo woord voor vogel, eigenlijk meer nog het woord voor spreeuw," antwoordde Karnk. "En dat ben ik ook. Een kwetterende spreeuw met een grote, rooie open bek, vreetlustig en een brutaaltje. Past goed bij mijn rode haar, vind je niet?"

"Nee, nee, nee," protesteerde Gaosar. "Je moet er niet zo neerbuigend over doen. Ik vond het prachtig wat je net zong. Even was ik terug op Bonewits, je ontroerde me werkelijk."

Karnk keek alsof hij het niet kon geloven, zijn mond al open voor een bijdehand commentaar, maar de spreeuwenbek weer sluitend toen hij de zachte uitdrukking op Gaosar’s gezicht zag.

"Nou, eh... leuk," zei hij na een tijdje en toen liep hij weg om iets nuttigs te gaan doen.
De zeereis verliep voorspoedig. Tussen de Shir en de Bakvrouwen boterde het nog steeds niet echt, maar vooral Karnk laveerde met gracieus gemak overal tussen door, dan weer Tiki en dan weer Pai sprekend. Gaosar hoorde hem zelfs in een gesprek met de Falak een Zietse-dialect uit Ut gebruiken en zijn bewondering voor deze extreme persoonlijkheid groeide met de dag. Het was hem ook ineens opgevallen dat Karnk zo goed als geen wapens droeg. Zijn ruime hemd en jak deden daaronder verborgen verdedigingen vermoeden, maar dat bleek een illusie te zijn. Eens was Karnk op een heel hete dag spontaan van de voorplecht gesprongen, nadat hij al zijn kleren had uitgegooid. Krachtig met het vaartuig meezwemmend had hij zich laten inhalen en was tegen de roerstang weer omhooggeklommen. Nog steeds had hij wat last van de verbroken zenuwbanen in zijn kapotgebeten been, maar verder leek hij geheel hersteld te zijn. De polsband had hij die ochtend dan ook weer aan Gaosar teruggegeven, die er onverhuld blij mee was. De Shir keken, waarschijnlijk ontzet door Karnk’s naaktheid, opvallend een andere richting uit maar de Bakvrouwen maakten vergelijkingen over de eventuele harde maat van zijn geslachtsdeel met dat van hun favoriete jongens op Capai. Karnk schreeuwde baldadig: "Als jullie 'em nodig hebben, je weet waar hij hangt!" maar de vrouwen leken niet serieus geïnteresseerd te zijn. Hij droogde het zoute water af met zijn hemd en liet zich verfrist achterover op het dek vallen. Tipo had dezelfde waarneming als zijn broer gedaan.

"Heb jij alleen een vilmes? Geen wurgtouw of werpmessen?" vroeg hij stomverbaasd. Karnk draaide zich naar hem toe en zei: "Nee. Jij wel zeker?"

Tipo gaf een lange opsomming van zijn uitrusting en zijn vaardigheid op alle onderdelen.

"Maar jij?" vroeg hij weer aan Karnk.

“O”, antwoordde de reus, "ik kan ontzettend snel weglopen en ik gooi nogal secuur met alles wat voor handen is. Trouwens, behalve een paar heel stomme honden vragen de meeste mensen niet om moeilijkheden met mij..."

Dat kon iedereen zich makkelijk voorstellen. In alle opzichten was de grote man een wonderlijk iemand. Dat hij kon zwemmen was al vreemd, dat hij in open zee durfde zwemmen was eigenlijk onvoorstelbaar. Alleen kustbewoners en dan nog speciaal schelpduikers en sommige vissers en slechts sporadisch andere varensgezellen hadden zichzelf de zwemkunst geleerd als een levensnoodzaak, niet als een genoegen.

"Ik heb in Ogdi goud gewassen in de monding van de Strirat-rivier," zei Karnk als antwoord op een onuitgesproken vraag, toen hij de denkrimpels in de voorhoofden van zijn vrienden zag. "En toen vond ik dat zwemmen gewoon lekker."

"Ik denk wel eens dat jij in je leven al heel veel dingen gedaan heb, die niet eens in ons hoofd zouden opkomen," zei Gaosar bedachtzaam.


Geshyo, die bij hun in de buurt stond, zei ineens: "Die rooie is een Niss-vechter."

Karnk keek dermate betrapt dat de broers meteen wisten dat het waar was, wat ook een Niss-vechter mocht zijn.

"Falak, hoe wist u dat?" vroeg Karnk zonder omwegen. De verhalenverteller illustreerde met zijn hand een springende beweging. "Ik zag het aan de manier waarop je omhoog sprong, voordat je in zee dook," antwoordde hij. "En nu ik het weet, zie ik het aan alles."

"Mag ik vragen wat een Niss is?" vroeg Tipo.

"Een ras van kleine mensen uit een land, dat ver westelijk achter Vuurland ligt," zei Karnk en de Falak vulde aan: "De Niss achtten zich boven alle andere rassen verheven. Volgens hun Godenleer komen ze van een andere wereld tussen de sterren en ze wachten hier alleen maar totdat hun voorvaderen hen hier weer op komen halen. Zij noemen ons de 'Ondermensen' en zichzelf het 'Drakenvolk'. Ze haten ons niet, ze hebben slechts medelijden met ons. Ze komen naar de Tillant-eilanden alleen om te profiteren van de technische kennis van de Shir tovenaars. Het zijn uitzonderlijk vaardige handwerkslieden, excellente duikers en betrouwbaarder huispersoneel voor de tovenaars dan Bindi of Baks. Ze werken tien, twaalf maanjaren op de eilanden tot ze een vliegtoestel of een Vervormer kunnen aanschaffen. Terug in hun eigen land krijgen ze dan belangrijke staatsfuncties."

"Dat is allemaal waar," beaamde Karnk.

"Vertel ons meer," bedelde Tipo. "Ik ben enorm nieuwsgierig!"

"Vooruit, ik zal praten," gaf Karnk toe. "Er komen alleen mannelijke Niss naar Tillant. Hun ras schijnt ooit vooral uit mannen te hebben bestaan, die zich vermengd hebben met vrouwen uit Kantorije. Ze willen niet paren met Shir vrouwen, omdat ze die vinden stinken. Ze vinden de tovenaars ook stinken, maar dat tolereren ze omdat ze anders hun lood mislopen. Soms reist er een Niss tovenaar met hen mee, die hen beschermt op de lange reis. Zij beheersen een ongewone vechtkunst, zoals Falak Geshyo heeft opgemerkt."

"Hoe komt het dat ze daar jou in onderwezen hebben?" wilde de Falak weten.

"Ik stink in hun neus niet," antwoordde Karnk "en bovendien, hun goden waren lang en roodharig, heb ik begrepen. Een tovenaar van de Niss heeft naar me gezocht op Bonewits, toen hij gehoord had dat ik daar was. Hij heeft me wat van hun verdedigingskunst geleerd in de hoop, dat ik hem iets over mijn ouders zou vertellen. Maar wat wist ik? Ik was nog heel klein toen de Kendi ontvoerders mij weg roofden."

"Er zijn vele mysteries in de wereld, die verhuld blijven," zei de Falak op een toon alsof hem nu juist weer wèl iets duidelijk was geworden.
"De grootste geheimen blijven ook geheim," beweerde Karnk. "Hoe krijgen de Shir hun zwaarden zo hard en scherp bijvoorbeeld? Mengt-tovenarij wordt er gezegd. Maar hoe werkt het? Alle volkeren van alle landen zouden hen die kennis graag willen ontfutselen."

Eén van de Shir kooplieden had de laatste opmerking gehoord.

"Ons rijk is machtig, omdat wij niet klakkeloos onze weelde delen. Alleen de Shir zijn uitverkoren door de Mengt. Onze taak is om de andere volkeren te onderwijzen in een tempo, dat zij kunnen verwerken."

Het klonk hooghartig maar ook zeer realistisch.

"Hebben de Shir geen problemen?" vroeg Tipo aan de Falak, toen de koopman verder was gelopen.

"Geen volk is volmaakt, hoeveel kennis er ook is," was het antwoord. Soerd deed daar ettelijke schepjes bovenop: "De Shir zijn allemaal in de war sinds het ongeluk van koning Katsin Oatreru. Het gerucht gaat dat hij het slachtoffer van grote magie is geworden. Al zeven jaar schijnt hij heel mysterieus te slapen. Maar de wet is dat alleen de Koning veldtochten buiten het rijk mag aanvoeren. En dat kan hij dus niet vanuit zijn bed."

"Het leger van de Shir is hopeloos gefrustreerd, dat is zeker zo," stelde Geshyo vast. "Dat de koning slaapt, doet wettelijk niets aan zijn ondubbelzinnige oorlogsrecht af. En toch provoceert het Shir Huis van Oorlog niet aflatend jullie westelijke buren op het continent van Pirtiland. Weet jij daar het fijne van, Soerd?""

"Dat komt door de toegenomen macht van hun Hoofduitvoerder, Rish Palo Kerko. Die is vorig jaar ook Voorzitter van de Rishe Raad geworden. Kerko geeft onze kolonisten in de Missan-delta toestemming om koper te delven vlakbij de heilige grafplaatsen van de Pirti. De Pirti zijn daar razend over. Terwijl iedereen weet, dat de Shir smeden met slechts iets hogere kosten koper uit Ut kunnen halen."

"En dat zou trouwens het bondgenootschap van de Shir met de Uttin versterken," verdedigde Geshyo zijn landslieden.

"Kerko kiest bewust een andere weg," legde Soerd uit. "Volgens de Shir wetten mag hij geen soldaten aanvoeren zonder een koninklijk commando. Maar wat doet hij? Hij bewapent zijn stedelijke Overzichters en laat ze los op een paar Pirti-vissers, die in onze viswateren vissen. Er gaan geruchten dat hij zo onbeperkt krijgsgevangenen kan gebruiken voor geheime experimenten."

"De Oude Moeders in Ut beweren dat de Shir tovenaars hun leven kunnen verlengen door lichaamsdelen van hun gestraften over te planten," zei Geshyo. Er ging een rilling van diep onbehagen door de toehoorders.

"Dat zeggen sommige Bindi moeders ook," griezelde Soerd. "Ik weet er het fijne niet van en dat laat ik maar liever zo. Sommige Bindi schijnen inderdaad lichaamsdelen voor veel zilver te verkopen aan de Rishe."

"Dat is wat voor jou, Karnk," grijnsde Tipo. "Jij hebt van die grote handen."

"Hebben jullie niets beters voor me te doen?" vroeg Karnk aan Soerd. Die wist wel iets: "Gongslager." Hij legde uit dat de Shir op alle eilanden op bepaalde sterk resonerende plaatsen grote bronzen gongen hadden opgehangen. Middels een ingewikkeld systeem van gecodeerde gongslagen konden ze zo belangrijke regeringsberichten doorgeven. Voor het slaan op de gongen zochten de Shir de meest krachtige mannen uit.

"Een onbedreigd veilige toekomst, Karnk," beweerde Soerd. De reus schudde wetend zijn hoofd.

"Ik houd te veel van een goed gesprek," zei hij verklarend "en die gongmannen zijn vast allemaal doof. Ik hoor mezelf graag lachen! Heb ik trouwens niks meer te bieden dan mijn kracht?"

"Ja, je domheid," grijnsde Soerd.

Karnk imiteerde een huilende baby: "Oh, oh, wordt het dan nooit iets met mij? Waarom ben ik toch zo dom geboren?"

Geshyo klopte hem quasibemoedigend op de rug.

"Kom, kom," zei hij. "Houd moed. Vergeleken bij je vorige leven is er al veel verbeterd. Toen sloeg je simpelweg in op alles wat bewoog om het te kunnen neuken en pas daarna keek je of je het op kon eten!"


Schuddebuikend van het lachen rolden de mannen tegen elkaar aan. Na een paar minuten schreeuwde Karnk: "Genoeg! Genoeg gelachen. Nu gaan we weer lekker een tijdje zitten sjaggerijnen!" maar dat maakte de slappe lach alleen maar erger. Barthe, die te ver van hun af zat om het gesprek gevolgd te kunnen hebben, maakte desalniettemin dankbaar gebruik van de gelegenheid om vrolijk mee te lachen.

"Wat gaan jullie op Bayin doen?" riep ze toen iedereen weer wat was bijgekomen.

"Werken," zei Gaosar. "Kijken, wat er is. We hebben gisteren over de loodmijnen van de Shir horen praten, waar ze ook vrije mannen voor zoeken."

"Hoei, pas op!" zei Barthe. "Ik ben daar vorig jaar geweest. Hun slaven sterven als vliegen aan buikloop. Weet je waarom de Shir hun lood dompelen? Echt niet alleen omdat ze anders vuile handen krijgen hoor, maar meer omdat het lood giftig is. Wees wijzer. Kijk of je bij Brank zilver kunt kopen en ga dan naar de goudsmeden in Ut, die het mengen met hun eigen goud. Zij zullen je graag in schapen en geiten betalen. Als jullie die met z'n drieën terugdrijven naar Capai hoef je heel lang niet meer te werken en je maakt je moeder blij."

"Onze moeder is vorig jaar gestorven," antwoordde Tipo. "Haar schedel is nu bij onze zuster."

"Moge de dochter haar ziel getrouw zijn," was het rituele antwoord. "Was er geen vrouw die jullie wou?"

"Ik kijk liever voor me zelf," gromde Tipo. "De dochter van je moeders zuster bijvoorbeeld, die staat me aan."

Hij wees naar Nisha, die op de voorplecht van de boot stond te kijken naar scholen tonijn die dicht aan de oppervlakte zwommen. De lichte bries deed haar zwartgouden krulhaar wijd uitwaaieren als een kroon om haar hoofd. Haar gele tuniek werd strak tegen haar lichaam gedrukt door de wind en haar figuur straalde een overweldigende sensualiteit uit.

"Wat een praatjes, jongen!" sneerde Barthe. "Nisha is door haar moeder al beloofd aan de jongste zoon van de koningin van Capai, als hij volgend jaar gewijd wordt."

"Een kind! Wat heeft ze aan een kind! Wil ze geen man?" vroeg Tipo met een verontwaardigde klank in zijn stem, die zijn sterke verlangen verraadde.

"Nisha neemt wat ze wil," antwoordde Barthe. "Ze kan zelfs Shir mannen aan zich binden."

Vol ongeloof keken er nu vijf paar mannenogen op. Soerd begon te lachen.

"Dat kan ik me makkelijk voorstellen van een Bindi man," zei hij. "Ze is een prachtige vrouw. Ik zou het ook een eer vinden als ze mij vroeg. Maar Shir? Moet je ze zien, die blotkoppen op het achterdek!"

"Wat is een blotkop, Soerd?" vroeg Tipo.

"Oh, dat is een Tiki-scheldwoord dat gecastreerde ezel betekent. Zo leer je er weer eens iets nuttigs bij, Tipo," zei de inkthandelaar.

"Wie vraagt dan wie? vraag ik me af," zei Gaosar. "De Shir mannen lijken geen vrouw boven zich te dulden. En is het niet zo, dat ze alleen binnen hun eigen volk paren?"

"Ik heb al te veel gezegd," krabbelde Barthe terug. "Vergeet het. Als je maar weet, dat Nisha niet op jullie zit te wachten."

"En waar wacht jij op, Barthe-kank-oei?" confronteerde Karnk haar. "Hoorde ik je daarstraks geen grapjes maken over mijn deel?"

"Ik wil geen kinderen van roodharige reuzenmannen," zei Barthe eerlijk. "Wij wonen in De Staart en daar zijn de moeders niet makkelijk als je anders bent of doet. Nisha en ik hebben het daar al zwaar genoeg. Waarom denk je dat we handelen? Hier kunnen we even vrij ademhalen, vrije vrouwen zijn. In de Staart regeren de overgrootmoeders. Hun handen zijn hard en hun oordeel ook. Zo, nou weet je het, reuzenman. Ik onderhoud thuis twee jonge, krachtige mannen, dus tekort komen doe ik niet. Maar gelijk heb je, ik ben ver van huis en ik kijk met genoegen naar je mooie lijf."

"Heb je kinderen, Barthe?" vroeg Gaosar.

Barthe keek treurig. "Ik heb alleen vier zonen van mijn tweetal, oneer genoeg. Als er geen dochter komt om me te eren na mijn dood, verdwijnt mijn ziel van de aarde."

De Falak reageerde onverwacht op die laatste zin. "Ah, Geliefde Moeder," zei hij, de traditionele titel voor vrouwen in Ut gebruikend, "misschien gaat je ziel dan wel naar een mooiere plek."

Barthe werd ineens kwaad en liep weg. "Dat soort praat steek je maar af tegen andere Falaks, maar niet tegen mij," riep ze. Ze stevende rechtdoor naar Nisha en dook daar onder in een druk gesprek. Tipo volgde haar met zijn ogen, naar haar kijkend om maar niet naar Nisha te hoeven kijken. Plotseling zag hij achter haar een grijs-zwarte streep in de azuurblauwe zee. De kust van Bayin! Hij gaf een schreeuw en wees. De passagiers dromden opgetogen en druk pratend samen op de voorplecht. Hun bestemming was in zicht, het wachten voorbij!
In een schril contrast met die opgewekte gevoelens voelde Tipo plotseling een schrijnende innerlijke pijn. De reis met de veerboot was voorbij, maar daarmee ook de nabijheid van deze 'Maannachtvrouw', Nisha. Hoewel ze nooit aandacht aan hem had willen besteden, toch... toch was ze er geweest. Dichtbij. Voelbaar. Had hij misschien...? Zou hij alsnog voordat ze aan land gingen...? 'Een Bak vraagt geen vrouw', dat oeroude oordeel remde steeds weer al zijn verlangen en iedere handeling die op dat verlangen stoelde. Het was al een ongekend dappere ervaring geweest om tegen haar tante zijn belangstelling te uiten. Hij realiseerde zich dat zijn durf vooral was ingegeven door de grote afstand tussen de boot en Capai. Nu kwam Bayin dichter en dichterbij. Het was voor hem alsof ze een vijandelijke kust naderden, een vijand die hem zijn liefde zou ontnemen. Nisha, Nisha, Nisha. Haar naam galmde in zijn hoofd. De bark legde aan op een brede havenkade, die in verband met het tij schuin aflopend was uitgehakt in de rots. Als eerste sprong Nisha vanaf de voorplecht aan wal, een katachtige, gevaarlijke sprong.

'Zo graag wil ze weg van mij,' dacht Tipo. Het kwam niet bij hem op om te denken dat ze misschien zo verlangend was naar iets op Bayin. Toen haar voeten de kade raakten, was het alsof ze op z'n hart sprong. Gaosar, die ook verlangend en opgewonden bij het boord had gestaan, draaide zich ineens om, door een innerlijke stem geroepen en liep naar zijn broer. Hij sloeg een arm om diens schouders en streelde even z'n gezicht. Hij had de aard van Tipo's gevoelens snel begrepen.

"Alle smart gaat voorbij," troostte hij "evenals de vreugde."

Het was een volkgezegde op Capai. Maar Tipo was ontroostbaar al was er nagenoeg niets aan zijn gezichtsuitdrukking of lichaamshouding dat die pijn zou verraden. Nog nooit eerder was hem dit gevoel overkomen en hij miste zijn moeder opeens erger dan ooit tevoren. De Eilanden, hij had er zich zo op verheugd, maar nu leek het of Bayin een verdoemde plek was. Verder in de tijd gezien had hij het overigens bij het juiste eind.




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina