De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina28/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   24   25   26   27   28   29   30   31   ...   34

Hoofdstuk 27 Samenkomen.

Tik, tik, tik, tik. Het begon te regenen. Langverbeide regen. Ze moesten allebei lachen.

"Ze huilen mee daarboven," zei Gaosar.

"De Aardemoeder was droog en de Vader stortte zijn tranen in haar," citeerde ze een inscriptie op de zuil van Katatnia. Katatnia...

"Ben ik soms op Bonewits?" vroeg hij ineens.

"Hou je mond," bitste ze.

"Ga slapen. Ik wek je tegen zonsopkomst. Je moet uitgerust zijn voor je de drank neemt."

"Is het net zoiets als de lapblokjes van de Rishe?"

"Zoiets. Maar de Moeders hadden de drank al voor de Shir op de eilanden kwamen. De Shir gebruiken het in verdroogde vorm. De Moeders snijden en koken de heilige klimplanten zelf. Maar deze drank is speciaal voor jou gemaakt."

"O," zei hij haast verlegen. Ferirkerie sprak heel direct en doelbewust:

"Het Ritueel zal je precies laten zien waar je bent en waarschijnlijk waar je heen gaat. En de vraag blijft of je dat wel allemaal wil weten?"

"Zoals de maagd zei tegen haar bejaarde bruidegom," zei hij ad rem en toen konden ze gelukkig allebei weer even lachen.


De geuren en geluiden van het regenwater opslorpend land vulden de nacht met hemelse kracht. Zoals het sap opwelde in de stengels van de planten, zo vloeide Gaosar’s geest van dromen naar waken. `Ik heb vleugeltjes aan mijn voeten' droomde hij maar toen voelde hij Ferirkerie's handen zijn voeten liefkozen.

"Tijd om wakker te worden," zei ze. Speciaal onder zijn hangmat hadden salamanders de grond rijkelijk met keutels en zaadslijm bestrooid. Het stonk sterk naar salpeter. Ferirkerie droeg een witte jurk en daar overheen een lange grillig gevormde halsketting die veelvoudig opglansde in de laatste ijle sluiers maanlicht.

"Wat is dat?" vroeg hij nog niet helemaal bij de tijd.

"Parels. Ingedroogde navelstrengen."

Toen werd hij vlug helemaal wakker: "Ik weet ineens wat jij bent. Een Mankiatto-vrouw. Zo een die amuletten maakt."

"Maakt het uit dat je mijn titel weet?" kribde ze.

"Het wordt tijd dat jij je benul op iets belangrijkers richt." Ze bood hem twee bekers water aan: "Eerst drinken. En dan je ontlasten. Kijk uit voor bloedzuigers."

Hij deed wat ze zei. Overal stonden roestkleurige waterplassen op het erf, een paradijs voor slakken, kikkers en slijkspringers. Waar het droog was, scharrelden reusachtige blauwe pissebedden rond, ruw verdreven uit hun ondergelopen onderkomens. Er hing een zachte geelroze nevel in het oosten. De klamme hitte van de voorgaande dagen was verdwenen en een tintelende frisheid nam bezit van de nieuwe dag. Hij liep naar de verste punt van het erf om daar te schijten. Terwijl hij gehurkt zat, keek hij naar een wand van ondoordringbaar groen van kleine bamboeblaadjes. Overal stond tere rode en roze lathyrus op opengaan. Een straal zonlicht en de uitbundige weelde van hun pastelkleurige bloei zou het hele bosje in een onweerstaanbare glorie zetten. Boven zijn hoofd klapperden vier roze kraanvogels voorbij. `Standvastig zijn vandaag,' zouden de ooms op Capai het teken uitleggen. `Verdraagzaam maar zonder wijken.' Wat was Capai ver weg.

Ferirkerie had op de veranda een kistje neergezet, waar ze verschillende bizarre attributen uithaalde. Een gladde witte schedel kwam onder de hangmat te staan. Gaosar hoefde niet te vragen van wie het doodshoofd was geweest. Bindi en Baks leken in hun Moederverering daarvoor teveel op elkaar. Links ervan legde Ferirkerie een groenglanzend brok toermalijn en rechts een obeliskvormig stuk rozenkwarts. Gaosar zal vol vragen. Hij hoefde ze niet eens te stellen.

"Dat daar," wees ze op een bruinig drankje," dat is je gids. Muskaatnoot, yaje, peterseliezaad, ayuwasca en nog wat kleinigheden. Maar je enige echte vraag kan zijn: Durf ik de tijd te onderzoeken? En tevens: Vertrouw je mij?"

Hij knikte stom. Hij zag haar ontroering en haar vreugde. Uit het kistje pakte ze een ketting van kleine stukjes bruine en gele amber, die ze om zijn hals legde.

"Deze mag je houden na vandaag," zei ze en met die woorden werden haar smalle ogen nat. Ze knipperde de tranen weg, maar liet zich er niet door afleiden: "Mond open."

In een onberedeneerde overgave slikte hij het bitterzure drankje weg dat ze hem gaf.

"Nu moet je me nazeggen," fluisterde ze. "Moeder van de Aarde, geef mij het midden van het pad..."

Hij herhaalde de zin en het haar op heel zijn lichaam ging overeind staan.

"Laat mij niet klagen over de onbestendigheid van de voorspoed, noch over de onrechtvaardigheid van de tegenspoed. Laat mij het midden van het pad."

De woorden hadden een tomeloze kracht. Iets wat Ferirkerie de vorige dag gezegd had, flitste door hem heen. `De Moeder geeft het leven, maar de vader de woorden.'

De woorden. Woorden. De twee talen glipten door elkaar heen. 'Pai' betekent in Tiki 'Vader'. Mijn Pai geeft mij de woorden en mijn moeder.., mijn moeder kwam van mijn vader.'

Ferirkerie's stem zong door.

"Verdwaald ben ik in gisteren en morgen. In slangebek en paddehuid, in 't zonnekruid schuilt uw ruimte, in de tijd verborgen."

Hij zei haar gedachteloos na: "Moeder van de Aarde, laat mij het midden van het pad."

"Goed. Ga maar liggen. In de hangmat. Ik blijf bij je."

"Bedrieg je me niet?" vroeg hij, eventjes bang.

"Natuurlijk wel," zei ze. "Maar het had erger kunnen zijn."

"Dat is waar," grijnsde hij.

"Jij en ik hebben genoeg van elkaars bloed vergoten, vind je niet?" vroeg ze. Die waarheid maakte hem lang stil. Toen bereikte het gif zijn hersens. Er gingen sidderingen door hem heen. Even greep hem een pulserende misselijkheid aan. Z'n gezichtsvermogen veranderde, focussend en dan weer bijziend zonder dat hij daar iets aan kon doen. Hij hield echter zijn geest strak om het onwillige lichaam te weerhouden van het braken, dat het als een natuurlijke reflex koos om het gif te verwijderen. Stroompjes zweet ontstonden overal op zijn gezicht en in zijn gewrichten. Hij installeerde zichzelf opnieuw in een rozenveld.

"Je mag jezelf wel wat meer ruimte geven, hoor," zei Ferirkerie maar haar stem kwam al van het andere eind van de aarde.

"Ik moet dat nog leren," antwoordde zijn mond.

"De enige die hier jou beperkt, ben jezelf."

Het was iemands stem, de zijne, die van haar, van Oerbash? Iemand anders? Zinnen borrelden op in zijn denkspectrum: `Leren? Leren kan je alleen door te ervaren. Zoals een kind zijn vingers brandt. En doe het totaal. Als je het half doet, voedt dat alleen de geest met nog meer denken.'

"Laat mij het midden van het pad."

De laatste zin kwam zeker uit zijn eigen mond want zijn duim zat erin en hij werd gewaar hoe zijn tanden tegen de duimnagel bewogen.

"Gaosar, hoor je me?"

Hij wist dat het Ferirkerie was, maar hij kon zijn ogen niet open krijgen om haar te kunnen zien.

"Als je me hoort, beweeg dan je linkerhand."

Dat kon nog prima. Hij woof ermee.

"Goed. De Moeders willen dat ik je het ware gezicht van de Zonnetempel laat zien. Wil jij dat ook? Wuif met je hand als je instemt."

Hij woof. Het was grappig en wonderlijk. Geen woorden nodig. Wuif. Wuif. Wuif. Wuiven is ook een wonderlijk woord. Wuif. Wuif.

"Al goed Gaosar. Goed. Goed. Ga maar kijken. Zeg maar Zonnetempel. Zonnetempel."

Zijn mond kon ineens weer praten.

"Zonnetempel," zei hij en toen was er even helemaal niets, niemand niet en nergens niet. Op een bepaalde plaats lag ergens een verlaten lichaam, strakgespannen als een veer in een hangmat, als een gealarmeerd konijn klaar voor een razende vlucht, maar nog niet wetend waarheen. En elders... Er kwam een beeld op Gaosar’s verschoven netvlies: het piramidevormige Tempeldak, gepolijste leisteen, opgloeiend in de zon als bepoederd met een maalsel van spiegelglas. Het plaatje brak door de muren heen tot het stilhield in een bekende ruimte. Een tempelzaal waar vuren brandden op grote schalen. Een lange, magere priester met een holle rug en vreselijk doorgezakte spreidvoeten wierp een onbekende offergave in de mond van een boomhoog, oogloos hoofd dat op een platina plateau stond opgesteld.

"Dat is het zwarte hoofd van de Mengt-reus Bran. Dat zeggen de priesters tenminste..."

De vrouwestem die in zijn brein fluisterde was niet de zijne en ook niet die van Ferirkerie.

"Maar dat is een leugen om het gewone volk te imponeren. Het oogloze hoofd is van oeroud zilver en het is door de Bindi-voormoeders gemaakt. Door de Bindi! Begrijp je wat dat wil zeggen? De oermoeder die naar binnen kijkt. Maar de Shir kijken alleen naar buiten. Snap je het? De Shir aanbidden de godin van de Bindi! De heerschappij van de Shir is geleend. De Shir zijn namaakmensen. En ze zullen worden vernietigd omdat ze de moeder loochenen! Ziet! Ziet!"

Plotseling trilde de hele zaal en uit de mond van het zwarte beeld gulpte een zwarte golf water en daarna een tweede. Het werd een stroom die niet meer ophield. De tempelzaal met de schreeuwende, verdrinkende priesters werd donker. Opnieuw de vrouwestem: "Het land zal water worden. Het valse vuur zal tegelijkertijd het water verdampen en de aarde verteren. De Shir worden verdoemd."

Nieuwe beelden, meer overstromingen, nee geen overstroming, iets anders, erger. Verdrinkende dieren en mensen. Drenkelingen op hout, gehavende boten. En scherp gekakel: "Zie je? Zie je? Dat blijft over van jouw koninkrijk!"

Iets van zelfgenoegzaamheid in die stem, tevredenheid over alle getoonde lijden, wraakzucht misschien zelfs, dat iets bracht Gaosar weer terug naar Gaosar.

"We zullen wel zien wat er gebeurt," zei hij hardop en toen was de hangmat weer voelbaar. Ferirkerie hield allebei zijn voeten vast.

"Kun jij zwemmen?" vroeg hij.

"Omdat de Moeders de ondergang van de Shir door het water voorspellen?" vroeg Ferirkerie. "Hebben ze je dàt weer laten zien?"

"Ja."

"Je gelooft er niet in hè?"



"Ik geloof in wat ik zie en voel, hier en nu," zei hij maar tegelijk trok er een golf van weemoed door zijn lichaam heen. `Maar Tipo en Nisha zijn gered op Benko's boot,' dacht hij en dat troostte hem meer dan hij zeggen kon.

"Je moet doorgaan. Naar je Tegenstrevers kijken. Die voorkennis kan je beschermen. Noem Palo Kerko," drong Ferirkerie's stem aan. Werktuigelijk deed hij wat ze vroeg. Hij was nu voorbereid op wat er ging komen en zijn lichaam kon min of meer ontspannen. Eerst was er zwart, toen wit en toen zonlicht. Een andere zaal. Prachtige plafondluchters met lianry-licht. De Rishe Raad in vergadering. Een chaotisch tumult. Alle Gapers waren klaarwakker, op z'n minst vervuld van twijfels en onzekerheden. Heftig geagiteerd waren er twee Rishe met elkaar in debat, hetgeen ook de rest van de vergadering in twee kampen verdeeld scheen te hebben. Uit een hoek buiten zijn bizarre onstoffelijke gezichtsveld kwam plots een harde, doordringende stem die: "Beenderlozen!" riep. Hij hoefde niets te zien om toch te weten dat Kerko was binnengekomen. Ondanks zijn vrij kleine, gedrongen postuur straalde de oude man met de zwarte, gevorkte baard een macht uit, die een koortsachtig rillen door de aanwezigen joeg.

"Klaar?" smeet hij er achteraan. De meeste Rishe in de zaal waren opgewonden en tegelijk doodsbang. Sommige knepen hun ogen toe, bij anderen deed de angst hen de ogen juist opensperren.

"Wyldo is terechtgesteld. Zijn trawant Gor heeft zichzelf het leven benomen," beet Kerko zijn gehoor toe. "Het Huis van Oorlog heeft de Staat van Gezag uitgeroepen. Ik zal zelf de operatie op Majeste leiden. Ik zal bovendien Generaal Horkan aanklagen, zijn zonen, zijn kleinzonen en zijn kleindochter. De Overzichters staan vanaf nu onder mijn bevel. En U moogt verder discussiren wat u wilt!"

De gezichten van de Rishe gingen in hun gezamenlijk afgrijzen op elkaar lijken. Toch had Kerko niet iedereen in zijn macht. Er was een wat te zware man in een kostbare berylgroene mantel op zijn bank gaan staan, die met een ebbehouten staf op het hout voor hem sloeg. Het geluid galmde als een klok door de stilte van glazige huiver die na Kerko's woorden gevallen was. Kerko die zich al half had omgedraaid om weer weg te gaan, ergerde zich bovenmatig.

"Risk Balte Bol?! Net in uw hoge functie en nu weerstaat u het besluit van de Raad al?!"

"Ik dien het Huis van Onderhoud op gepaste wijze!" riep de man en hij produceerde een grimmige glimlach. Hij had een kalm gezicht, brede kaken en een brede mond, hoewel nu de lippen vast op elkaar waren geklemd.

"U bent voorbarig in uw maatregelen, Hoogedelheldere," vervolgde hij "en ik eer de nagedachtenis van mijn voorganger, de Edele Grootstreper Cayobur Hayo. Ik wil de tijd nemen om de feiten anders te rangschikken dan u doet. En ik ben er zeker van dat de Raad naar mij luisteren zal. Is dat niet zo?" De laatste zin bracht hij met zulk een stemverheffing dat een groot aantal Rishe beduusd in hun bank ging zitten. Kerko's ogen spoten vuur, maar hij durfde de zaal niet te verlaten voor zijn overwinning was veilig gesteld. Bol ging door: "Uw Huis leidt zware verliezen, dat is waar. Reeds drie van uw assistenten zijn op mysterieuze wijze binnen drie dagen omgebracht, dat is vastgesteld. Maar uw beschuldigingen gaan mij te ver evenals de macht die u aan zich trekt. Uw werkvertrekken zijn geschonden, dat is eveneens een feit. Maar wiens magie kan de uwe evenaren op het punt van afsluitingen? Uw verdwenen assistent Sarlof komt, meen ik als eerste in aanmerking en niet uw opponenten in het Huis van Onderzoek ondanks al hun dubieuze handelen op Majeste dat u aan het licht gebracht heeft. Maar waar is Sarlof? Stel ik een correct punt of niet?"

"Sarlof is eveneens vermoord!" beet Kerko de Hoofduitvoerder van het Huis van Onderhoud toe.

"Toont u mij zijn lijk!"

Rish Balte Bol was een even intelligent als dapper man, want weinig anderen hadden ooit de Raadsvoorzitter zo weerstaan: "Wie was de moordenaar?"

"U gelooft mijn mededelingen niet!?" raasde Kerko terwijl hem een plukje wit schuim op de rechtermondhoek kwam. Balte Bol keek hem minzaam en uiterlijk onbezorgd aan, de wenkbrauwen licht opgetrokken.

"Ik hecht niet zozeer aan mijn leven als wel aan mijn integriteit," antwoordde hij. Men kon een speld in de zaal horen vallen. Kerko kuchte. Het was een ijzig, onaards blafje, dat diep verbonden was met de dood. Er kwam een klammige natheid in zijn uitstraling tot leven, die op de gezichten van de Rishe die het dichtst bij hem stonden een intense afkeer opriep. Rish Bol bleef er rustig onder: "Dat u uw toevlucht neemt tot demonische argumenten in plaats van redelijke, tekent u, Rish Kerko," sprak hij meer tegen de Raadsleden dan tegen Kerko. Die beheerste zich snel en wierp Balte Bol een speurende maar tegelijkertijd meedogenloze blik toe.

"Iemand onder u gebruikt een spiegelmasker om mijn positie te ondermijnen," teemde de Raadsvoorzitter. "Het is een verboden techniek en ik zal niet rusten voor de overtreder op de Oceaanplank staat."

"Uw eigen assistent Sarlof is in zijn leertijd op zulk een verboden experiment betrapt," bleef Bol volhouden. Kerko barstte bijna van nijd.

"Nog nimmer, nimmer! is er aan mijn woord in deze Raad getwijfeld," voer hij uit, speeksel rondspattend, maar Rish Bol hield opnieuw voet bij stuk.

"Er is u ook nooit op de man af gevraagd of u de hand heeft gehad in de Slangeval die mijn hooggeëerde voorganger het leven heeft gekost."

Kerko's gezicht trok zo wit weg dat men het voor een doodshoofd had kunnen houden. Weer begon er iets achter zijn hoofd te trillen in de lucht. De lucht begon zuur te ruiken. Ternauwernood verdroegen de twee magiërs elkaar in hun wederzijds uitgesproken weerzin. Rish Bol stapte van zijn bank af en liep behoedzaam verder van Kerko vandaan als een oude, grijze vos, die er op uittrekt om te gaan jagen.

"Wie mij steunt, geve mij hulp!" riep hij luid. "Ik ga naar het paleis van de koning. Ik verdedig Horkan. U bent vrij in uw keus. De mijne is gemaakt!"

Er werd hoog gegild achter in de Raadzaal maar Gaosar was er geen getuige meer van. Zwetend en hijgend was hij terug in de hangmat terwijl achter hem de papegaai als een razende tekeer ging.

"Laat mij het midden van het pad," kreunde hij.

"Drinken moet je," drong zijn beschermvrouwe aan. "Rust maar even uit. Alles gaat goed. Voel de ochtendwind. Straks krijg je 'n verrukkelijk ontbijt van mij als je goed je best gedaan hebt."

Haar stem was vrolijk en licht en het gaf Gaosar een bruikbaar anker.

"Wat een lief moedertje ben je toch," antwoordde hij luchtig, vluchtend in de spot want eigenlijk meende hij het heel erg. Onrust klonk in haar stem toen ze vroeg: "Het regime van de Rishe stort in, beweert Moeder Boesho. Is het zo? Zie je dat?"

"Zo ziet het er wel uit. Kerko heeft een onbekende Tegenstander gekregen, die hem en het Huis van Oorlog te grazen neemt. Uit angst en wraak begint hij nu in het donker om zich heen te slaan."

"Jij weet wie de vijand is. Is het niet zo?"

"Hoever kun je mijn gedachten lezen?" vroeg hij zonder ergernis.

"Ik voel je alleen. Ik hoor geen namen," zei ze bedaard. Gaosar hoorde de namen wel donderen in zijn geest: Dut Derhin, Hiss Sarlof en Uto Onsten. `Kerko heeft geen schijn van kans tegen ons drieën!' gilde in het onpeilbare luchtledige een triomfantelijke vossekopstem. Gaosar herkende met een extreme onbehagelijkheid Osten. Impulsief zei hij het hardop: "Onsten."

Zijn bewustzijn dreef in een fles in een ondergrondse zwarte nis. De nis was uitgehakt in een muur van vulkanisch gesteente. Er stonden nog meer flessen. In sommigen leek iets te bewegen, anderen schitterden met fluorescerende kleuren. Een opgewekte omgeving was het zeker niet. Binnen zijn beperkte gezichtsveld hing in een walmend toortslicht het lichaam van een man in ijzeren ketenen, het bebloede hoofd omlaag. Een ander, op de rug gezien, was bezig om die ketenen door te branden met een vervormer. De geslachtofferde man was ijselijk verminkt doch nog steeds in leven en zelfs tot spreken in staat. Zijn bevrijder legde hem voorzichtig op de grond neer, maar de ander richtte zich op eigen kracht op. Zijn oren waren van zijn hoofd gesneden evenals de top van de neus.

"Bevrijdt u mij, Rish Etzwane?! U?! Van allen die mij haten, komt ù mij bevrijden?"

"Ik ben het niet, Rish Ifness," sprak de ander. "U beziet een spiegelmasker."

"Ai, ai," kreunde de aangesprokene. "Ik ben verdoemd!"

"Nog niet. U dient me eerst een wederdienst te bewijzen. Ik wil mij wreken op uw kweller, Palo Kerko, en tot zover zijn onze belangen gelijk."

Hij diende de verminkte Rish Ifness een drank uit een grauwe bolle flacon toe en de man krabbelde aangesterkt overeind.

"U verlengt alleen kortstondig mijn leven," besefte Ifness.

"Meer kan ik niet voor u doen. Ik hoop dat u er een passend gebruik van maakt."

"Vraagt u een belofte?"

"Nee. Ik kan u mijn ware aard niet tonen."

"Maar u bent één van de Hooggeborenen?" hield Ifness aan.

"Verspil u uw kostbare energie niet. U heeft nog steeds uw vaardigheden op de vlijmvervormer als ik u het juiste kristal geef?"

Ifness knikte en de onbekende haalde een pakje uit zijn zakken. Gretig pakte de oor- en neusloze man het aan.

"Gossammeplette!" vloekte hij. "Hoe heeft u dat klaargespeeld?"

"Uit Kerko's werkkamer!" zei de ander triomfantelijk. Gaosar herkende de klank opnieuw direct. `Dat is Onsten in een wonderbaarlijke vermomming!' Iets anders trok echter even hard zijn aandacht. Hij was niet alleen in de fles! Het was een ervaring van zulk een spookachtige aard dat hij bijna onmiddellijk terugdook naar de veilige hangmat, maar iets ankerde op zijn aandacht en liet niet los.

"Als jij hier in kan, kan je er ook uit. Neem mij mee!" sprak het wezen met grote dringendheid.

`Wie ben je?' dacht Gaosar want hij had geen zintuig waarmee hij spreken kon.

"Zanger Vanmirros. Aarzel niet. Aarzel niet. Neem mij mee!"

Zonder waarschuwing stond er een nors gelaat met krullerig haar voor de nis. Het keek bezorgd naar de fles. Er kwam een driftige rimpel tussen zijn stekelige oogjes. Gaosar wachtte niets af.

`Hou je vast,' dacht hij. Onder en boven hem klonk een knal maar hij was terug in de hangmat en achter hem zat de papegaai te huilen en te lachen op zijn stok.

"Ik ben er uit," snikte hij. "Lieve God, ik ben er uit!"

"Heb je iemand meegebracht?" vroeg Ferirkerie onthutst. Gaosar ging overeind zitten. Hij was niet minder verbaasd.

"Halleluia! Halleluia!" riep de papegaai alsmaar in extase.

"Wat voor taal is dat?" vroeg Gaosar.

"Geen idee. Hij weet in elk geval nog niet dat hij in mijn papegaai zit," zei Ferirkerie.

"Zijn geest komt uit een fles," vertelde Gaosar.

"Dan is hij nu bepaald beter af," knikte ze. De Halfbak grinnikte geamuseerd: "En jij hebt een beetje aanspraak!"

"Wat aanspraak?" joelde de papegaai. "Ik zal voor jullie zingen! Holy Shit!" En dat deed hij. De taal verstonden ze niet maar uit de melodie sprak zo veel hart dat ze tranen met tuiten zaten te huilen van ontroering. Maar er wachtten Gaosar nog andere tranen.

"Ik ben nogal verbaasd over jouw reactie op het Ritueel," zei Ferirkerie nadat ze uiteindelijk een donkere lap over Vanmirros heen gegooid had, die uit blijdschap over zijn ontsnapping niet op kon houden met zingen. "Jij doet er heel andere dingen mee dan alle anderen die ik het voor jou heb zien ondergaan."

"Wat is het verschil?" wou Gaosar weten die nogal last van zijn ingewanden had. Ook werd direct zijn gezichtsvermogen onscherp zodra hij uit de reistrances raakte. Met name zijn rechteroog was veel waziger dan het andere.

"Jij neemt ongewone risico's."

"De aantrekkingskracht van het avontuur berust uitsluitend op de nabijheid van de dood. Zeiden mijn ooms op Capai."

"Dat bedoel ik niet. Ik was verbaasd dat jij zelf het samengaan met de geest van de Oude Moeders verbrak toen het je niet aanstond."

"Anderen deden dat niet?"

"Nee."

"Ze waren slaven van hun eigen onderdanigheid."



"Hun ontzag voor de Goden was in elk geval groot."

"Evenals hun angst voor de Moeders."

"Ja... Dat is zo."

"De Shir vrezen de Mengt en de Bindi-moeders vrezen de Godin van de Aarde. Ik heb een metaalsmaak in mijn mond, ik kan je niet goed zien, ik heb pijn in mijn rug en mijn ingewanden zitten in de knoop. Maar hoe kan ik daar iemand anders de schuld van geven? Al die priesters, tovenaars en heksen willen me alleen maar doen geloven dat het een straf is van een hogere macht, waar ik het hoofd voor buigen moet. En ondertussen moet ik me voor hèn buigen. Ik heb liever gewoon een man met een mes en een worglus tegenover me."

"Voor enkelen is dit Ritueel hun dood geworden."

"Angst," zei Gaosar zachtjes en zijn ogen draaiden naar boven weg. "De zwakken sterven er aan en de sterken gaan door," fluisterde hij en toen was zijn geest weer weg. Maar deze keer had hij niet zelf zijn bestemming bepaald.


"Men ziet het leven als strijd."

Het was de stem van Oerbash, een baken in een roodkolkende mist van giftige, zuurstofarme lucht. Het baken werd behalve klank ook plots een rozige lichtbron in de wolken. Opgelucht vloog hij erdoor. Open, vrije ruimte. Weer adem, hoewel hij dat, lichaamloos afdalend in de atmosfeer, niet echt nodig had.

"Dat strijdmodel kleurt alle begrip, doordringt iedere ervaring."

Weer Oerbash. En toen ook een beeld. Een podium in de open lucht. Bomen en planten er omheen. Geluid van vogels. De kleine man zat met gekruiste benen op een luxueus kussen. In een lichte bries wapperde zijn lange grijswitte haar losjes om zijn hoofd. Er was een onbekend aantal mensen aanwezig, dat aan de lippen van de magiër hing.

`Tegen wie heeft hij het?' dacht Gaosar, maar hij kon niet ontdekken hoe de aandacht van Oerbash gericht was. `Strijd? Praat hij tegen zichzelf?'

Ineens ontdekte hij op de zijkant van het podium Gorba. Diens reusachtige gestalte was van top tot teen in een zwarte wapenrusting gehuld. Hij droeg een zeer kostbaar slagzwaard en een Rishevervormer. Het wit van zijn ogen was bloeddoorlopen en glansde vochtig. Tranen? Het waren tranen. Mani was er ook, het vertrouwde, glimmende punthoofd heen en weer bewegend tussen de andere hoofden in een zelfhypnotiserende oefening. Maar zijn kledij was aan de voorkant doordrenkt van het vocht. Ook tranen? Er was iets vreemds aan de hand met Oerbash. Op zijn achterhoofd vielen twee onnatuurlijke uitstulpingen op, vervormingen van een onbekende aard, maar duidelijk zichtbaar tussen het dunne haar. Soms stuiterde zijn hele lichaam op en neer alsof het nagenoeg gewichtloos aan het woorden was. Niemand scheen het ongewoon te vinden.

"Het eind van de tiran is nabij," fluisterde een opgewonden vrouwestem ergens buiten zijn gezichtsveld. "Zijn medicijn heeft zich tegen hem gekeerd."

Er klonk onverhuld leedvermaak in de stem, dat echter bepaald niet het algemeen gevoelen scheen te vertegenwoordigen. De plek ademde eerder een sfeer van verdriet en toewijding uit. Ineens opende Oerbash zijn mond. De zinnen kwamen stokkerig achter elkaar: "O uitverkorenen. Het Rijk van de Shir zij vervloekt. En wie mij wreekt, volge mij onder mijn dekmantel."

Gorba stapte kletterend naar voren.

"O Vorst der Zieners," kraakte zijn stem smartelijk en smekend. "Verlaat ons niet. Niet nu. Niet nu onze overwinning bijna is zekergesteld."

Oerbash antwoordde zacht alsof hem een zware pijn hinderde: "Welk volk zal de strijd verliezen dat zich verzet tot de laatste man? Gedenk mij en mijn naam, o uitverkorenen!"

Weer fluisterde de geheimzinnige stem vanuit haar verborgen plaats: "Geef hun zijn ware naam! Geef hun zijn ware naam!"

"Nog niet. Nog niet."

De antwoordende stem was beslist die van een man.

"Laat ze zichzelf vernietigen!"

"Nee, nee. Mijn geliefde is nog daar!"

"Laat haar los!"

Het gefluister had zo'n gepassioneerde vibratie dat het Gaosar’s zwevende geestesaandacht volslagen opeiste.

"Je zult dadelijk nog met haar ten ondergaan!" dreigde de vrouwestem. Was dit één van de Oude Moeders? De andere stem zakte naar een onverstaanbaar volume. Nog eenmaal ving Gaosar een scherpe flard op: "...kunnen de waarheid niet meer van de wartaal onderscheiden. Onthecht van al je medelijden! Nu! Nu!"

Het beeld van Oerbash trilde en leek te vervormen. De witte snorharen werden voor Gaosar’s waarneming zo nu en dan zwart en op het voorhoofd bobbelden twee nieuwe uitsteeksels uit. Het gezicht vervloeide weer en Falak Geshyo stond er plotseling lachend en zegevierend achter.

"Geef het maar allemaal aan mij, kleintjes," zei de mond, maar er was geen geluid. En als er wel een geluid was geweest, dan waren het andere woorden geweest. Achter Geshyo dook een tweede donkere, maar transparante gestalte op. Er was geen mens in te herkennen maar vanuit het hoofd ontstond een trilling die op zijn beurt Geshyo deed vervagen.

"Honger," droeg die trilling mee. Honger.

"Geef het maar allemaal aan ons," slijmde de onhoorbare stem van Geshyo. Het witte haar van Oerbash werd weer zichtbaar. De groeiende bobbels op zijn voorhoofd vibreerden als bezeten. Gaosar kon het haast niet meer verdagen om verder te kijken, maar dezelfde wrede vrouwestem die hem de overstroming van de tempel had laten zien, wreef hem de gruwelijke pijn in als zout in een open wond: "Kijk dan! Kijk dan! Dat wou je toch zo graag?"

Het volgende beeld was dat van een brandstapel. Oerbash lag tussen het kruislings gestapelde hout en wenkte een in het witgeklede, schrale jongeman naderbij. In diens hand gloeide een lange vuurspaander.

"Gooi er in!" piepte Oerbash. De jongeman aarzelde in een diepe verwarring.

"Het is een bevel!" piepte de magiër schril. Om de brandstapel heen stonden terneergeslagen, eenzame mensen, maar niemand scheen de ware aard van de gebeurtenissen op te merken. Het vuur vlamde ineens hoog op. Oerbash begon als een dier te gillen, maar geen van de toeschouwers bleek iets van die gruwzame magie waar te nemen. Gaosar zag er veel te veel van.

"Kijk dan, kijk dan!" juichte de bekende, zelfingenomen vrouwestem.

Nee! Nee! riep zijn hele wezen. Naar huis, naar huis!

Dat was een sleutelwoord. Zijn bewustzijn spoedde zich weer door de giftige rook terug naar de hangmat, waar hij het vertrouwde lichaam opgerold en snikkend aantrof.

De heftigheid van zijn eigen smart verbaasde hem. Hij woof zijn linkerhand heen en weer. Direct boog Ferirkerie zich naar hem over en tilde voorzichtig zijn linkerooglid open.

"Ah! Gelukkig! Zulk een schrik. Je bent er weer. Je lichaam ligt hier al een hele tijd te huilen. En ik kon je niet bereiken. Wat is er? Pijn?"

"Nee..."

Hij had even geen woorden voor het gevoel.

"Nee. Nee. Ik niet. Ik huil om hem. Wat hij ook misdaan heeft om dat te verdienen, ik gun het hem niet..."

"Wie, wie? Wat is er gebeurd?"

"Ik weet niet of ik naar verleden of toekomst keek. Iets heeft Oerbash te pakken genomen of zal dat doen."

Hij had weer opnieuw afstand genomen.

"Ik kon niet herkennen wie of wat. Het zag er uit alsof het niet van deze aarde kwam. Ik kon er geen touw aan vast knopen. Er hing allerlei intrige om hem heen. Ik werd er misselijk van. En hij sloeg wartaal uit. Zo ken ik hem niet. Hij vroeg om wraak. Dat is niets voor hem. Iets heeft hem gek gekregen. Maar zijn medestanders bleven het zo te zien allemaal gewoon slikken. Hij liet zich levend verbranden."

Ferirkerie was een tijdje stil.

"Huil je nou alleen om hem?" vroeg ze toen met een gespannen aandacht.

"Ik weet het niet. Ik ben ook ergens razend op hem. Omdat hij zich te pakken heeft laten nemen."

"Waarom?"

"Omdat... omdat ik hem bewonderde. Een groot meester. Als iemand als hij al zo ten onder gaat, wat voor kans heb ik dan tegen zulke Tegenstrevers?"

"Ik heb een troost voor je. Niet van mijzelf. Iets wat de Zeer Oude Moeders van de Bondo gezegd hebben over Oerbash. Dat hij talloze vrouwen aan zich horig gemaakt heeft, omdat hij niet alleen kan zijn. Dat minstens een van hen hem voor zich alleen zal willen opeisen. Maar hij is iemand die niet tellen kan. Hij kent alleen het Meer! Dat zal zich wreken, voorspelden ze toen. En dat was al lang geleden."

"Heb je ooit een voorspelling gehoord waar een Falak in voorkomt? Een Falak Geshyo uit Ut, 'n man met een lange witte snor en koperen oorringen."

"Een verhalenverteller? Nee. Wat is er met hem aan de hand?"

"Hij was op de boot waarmee ik overstak naar Capai. En hij was getuige van mijn ontvoering. Het lijkt er op dat hij zich de magie van Oerbash wil toeëigenen."

Ferirkerie haalde haar schouders op: "Dat is de natuurlijke loop der dingen. Moeder Boesho zegt dat de Tat een tovenaar is die in een onwerkelijke volmaaktheid leeft. En die alleen verstoord kan worden door een werkelijke onvolmaaktheid. Hij krijgt wat hij nodig heeft. Dat is de wet van de Shir en de wet van de Moeders."

"Mijn werkelijke onvolmaaktheid is een gevoel van gerechtvaardigde woede," antwoordde Gaosar heftig. "Ik weet alleen niet waar ik daarmee naar toe moet."

De papegaai zat op zijn stok een papaya te eten.

"Heerlijk eten hier!" zei hij. "Ga ook rustig leven op het platteland. Heerlijk. Beetje uitrusten. Boek schrijven, piano spelen."

"Wat is een piano?" vroegen Gaosar en Ferirkerie tegelijk.

"Ja, ik blijf niet alles uitleggen!" kakelde Vanmirros gerriteerd. "In welke tijd leven jullie eigenlijk?"

"Hoe bedoel je, welke tijd?" vroeg Gaosar.

"Ja, dahag!" zei de papegaai. "Ontijd zeker?"

"Ik weet niet wat hij bedoelt, maar ik heb ontbijt voor je zei Ferirkerie en ze liefkoosde Gaosar’s witte hoofd. "Je hebt hard genoeg gewerkt en het eten zorgt er voor dat je geest verder hier blijft. Er is kardamonbrood en gestoofde merels."

"Merels? Ik dacht dat je hen gisteren je vriendjes noemde?"

"Doe ik nog," zei ze lachend. "Heerlijke vriendjes bij tijd en wijle!"


Op het middaguur ging Gaosar zwemmen. Zorgvuldig spoelde hij zijn haar schoon in de beek, om als het ware ook zijn volgelopen brein van aangekoekte aanslag te reinigen. Daarna zat hij lange tijd op de oever onder een schaduwrijke, geelbloeiende acaciaboom met zijn voeten in het water. Kleine golfjes rimpelden in het lichte windje om zijn enkels heen. Hij keek naar het duizendvoudig geschitter, geen golfje ook maar een enkel moment hetzelfde. Alles bleef vervloeiend en bewegend en toch samen zo rustig en onverbrekelijk samen zichzelf als hun oermoeder, de oceaan. Het magische wonder van het Ritueel van het Samengaan ruiste als een waterval in hem na. Alle indrukken werden als golven, elkaar overlappend totdat het geheel zo groot werd, dat hij het weer klein kon maken en terzijde schuiven. Zijn ogen vielen moe dicht. Gaosar zat zo lang stil dat twee vinken niet meer afgeschrikt werden door zijn ademhaling en vlakbij zijn voeten tot een vitale paring overgingen. Zijn denken was niet stilgezet maar ook niet meer hemzelf, een momentum ergens tussenin. Toen was er ineens het overweldigende parfum van een bloeiende roos in zijn neusgaten. `Ferirkerie houdt een roos onder mijn neus,' dacht hij, toen hij uitademde. Op de volgende inademing was er weer die rozegeur en de gewaarwording werd vreemder en vreemder. `Ik heb hier nergens rozen gezien. Nergens.' Hij ademde uit en weer in. De zoete lucht was verdwenen. Hij deed verbijsterd zijn ogen open. Er was geen enkele verandering in zijn omgeving te bespeuren... Toch was er een mysterieuze, mystieke aanwezigheid voelbaar. Datgene wat je in je verste ooghoek opvangt met een steelse zijdelingse blik. Iets wat je weet maar nooit verwoorden kan. Het was als een afscheidskus van een engel, van een dode. En langzaam drong het tot hem door wie er dood was. Wie er afscheid van hem had genomen. Hij vouwde zijn handen samen voor zijn borst en maakte een diepe buiging naar het kabbelende beekwater.

"Goeie reis, spiegelmeester," fluisterde hij. De smart vloeide weg, evenals de boosheid. Er kwam een soort wapenstilstand, een eerste stap op weg naar vrede. Ook zijn faalangst omtrent de ongewisse toekomst loste zich tijdelijk op. `Wat is, nou, dat is,' dacht hij. `Saai is het in elk geval niet....' Hij stond op. Tijd om afscheid van Ferirkerie te nemen. Aan het late ontbijt had hij haar gezegd dat hij terugwilde. Naar Gondar. Zonder dat hij of zijzelf er controle over had, was ze opnieuw in een aanval van redeloze jaloezie, bezitsdrang en verliesangst uitgebarsten, maar gelukkig had de papegaai hen er uit gered.

"Je hebt mij nu toch?" had hij tegen Ferirkerie geschreeuwd. "Ik heb je van alles te bieden dat hij je nooit zal geven."

"Ja maar jij hebt één ding niet!" brulde ze en ze moest tegelijkertijd lachen door haar tranen heen. Gaosar tilde haar grote lijf op en wiegde het in zijn armen.

"Vandaag ben je mijn kindje," zei hij vertederd.

"Ik heb liever dat je me nog een keer naait," protesteerde ze bozig.

"O nee! Nee. Dat is niet zo," antwoordde hij bijna kwaad wordend. "Ontsnap mij niet weer!"

Zijn waarheid maakte dat ze eventjes haar mond hield.

"Ogen dicht," beval hij en toen smolt ze in zijn sterke armen. Haar armen lagen rond zijn hals en hij wiegde haar als een ziek kind dat niet slapen kan. Een zoet slaapliedje borrelde in hem op. Verre tijden en een andere plaats. Hij zong het in de taal van zijn moeder. Tot zijn verrassing viel Vanmirros hem bij met een prachtige tweede stem, die hen allebei kippevel gaf en de papegaai waarschijnlijk ook iets dergelijks. Haar verdriet loste op en hij verrijkte zichzelf immens met het toelaten van zijn moederlijke gevoelens naar haar. Toen was hij gaan zwemmen.
"Ik zal je door één van mijn dienaren terug laten brengen," zei ze zonder vragen toen hij het erf weer op kwam. "Schrik niet als ik hem roep."

Ze liep naar de achterkant van het huis, waar een blij blaffen opklonk. Maar toen ze terug kwam, had ze geen hond bij zich. Er stond een onevenredig gebouwde, donkerhuidige en behaarde man met benen als boomstammen naast haar. Zijn gezicht was lelijk maar tegelijk heel vrolijk. Zijn gerimpelde bovenlip zat meestentijds naar binnengevouwen over de bijna tandeloze bovenkaak. De scherpe hoektanden waren echter daardoor dubbel zo imposant. Er groeide flink wat zwart stoppelig haar op zijn neus. Hij monsterde Gaosar kritisch.

"Sjo as rotting fliege antrekt, sjo trek jij altijd jonge gasjtjesj an," sliste hij op vertrouwelijke toon tegen Ferirkerie.

"Ik heb je niet om kritiek gevraagd," snibde zij tegen hem. "Je moet hem naar Gondar brengen. Hij heet Gaosar. Verder niks. Niet rondhangen en meteen terugkomen."

"Ik sjeg al niksj meer," mompelde de man.

"Dit is Ario Propelser," stelde Ferirkerie de hondman voor. "Je moet even aan hem wennen maar hij is sneller dan wie ook."

Gaosar knikte Ario toe. De man krabde zich uitgebreid en liet een luide boer die de jonge papayaboompjes achter het huis deed trillen. Ferirkerie keek er niet van op. Haar zilveren haar was in drie strengen in een vlecht gebundeld en het gaf haar een nogal streng uiterlijk.

"Ik heb nog wat voor je," zei ze nadat ze Gaosar de amberketting had omgehangen. Ze ging haar huisje binnen en kwam met een tas met een brede schouderband terug en met de dubbele kruisboog.

"Eten," legde ze uit. "En iets om je een beetje minder naakt te voelen. Mannen hebben altijd een wapen nodig."

Hij keek naar de twee blauwe pijlen op de boog. Ze vulde zichzelf aan: "Er zitten er nog twee in die tas. En een vilmes."

"Ik weet niet wat ik moet zeggen," hakkelde hij.

"Dan ben je op je liefst," zei ze. "Houd dat maar zo, Alsjeblieft. Ario doe je sjaal om."

Ario pakte iets van de veranda. Toen hij het pakje uitrolde, herkende Gaosar de paarse kleur en de tekens. De sjaal was wel drie keer zo lang als de zijne en Ario wikkelde hem om zijn heupen om en om tot er een dikke bult ontstond.

"Ik ben klaar," kondigde hij aan.

"Klim op zijn rug," wees Ferirkerie. "Op die bult zitten."

Gaosar’s ogen rolden haast uit zijn hoofd en zijn benul vloog op oneindig. Na een tijd kreeg hij toch de bedoeling door. Hij gehoorzaamde haar verlegen en stak toen heel lullig zijn hand op ten groet.

"Dag. Het was heel goed voor mij om met je samen te zijn," erkende Ferirkerie. "Ik zal je nooit meer zien en dat blijf ik nog wel een tijdje jammer vinden."
Gaosar zat onwennig op Ario's rug met zijn benen onder diens lange armen gestoken, zijn handen op de brede schouders.

"Dag, Ferirkerie," zei hij stuntelig. "Misschien had ik... Ik wou eigenlijk tegen je zeggen dat..."

"Rennen!" gilde de vroedvrouw tegen Ario en dat deed de hondman! Het was een tomeloze draf, die hen in een mum van tijd uit het zicht bracht. Gaosar verbeeldde zich dat hij de papegaai nog hoorde zingen. Iets als "When heart is open..." Of iets dergelijks. Maar tijd om veel meer te doen dan te proberen om adem te halen, kreeg hij niet.




Deel met je vrienden:
1   ...   24   25   26   27   28   29   30   31   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina