De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina29/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34

Hoofdstuk 28 Thuisgebracht.

Ario Propelser volgde min of meer de oevers van de beek. Aanvankelijk leek hij alleen maar een heel snelle renner, totdat hij op rechte stukken ging galopperen. Dat was weinig minder dan vliegen, zo hard. Hij moest wat vaart minderen toen het landschap erg ruig en dor werd, de bomen lager en krommer. Het beekwater werd gevoed door een toenemend aantal hoger gelegen bronnen en de stroom werd wilder en wilder. Eenmaal moesten ze door een trapsgewijs afdalende, kolkende stroomversnelling waden, die door een nauwe kloof raasde. Grommend gleed Ario een paar keer uit op de gladde stenen maar onder geen beding wilde hij de beangste Gaosar van zijn rug af laten gaan.

"k Gaat sjo al langsjaam genoeg," mopperde hij boven het woeste watergewarrel uit. Hun haren en kleren raakten bedekt met een vuilwitte pruik van donzig schuim. Pas tegen het donker verlieten ze de stroomrichting. Ario donderde door een verbrokkeld, kaalgegraasd landschap met grauwe heuvels. Soms flitsten er wat armetierige ceders voorbij. Eenmaal minderde hij vaart toen ze een hobbelig dal in kwamen, links en rechts allerlei geniepige rotspunten en uitsteeksels ontwijkend. Hij vertraagde meer en meer tot een uiterst behoedzame tred, de ogen en de neusvleugels wijd opengesperd.

"Wat is er?" fluisterde Gaosar in één van Ario's grote puntige oren.

"'k Mot tege de wind in."

"Wat is het gevaar?"

Ario spiedde een rechts van hun opdoemende bosrand af: "Boeren. Sjtaan te popelen om iemand te martelen."

"Waarom?"

"Hebbe nooit niksj andersj te doen hier."

Terwijl ze voortstapten, spande Gaosar de dubbele kruisboog. Zonder problemen raakten ze echter het dal weer uit en opgelucht schoot Ario in een galop, hoewel er nauwelijks een behoorlijk pad zichtbaar was. De maan kwam op, een halve boog die een rustgevend licht gaf. Ario ging weer langzamer omdat hun weg tussen ruwe rotsen door voerde. Gaosar kreeg last van slapende onderbenen en hij moest zich bovendien heel nodig ontlasten.

"Hier niet," weigerde zijn vehikel echter bot. Het terrein werd weer vlakker. Er was onafzienbaar suikerriet aangeplant. In het maanlicht golfden kleine windstoten door de wuivende, meer dan manshoge rietvelden. Voor Ario's harige neus bleef het veld helaas nog steeds te veel naar suikerrietboeren ruiken.

"Nu dan?" bedelde Gaosar toen ze een lichte bossage bereikten. Als enig antwoord versnelde Ario zijn draf tot ze uiteindelijk weer op overzichtelijker terrein waren.

"Moet je zelf niet?" vroeg zijn geprangde berijder. Ario liet zonder waarschuwing Gaosar’s benen los uit zijn knellende armgreep en de Halfbak viel pijnlijk kreunend op handen en knieën. De hondman begon meteen blaffend te lachen.

"Probeer je je eige zo aantrekkelijk voor mijn te make?"

"Nee," zei Gaosar beledigd. "Ik heb alleen overal kramp."

Ze pauzeerden korte tijd. Gaosar wreef en beklopte zijn gekwelde spierstelsel. Zijn billen, die niet aan lang zitten gewend waren, brandden als een ovenplaat.

"Waar zijn we hier ergens?" informeerde hij quasi onschuldig maar Ario was op zijn hoede.

"Asj ik ut sjei, sjou ut je nog niksj sjeggen," sliste hij.

"Maar is dit Illyan?"

"Ik breng je thuisj. Isj dat niet genoeg?"

"Ik zou naderhand toch de weg terug kunnen vinden," daagde Gaosar hem uit.

"Dat denk je maar!" kapte Ario gedecideerd af. "Nou, ken ik weer doorgaan?"

De hondman maakte zijn inschatting waar toen ze in de vroege ochtend aan de hoge rotsige kust van een enorme baai kwamen. Ver beneden hen was een diepe, zwartblauwe golving zichtbaar die over de hele baaibreedte op en neer ging als de buikademhaling van een zanger. Met een waanzinnig geweld ramden de wit schuim spattende uiteinden van de golving op de uitgesleten kliffen. Het was indrukwekkend en angstaanjagend tegelijk. En vooral heel hoog. Ario gebaarde naar de schoudertas.

"Eten."


Gaosar wou, de tijden van honger indachtig uit het recente verleden van alles en nog wat bewaren, maar Ario wuifde alle bedenksels weg en vrat zich als een wolf door de voorraad heen. Zwaar, zwart brood, notenpasta en een roodachtige, zoete ingedroogde pulp van bananen verdwenen als sneeuw voor de zon. Grote komkommers lesten de dorst. Toen was de tas leeg.

"Sjtop je boog d'r nou maar in," adviseerde Ario.

"Waarom?"

"Ja hoor es, je mot mij niet sjaggerijnig maken," gromde de ander. "Gewoon doen. En bind dan desje kant van me sjaal om je middel. Ook gewoon doen."

Ario lachte even zijn gehavende gebit bloot in een wolfachtige grijns. Wat er nog van over was, stond fors, scherp en puntig te blinken. De hondman haalde twee kleiachtige tabletjes uit zijn broekzak en at er één op. De ander stak hij Gaosar toe. `Wat is het en waarom en wat gaan we doen?' dacht de Halfbak in een oprispend paniekgevoel, maar Ario grijnsde hem overtuigend woest toe. Nee, dit was niet het juiste moment voor een inhoudelijk gesprek. Hij slikte het nietige tabletje weg.

"Gaat maar weer op me rug sjitte."

Ario klemde Gaosar’s benen onder zijn krachtige armen en begon te sprinten. Althans, toen Gaosar zich realiseerde dat het geen sprint was, maar een aanloop, was het al te laat. Hij gilde als een bezetene, trommelde met zijn vuisten op de rug en tegen de kranige kop van Ario maar dat hielp allemaal niet. Ineens hingen ze in het luchtledige. Ario was van de verst uitstekende klif gesprongen, recht de dreigende oceaan in.
Naderhand vertelde Gaosar wel eens dat hij van het ene eiland naar het andere gezwommen was, maar niemand geloofde dat verhaal.

"Waar een schip één of twee dagen over doet, dat deed jij in een halve dag?" riepen ze dan ongelovig.

"Je was betoverd, dat is het. En van welk eiland dan?"

Gaosar wist alleen dat hij tegen zonsondergang de haven van Gondar herkend had. Hij was volslagen uitgeput. Zeker, hij had gezwommen, maar merendeels was hij als een stuk drijfhout voortgetrokken door de onvermoeibare Ario, die ook in het water een snelheid als een oorlogsschip ontwikkelde. Hij had walvissen, dolfijnen en haaien gezien en soms een boot. Ten prooi aan de ergste angsten had hij ook lange, lange tijden zijn ogen stijf dichtgeknepen. Het zoute water had hem rozerood gerimpeld en uitgebleekt en ongeveer evenzo voelde zijn brein aan. Zijn lijf was koud als dreef het in een graf vol bevroren regenwater. Ario viste hem aan de sjaal uit het water als een dode vis en kwakte hem over zijn schouders. Ze stonden tussen twee magistrale grote Shir-handelsbarken met machtige driehoekige zeilen, die ingevouwen tegen de masten klapperden. Een zware geur van teer en vernis, van afval en rokende vuren drong zich aan hen op. Terug in de stad.

"Waar mot ik nou heen?"

"Paleis aan de noordkant," mompelde Gaosar uitlekkend en tot niets meer in staat. Ario's draf schudde hem zo onaangenaam heen en weer, dat hij na een tijdje lijden smeekte om weer te mogen zitten. Sommige voorbijgangers staarden hen in opperste verbazing na, maar niemand hinderde hen. Gaosar kwam voldoende bij zijn positieven om zijn vervoermiddel aanwijzingen te kunnen geven. Toch was 'thuis' komen niet eenvoudig meer, want het paleis van Siri's familie bleek door een hermetisch kordon Overzichters afgesloten. De mannen zaten in busjes, die op de weg geparkeerd stonden en verderop in het ruwe veld in tenten en greppels.

"Dat isj waar je wesjen moet?" wees Ario. Gaosar knikte. Als zijn vrienden er tenminste nog waren...

Ze waren de buitenste ring van het kordon zo dicht genaderd als ze durfden.

"Sje sjijn allemaal gericht op d'r niemand uit te laten," vertelde Ario na een korte inspectie. Hier en daar staken sommige Overzichters al een toorts aan, maar er was nog enig schemerig daglicht. Bij de hoofdingang stond een soort stenenwerper opgesteld, die waarschijnlijk opstijgende luchtwagens buiten gebruik zou kunnen stellen.

"Ik heb gedaan wat ik beloofd heb," bromde Ario uiterst nerveus. "Ik wil terug. Ik hou niet van mensjen."

"Dank je wel," zei Gaosar. "Ik red het wel. Moet alleen even wat eten."

"Dat ken ik nog wel effiesj voor je versjieren. Wacht hier maar."

Ze stonden op een slordig pad tussen hoge platanen, wier wit gespikkelde bast het allerlaatste licht van de avondlucht reflecteerden. Er vlogen grote groene parkieten met lange staarten af en aan. Naast het pad had een wilde regenhoos ooit een natuurlijke greppel uitgeslepen, die een goede beschutting bood. Gaosar dook er in weg en viel prompt in een doffe halfslaap. Ario's geslis bracht hem weer terug in de harde werkelijkheid. Het was inmiddels helemaal donker geworden.

"Hiersjo. Kip."

De zoutige, gekruide lucht van gebraden kip verrichtte een wonder. Tijdens het eten ging meteen ook Gaosar’s hoofd weer denken: "Hoe? Waar vandaan?"

Ario's tanden blonken weer op.

"Vraag vooral uitleg," bromde hij agressief.

"Dank je wel," mompelde Gaosar.

Ario klom de greppel uit.

"Ik ga weer. De vrouw houdt er niet van asj ik blijf hange."

Gaosar stak z'n hand op ten groet. Ario verdween in draf. Inderdaad had Gaosar geen idee waarheen de hondman terug ging. Hij hoopte dat hij uit de handen van de suikerrietboeren zou weten te blijven. Toen viel hij echt in slaap.
Gruwelijke en grappige dromen wisselden elkaar chaotisch af. Ergens in het midden van de nacht werd hij moeilijk wakker uit een kleverige plak- en drabdroom om te merken dat hij een slapende arm had. Hij moest even overeind gaan zitten. Tot zijn schrik kwam er net een patrouillerende Overzichter over de weg aanlopen. Een jonge man, zijn ogen zo aandachtig op het paleis gericht, dat hem de morsige gestalte in de diepe greppel in het geheel niet opviel. Hij was vrij klein van stuk met de typische kromme Shirneus en de mahoniekleurige huid van iemand die veel buitenshuis is. In het maanlicht toonde een jongensachtig, opgewekt gezicht. Misschien was hij wel heel blij met deze avontuurlijke opdracht en gespitst op actie. Het lot had hem nog heel ongunstig gezind kunnen zijn, als Gaosar zijn eerste impuls gevolgd had: `Ik zou hem in de rug kunnen neerschieten. Van kleren wisselen. Gewoon naar het paleis lopen. Maar als die kerel niet meteen dood is? Eén schreeuw is genoeg. En trouwens... al die hinderlagen. Al die listen. Bah. Al die moorden... Ik ben het zò zat. Ik heb er gewoon niet genoeg weerstand meer voor. En ik wil het ook niet meer.'

Het kwam bij hem op, dat dit paleis misschien door de koninklijke garde van Generaal Horkan verdedigd werd... Gor en Wyldo dood, dat had Kerko gezegd. Die twee hadden vanzelfsprekend Siri's betrokkenheid bij de overval op het laboratorium op Majeste verraden. Siri: een kleindochter van Horkan, Tirt uit het Huis van Onderzoek, Sugatha uit datzelfde Huis, en bovendien een nicht van Siri. In Kerko's ogen zou alleen plaats voor wantrouwen zijn. Alles zou wijzen op een intrige waar Horkan de hand in moest hebben. Balte Bol was naar het koninklijke paleis getrokken. Wie weet was daar nu al een veldslag aan de gang tussen Overzichters en de koninklijke garde? Maar er was nergens een ander geluid dan dat van krekels, uilen en gedempte stemmen. `En wat dan? Als ik in een overzichtersuniform tot bij het paleis loop, wie weet vuren de verdedigers wel op mij. Niemand kent me.'

De verborgen grot was waarschijnlijk eenvoudiger te bereiken, bedacht hij. Er zou een boodschap kunnen liggen. En drinken. Water om het plakkende zeezout uit zijn haar te spoelen. Andere kleren. Zulk een amechtig verlangen naar doodgewoon huiselijk comfort rees in hem op, dat het hem tot handelen aanzette. Zo geruisloos mogelijk in de greppel voortsluipend volgde hij de jonge Overzichter, wiens stampende gang van op de weg klotsende spreidvoeten goed te horen was. Onverwacht een flauw gerucht van andere stemmen. Twee andere Overzichters? Gaosar durfde niet over de rand te kijken, maar kroop dichterbij. Voor hem uit in de greppel schuifelde iets weg. Hij hoopte dat het alleen maar een mol was. Hij luisterde strak. Tegelijk ving hij een scherpe stem op: "Is dat Paizifume?"

"Ja, heer Lasthebber."

"Iets opgevallen?"

"Nee, heer Lasthebber."

"Kijk je altijd met je neus of alleen vanavond, slurf?"

"Eh, nee, heer Lasthebber."

"Dus je bent alleen vannacht hier als een blinde mol heen gescharreld?"

"Nee...eh. Ja, heer Lasthebber."

"Sla hem, Viano!"

Er klonk een petsende slag en de arme Paizifume kreunde ingehouden.

"Leg het deze pusbuil nog maar eens uit, Viano!"

De scherpe stem van de bevelhebber droop van sarcasme en drift. Een tweede stem deed zijn best om de hardheid van zijn superieur te evenaren. Gaosar kroop in een volledige jachtconcentratie nog dichterbij.

"Slurf!"

"Ja heer Officier."

"Er brandt een gele lantaarn en een blauwe naast de poort. Wat betekent dat ook al weer, slurf?"

"O. Ik had de blauwe niet gezien, heer Officier. Ik liep met mijn rug naar de poort."

"Sla hem nog eens, Viano!!"

De adjudant deelde gehoorzaam nog een pets uit. Paizifume moest bijna huilen. Gaosar hoorde z'n stokkende, hortende ademstoten.

"Wat betekent de gele lantaarn, slurf?!"

"Patrouille-orders uitvoeren, heer Officier."

"En wat betekent een blauwe?"

"Hergroeperen op aanvalsposten, heer Officier."

"En een gele èn een blauwe?"

"Nieuwe orders halen op de eigen patrouillepost, heer Officier."

"En welke kant loop jij dus op, slurf?"

"De verkeerde kant, heer Officier."

"En wat heeft het Korps aan pusbuilen zoals jij?"

"Niets, heer Officier."

"En wat doen zulke nietsen ook alweer?"

"Die slaan zichzelf in het gezicht, heer Officier."

"En wat ga jij dus doen?"

"Ja heer Officier."

Pats! Het was een harde klap, die Gaosar bijna zelf lijfelijk ervaarde als een wee gevoel in zijn buik. De ongemeen wrede vernedering deed een onpraktische drift in hem opborrelen. Hij haalde de boog uit de schoudertas en zette er twee pijlen op. Er was nog geen enkel plan in hem opgekomen. `Maar dat komt vanzelf wel,' dacht hij heel kort. Ineens kon hij zijn drift op een doel ontladen. Op die korte afstand kon hij niet missen en de Lasthebber stierf inderdaad zonder een kik te geven. De blauwe pijl had zich recht door het hart geboord en kwam weer te voorschijn aan de borstkant. Toen de man viel, sloeg door de kracht van de val de pijl weer grotendeels terug in de bloederige wond. De twee overblijvende Overzichters stonden even als aan de grond genageld, toen er een smerige, witharige spookgestalte uit de greppel naast hen opdook. Ze hadden gelijkelijk geschokt ingeademd maar ademden pas weer uit toen Gaosar "Doodstil!" en "Handen op je hoofd" grauwde. Hij was zich heel bewust van de twee tegenstanders en zijn ene overgebleven pijl. Bovendien had de tweede officier een vuurblaaspijp aan zijn gordel hangen. Na van de eerste schrik bekomen te zijn betoonde Viano zich een geoefend soldaat. Met kleine voetbewegingen werkte hij zich haast onmerkbaar verder weg van Paizifume. Gaosar voelde een direct doodsgevaar naar zijn ziel tasten.

"Sta doodstil, Viano!" beval hij. Het gebruik van 's mans naam had een magische uitwerking van gehoorzaamheid op hem. In het magere licht zag hij er niet heel onsympathiek uit. Hij had echter een onheilspellende gespannen blik in zijn ogen en zijn martiale snor verborg een dunne mond. De mondhoeken waren in een buitengewone bezorgdheid omlaag getrokken. Onder zijn officiersmuts stak een krans krullend haar uit. Gaosar durfde geen hand vrij te maken om een derde pijl uit zijn tas te halen. Dat had hij eerder moeten doen! Hij vervloekte zichzelf om zijn impulsieve handelingen. Paizifume stond gereserveerd toe te kijken, alsof hij aannam dat hij niets te maken had met wat er stond te gebeuren tussen de sadistische adjudant van zijn omgekomen lasthebber en die wrekende onderwereldgod die uit het niets verschenen was.

"Hij kan maar één keer schieten," zei Viano scherp tegen de jonge soldaat.

"Precies!" antwoordde Gaosar. "En ik moet nu al uitmaken wie van jullie mij dus het meest bedreigt. Als jullie tenminste besluiten om samen aan te vallen. Maar jullie vertrouwen elkaar niet, hè? Als Viano een bevel geeft en jij springt naar voren, Paizifume, dan sterf jij het eerst. Dat weet je toch?"

De jonge man gaf geen antwoord. Hij keek heel moe. Toch luisterde hij scherp.

"Viano offert heel makkelijk zijn ondergeschikten op. Dat weet je toch hè, Paizifume?"

Gaosar bleef naar Viano kijken terwijl hij op de jongste man insprak. De adjudant kreeg een kleur van razernij. De nare waarheid keerde zich tegen hem.

"Niet leuk maar wel waar, Viano," zei Gaosar. "Paizifume, draai je maar om en ga op je knieën zitten, handen op je hoofd."

"Doe het niet, slurf!" beval de adjudant grommend maar zijn eerder getergde ondergeschikte had weinig zin in riskante zelfopofferingen. Hij deed wat Gaosar gevraagd had. Viano bewoog zijn armen iets. Gaosar klom voorzichtig uit de greppel zonder zijn ogen van de Overzichter af te houden, de pijl zonder beven gericht op diens hart.

"Je denkt er over om je opzij te laten vallen. Is het niet zo, Viano?"

De adjudant gaf geen antwoord.

"Je vroeg jezelf af hoe snel je dat mes kan gooien, dat los in je gordel hangt? Nietwaar?"

Paizifume draaide zijn hoofd iets schuin, zodat hij naar zijn machteloze meerdere kon kijken. Hij was niet bang meer, innerlijk wetend dat hij van Gaosar voorlopig niets te duchten had.

"En je hebt spijt, Viano," vervolgde Gaosar temend, terwijl hij tegelijk voelde hoe er een enorme spanning werd opgebouwd. Hij had zelf nog geen idee waar hij heen wou en wat hij aan het doen was, maar er was een intuïtief proces in gang gezet, dat niet meer gestopt kon worden.

"Je hebt spijt dat je net zo slinks van Paizifume bent weggeschuifeld, want anders had je je nu achter hem kunnen laten vallen om hem als schild te gebruiken..."

"U bent een Hooggeborene?!" hijgde Viano plotseling. "U leest mijn geest!? Wat wilt u van mij? Waarom heeft u Lotharixeni gedood? Maakt u zich bekend alstublieft."

Gaosar deed twee driftige stappen naderbij en prikte de kruisboogpijl tussen Viano's ribben. Hij spoog de woorden uit: "Sta doodstil! Geen woord meer uit je slijmerige slangebek. Je bent al zo goed als dood! Voel je het?"

Viano's benen begonnen te trillen. Het doodsweten overviel hem op zijn zwakste plek. Gaosar voelde de onafwendbaarheid van de naderende gebeurtenis en een intense droefheid maakte zich van hem meester. Toch aarzelden zijn handen geen moment.

"Hoeveel mensen zitten er in het paleis?" vroeg hij. Viano gaf als een ledepop antwoord alsof zijn ziel het lichaam al verlaten had.

"Minstens vijftig man."

"En wie?"

"Horkans elite. Het tweede cohort."

"Is Jah Lino Siri binnen?"

"Haar uitlevering wordt geëist."

"Maar is ze binnen?"

"Dat weet ik niet."

"Hoeveel Overzichters zijn er hier gelegerd?"

"De Hoogedelheldere heeft een driedubbele overmacht bevolen."

"Kerko?"

"Ja."


Bij het noemen van Kerko's naam richtte de adjudant zich iets op. Het besef van diens macht gaf hem kennelijk weer levensmoed.

"Is Kerko hier persoonlijk?" vroeg Gaosar onrustig.

"Soms."

"Nu?"


"Ik weet het niet."

"Zijn er Overzichters achter het paleis in de heuvels daar?"

"Ik weet het niet."

"Je liegt," stelde Gaosar rustig vast. "En dat niets weten van jou staat me niet aan. Daar gaan we wat aan doen."

Met een gekromde vinger op z'n uiterste alertheid rond de boogontspanner liet hij de boog zoveel mogelijk op zijn elleboog en onderarm rusten, zodat hij zijn andere hand vrij kon maken. De pijlpunt drong door de toegenomen druk in Viano's vlees die een kreet van pijn nauwelijks onderdrukte. Paizifume zat er volkomen ontspannen naast met rustig afhangende ellebogen, de vingers in elkaar gehaakt op zijn hoofd. Voor hem was het een fascinerend schouwspel geworden. Gaosar ontkoppelde Viano's hele gordel en gooide het ding met alle wapentuig eraan schuin achter zich in de greppel. Hij deed weer twee opgeluchte stappen achteruit.

"Wat heb ik aan zulke nietsen als jij, Viano?" vroeg hij. Met opzet imiteerde hij de sardonische, onprettige stembuigingen waarmee eerder de adjudant de jonge soldaat vernederd had. Viano bleef zwijgen.

"Geef mij antwoord, slurf!" beet Gaosar hem toe. Viano bleef zwijgen. Even viel er een broeierige stilte. Toen ving Gaosar’s Paizifume's veranderde houding op. De jonge man had zijn ogen haatdragend toegeknepen en hij ging ongemakkelijk verzitten.

"Sta eens op, Paizifume," beval Gaosar. Snel stond de ander op.

"Sla hem eens op zijn slangebek," zei Gaosar.

"Ik vermoord je!" siste Viano tegen de soldaat, maar die kwam niet meer onder de indruk. Hij gaf zijn meerdere een overtuigende slag op de dunne mond, terwijl hij er oplettend voor zorgde dat hij niet in het schootsveld van de kruisboog kwam.

"Wat doen nietsen in het Overzichtskorps?" vroeg Gaosar. Direct antwoordde Paizifume wraakgierig voor Viano: "Die slaan zichzelf in het gezicht!"

"En wat ga jij nu dus doen?" vroeg Gaosar. Hij hoorde zichzelf praten en toch was hij het niet zelf. Hij was een spiegel geworden voor de adjudant wiens leven aan een einde was gekomen. Het was een ongewone, afstandelijke ervaring van objectieve goddelijkheid, die in de uitvoerende Gaosar een melancholieke pijn veroorzaakte. Pijn om het lijden van Viano, die met zijn verharde, superioriteitsbluf deze onafwendbare straf over zich had afgeroepen.

"U gaat u zelf in uw gezicht slaan, heer Officier!" drong Paizifume gretig aan. Zijn ogen bolden op en zijn mond hing open. Iets onvoorstelbaars was voorstelbaar geworden. Een zielewens had zich in de werkelijkheid gematerialiseerd. De rollen waren omgekeerd. De pusbuil Paizifume had zijn superieur kunnen slaan en vernederen. Hij scheen Gaosar’s aanwezigheid bijna te zijn vergeten, maar die voorzag toch een risico.

"Doe je wapengordel af en gooi hem in de greppel, Paizifume," beval hij. "En blijf uit de buurt van zijn handen!"

"Mag ik, Hoogedele?" smeekte de jonge man daarna en zonder te vragen wat gaf Gaosar toestemming. Paizifume ging schuin achter Viano staan en greep diens linkerhand. Voorzichtig boog hij de hand weg van het hoofd en ramde hem terug in Viano's gezicht. De adjudant begon te vloeken, maar Paizifume deed het nog een keer.

"En nu gaat u zichzelf slaan, heer Officier!" hijgde hij met een kwijlende geobsedeerdheid, waarin generaties machteloze, onderdrukte woede naar buiten kwamen. Gaosar keek toe met de ogen van een gepijnigde moeder, die getuige moest zijn van het machtspel tussen haar oudste en jongste zoon. De oudste had zich te gemakkelijk verlaten op zijn onveranderlijke eerstgeboorterecht en verzuimd de jongste te respecteren. Zijn luiheid en liefdeloosheid waren omgezet in een haatreactie, die alleen maar kan ontstaan in de frustratie van een zeer nabije familieband, die jarenlang geen uitweg vinden kan. Plotseling viel Viano zijn kwelgeest aan, maar Paizifume scheen daar juist op gewacht te hebben. Hij sloot beide handen om Viano's keel en wurgde de oudere man zonder acht te slaan op diens beukende handen en schoppende voeten. Ze vielen over elkaar heen op de grond. Paizifume was in een dier veranderd, een duizend maal afgeranselde hond die eindelijk, eindelijk toehapt in het been van zijn wrede meester. Zijn losgelaten furie was zo groot, dat hij Viano niet alleen verwurgde maar bovendien diens nek brak. Daarna zeeg hij huilend van de ontladen spanning tegen het levenloze lichaam aan.

Gaosar had huiverend toegekeken. Hij moest denken aan een betoverd geel tasje in een tovenaarskantoor in een ver, ver verleden. Een luchtloze, gasvergeven heuvel en een zwaar meedogenloos demonenlijf dat hem voorover in het zand drukte, hem wurgend en misbruikend. Het waren geen prettige gedachten. Iets heel naars daalde weer af in zijn geest. Hij had een gewaarwording van een even snel oplossend weten dat het gele gifgas nooit meer helende wonden in hem hadden achtergelaten. Onverwacht konden die opnieuw openbarsten met een giftig resultaat. `Wie heeft nou ook al weer wie vernederd?' murmelde dat venijnige stemmetje in dat grote, volle hoofd van hem, dwingend tot luisteren. Een onverbiddelijke logica, die altijd negatieve argumenten vond, waar hij niet onderuit kon: `Je praat je zelf een hoop mooie verontschuldigingen aan. Ondertussen manipuleert jouw geslepen wil hun lafheid. Je bespeelt dat stel zo dat jij je handen niet vuil hoeft te maken aan nog een moord. Benieuwd of je dit gore spel zonder schaamte aan Siri durft te bekennen.' Gaosar kneep met volle kracht zijn ogen dicht. De druk op zijn oogbollen joeg sterren met staarten door zijn brein en eindelijk het murmelende gekras weg. `Het is gedaan. Ik wist niets beters en mijn tijd is kort!' antwoordde hij zichzelf dapper. Hij sprong in de greppel en gespte Viano's gordel met de vuurblaaspijp om. De kruisboog ging terug in de tas. Nog lichtelijk op zijn hoede voor de jammerende Paizifume eigende hij zich wat van de fraaie maar vooral schone kleren van de onfortuinlijke Lasthebber Lotharixeni toe. De broek was prima en de laarzen ook. Veel van zijn onbehagelijkheid verdween toen hij het lijk bovendien kon beroven van twee waardevolle ringen, een dik muntsnoer met zilveren ringen en een schitterende sabel. Ook de dode Lotharixeni had een fraaie vuurblaaspijp aan zijn wapengordel hangen. Gaosar stopte in hem in de schoudertas bij de kruisboog. Daarna pikte hij Paizifume's wapengordel op.

"Hee, sta es op, jongen !" spoorde hij hem met zijn voeten aan. "Wou je blijven leven?"

De jonge Overzichter was verrassend snel bij zijn positieven. Hij stond onmiddellijk op en keek de man voor hem met grote schrikogen aan. Gaosar had de rode lasthebberskap op zijn hoofd gezet en met de broek en de laarzen van Lotharixeni had hij een volstrekte gedaanteverwisseling bereikt.

"Ik wil ook Viano's tuniek hebben," wees hij en zonder tegenspraak trok Paizifume het lijk het gewenste kledingstuk uit.

"Zoek z'n zakken na." zei Gaosar. Er kwam een tweetal mooie zilveren muntsnoeren tevoorschijn en een fraai vuurkristal. Uit eigen beweging trok de jonge Overzichter de ringen van Viano's dode vingers en diens zilveren halsketting over het geknakte hoofd. Het was zo te zien niet de eerste keer dat hij een lijk beroofde.

"Hou jij die muntsnoeren maar," zei Gaosar. "Ik wil de rest."

Zonder dat er een woord gewisseld was, kwam er een verbond tussen de mannen tot stand. Gaosar had ook Paizifume's wapengordel omgedaan.

"Voorlopig hou ik die," legde hij uit. "Je moet me nog ergens mee helpen en dan stuur ik je straks terug, met je eigen wapens. Je verzint maar wat. Als ze je ondervragen dan kan je nog heel oud worden bij dat Overzichterskorps als je goed je mond weet te houden. Snap je me?"

Paizifume knikte en boog ontroerd zijn hoofd.

"Duizendvoudig dank, Hoogedele. Ik doe alles wat u vraagt."

Daar twijfelde Gaosar niet meer aan. Paizifume had werkelijk iets van een hond. Een getemde hond. Voor het eerst in zijn leven kon hij uit wezenlijk respect iemand volgen. Zelfs zou hij om deze geestverschijning met dat rare witte haar iets kunnen geven. Voor de zekerheid testte Gaosar de mogelijk onbewuste intenties van de jongen.

"Als je mij weet te vermoorden, maak je een makkelijke promotie, niet?"

"Dat is zo Hoogedele. Maar dat doe ik niet. U heeft me heel erg gehol..."

Hij had geholpen willen zeggen, maar dat woord dekte bepaald het gebeurde niet en hij vond geen betere uitdrukking voor de primitieve afrekening, die had plaatsgevonden.

"Goed, al goed," zei Gaosar. "Ik wil naar de heuvels aan de noordoostkant van dit paleis. Zitten daar overal Overzichters?"

"Nee, Hoogedele. Er ligt een gesloten kordon in dekking buiten schootsafstand van het paleis. In de buitenste ring is er hooguit een enkelvoudige patrouillist. Zoals ik, Hoogedele."

"Juist. Wat gebeurt er als ik die gele lantaarn uit schiet?"

"Paniek, Hoogedele. En de buitenste posten zullen even denken dat er een aanval uit het paleis op komst is."

Het idee was even leuk maar bood weinig houvast voor een helder plan. Hij besloot tot een andere strategie.

"Als jij me zo ziet, wat denk je dan?"

"Eh... Ik zou eerst eh... nou, u ziet er natuurlijk uit als één van onze lasthebbers. Behalve die tas en ja... uw gezicht is heel anders."

"Ik kijk verkeerd, bedoel je?"

"Eh ja... En u draagt teveel wapens natuurlijk."

Gaosar deed Paizifume's wapengordel weer af en woog hem aarzelend in z'n hand. `Ergens is alles makkelijker als ik die knaap gewoon uit de weg ruim.' Dat dacht hij maar hij zei: "Goed. Ik geef jou je wapens terug. En jij draagt die tas. Je blijft er uit met je handen. Als je mijn achterdocht opwekt, dood ik je alsnog met de vuurblaaspijp van Viano. Snap je me?"

"Zeker. O zeker. Absoluut Hoogedele."

"Je loopt een pas of twee voor me uit, alsof je mijn adjudant bent en je houdt je gezicht in de schaduwen. Ja?"

"Ja, Hoogedele."

"Laten we deze twee dan nu de greppel in smijten. Wanneer worden ze vermist?"

"Gauw, Hoogedele. Ik had ook al terug moeten zijn."

"En dan?"

"Dan steken ze een rode lantaarn aan voor verhoogde paraatheid en ze sturen een zoekpatrouille deze kant op."

"We gaan er de pas in zetten," zei Gaosar en dat deden ze.


Omdat ze bijna een halve cirkel moesten maken, duurde het minstens een sai voordat ze in de buurt van de grot terecht gekomen waren. Inmiddels was er een rode lantaarn opgestoken en werden de in dekking liggende Overzichters met hoornsignalen op de hoogte gebracht. Eenmaal waren ze op een tweetal patrouillerende Overzichters gestuit, die nerveus vragen wilden stellen. Deels uit angst en deels uit roekeloosheid snauwde Gaosar hen echter nijdig uit de weg met een "Flikker op, pusbuilen!" en dat jargon bleek even goed als een wachtwoord te zijn. Toen ze de locatie van de verborgen grot bereikt hadden, wist Gaosar aanvankelijk in de dichte begroeiing de ingang niet meer te vinden. Gaosar herkende de plek wel aan de geur van wilde mint en rode hibiscusbloemen, die op een wingerdgolf door de dichte struiken en bamboebosjes trokken, maar in het donker was er weinig goed te zien. Een tijdje liep hij redeloos en radeloos te zoeken, terwijl er lager op het glooiende terrein overal druk geschreeuwd werd door verontruste Overzichters. `We hadden een wachtwoord moeten afspreken, 'bedacht hij woedend om zijn eigen nalatigheid. `Maar dit is niet het juiste moment voor zelfverwijt' hielp hij zichzelf uit de put en ineens was er een andere woord in zijn geest dat net zo goed was als een wachtwoord. Hij riep Paizifume.

"Jij gaat links en iets rechts en na iedere vijf stappen roep je zachtjes Panneman. Als je wat hoort, roep je mij. Ik heet Gaosar. Begrepen?"

"Ja, Hoogedele," knikte Paizifume. Z'n gezicht stond zo gelukkig alsof ze samen op een verjaardagsvisite gingen. Lang hoefden ze niet te zoeken. Er klonk een gekraak en een gedempte schreeuw en Paizifume verdween uit het zicht. Gaosar sprong naar de plek toe en wrong zich tussen bamboe en varenplanten door, totdat hij bijna in de gestrekte sabel van Karnk liep. De verborgen ingang!

"Kàrnk!" siste Gaosar. Achter in de grot brandde een afgeschermde kaars en in de dansende schaduwen zag hij hoe de reus met zijn andere hand het hoofd van de arme Paizifume omklemde, die half van de grond getild werd.

"Laat hem los!" riep Gaosar en verbaasd en sprakeloos deed Karnk dat. Het rechteroor van de Overzichter was half van zijn hoofd gescheurd en bloedde verschrikkelijk. Gaosar ragde met zijn tanden een dikke reep van de paarse sjaal af en bond tierend afreagerend het oor weer min of meer vast tegen het hoofd.

"Onbehouwen slurf! Hij riep toch Panneman!?" schreeuwde hij tegen de nog steeds volslagen beduusde Karnk.

"U kon er niets aan doen, Hoogedele," piepte Paizifume, zijn nieuwe meester verontschuldigend.

"Wat sta je me nou aan te kijken?" bulderde Gaosar in z'n zenuwen tegen de reus. "Ik ben er weer, vetbek!"

"O, o, o," bracht Karnk er met een schor, hoog stemmetje uit, terwijl hij met z'n uitgestrekte berenarmen op z'n verloren gewaande makker afstapte. "We dachten dat je dood was..."

En toen begon hij met gedempte uithalen te snikken, Gaosar omklemmend, zijn rode kop hoog boven de Halfbak uittorenend.


Iedereen was er. Behalve Ate en Ushtar die echt dood waren.

"Ga eerst maar naar Siri," adviseerde een overgelukkige Ishti. "Die is er slecht aan toe. Het begon met angst om jou, maar dat heeft haar hele weerstand aangetast."

De jonge vrouw lag ziek in een hangmat achter in de grot te rillen en ze wou eerst niet geloven dat onder de absurde rode Overzichtersvermomming echt Gaosar schuilging. Er waren scherpe, dunne lijnen naast haar mond en tussen haar ogen gekomen die er eerst niet waren geweest.

"Je was ineens weg," fluisterde ze koortsig. "Je was ineens weg. Ik heb niet goed op je gelet. Je was ineens weg."

Hij stond te stuntelen naast de hangmat, diep bezorgd toen hij zag hoe ziek ze was. Tirt en Sugatha stonden aan weerskanten naast hem, met hun armen om zijn schouders heen. Beiden hadden zulk een aandoenlijke glans op hun gezichten, dat Gaosar ineens besefte dat er ook met anderen heel veel was gebeurd in de tussentijd.

"Je bent zwanger hè?" zei hij met een onverwacht inzicht tegen Sugatha. Ze keken hem allebei even verrast aan.

"Het staat op jullie gezichten," zei hij, terwijl hij zich tegelijkertijd afvroeg, of hij die wetenschap ook zonder Ferirkerie's informatie had kunnen uitvinden.

"Al sinds de eerste keer," glunderde Tirt. De pijnlijnen in zijn gezicht waren niet verdwenen, zouden waarschijnlijk ook nooit meer verdwijnen. Verder zag hij er goed uit. Hij droeg een apeleren broek over zijn metalen benen en een muts over zijn bronzen schedelplaat. Hij liep voorzichtig maar zonder zichtbaar lijfelijke inspanning.

"O, ik ben zo blij jullie te zien!" zuchtte Gaosar en hij drukte de twee Shir dicht tegen zich aan.

"We moesten alsmaar op Ishti vertrouwen, die hier op je wou wachten," bromde Karnk. "Die ouwe aap bleef maar beweren dat je nog leefde. Voor mijn gevoel was je dood."

Hij had nog rode ogen van het huilen dat eindelijk zijn rouwende geest ontlast had.

"Raar. Heel raar. Toen ik dacht dat je dood was, kon ik niet huilen en nou ik je in leven zie, moet ik steeds janken."

"Het had erger kunnen zijn," zei Gaosar op goed geluk.

"Ja hoor. Wat heb je toch een fabeltastisch gevoel voor humor," mopperde Karnk, nog even gehecht aan zijn verdriet.


Gaosar liep wat verdwaasd rond in de grote ruimte. Wat hem nog restte van al zijn bezittingen, lag nog daar waar hij het had achtergelaten. Zijn lange Tai-speer en de zakjes zilver. Hij dacht aan het vertrouwde touw van Capai, de ezelbotmessen en de polsband, verloren geraakt bij zijn ontvoering. Ergens liepen zijn berovers ermee rond. Hij schudde zijn wraakverlangen van zich af als een hond het regenwater uit zijn vacht. Hier en nu, hier en nu, hield hij zichzelf alsmaar voor. Het verhaal over zijn ontsnapping hield hij zo kort mogelijk. Hij moest alleen even uitweiden over de positie van Paizifume, die in zijn Overzichtersuniform met maximale achterdocht bekeken werd. De Overzichters bleken inmiddels inderdaad onder bevel van Kerko gesteld, toen via de gongboodschappen de Rishe Raad op de hoogte was gekomen van de verdwijning en de vermoedelijke dood van Eichhor. Kerko had zelf met een escorte Overzichters Gor en Balgox Wyldo van Majeste gehaald en hen zonder pardon gemarteld. Kerko had alles op alles gezet om bijzonderheden over de mysterieuze Karnk en Gaosar te weten te komen. Overzichters hadden hun spoor op Majeste nagetrokken en zo was er waarschijnlijk ook een signalement van Ate en Ushtar bekend geworden. In de haven hadden functionarissen van het Huis van Oorlog naar Benko en de bestemming van zijn bark geïnformeerd. Aanvankelijk was niet duidelijk of de aanslag van de Sicarii gericht was op Gaosar of op Siri. In ieder geval was de betrokkenheid van Tirt, Siri en Sugatha bij de sabotagepoging op Majeste overal na enkele dagen bekend geworden. Ishti was in een vermomming de enige geweest die vrijelijk de stad in en uit kon komen om van zijn diverse informatiebronnen gebruik te kunnen maken. Veel goed nieuws was er niet. Nog steeds hield het Huis van Oorlog onverkort vol dat Pirtiland gebombardeerd zou moeten worden.

Direct na de verdwijning van Gaosar waren ze gezamenlijk ondergedoken in de verborgen grot. Eén van Siri's personeelsleden had Generaal Horkan spoorslags op de hoogte gesteld. Zonder tijd te verliezen legerde Horkan een aantal onvoorwaardelijk aan hem en zijn geslacht toegewijde elitesoldaten in het familiepaleis, de illusie wekkend dat zij daar bewaakt werd. Hij weigerde in te gaan op de dringende verzoeken van Kerko om uitlevering van zijn kleindochter en had ook de meeste andere leden van zijn familie laten onderduiken. Hij had openlijk laten weten dat hij in het geheel de zoveelste aanslag op de koning zag, die indirect werd ingezet met een aanval op de familie Horkan. In die visie werd hij gesterkt door een kleine minderheid uit de Raad onder aanvoering van de nieuwe Hoofduitvoerder van het Huis van Onderhoud, Rish Balte Bol. Deze had symbolisch zijn intrek genomen in een dienstvertrek van het paleis. Onverklaarbaar bleef voor de meeste waarnemers, waarom er in het Huis van Oorlog een volstrekte chaos was gaan heersen. Documenten verdwenen, vertrekken brandden uit en al Kerko's persoonlijke assistenten waren een onverklaarbare maar onveranderlijk gewelddadige dood gestorven, hetgeen de opvolgingsanimo tot een absolute flauwte terugbracht.

"Daar is Onsten aan het werk geweest," zei Ishti. "Geen twijfel mogelijk. Zijn magie is onze grootste bondgenoot. Kerko heeft zelf een nieuwe Tegenstrever gecreëerd, die een grotere uitdaging is, dan hij zich ooit heeft kunnen voorstellen. Dut Derhin is geen echte dode waar hij zijn demonen op af kan sturen en het is geen gewoon levend mens, die zijn assistenten bijtijds onschadelijk hebben kunnen maken."



Deel met je vrienden:
1   ...   26   27   28   29   30   31   32   33   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina