De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina27/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   34

Hoofdstuk 26 Langgeleden dat...

In de middag van de vierde dag na zijn ontvoering bereikte hij een lieflijke vallei. De weelderig begroeide hellingen toonden een oogstrelende schittering van kleuren, talloze tinten groen, bruin en grijs van kokospalmen, vruchtbomen, notebomen en bananen. Bloemen fleurden en vogels kwinkeleerden. De weelde was te danken aan diverse bronnen, die hun kleine ruisende stroompjes op de bodem van de vallei samenvoegden in een snel vlietende beek. De lucht proefde zuiver en prikkelend. Een fonkelende waterval klaterde neer op brede rotsen, die een ondiepe poel afbakenden, uitnodigend tot een verrukkelijk zwem- en plonspartij. Eindelijk kon hij ook z'n smerige kleren uitspoelen. Later zat hij stil op een warmgestoofde witte platte rots in het midden van de beek, opdrogend en zichzelf hervindend. Eindelijk kon hij wegzinken in een diepe innerlijk helende rust, van twee kanten omspoeld door het water. Hij draaide zich op zijn rug en keek omhoog. Boven de wuivende boomtakken stond een blauwe lucht. Het blauw was niet eens een kleur meer, het was oneindige diepte, alleen dat. Alles onder hem, de hele aarde ondersteunde hem. Alles boven hem, de hele hemel nam hem op in een onvoorwaardelijke acceptatie.

`Ik moet maar weer gaan,' dacht Gaosar met een lichte tegenzin. Het was bij hem opgekomen dat hij op deze paradijselijke plek zou kunnen blijven. Er was hout om een hut te bouwen, water, voedsel. Hij zou vallen kunnen maken en een visfuik in de beek. Hij had acaciabomen gezien. Het rokende groene blad op een vuur zou 's avonds de muggen weghouden. Hij verheugde zich op een groot vuur en het aroma van het acaciablad. Misschien kon hij goede werpstenen vinden. Een eekhoorn verschalken en roosteren. En, en... Weg met die gedachten! Ergens zouden zijn makkers lijden onder zijn ongewisse afwezigheid. `Ik ben jaloers op Tipo. Die is veilig op Benko's boot. Die naait Nisha zo vaak hij wil. Zo vaak als zij wil.' Even sloop er weer wat bekend zelfmedelijdend geklaag binnen. Hij moest hardop om zichzelf lachen: "Wel ja, waarom hij wel en ik niet? Nou daarom, natuurlijk."

Het was wel heel, heel lang geleden dat hij met een vrouw gelegen had. Als hij er in slaagde om ongedeerd terug te komen. Siri. Zou hij ooit..? Als ze wat zachter zou worden... Meer zoals Sugatha. Sugatha. Die zou wel de hele tijd met haar benen wijd liggen voor Tirt. En met haar hart wijd open ook trouwens.

`Ik ben niet echt jaloers. Ik mis het alleen,' dacht hij met een rustige vaststelling. Hij stond op en schudde zijn lijf en hoofd los en leeg. Hup. Verder.

"Ik kan altijd nog een geit pakken," riep hij optimistisch tegen een overvliegende merel en hij moest hartelijk om zijn eigen gore grap lachen. 't Had erger kunnen zijn. Dat was zo'n formidabele goeie zin. Grinnikend zette hij er een flinke pas in. De beek verdween aan het einde van de vallei in de grond tussen twee samengeperste heuveltoppen die als borsten in een korset in het landschap lagen. Op de top gekomen viel direct zijn oog op een lichtere plek in de groene hellingen aan de andere kant. Hij herkende het, kaalgegraasd groen. Geiten, een geitenhoeder. Eten! Vlees, melk, kaas! Hij begon zich te haasten. Toen klonk er plotseling een scheurend geblaf dat echo'de tussen de heuvels. Gaosar schrok enorm. Onmiddellijk zocht hij naar stenen. Grote stenen. 't Kon een hele grote hond zijn. Hij hoopte dat het er maar één was. Hij zocht het terrein af. Weer klonk het dreigende hondegehuil. Op de plaats waar de beek weer bovengronds kwam, stond een dichte groep hoge palmen afgeschermd door dichte bamboekronen. Hij rook geitemest. Er mòest iemand wonen. Met in elke hand een zware steen ging hij verder, een omtrekkende beweging makend om het palmbos, zodanig dat hij tegen de wind in kon gaan. Er waren papayaboompjes aangeplant, duidelijk in drie rijen en verder op groeiden pompoenen en komkommers in een gewied bed. `Ik geef een fortuin voor een boog,' dacht hij, terwijl hij de stenen stijf vasthield. `Maar ik heb niets meer weg te geven...'

Er klonk een vermaakt gelach achter hem en als door een horzel gestoken draaide hij zich om.

"Zoek je dit?" vroeg een forsgebouwde, wat oudere en zilverharige Bindi-vrouw in een vormeloze amberbruine jurk. Ze hief een gespierde arm omhoog. Er bungelde ontspannen een dubbele kruisboog in haar hand. Er stonden twee blauwgevederde pijlen op.

"Je hoeft niets te zeggen," zei ze. Dat had Gaosar toch niet gekund. Hij was sprakeloos. Hij had ook dood kunnen zijn, wist hij. Als het aan haar gelegen had. Hoe had zij een geoefende Capaise jager kunnen verslaan? Hoe had ze hem daar kunnen verrassen?

"Ik heb soep binnen," inviteerde ze hem, wijzend op het palmboombos.

"Die hond..?" aarzelde Gaosar.

"Zit aan een touw. Kom je mee?"

Als een tamme aap liep hij achter haar aan.
Haar huis was tussen de bomen gebouwd met een buitengewone handvaardigheid en gevoel voor schoonheid. Als een wachter stond naast de voordeur een hoge ovale donkere rots, waarin zeven zwarte gaten zaten, als wielen aan een wagen zo rond. Buiten, op een stenen veranda, was een vuurplaats gemetseld met een opvallend doelmatig ontwerp. Het vuur was kennelijk kort daarvoor met zand gedoofd, maar de soepketel stond nog te dampen. `Alsof ze wist dat ik zou komen.' dacht Gaosar.

"Je had er nog lang voor nodig," zei ze, terwijl ze een bijenwaskaars aanstak.

"Waarvoor?" vroeg hij onwillig en nog steeds ongelovig, terwijl hij immers het antwoord al wist.

"Je weet het antwoord toch?" antwoordde ze. "Je hoefde niet meer te doen dan achter mijn vleermuizen aan te lopen."

"O."

"Je kan me Ferirkerie noemen."



"O ja."

"Mag ik jouw naam weten?"

"Je schijnt al alles te weten. En dat niet?"

"Nee," zei ze geduldig. "Voelen is niet hetzelfde als weten."

"Je voelde me aankomen?" vroeg hij ongelovig.

"De Oude Moeders van de Bindi hebben je uit de handen van de Doodvorsers-trawanten helpen ontsnappen. Weet je het nog? De slangen op het pad en de schapengier? Dat was hun tovermacht. Daarna hebben ze je hierheen geleid."

Hij hield niet op met zich te verbazen. De vrouw had met brede vlakke wangen, een zachtgeronde kin en een korte rechte neus. Ze had de zongebruinde, sproetige huid van een boerin en talloze kleine rimpeltjes om haar smalle, spottende ogen. Ook om haar mond scholen de rimpels. Jong was ze bepaald niet meer maar verder bleef haar leeftijd onbestemd. Het zou veertig maar ook zestig kunnen zijn.

"Ik heet Gaosar," zei hij schor.

"Zevenvoudige hemel!" sprak een oudemannestem plotseling achter hem en Gaosar bewees een sterk hart te hebben. Nadat hij was bijgekomen van de schrik maakte hij kennis met een grote grijze roodstaartpapegaai, die op een korte, zwaar gehavende stok aan het andere einde van de veranda zat. In het schemerlicht was hem het dier niet opgevallen. De papegaai zat misprijzend te klokken en kakelen, knipperend met zijn witgeringde oogjes.

"Anders verleer ik het praten hier," legde Ferirkerie uit.

"O," zei Gaosar voor de zoveelste keer.

"Eigenwijs," zei de papegaai duidelijk verstaanbaar tussen het gebabbel door. Gaosar voelde zich heel ongemakkelijk maar beslist niet onveilig.

"Ik wil wel wat soep," liet hij weten. Ze schonk hem een grote aardewerkkom in, die ze waarschijnlijk zelf uit rivierklei gemaakt had, gebakken in haar eigen vuur. Toen ze de kom aanreikte, trok haar bruine kleed strak, waardoor er grote borsten met geprononceerde tepels zeer zichtbaar werden. Ze gaf hem ook een houten lepel.

"De vader geeft de woorden, maar de moeder geeft het leven," zei ze en met een schok herkende hij een gezegde van Capai. Stond het ook niet op de zuil van Katatnia? Capai en Bonewits waren ver weg. `Hoe ver eigenlijk?' dacht hij ineens gespannen.

"Waar ben ik hier?" vroeg hij dus.

"Daar waar zelden een man komt," antwoordde Ferirkerie. De man tegenover haar op de korte houten bank bloosde zowaar.

"Ik bedoel...eh."

"Ik weet wat je bedoelt," zei ze glimlachend. "Hoe heet het hier? Hoeveel wert nog te lopen, voordat je normale mensen kan ontmoeten? Hoe is het vervoer naar Gondar? Dat soort dingen, ja?"

Gaosar zei geen ja maar opnieuw en even schaapachtig "O."

Ferirkerie maakte een breed armgebaar naar het vallende duister om hen heen en wees toen op de kaars. "Je kan altijd kiezen. Daarbuiten is het donker en hier is het licht. En het verre is zo dichtbij als jij maar wilt."

Hij durfde niet meer verder te vragen. De soep was heerlijk gekruid met koriander, gember en verse peterselie. Er zaten zoete aardappelen in, witte bonen en zachte paprika. En het was warm eten. Gaosar at als een wolf. Zonder vragen schepte ze de kom nog twee keer vol. Hij bleef nog steeds verlangend kijken maar ze waarschuwde: "Meer verdraagt je maag niet."

Toen de kaars uitging, stak ze geen nieuwe aan. Ze zaten zonder praten bij elkaar op de veranda, kijkend naar de sterrenlucht, luisterend naar de duizend geluiden van de avond. Van achter het huis mengde er zich een kort janken in.

"Ik ga hem even eten geven." zei de vrouw.

"Heb je een tamme hond?" vroeg Gaosar verwonderd. Op Capai kende men alleen gevaarlijke soorten wilde honden. Hij herinnerde zich het havenstadje Bardo. Ook daar hielden mensen tamme honden. Een lichte angst bekroop hem.

"Ontspan je maar," antwoordde Ferirkerie. Haar ogen en haar tanden blonken in het sterrenlicht. Ze liep langs hem heen en haar geur benam hem heel even de adem. Haar lichaam was zwaargebouwd maar haar voeten maakten nauwelijks gerucht op platte, warme stenen van de veranda.

"Hij is niet wild en niet tam. Hij houdt sommige wezens van mij weg en ik moet hem van andere weg houden. Jij houdt niet van honden, hè?"

"Nee," zei Gaosar naar waarheid maar hij had bijna willen liegen om haar te plezieren.

"Ik vind het prettig als je niet liegt," zei ze en toen was ze de hoek van het huis om. Tevreden gekef en haar vriendelijke stem waaiden op de avondbries naar hem toe. Hij voelde zich onbepaald onrustig. Vleermuizen scheerden af en aan op het ruime, keurig aangeveegde erf. Hij herinnerde zich plots weer haar kruisboog. En de blauwe pijlen. Instinctief trok hij zulk een sterk gepantserd rozenveld om zich heen op, dat de hele lokale vogel- en vleermuisbevolking reageerde met geschrokken gepiep en gekwetter.

"Wat doe je?!" vroeg Ferirkerie ongerust achter hem. Hij schrok niet minder van haar. Hij had haar opnieuw niet horen aankomen. Ze stond vlak achter hem. Hij zei niets terug. Hij was bang en ze voelde het.

"Vertel het me!" drong ze aan en eindelijk duwde hij zich zelf door zijn weerstand heen.

"Die blauwe pijlen heb ik eerder gezien," legde hij met een grote zelfbeheersing uit.

"Dat zal wel. En nu vraag je je van alles af en je vrees maakt mijn kleine vriendjes aan het schrikken."

"Het verschil tussen vrezen en eren houdt de schaduw waar hij hoort," antwoordde Gaosar. Het was iets dat de oude ooms in de mannenhuizen tegen elkaar zeiden als hen nederigheid werd afgedwongen door de oude moeders. Hij had nooit precies begrepen wat er mee bedoeld werd, zo oud waren die woorden. Op de een of andere manier pasten ze nu.

"Jij bent helemaal niet het soort dat mij ooit zal aanbidden, alleen omdat je bang voor me bent," bitste ze terug.

"Hoe kom je aan die boog?" hield hij onwrikbaar vol.

"Een man heeft hem hier ooit achtergelaten als een betaling voor een dienst, die hij van me nodig had," zei ze scherp en op een toon die alle verdere discussie over het onderwerp sloot.

"Ik heb niets om je te betalen voor je soep," antwoordde hij en het klonk beledigender dan hij bedoeld had.

"Ik zou je mijn erf moeten afslaan," zei ze, maar ze deed het niet. Iets van pijn in haar stem maakte dat hij het rozenveld verzachtte. Ze ontspande onmiddellijk: "Ik dacht even dat je een beer was."

Hoewel hij schrok, bleef hij open voor haar.

"Wat is een beer?" vroeg hij.

"Een magiër die alleen vanuit de geest macht nastreeft zonder de toewijding van het hart," legde ze uit. "Iemand die anderen alleen observeert. Die zijn dromen niet deelt."

"O," zei Gaosar voor de verandering. En na een lange denkpauze: "En ik ben geen beer, vind je?"

"Nee. Je bent wel een dwaas, die zijn wensen beperkt tot wat zijn wijfelende geest haalbaar acht. Je zou je vertrouwen iets meer met je verbeeldingskracht kunnen verbinden. Dat is ook leuker voor mij."

"O. Ja, dat zal wel."

"Wil je binnenkomen?"

Weer liep hij achter haar aan. Ze zweette en de jurk plakte aan haar lijf. De stof vertoonde een natte lijn over haar bilnaad en het gekreukelde stuk waar ze op gezeten had, was doorweekt. Nat. Het was niet ver maar voordat ze binnen waren, klopte het bloed in zijn hoofd en bonkte het tussen zijn benen. In het donker zocht ze naar een kaars tussen de andere zaken op de grond. Weer rook hij haar geur. Hij wrong de woorden zijn droge mond uit.

"Ik bedoelde daarstraks dat ik je graag al je moeite met iets had willen vergoeden. Ik wou niet... Het is meer dat..."

Toen het eerste stuk eruit was, volgde de rest in een gewoontepatroon, dat als vanouds gepaard ging met trillende handen en een bibberende stem. Ze stond op en tastte in het donker naar zijn handen.

"Hou nou maar op. Ik heb je hier zelf naar toe gehaald. Je bent me niets schuldig."

Ze drukte zijn handen tegen haar borst. Eén van de grote tepels priemde tegen de rug van zijn hand. En werd daar heel hard.

"Ik heb je een ontbijt van vers kaneelbrood te bieden met gezouten eendeëieren en versgekarnde boter," grinnikte ze. "Als je tenminste blijft slapen!"

"Dat is goed," zei Gaosar en zijn erectie duwde tegen haar buik. Ze trok de jurk over haar hoofd uit. Hij tastte met zijn hand naar haar ruim behaarde kruis. Het was zo glibberig als een boterpot. Ze lachte klokkend: "Jij hebt heel lang niet met iemand geslapen hè? Nou voor mij is het nog langer geleden!"

Ze greep zijn pik.

"Eigenlijk moet je je eerst even wassen" zei ze, maar hij duwde haar naar de grond en rukte zijn broek los. Toen hij in haar stootte, protesteerde ze niet meer. Hij naaide haar met zijn neus in haar oksels en hij schreeuwde van genot. Soms kromde hij zijn rug zo dat hij één van de grote tepels in zijn mond kon nemen en dan begon Ferirkerie te schreeuwen. Hij kwam snel klaar maar zijn opwinding was zo groot dat hij zinderend in haar door bleef stoten en zijn erectie bleef. Daarna was er van geen enkel ophouden meer sprake, totdat ze eindelijk een vingertop in zijn aars deed. Toen hij klaarkwam, trilde het hele huisje mee. De papegaai buiten protesteerde verontwaardigd en de hond begon woest te blaffen alsof iemand z'n net gevulde etensbak onder zijn neus weghaalde. De gedachteflits dat dit misschien niet helemaal bezijden de waarheid was, amuseerde hem kostelijk.

"Waar moet je zo om lachen?"

Hij zei het. Ze giechelde een beetje mee maar ze zei niets. Ze lagen drijfnat naast elkaar in de plakkerige warmte van de hut. Ze kuste hem zachtjes onder zijn natte haar in z'n nek.

"Hee. Je ruikt naar een pasgeborene die alleen de melk van z'n moeder drinkt," zei ze verwonderd.

"Dat meen je niet!" verbaasde hij zich. Hij tilde z'n arm op en snoof geschokt de zware walm op.

"Nee, daar niet en ook niet in je kruis!" lachte ze. "Maar hier wel. En hier ook."

Ze likte het zweet van zijn borst en uit zijn hals. Hij probeerde het en moest toegeven: "Het is een andere lucht dan vroeger. Maar ik heb nog nooit zo'n klein kind in m'n buurt gehad."

"Ik wel. Honderden."

Even was hij ademloos.

"Op de Blauwe Eilanden?! De Shir hebben daar toch allemaal strenge regels voor?"

"Op deze plek komen zelden mannen. Dat zei ik je toch al?"

"Je bedoelt dat hier wel..."

Het begon hem te dagen: "Jij bent een vroedvrouw!?"

"Natuurlijk. Er komen hier meisjes als ze hun zwangerschap niet meer verbergen kunnen en ze gaan weg als het kind gespeend kan worden. En niet alleen Bindi-meisjes. Er zijn een heleboel huisjes in deze vallei verborgen. Het is hier heel afgelegen."

"Wáár ben ik hier?" wilde hij plotsklaps weer gespannen weten.

"Dat kan ik je niet vertellen," antwoordde ze met een ongewone stembuiging.

"Als ik hier wegga, vind ik het toch uit," concludeerde Gaosar verbaasd.

"Ik heb je hier niet heen gehaald om je de gelegenheid te geven om straks elders je mond voorbij te praten."

Gaosar was onmiddellijk en buitengewoon op zijn hoede: "Wil je me vermoorden?"

"Helemaal niet, " zei ze kortaf. "Ik heb je net genezen. Maar het is een droefgeestige wet dat de genezing van de ene ziekte de patiënt in staat stelt aan de volgende te bezwijken..."

"Ik snap er weinig van," zei Gaosar ongerust maar de vrouw naast hem legde één van haar harde tepels tegen zijn mond en werktuigelijk begon hij er op te sabbelen.

"Dit is een mooie gelegenheid om je vertrouwen in het grote geheel op te vijzelen," kreunde ze, "Ik beloof je een veilige thuiskomst maar alleen als je me nog een keer neukt."

"En anders?" vroeg hij met volle mond.

"Zeur niet. Neuk me, neuk me!" smachtte haar opgewonden stem. Ze draaide zich om en duwde haar vragende billen tegen zijn weer stijver wordende geslacht en haar hitsigheid maakte hem opnieuw geil. Maar het was niet dezelfde totale vereniging als de eerste keer. Het grootste deel van zijn geest verkeerde in een beroering waar geen enkel helder woord contact had met enig ander. Buiten dat chaotische denken was een ander deel compact en hard als gletscherijs. Haar belofte was op een dreigement gestoeld, dat wist hij op die plek. Tegelijk voelde hij een onwereldse liefde voor haar. Zijn penis gleed in haar vagina en er druipnat weer uit, maar toen hij voor de tweede keer toestootte, ervaarde hij even Ferirkerie's geschrokken weerstand. Toen was hij weer in haar en ze klauwde haar handen achterlangs in zijn stotende dijbenen, "Ja, ja, ja!" roepend.

"Je mag alles met me doen, alles, alles," kreunde ze. Zijn vingers masseerden haar grote gespierde billen en hij beet in haar schouders en nek als een leeuw. Toen hij een hand naar haar gezwollen clitoris bracht, gleed hij weg tussen de natte vaginalippen. In een beduusde onschuld realiseerde hij zich dat zijn pik haar aars vulde. Dat was dus 'alles'. Hij bewoog in een geen moment onderbroken tempo door, maar zijn geest hing onverwacht boven het gebeuren en keek met een intense nieuwsgierigheid toe. Zijn penis was als een toverstaf opgegloeid in de macht om straf of liefde uit te delen. Zijn ademhaling was diep en heel langzaam geworden in volkomen tegenstelling tot het dynamische, schokkende hijgen van de vrouw die zwetend, schuddend en kreunend naast hem op haar zij lag, een been half opgetild om hem diep binnen te laten. Met een wetenschappelijke nieuwsgierigheid masseerde hij haar borsten met de ene hand terwijl zijn andere hand haar tegen zijn buik kletsende billen vasthield. Vanuit een onbekende bron in haar lijf borrelde als lava een golf gevoel op, dat haar tot een dierlijk steunen bracht. Haar aars maakte samenknijpende bewegingen en ze begon woorden en namen te roepen. Toverspreuken kwamen los en vervloekingen verlieten haar. Zonder een kik te geven kwam ook Gaosar klaar en wie weet ging Ferirkerie nog lang door maar hij viel als een blok in slaap.


Het was al volop dag toen hij even wakker werd. Ze zat naast hem met een beker kokosmelk en een paar bananen. Hij dronk maar halverwege de banaan viel hij weer in slaap. Hij merkte nog net dat ze een kussen onder zijn hoofd had geschoven.

De papegaai zat midden in een druk verhaal toen hij zijn ogen open deed. Hij kwam moeizaam overeind en liep struikelend naar buiten, omdat hij vreselijk moest wateren. Kennelijk had Ferirkerie het kletterende geluid gehoord want ineens stond ze naast hem met een lachende mond. Haar handen gleden om zijn billen en ballen heen.

"Wat ben je toch een mooie man." zei ze bewonderend. "Het trekt me aan en het stoot me af tegelijk. Ik ga me lelijk en oud voelen naast je."

"Je bènt oud maar gelukkig niet echt lelijk," bespotte hij haar liefdevol maar ze nam het tot zijn schrik ernstig op.

"Kijk naar je eigen uitgewoonde kop! Je bespot me omdat je jaloers op me bent," sneerde ze fel terug. "Ja! Ja! Jaloers! Jaloers! Omdat ik me totaal kon overgeven aan jou vannacht, omdat ik niet zoals jij krampachtig alle kontrole blijf houden. Ik zweef volkomen vrij op mijn liefde voor jou. En jij gaat jij me bespotten en omdat je jaloers bent op die vrijheid. Om me naar beneden te halen. Maar kijk jij nog maar eens kritisch naar jouw zelfgekozen slavernij van je niet aflatende denken. Nou? Snotaap!"

Hij stond met zijn nadruppelende pik in zijn hand zich belachelijk en aangevallen te voelen en zijn geest was blanco geworden.

"Je hebt me armzalig bedrogen!" schreeuwde ze kwader en kwader wordend. "Je belooft vuur maar je geeft me ijs. Me even geil bezoedeld, dat heb je gedaan. Maar je hebt jezelf meer onteerd dan mij. Je eigen duivels zullen je straffen!"

Ze rende weg, het bos in, hem volslagen hulpeloos achterlatend. Hij ging zich wassen in de beek maar een vies gevoel van onmacht, van vals beschuldigd zijn bleef. Omdat hij niets beters wist, zette hij een rozenveld om zich heen, ook omdat hij zich weerloos en kwetsbaar voelde. `Ik ben Gaosar Ouran' fluisterde zijn innerlijke stem. `Ik mag fouten maken. Ik hoef niet perfect te zijn. Ik houd van dit lichaam. En mijn geest mag denken wat hij wil. Ha, geliefde Gaosar, ha, mijn vriend. Wees maar stil.'

Hij ging op de veranda op een bankje zitten met zijn ogen dicht en zijn voeten op de grond. Vanuit zijn ruggegraat vloeide zijn adem als door een gouden koker naar het middelpunt van de aarde. Door zijn voeten gaf de aarde hem een zoete liefde terug. Roze, lichtgeel en blauw vloeiden op zijn inademing omhoog, belletjes borrelend naar zijn hart. `Ik ben hier. Meer heb ik niet dan dit lijf. Ik hoef aan niemand anders getrouw te blijven dan aan mijzelf!'

De belletjes vloeiden langs heel zijn gezicht, omhoog langs de inademende neus tot ze in een explosie midden op zijn voorhoofd uit elkaar spatten. `Ferirkerie uit zo alleen maar haar verdriet. Omdat je straks weer weggaat.'

Dat schreven de belletjes in de lucht en met dat inzicht vloeide er een stroom liefde en vergeving naar haar toe.

"Waar je ook bent, Ferirkerie, ik erken je liefde," zei zijn mond zachtjes. En waar ze was, daar hoorde ze het.

De belletjes tinkelden verder door zijn lijf tot ze ontsnapten uit zijn kruin. Boven zijn hoofd sloten ze zich weer aaneen tot een glanzende bal. Uit de bal gleden vier ankerlijnen in een schuine lijn naar de grond. Gaosar ademde zichzelf in een piramide van roze glas. Zijn ogen waren gesmolten in zijn dichte gezicht, stil geworden. Doodstil. Toch hoorde hij Ferirkerie niet aankomen. Hij wist pas dat ze naast hem zat toen hij haar strelende handen op zijn blote voeten voelde en haar stem hoorde.

"Dankjewel, mooie koning," zei ze en hij vond het niet eens vreemd. Hij liet zijn gedachten drijven en merkte niet eens dat ze weer opstond.

Hij werd teruggehaald door de geur van eten. De zon was al aan het ondergaan in een spektakel van dieppaars en dieprood. Er waren eindelijk dichte wolkenbanken gevormd, later regen belovend. Misschien in de vroege ochtend. Nog steeds naakt ging hij buiten plassen. Op de veranda stond in een grote schaal een salade van prei, kool en wortel te wachten. Ferirkerie was bezig met het bakken van pannekoeken. Hij kwam achter haar staan en legde zijn handen op haar brede heupen: "Alles zoals ik het prettig vind."

"Ik heb nog wat beters voor je straks," zei ze op blije toon. "Ik heb alleen geen wijn hier."

"Voorlopig loopt het water me al in de mond," liet hij weten, terwijl hij onder haar bezige, gespierde armen door met haar borsten speelde.

"Als je je handen daar blijft houden, gaat mij het water ergens anders lopen," bromde ze. Hij tilde haar jurk op.

"Je lijkt echt op mijn moeder," zei hij peinzend.

"Doen mijn billen je aan haar gezicht denken?" vroeg ze beledigend. Hij spuugde op zijn hand en maakte zijn penis glad: "Doe je mondje open, mamma. Ik heb een banaantje voor je."

Voor de vorm maakte ze bezwaar terwijl hij duim voor duim in haar gleed: "Zo kan ik toch geen pannekoeken bakken?"

"Ik houd je niet lang op!" beloofde hij haar, terwijl zijn ballen in een fenomenaal tempo tegen haar kont kletsten. Hij maakte zijn belofte snel waar. Toen hij in haar spoot, schreeuwde hij zo extatisch, dat opnieuw de onzichtbare hond uitbarstte in een wanhopig huilen. Gaosar wankelde achteruit, de slierten sperma druipend langs de binnenkant van zijn dijen.

"Kan ik weer verder gaan?" vroeg ze lachend. Hij had geen adem meer om te praten.

Later onder het eten, mompelde hij: "Weken lang niets en dan zoveel. Wat een weelde."

"Je verdient het, heb ik gehoord," mompelde Ferirkerie. Hij hoorde de zin en woog diens gewicht twee keer. Zijn aanvankelijke angst voor haar toverkunsten was volkomen verdwenen maar er waren veel onverklaarbare witte plekken in haar omgeving.

"Gehoord van wie?"

Zijn toon was vlak maar bewees haar zijn alertheid.

"Er zijn veel mensen die op je letten," antwoordde ze voorzichtig. Hij kon de ergernis niet geheel uit zijn stem houden: "Ja, ja. M'n dooie vader en zo zeker?"

"En de Oude Moeders. Of draag je die hoofddoek alleen als een toevallige versiering?"

"Je weet veel," zei hij zonder iets te ontkennen of toe te geven.

"Blijven we verstoppertje spelen?" wou ze weten.

"Laat me eerst maar weten waar jij staat!" snauwde Gaosar. "De Oude Moeders willen dat jij de koning wakker maakt," zei ze onomwonden.

"Ze hebben me gevraagd om je voor te bereiden op een grote onderneming..."

"Ga door."

"De Moeders weerstaan de Sterrenheren."

"Verbaast me niks," zei hij ruw. "Maar ik heb ook niet zo veel met hùn manieren op. Ik kom van Capai. Deze reis heeft m'n ogen flink geopend voor wat er daar allemaal mis is. De Moeders zijn geen haar beter dan de Shir met hun Mengt-tovenarij."

"Als je tegen hun wensen in gaat, leef je niet lang, Gaosar!" Ze zei het met een oprechte bezorgdheid, dat voelde hij. De papegaai mengde zich klokkend en fluitend in het gesprek, hoewel hij met het donker worden even in slaap leek te zijn gevallen.

"De Shir en de Moeders dreigen mij in gelijke mate," antwoordde hij zacht. "Het gaat alsmaar om hùn wensen. Ik wou me voorlopig maar eens bekommeren om mijn eigen wensen. Als jij dat aanvaardt, dan wil ik graag je hulp. Anders ga ik nog zo dadelijk weg!"

"Het gezag van de Oude Bindi-moeders is heel groot," aarzelde ze nerveus.

"Ze kunnen zeker net zo stiekem en ongemerkt hier langs sluipen als jij doet?!" confronteerde hij haar. Haar antwoord gaf dit magische vermogen toe: "Hun geest en het lichaam reizen als op de wind. Moeder Boesho was hier vanmiddag. Ze wil je geen kwaad doen!"

"Had je dat verhinderd als het anders was?"

"Ik zou mijn leven niet meer zeker zijn."

"Maar?! Zou je haar weerstaan hebben?"

Hij wilde een absoluut antwoord hebben maar ze bleef om de hete brei heen draaien: "Op zulke reizen zijn haar handen niet machtig. Maar ze zou later een moordenaar kunnen sturen."

"Ha! Die heeft geen schijn van kans tegen jou. Jij duikt naar believen ergens op met je boog. Ja toch?"

"Ja toch?" zei de papegaai. Hun gezamenlijke inspanning overtuigde haar nog niet.

"Als ik dat deed... Ik zou altijd in angst leven!" zei ze met een klein stemmetje. Haar ongerustheid toonde meteen in haar gezicht, dat heel oud werd. `Ze is zelf een heel ouwe moeder. Zonder het te weten!' dacht hij vergevingsgezind. Maar er voer tegelijk iets van een heilige woede voer in hem.

"O nee!" zei hij met nadruk. "Je zou in diep respect voor je eigen keus leven voortaan. En in alertheid, dat wel. Maar dat kan je geen kwaad doen! Je angst wèl. Die hond is een prima bescherming voor je en je papegaai weet kennelijk ook waar hij het over heeft!"

Hij bulderde plots van het lachen: "Samenwonen met een gestoorde papegaai, dàt is pas erg!"

Ze volgde hem in een bevrijdend lachen. Ze zaten zo te gieren samen, dat ze naderhand de hele aanleiding ertoe vergeten waren. Misschien was het ook minder de grap geweest dan de noodzaak om even afstand te nemen...

"Het is waar dat ik mijn eigen macht hier heb," gaf ze later toe.

"Als je geen macht in je eigen huis mag hebben, waar dan wel?" vroeg Gaosar. Hij realiseerde zich voor het eerst pijnlijk dat hij zelf geen huis had, geen eigen plek, ergens. "Mijn huis is jouw huis," zei ze zacht in antwoord op zijn gedachte. Hij voelde haar oprechtheid maar daarnaast ook haar verlangen om hem te binden.

"Helaas. Je hebt me gisterennacht een veilige thuiskomst beloofd," antwoordde hij, iets scherper dan hij bedoeld had maar zonder de bestraffing, die ze feitelijk voor haar dreigen toen verdiend had. "En je bedoelde niet dit huis, jouw huis. Je weet waar ik heen wil."

Ze boog haar hoofd. In het licht van de sterren zag hij zilveren tranen druppen.

"Beloofd is beloofd," snikte ze. "En ik zàl je ook helpen. Mijn magie is even sterk als die van de Moeders. Dat is allemaal waar. Ik zal je ook laten zien wat zij voor je verborgen hadden willen houden. Ik zal je mijn toverdrank laten drinken. Het Ritueel van het Samenbrengen wordt het genoemd. Het geeft je moed en inzicht."

Ze hief haar betraande gezicht op, oud en jong tegelijk, heks en hoer, vriend en vijand. Maar meer vriend dan vijand. Veel meer.

"Misschien kun je wat dankbaarheid tonen," sprak haar vijandstem, terwijl het leek alsof ze heel verloren zat te huilen.

"Ben je gek!?" riep Gaosar kwaad. "Jij gaat alleen maar jezelf helpen door mij te helpen. Jij wil aan niemand meer horig zijn, niet aan mij, niet aan de Moeders. Waar of niet waar?"

"Waar!" gaf haar vriendstem toe. Haar gezicht was warm als de zon en trots als de maan. Stilzwijgend wogen ze elkanders integriteit.

"Jij bent een harde man," zei ze toen.

"Ik denk het niet," antwoordde hij rustig. "We zullen wel zien. De tijd zal het leren."
Ferirkerie stond er op dat ze niet samen zouden slapen.

"Je hebt al je kracht nodig voor het Ritueel van het Samenbrengen," verklaarde ze met een onvermurwbare stelligheid. "En doe die stijve pik weg anders komt er helemaal niets van. Ik kan mezelf zo niet voorbereiden."

In het maanlicht glom Gaosar’s wellustige grijns op in de hangmat, die ze op de veranda had opgehangen voor hem.

"Het lijkt wel of niet alleen je maag uitgehongerd was, toen je hier kwam," klaagde ze. "Je bent hier pas een etmaal en je hebt me al vier keer laten zien dat jij het baasje bent."

"Zien? Voelen zal je bedoelen!"

"Gaosar! Hou daar maar gewoon mee op. Ik ben geen twintig meer."

"Hoe oud bèn je eigenlijk? Heel oud?" spotte hij. Gelukkig kon ze zijn ironie deze keer wel verdragen. Ze pareerde hem op passende wijze.

"Als jij zo oud bent als ik, dan hangt dat stoere ding van jou nog alleen maar te hangen. Mannen veranderen snel onder hun navel, vrouwen alleen daarboven. Dat zeggen de Oude Bindi Moeders en die weten waar ze het over hebben."

"Jij had zelf in hun heksenkringetje kunnen zitten," zei Gaosar plotseling serieus.

"Nee," antwoordde ze op een pijnlijk verraste toon. "Ik laat me altijd door jonge knapen als jij verleiden en overheersen. Ik ben daardoor nooit betrouwbaar voor de Oude Moeders. Ze laten me alleen bepaalde karweitjes opknappen."

"Ik geloof niet dat dát je probleem is. Je wilt me niet delen met een ander. Je gelooft alleen in een exclusieve tweeëenheid tussen een man en een vrouw. Dat is waar je pijn vandaan komt. Daarom woon je hier alleen. Liever alleen dan de pijn van een derde in het spel."

Hij had snel en zonder nadenken gesproken. De vrouw zat te sidderen op haar houten bank.

"De pijn houdt nooit op! Nooit op!" schreeuwde haar papegaai in een verstoorde slaap en daarmee verraadde hij zijn verzorgster.

"Ik laat me niet weer aan het huilen maken door jou," zei ze met verstikte stem.

"Je hoeft niet te huilen want ik geef heel veel om je," troostte hij haar.

"Ik moet weg. Dat is waar. Maar probeer me gewoon te accepteren zoals ik ben. Wat ik ben en wat ik te doen heb. Er is vriendschap tussen ons. Is dat niet genoeg?"

Ze ging driftig staan, bijna stampvoetend.

"Ik heb nog nòòit iemand helemaal voor mijzelf gehad. Geen man. Geen kind. Mag ik?! Mag ik dit gevoel alsjeblieft hebben? Ik vind het vreselijk dat je weg gaat. Ze staan je allemaal naar het leven. Wat heb ik aan een dooie vriend, die ooit eens iets liefs tegen me gezegd heeft?! Jij gaat weg. Je ontmoet straks een kleine jonge snol ergens en je stopt haar met jong. Het Mengkantoor is vernietigd en het regime van de Rishe stort in. Iedere vrouw op de eilanden gaat op haar rug voor jou. Jij kan doen wat je wil! Neuk ze maar allemaal! Ze bedelen gewoon om een kind van je. Alsjeblieft! Net als dat halve Rishewijf. Die houdt één keer een boreling vast en is meteen broeds. Ze heeft haar zinnen op een kind gezet, geloof me maar! Voor jij er bent, is ze al zwanger van die ijzerpoot. Geloof me maar!"

In tegenstelling tot haar eerdere besluit begon ze toch onbedaarlijk te huilen. Gaosar zat met opengesperde ogen naar haar te kijken.

"Over wie heb je het, bij de kut van de Moeder?!" bracht hij er stomverbaasd uit.

"Over Tirt, oen!" riep ze tussen haar tranen door.

"Ken jij die dan?"

"Als ik ze nog niet ken, dan leer ik ze hier wel kennen," snikte ze cryptisch. Gaosar stapte uit de hangmat en ging een waterkruik halen. Hij was nog steeds naakt en toen hij naast haar een beker water inschonk, was hij zich ontzettend bewust van zijn penis die zich dichtbij haar huilende gezicht weer oprichtte. `Op de een of andere manier windt haar dramatiek me op,' dacht hij.

"Hier, water." zei hij. Ze keek naar hem op. Keek langs zijn erectie omhoog. Haar mond ging open en er kwam een spanning als een bliksemschicht tussen hun ogen. Zijn onmiddellijke impuls was om zijn pik in haar mond te duwen maar een woeste, razende stem gilde een waarschuwing in zijn hoofd. `Rozenveld!'

Hij schrok en beschermde zich. De spanning verdween en met iedere hartslag zakte zijn erectie verder in.

"Je bent een ongelofelijke rotschoft," zei ze zachtjes, terwijl ze water dronk. Hij wou niet weten waarom. Een buitengewoon precair inzicht had hem overvallen. `Zo verleidt zij mij. Haar emoties raken de mijne en ik verwar die gevoelens met geil zijn. Ik kan haar naar mijn pijpen laten dansen met mijn pik, maar tegelijk maakt ze mij verslaafd aan dat genot. Ze haat zichzelf om die hekserij en ze haat mij omdat ik met mijn mooi zijn haar verleid...' Hij ging weer in de hangmat liggen.

"Wàt je ook denkt," zei hij liefdevol, "ik geef heel veel om je. En ik bied je mijn vriendschap aan."

"Wat zeg je dat op een pathetische toon," mompelde ze.

"Het gaat om je antwoord," zei hij rustig maar toen ze antwoordde dat ze blij was met zijn vriendschap, sprong er een brok in zijn keel en moest hij bijna huilen. Ze merkte het meteen.

"Raar stel vrienden," mompelde ze, quasi boos. "Brengen elkaar de hele tijd aan het huilen, maar het zal wel zo moeten zijn, niet?"




Deel met je vrienden:
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina