De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina26/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   34

Hoofdstuk 25 Slangen op het pad.



(...)

  • Het vergankelijke moet wennen aan het concept van onvergankelijkheid.

  • Zeg maar gewoon scheppingsdrift, die slachtoffer is van zijn eigen scheppingsdrift...

  • Jij reageert op mij af vanwege je falen.

  • Ik ga meer hulpkrachten inschakelen.

  • Je klinkt niet optimistisch.

  • Hij is een mutatie, die u ook niet voorzien had!

  • Ach, het onvoorziene drijft deze schepping nu eenmaal.

  • U heeft altijd al makkelijk praten gehad.

  • Vind je?

Op het midden van de dag vertrokken Tipo en Nisha. Ze zouden langs een zo min mogelijk opvallende route naar de handelshaven van Gondar gaan, waar Benko hen zou opwachten. Gaosar gaf één van de prachtige zilveren armbanden, die hij in Utrag gekocht had, aan Tipo mee voor hun zus Uria.

"Wanneer geef je die andere eigenlijk aan Siri?" vroeg Tipo hem, toen hij zijn broer omhelsde. Verward registreerde Gaosar zeer tegengestelde gevoelens in zijn hoofd, hart en onderlijf. `Wat wil je nou toch?' riep een innerlijke stem, maar op dat moment fluisterde Tipo in zijn oor: "Misschien moet je Siri aan Karnk laten."

"O. Misschien wel ja...," aarzelde Gaosar.

"Het is Nisha's idee, maar ik ondersteun het. Houd je mond nou maar en laat het op je inwerken," drong de jongere man ineens streng aan. "En zorg alleen voor je eigen boot en laat Oerbash de zijne. Dat wou ik je ook nog zeggen. En verder..., nou, ik hou veel van je."

Gaosar knikte stom. Toen schudde hij alles uit zijn overbelaste kop. In een grote innigheid groette hij zijn broer en diens geliefde met de traditionele groet van de nomadische schapen- en geitenhoeders onder de Bakvolkeren: "Moge er een weg zijn!"

Hij stak zijn beide handpalmen op naar Nisha, die met rode ogen van het huilen afscheid stond te nemen van Sugatha en Tirt. De aarde zou de tijd hebben omgekeerd voor ze elkaar zouden weerzien.
Halverwege de ochtend ging Siri terug naar de villa om een verslag van de situatie aan de mayor domo te vragen. Toen ze terugkwam, waren Ate en Ushstar plotseling in haar gezelschap. De twee hadden bij de poort staan wachten.

"Wij motte hier blijve", verklaarde Ate plechtig. "Jullie hebbe lui as wij nodig om op jullie te passe. Zegge de moeders. D'r benne een hoop kerels naar jullie op zoek, hebbe ze gewaarschouwd".

Hij droeg nog steeds hetzelfde vette groene petje en dezelfde onverschillige, meedogenloze gelaatsuitdrukking eronder. De grote kaken kauwden op een plaatselijke smerigheid, die hem met regelmatige tussenpozen iets goors terzijde deed spuwen. Kijken naar Ushtar was evenmin prettig. Een onappetijtelijker, dodelijker creatuur bestond misschien wel ergens maar daar waren geen betrouwbare getuigenissen over heel gebleven. Deze twee broers waren wel heel tastbare bescherming, dat was zeker.

"Niemand neemt het graag tegen jullie tweeën op," zei Karnk.

"Ook niet tegen mijn alleen," antwoordde Ate ongevraagd. "Zelfs jij niet met je Niss-kunste, makker."

"Ik geloof je," zei Karnk zonder voorbehoud en die opmerking bracht een zo onverwachte glimlach op Ate's moordenaarskop dat ze er bijna van schrokken.

"Ik mag je graag, reus," zei Ate.

"Ik jou ook," zei Karnk. "En je broer is ook een prima vent. Hij was een fantastische hulp op Majeste."

"Dankie, reus," gromde Ushtar en zijn rauwe stem stond in een schril contrast met zijn klaarblijkelijke ontroering. Zijn vette snor verborg zijn mond grotendeels maar niet zijn ogen. Onwennig vriendelijk keek hij de kring rond: "Jullie benne allemaal patente lui."

"Nou, wat woue jullie gaan doen?" vroeg Ate. Aan die vraag had het gezelschap een heel ontbijt gewijd.

"We willen eerst koningin Aniz opzoeken," zei Ishti. "In de stad."

De twee geharde mannen sperden hun ogen wijd open.

"De witte vrouwe?" hijgde Ate. "In de stad?"

"Daar woont ze nu meestal ja."

Tirt keek Ishti aan, alsof hij toch nog aarzelde. De Tekenduider scheen echter heel zeker van zijn zaak: "Zij weet het best hoe we in het paleis kunnen komen buiten de gewone..., eh... op een andere manier."

"Hoogedele, U ken zo niet mee," zei Ate tegen Tirt. "Vanweges die glimmende bene van u en uw hoof. D'r wordt ook naar u gezocht. Niet door officiële gaste maar meer door eh, nou ja, door Sicarii, door lui as wij. U hep erregens machtige vijande gemaakt, want de Sicarii werke niet goedkoop. En Karnk ken helemaal nerreges heen. Of we motte ze kop d'r af zage."

"Dat vind ik een ideale oplossing," zei Siri opgewekt en hoewel iedereen begon te lachen keek Karnk of hij een klap in zijn maag had gekregen. Misschien viel het alleen Gaosar op? `Ondanks dat enorme lijf is hij zo fragiel. Misschien is hij eigenlijk de enige die op dit moment bescherming nodig heeft,' dacht hij. `En zou ik daar nou voor moeten zorgen?' Hij aarzelde te lang en de conversatie was al weer veel verder.

Velerlei listen, sluipwegen en vermommingen kwamen aan de nerveuze orde. De grote op Majeste buitgemaakte luchtwagen zou overdag direct herkend worden in de lucht en 's nachts zou geen enkele Rishe er, behalve in absolute noodgevallen, gebruik van durven maken. Alleen Ishti was eigenlijk onverdacht.

"We kunnen Gaosar’s haar bleken," suggereerde Sugatha. "Die dure jas bergen we op en we zetten Ate's petje op zijn hoofd. Zelfs zijn moeder herkent hem niet meer."

Dat geloofde Gaosar direct, maar het petje wou hij absoluut niet op.


Bij stukjes en beetjes ontwikkelde zich enige strategie. Gaosar werd door de vrouwen kundig onherkenbaar vermomd tot hij een oude witharige, beverige man leek.

"Hij kan voor een Tekenduider uit Bonewits doorgaan," zei Tirt. "Als we hem een oude tas op zijn rug binden."

Onzeker verplaatste Gaosar de meeste van zijn bezittingen van de zakken van zijn fraaie jas naar een gore knapzak, waarmee Siri kwam aandragen. Met grote tegenzin deed hij afstand van de schitterende Tatsabel die hij van Karnk gekregen had.

"Had ik hem nou maar aan Tipo meegegeven," klaagde hij. "Ik voel me bijna naakt zonder dat ding."

"Het was omgekeerd erger geweest," imiteerde Karnk Tipo. Gaosar was niet voor een aangevertje in de stemming omdat Karnk’s flauwe grapje al te zeer voor de hand lag. Geen ding voelen en naakt zijn. Zoiets. Geïrriteerd liep hij heen en weer, een iets gebogen gang oefenend. Toen knoopte hij de meeste van zijn loodgordels los.

"M'n zilver laat ik ook maar hier," zei hij tegen niemand in het bijzonder. Ineens had hij het rode zakje in zijn hand dat de dwergen hem gegeven hadden. Het demonen-oog. Het idee alleen dat hij het ooit zou moeten gebruiken, vervulde hem met een misselijk angstgevoel. Toch borg hij het zorgvuldig op binnen het toevallig iets losgeraakte stiksel onder de omslag van zijn linkerlaars.

"Ik ben benieuwd of Aniz jou doorziet..." vroeg Ishti zich af. "Zij is zelf als een kameleon zo veranderlijk van idee en vermomming. Ze woont op een plat dak omdat ze de ruimte van verre luchten nodig heeft, zegt ze altijd. Je kunt haar aandacht alleen krijgen met voedsel. Goed voedsel. Bijzondere dingen. Ze begint met te weigeren. Dan zegt ze: `Alleen een beetje' en na een tijdje zit ze als een wolf te schransen. En ze likt de restjes van het bord. Heel onkoninklijk. Je gelooft niet dat zij echt is."

"En dat is koningin van het grootse Rijk van Tillant..," mijmerde Sugatha vol verwondering. "Een koningin zonder macht," stelde Tirt. Ishsti was het niet met hem eens: "Toch niet. Ze heeft macht maar de vreemdste die je je voor kunt stellen. Volgens mij weet ze nooit wat ze doet en ook niet waarom. Ze heeft een bepaalde onbewuste, intuïtieve manier van handelen. Het lijkt dan een meesterzet maar toch heeft ze, voor zover ik haar ken, geen enkel besef van strategie. Iedereen is bang voor haar zogenaamde vaardigheden. Men probeert haar met logische manoeuvres voor te zijn, maar juist daarmee dragen al die lieden bouwstenen aan voor hun eigen verstrikking. Want Aniz improviseert ongehinderd door enige kennis in alle onschuld door en delft zonder zelfs maar om te kijken graf na graf voor haar opponenten. Ze heeft alleen een eerste klas geheugen voor getallen, heeft ze me ooit verteld. Iedereen zet haar onder druk en ze maakt fout op fout, zo lijkt het, maar toch gaat ze met de onverzettelijkheid van een stier op haar doel af."

"Wat is haar doel?" vroeg Gaosar gefascineerd door het bizarre verhaal. "Ik denk dat ze Oatreru wakker wil maken. Wat anders?" bedacht Tirt.

"Ishsti zegt dat ze zo onvoorspelbaar is," interrumpeerde Siri. "Dat doel, dat vind jij logisch. Maar wie weet heeft ze geen doel."

Ishti keek of hij water zag branden.

"Inderdaad, inderdaad," zuchtte hij. Hij keek Siri aan. "Jij hebt iets in je manier van praten dat me aan haar doet denken," zei hij peinzend.

"Mijn grootvaders moeder is ook een Vastiz," zei Siri.

"Dat wist ik niet," zei Ishti en door de toon waarop hij dat zei, liepen Gaosar de rillingen over zijn rug en ging het haar op zijn armen overeind staan. `Het lijkt wel een beetje op de geheime jachtcodes van Capai,' dacht hij. `Ik kan alleen maar voelen hoe deze Shir onderling boodschap na boodschap aan elkaar geven en geheim na geheim opstapelen. Ik spreek hun taal wel maar nog steeds gebrekkig. Ik hoor hun woorden maar ik voel ze niet. Ik vermoed overal dubbele bodems maar ik kan er de vinger niet op leggen. Toch telt één ding zwaarder dan al het andere. We hebben elkaar vertrouwen gegeven en daarom ga ik gewoon door met dit krankzinnige spel.'

"We moeten op weg nu," besloot Ishti. "Later op de dag is Aniz zeker niet meer te vinden. Ze heeft onpeilbare plannen doorgaans. We vragen haar medewerking en sturen dan Ate of Ushtar terug naar deze grot met bericht voor jullie. Dit blijft, denk ik, de beste plek om jezelf uit de weg te houden."
Siri had een glijwagen aan willen houden op de hoofdweg maar dat had Ate ten sterkste afgeraden: "Die werke vandaag allemaal voor de Sicarii, reken maar. We lope gewoon door de velde naar de stad. De boere kenne u, die prate niet."

Ze volgden smalle paden tussen hoge struikhagen, waar ze moesten oppassen voor scherpe cactussen, puntige yucabladeren en slangen. Gaosar liep voorop. Voor hem was dit bekend terrein. `Net als op Capai. Je schuurt en klakt met je zolen en je hielen om de slangen te verschrikken. Je oog kijkt op het pad en je oren en je neus houden de rest van de omgeving in de gaten.'

Het was een rare gewaarwording om zo nu en dan een lok wit haar te zien hangen in zijn ooghoeken. `Ik voel me ook ouder ineens,' besefte hij. `Heel raar. Oud en wijs. Ik trek een ouwe mannejasje aan en plotseling bèn ik een ouwe man...'

Tussen twee velden met maïsaanplantingen zaten drie tandeloze bebaarde Bindiboeren met grote hoeden voor een zwart aangeslagen, vetberoete hut. Binnen rookte een houtvuur. De boeren groetten Siri met eerbied en vriendelijkheid. Eén van de mannen stond op en wenkte hen naar binnen. "Kenne wij de voorname Vrouwe ete biede?" vroeg hij. Op de lemen brokkelige vloer van de hut lagen aan spiesen geregen hamsters, die in hun geheel zouden worden geroosterd zonder dat men ze verder stroopten of de ingewanden verwijderde. Van achter de hut dreef de scherpe lucht van varkensmest aan. Vier groene parkietjes pruttelden tegen elkaar in hun piepkleine kooitje, druk over de kwaliteit van hun daagse mango.

"Niet vandaag," neeg Siri haar hoofd en eens te meer verbaasde ze Gaosar. `Op andere dagen wel?' vroeg hij zich af. De boeren gedroegen zich niet onderdanig en zij vertoonde geen spoor van de hooghartigheid die ze in de stad zo vaak liet zien. `We dragen allemaal maskers over elkaar,' realiseerde hij zich. `Zij niet minder dan ik.'

Een teder gevoel van herkenning ging door hem heen. Toen ze verder liepen, keek hij met een vragend verlangen om, maar haar ogen bleven op het pad voor haar voeten gericht en hij deed geen tweede poging...


Dichter in de buurt van de stadspoort gekomen schoof Siri de kap van haar mantel over haar hoofd en was direct onherkenbaar. Ze ging anders lopen ook, merkte Gaosar op. Nog zo'n kameleonvrouw. Langzamerhand kwamen ze meer mensen tegen. Langs de stadsmuur woonden veel inktbewerkers die in de haven bij de zeevissers dagelijks inktvisbuidels ophaalden om op lange lijnen in de zon te drogen. Een armelijk beroep. De Shirschrijvers zouden later de sepiakorreltjes weer aan water toevoegen en zo steeds beschikken over verse inkt. De vijf wandelaars pauzeerden even vermoeid aan de kant van een klein, rietomzoomd meer. Verderop zaten een paar Bindi-kinderen met lange hengels. Aan het uiteinde ervan zat geen visaas maar een zoet en kleverig stuk snoepgoed, waar met tientallen tegelijk rondzoemende libellen het slachtoffer van werden. Een wat ouder meisje zat de knetterende lijfjes met een obsessieve toewijding te roosteren boven een klein takkenvuurtje. Alle kinderen zaten met permanent malende kaken te demonstreren dat ze weinig verwachtten van het maal in het ouderlijk huis. Toen ze later in een buitenwijk liepen, wees Gaosar vragend op verschillende ronde stenen goten die van hogere hellingen naar voorname huizen voerden. Siri legde het uit. Men ving uit natuurlijke bronnen water op en leidde dat middels gebakken halve buisdelen, aan elkaar gezet met kalkmortel, naar dakbassins. Daar werd het water door de zon verwarmd en gebruikt voor sanitaire voorzieningen. Het afvalwater spoelde tegelijkertijd de rioolgoten schoon, hetgeen ook de armere wijkbewoners ten goede kwam. De straten waren hier smal en voetgangers, lastdieren en vervoermiddelen maakten zonder orde of regels gebruik van de weg. Eenmaal werd Ushtars onderbeen licht geraakt door een opdringerige knaap op een hoge met groenten geladen driewielige laststep. De jongen nam te vlug aan dat de onbeschrijfelijke herrie van zijn drie massieve houten wielen de andere weggebruikers wel op tijd zou doen uitwijken. Gaosar hoorde de moordenaar vloeken en keek snel om. Ushtar had zijn machtige berenklauw laten uitzwiepen en trok met die ene hand de jongere man van de verder donderende step af. Ieder protest bestierf zijn slachtoffer in de mond. Zijn angst was zo groot dat zijn open en dichtgaande mond niet eens de passende verontschuldigingen kon uitbrengen. Ushtar keek zijdelings naar Siri en Gaosar en herinnerde zich direct weer zijn prioriteiten. Kwaad gooide hij de jongen als een prop papier aan de kant, waar hij naast een beenloze bedelaar met een weelderige snor bleef liggen. Veel omstanders waren blijven staan en keken met een mengeling van angst en respect toe. De bedelaar was de enige die glimlachend toekeek.

"Streper Ushtar is een heel rustige man," riep hij ontspannen naar het groepje. "Hij heeft één probleem. Thuis slaat zijn vrouw hem omdat hij zo lawaaierig is."

Iedereen lachte en de spanning vloeide weg. In zichzelf brommend beende Ushtar door. Even verder werd Ishti, die voorop liep, aangehouden door een smerige, dronken bedelaar met dik zwart haar dat rechtovereind stond van vuiligheid. De man meurde doordringend naar pis. Zijn bovenbroek zat met zoveel gordels samengesnoerd dat in zijn dronken staat zijn gulp ontknopen waarschijnlijk veel te ingewikkeld was. Ishti ontweek de trillende vieze handen maar Siri wilde in een mengeling van afschuw en medelijden de man een setparsi toestoppen. Voordat hij echter het geldstuk kon aanpakken, duwde Ate hem ruw terzijde. Het viel Gaosar op hoe de twee Sicarii ieder oponthoud direct als een mogelijke aanslag tegemoet traden. `Geoefende lijfwachten die net zo vaak zelf de aanslagplegers geweest zijn,' besefte hij.

"U mot doorlopen hier, Vrouwe," zei Ate wat geprikkeld. "Dit benne geen beste strate voor hooggeborene as u."

Ishsti wees vooruit.

"Het is nog wel wat verder," zei hij. Op dat moment klonk er achter hun een bekend geluid en ze draaiden zich maximaal op hun hoede op. Er was een rood overzichtersbusje gestopt, waaruit hen drie Overzichters tegemoet traden. Het was een vet, zompig slag kerels. Jonge Shir, bewrat en bepukkeld met geslepen koppen. Ze droegen korte zwaarden en knuppels maar geen had de hoge rang die het dragen van een vervormer toestond. Ishti stond alsof hij niet bij het groepje hoorde een winkeluitstalling te bekijken maar Ate en Ushtar hadden zich alert schuin voor Siri en Gaosar opgesteld. Ze keken naar de drie mannen met de warmte van het welkom van de slang voor een kuiken.

"Wat moeten jullie hier?" vroeg de oudste van de mannen, terwijl hij nadrukkelijk met zijn hardhouten knuppel op een handpalm klopte.

"Bemoei je met je eigen zake, Polp," reageerde Ate onmiddellijk fel. "Je hep niks tegen ons lope of wel soms?"

Siri bemoeide zich met de situatie met de volle inzet van haar klassebewustzijn zonder dat ze echter haar gezicht toonde. Haar stem liep zachtstroperig over van beleefdheid en minzaamheid: "Ik neem niet aan dat u mij zoekt?! Goed, dan vervolgen wij onze weg. Sar Ate, komt u mee?"

"Een ogenblik Vrouwe," maande de overzichter. Ondanks zijn vrij zorgeloze gezicht en zijn volle witte-tanden-lach lag de dood op de loer achter zijn niet mee lachende ogen. Zijn companen hadden eveneens een dreigende pose aangenomen. Ate liet zich echter geen ogenblik imponeren.

"Flikker op, Polp!" grauwde hij. "Wij zijn hier om de hoge vrouwe te beschermen tegen gespuis as jij en nie andersom."

"Zulke taal sla je niet tegen me uit als mijn Hoofdlasthebber erbij is met een vervormer," snauwde Polp terug.

"Maar nou wel!" zei Ate. "Sterker nog, je moeder woont in de bakkerswijk, niewaar?"

Die platte machtsverklaring deed Polp even schrikken. Kennelijk twijfelde hij niet aan het toekomstige on-welzijn van zijn moeder als hij nu zijn poot strak hield.

"Waar gaat u heen, Vrouwe?" probeerde hij nog waarop Ushtar een zware stap vooruit deed en op lage toon zei: "Ze gaat boodschappen doen."

"Is dat zo, Vrouwe?" vroeg Polp haast wanhopig maar Ate gooide er een glibbervet cynisme over heen met: "Je denkt toch niet dat ik tege jou zou liege? En nou oprotte alledrie!!"

Zonder nog een woord te zeggen verdwenen de Overzichters weer in het busje. Gaosar stond het zweet in de handen en Siri was zeker zo nerveus. "Waar ging dat nou allemaal om?" vroeg ze trillend.

"Die gaste benne geen haar beter as wij." legde Ate uit. "Ze make et de mense lastig en dan houwe ze hun hand op voor een zogehete boete. Helemaal as ze hun Hoofdlasthebber d'r niet bij hebbe. Ons kent ons, za'k maar zegge."

"Ik voel me niet gerust", zei Gaosar. "Misschien herkenden ze Siri? Of mij?"

"Je lijkt meer op Oerbash dan op jezelf op dit moment," wilde Ishti hem opbeuren maar op de een of andere manier bereikte hij daar het tegendeel mee. In een gedrukte stemming gingen ze verder, Ishti voorop, Ushstar achter hem, Gaosar en Siri naast elkaar. Ate sloot de rij.

Ze staken de brede laan over die in de richting van het koninklijke paleis ging. Hier was aan weerszijden een voetgangerspad gemaakt van witte en zwarte mozaiekstenen in kunstzinnig golvende patronen.

"Alle wegen naar het paleis zien er zo uit," wees Siri. Het was er een enorme drukte en een evenredige herrie. Aan weerszijden van de laan waren huizenhoge, koninklijke palmbomen geplant. Toen ze bijna aan de overkant waren, zagen ze een jongen in een paars jekje staan, die wild omhoog wees. Onwillekeurig keek Gaosar mee. In één van de palmbomen bewoog een geweldig zwart lichaam.

"Verrek"' zei Ate achter hem. "Een kakako-slang. Slecht in je bed, maar goed in de pot."

Er bleven meer mensen staan. Het was heel natuurlijk dat een man in de menigte zijn boog pakte en er een pijl oplegde. Hij richtte op de slang en alle omstanders keken geboeid toe. In het volgende moment klonk er een gesmoorde pijnkreet. Achter Gaosar zakte Ate stervend in elkaar met een zware blauwgevederde pijl diep in de borst. Verbijsterd keek Gaosar om zich heen. Ushstar en Ishti waren al in beweging. Ze hadden elk in een reflex Siri's handen gegrepen en haar door een openstaande deur een huis binnengesleurd. Net voordat Ushstars brede rug zou verdwijnen, flitste er een tweede blauwe schicht, die insloeg in zijn nieren. Schreeuwend als een beest viel hij voorover, uit het zicht. Gaosar kon onmogelijk meer achter de anderen aan. Een onbekende kracht dwong hem om opnieuw naar de man met de boog te kijken. Een witte snor, oorhangers. Deze man was het niet die geschoten had. Hij richtte zijn pijl nog steeds op de slang, maar over de hoofden van de omstanders heen keek hij naar Gaosar. De tijd stond stil. Het was de verhalenverteller van de boot. Falak Geshyo. De omvang van dit enorme complot duizelde door Gaosar heen en verlamde hem volkomen. Hij voelde de macht van de vervormer onder zijn oksel maar de dreiging van zware blauwe pijlen uit een onbekende hoek weerhield hem van zulk onbesuisd handelen. Geveld door een motiefverloren wanhoop zonk hij op zijn knieën naast Ate. De omstanders waren schreeuwend en kakelend als geschrokken kippen uit de buurt weggevlucht. De zware man bloedde vreselijk uit borst en mond maar dood was hij nog niet.

"Au, au," jammerde hij een paar keer. En toen zei hij duidelijk verstaanbaar tussen twee gulpen bloed door: "Ik gaat dom dood, neef. Sla je ze op d'r lui muil voor mij? Beloof je mij....?"

Toen verslapte de altijd vooruitstekende onderkaak. Het verzachtte de nare moordenaarstronie zo bijzonder dat Gaosar de tranen in de ogen schoten. `Beloof je mij...?' De vraag drensde in gekmakende kadans en herhaling in zijn hoofd. Uit het niets doken er vier kortharige, doelgerichte mannen op, die zonder uitleg op een glijwagen wezen die op de koningsweg gestopt was. Als gehypnotiseerd stapte Gaosar in. Eén van de kerels bond Gaosar’s handen en voeten en gooide toen een vies zuur ruikende lap over zijn hoofd. Zijn laatste beeld van de straat was dat van de kakao-slang, die kronkelend en zwiepend naar beneden viel uit de palm. Ook Falak Geshyo's pijl had kennelijk doel getroffen. Gretig gespte iemand Gaosar’s polsband af en dat verlies trof hem dieper dat hij ooit voor mogelijk had kunnen houden. Andere handen beroofden hem van de vervormer, zijn dierbare ezelbotbossen en het wurgtouw. Er werd gegrinnikt toen men zijn ene loodgordel vond, die hij voor onverwachte kosten had meegenomen. Zelfs het nagenoeg lege geldbuideltje lieten ze niet ongemoeid. Nieuwe drift sijpelde door Gaosar’s frustraties heen omdat zijn berovers daarmee ook het onbekende fortuin dat de lapblokjes vertegenwoordigden van hem af namen. De glijwagen kwam op gang en werd direct tot hoge snelheid opgevoerd. Gaosar zat ingeklemd tussen twee van zijn ontvoerders ten prooi aan de afschuwelijkste gedachten van falen, in de steek laten en in de steek gelaten worden. Eenmaal hoorde hij een wilde schreeuw van paniek en de wagen maakte een radicale rechtse bocht, die de passagiers bijna van hun plaatsen smeet. Achter hun klonk gebrul en iets wat op een strijdkreet leek. Werd er gevochten? Hoop en teleurstelling voeren door hem heen, maar al die gevoelens waren nutteloos in Gaosar’s blinde donkerte, toen de reis voortging. Eén keer stopten ze. Kennelijk was er nog een glijwagen achter hen aan gekomen, want Gaosar hoorde zeker vijf verschillende stemmen fluisteren. Het terrein werd moeilijk toen ze verder gingen. Zo nu en dan vloekten zijn begeleiders in een vreemd dialect, als ze bonkend en schurend langs bomen of rotsen hun tempo drastisch moesten vertragen. De kerels zaten smakkend te eten ondertussen, maar ze namen niet de moeite om iets met hun gevangene te delen. Het geluid van klokkende wijn of water in dorstige kelen maakte Gaosar razender en razender, naarmate hij zelf dorstiger werd. Zijn vragen, smeken en dreigen werd echter slechts met plat leedvermaak beantwoord.

"Waar gaan we heen?" vroeg hij eens. Iemand antwoordde grof: "Naar een plekkie waar de Rishe je op hun gemak dood kenne maken, jonge."

Gaosar vroeg niet verder.

Ze reden een lange, lange tijd door. Het ongemak nam toe. Zo'n kwaadaardigheid voer in hem dat hem haast zijn eigen lot niet meer schelen kon. Alleen deze twee gluiperds te grazen nemen, daar focuste zich zijn woeste geest op. `Help me!' schreeuwde hij geluidloos naar de hemel. `Kom me te hulp! Oh, Moedergodin! Oh duivels en demonen, help me hier uit!'

Later zou blijken dat iets hem gehoord had.


De nacht viel. Ze stopten weer. Hij hoorde de tweede glijwagen niet meer. Achtergebleven om hun vluchtroute af te dekken? De drie overgebleven mannen maakten een stil kamp en een slaapplaats. De bestuurder van de glijwagen bond Gaosar strak vast aan de bumper en mompelde lacherig iets wat beslist geen `welterusten' was. Hij moest toch geslapen hebben want in de vroege morgen werd hij koud en stijf wakker. Golven van krakend zeer joegen door al zijn leden. Een diepe, misselijk makende landerigheid sarde zijn gekwelde bewustzijn. Bij het eerste ochtendlicht werd de reis voortgezet. Kort daarna stapte de groep over in een boot. Weer was er geen ontbijt en geen drinken voor Gaosar. Het werd heter en heter. Ook zijn drift naderde een kookpunt. Op een zeker moment legde de boot aan langs een steiger. De mannen stapten uit en sleurden hun slachtoffer ruw mee. Ze namen een sterk oplopend pad. Het groepje stapte enige tijd flink door. Plotseling schreeuwde de achterste man iets. Op zorgelijke toon spraken de drie mannen met elkaar. Het scheen dat de weg versperd was. Zelfs geblinddoekt onder de kap kon Gaosar hun ongerustheid en verwondering voelen. De mannen gingen een eind verder klaarblijkelijk met gereedschap aan het werk. Gaosar hoorden stenen in een diepe kloof vallen, geluiden van hakkende kapmessen en soms gevloek. Ineens klonk er een tweevoudig gejank van pijn en woeste kreten. De vastgebonden Gaosar wrong en kronkelde om althans van de desoriënterende hoofdkap af te komen. Verderop hield het gegil maar niet op. Eindelijk kon Gaosar bijtend en rukkend aan de lap iets van zijn gezichtsvermogen terugkrijgen. Zijn ogen wachtten een schrikbarend tafereel. Het smalle pad, dat hij zag, voerde langs een steile afgrond. Het bleek grotendeels versperd te zijn door een steenlawine, die van de hogere helling naar beneden was gekomen. Gaosar’s ontvoerders waren bezig geweest om met hefboompjes de grootste keien te ruimen. Eén van de mannen lag nu echter kronkelend van de pijn op de grond, achter hem kronkelende een zwarte slang weg. De andere man trachtte in blinde paniek een tweede gifslang los te trekken, die zich in zijn wang had vastgebeten. De derde stond schreeuwend van angst vlak aan de ravijnrand te slaan naar een kolossale schapengier, die hem onophoudelijk met klauwen en snavel aanviel. Terwijl Gaosar verstard toekeek, wankelde de man over de rand. Zijn gillen verstomde na korte tijd en de roofvogel vloog na een korte cirkelvlucht ontspannen naar beneden, achter hem aan. De tweede man was er in geslaagd om zich te bevrijden van de slang, maar het gif deed niettemin zijn werk. Gaosar kon geen medelijden voelen. Vervuld van afgrijzen zag hij ineens meer slangen op het pad achter hem en ook tussen de rotsen, maar de reptielen lieten hem met rust. Heel behoedzaam bleef hij proberen om ondertussen de belemmerende kap verder met zijn tanden en gebonden handen van zijn hoofd af te krijgen.

Het kostte hem de rest van de ochtend om zijn boeien door te schuren op een scherp stuk rots. Het was in hem opgekomen om naar de nog steeds licht schokkende, vergiftigde mannen tussen de rotsen toe te lopen om zich van wapens te voorzien, maar dat werd hem niet erg aantrekkelijk gemaakt. Alsof ze in een toverspreuk gevangen waren, zag hij langs het pad meer en meer reptielen afdalen naar de onheilsplek. Zodra hij zijn voeten los had, begon hij daarom te klimmen, in de enige richting waar hij geen slangen zag. Terug naar zee kon hij niet. Spijtig moest hij alle zijn verlangens naar de verloren polsband en zijn andere bezittingen van zich af zetten. Er was hem een nieuw leven geschonken, wat hem zeer lief was, hoe wanhopig hongerig en dorstig hij ook was. Maar de vrijheid wachtte hem weer, hoewel dat besef zijn knagende verlangens naar voedsel en water niet kon stillen. Na een tijdje kwam hij op een nieuw pad terecht. Zonder enig idee van plaats of richting volgde hij het. Beschutting tegen de moordende, uitdrogende zon was er nergens. Het pad splitste zich herhaalde malen en volstrekt willekeurig koos Gaosar zich een weg. Hij werd nog net niet gek, maar beetje bij beetje voelde hij hoe zijn persoonlijkheid ankerloos werd overvleugeld door een onuitspreekbare, knagende duivelse ongerustheid. De waarom-vraag: `Waarom moet ik zo gekweld worden?' beukte alsmaar op hem in. Hij strompelde door, verpletterd door de zon. Zijn hart klopte als een hamer, als blaasbalgen zwoegden zijn longen. Ondanks de zinderende schaduwloze hitte liepen er koude rillingen over heel zijn lijf. Eenmaal pauzeerde hij. Hij moest gaan zitten, maar toen hij weer opstond viel hij onmiddellijk flauw toen het bloed wegtrok uit zijn hoofd. Even akelig kwam hij weer bij door het krabbelen van een duimgroot insekt in zijn oor. De dorst was zo erg dat hij probeerde die met wat urine te lessen. De poging leverde echter niet meer op dan een slok bruinig vocht in zijn handpalm, dat hij niettemin gulzig opdronk. Trillend stond hij daar half gebogen, de handen steunend op de knieën in die klamme, olieachtige hitte die het midden van de dag inluidt. Geen zuchtje wind verfriste, geen beschuttende wolk was er aan de verre hemel te zien. `Ik leef nog,' hield hij keer op keer zichzelf voor. 'Ik hoef tenminste niet meer machteloos af te wachten.'

Langzaam liep hij door. Hij had zijn mantel over zijn hoofd geslagen tegen de verschroeiende zonnestralen en plots viel hem een lichte geur op in de stof. Eten? Bizarre hallucinaties overvielen hem. Herinneringen werden voelbaar en ruikbaar. Kruidige etensluchtjes vulden zijn neus, water liep in zijn mond, taai speeksel dat hem krampachtig dwong tot slikken. Uiteindelijk nam hij een rond steentje in zijn mond en dat grondde hem weer. De speekselstroom werd lichter en dunner en het vocht bracht hem eindelijk een voorzichtige wapenstilstand.

Nadat hij een sai verder gelopen was, steeds dalend, begon er meer en meer vegetatie om hem heen te verschijnen. Met een extatisch gevoel van dankbaarheid merkte hij ineens tussen de struiken een kleine staafcactus op. Hij schramde wild zijn benen aan doornige takken toen hij er op af rende. Met een scherpe leisteen wrikte hij het binnenste weefsel los en propte het in zijn mond. Het bittere vocht heelde hem zoals moedermelk hem toekomst gegeven had. Daarna ging zijn tocht veel beter. Hij vond een vreemd soort aardbeien, nog niet helemaal rijp, maar een geschenk van de godin niettemin.

De weg voerde hem door een mager, onvruchtbaar land, droog en nagenoeg zonder bomen. Hij had een noordelijke koers aangehouden met als enig motief dat hij zo de zon uit zijn gezicht kon houden. Monotoon en binnensmonds telde hij zijn passen om zijn verstand met iets onschuldigs bezig te kunnen houden. Alleen om die reden liep hij door, vrezend dat uitrusten hem opnieuw te prooi zou doen vallen aan de onbarmhartigheid van de razende geest. Hoewel hij niet bewust rondkeek, viel toch zijn oog laat in de middag op mintblad dat hij op handen en knieën met de gretigheid van een schaap afgraasde. Vlakbij die plek herkenden zijn speurende ogen het gekerfde blad van benkeiwortels die hij bijna met tranen in zijn ogen opgroef. Met iedere hap at hij zich enige moed in, die na verloop van tijd uitmondde in hinnikend lachen tegen de zon. Onderweg vond hij twee goede vuurstenen en eindelijk ontdekte hij ook water. Een min stroompje, waar hij zich niettemin plat voorover in liet vallen als een massieve deur, wiens te lichte scharnieren het begeven. Hij dompelde zijn hoofd onder en dronk als een dier. Even ving hij in het spiegelende water een flits van een gezicht op. Hij wist dat hij naar zichzelf keek, maar op dat moment bood de zichtbare werkelijkheid hem geen enkel aanknopingspunt meer. Wallen onder de ogen, scherpe lijnen naast de neus. Slierten wit haar, 'n vettige, vlokkige witte baard en snor. Holle ogen. Een ouwe man, een hele ouwe man. Toch had de vermomming de overvallers niet misleid. Of hadden ze het vooral gemunt gehad op Siri? Hij zou het nooit te weten komen. Hij waste zichzelf en zijn kleren en kreeg toen pas spijt van zijn impulsieve plons omdat ook zijn laarzen nat waren geworden. Hij trok ze uit en zette ze in de zon te drogen. De laarzen. Onwillekeurig zocht zijn hand het rode zakje met het demonen-oog en het linnen lapje met daarin dat bruin verdroogde stukje van hem zelf. In zijn herwonnen kracht en met een overdreven overmoed opende hij het zakje en zette het lensachtige voorwerp dat er in zat voor zijn rechteroog. Er gebeurde niets. Het dorre landschap kreeg een rodere kleur maar meer verandering viel hem niet op. Hij stopte de lens voorzichtig weer in zijn bergplaats en zette alle ideeën omtrent het instrument van zich af. Moe. Hij voelde zich zo moe. Een grote bremstruik bood schaduw en de grond er onder was vrij los en zanderig zodat hij een heupkuil kon slaan. `Nou, kan ik eindelijk stoppen,` dacht hij. `Nou even uitrusten.' Hij legde zijn geteisterde lichaam met een diepe zucht neer en bijna ogenblikkelijk viel hij in slaap. Ergens dichtbij schetterde een driftige gaai maar Gaosar hoorde niets meer.

's Morgens werd hij ongerust wakker. Vies, kleverig en heel onzeker. Hij had geen idee waar hij was. Misschien had hij onbewust een veilige route gekozen, maar evengoed zou hij recht in een armen van nieuwe vijanden kunnen lopen. Doelloos twijfelen ondermijnde zijn schamele krachten nog meer. `Word ik door magische krachten van buiten gemanipuleerd om me gek te krijgen? Kerko? Onsten? Oerbash?' Iedereen, alles werd verdacht. `Ik heb geen richting meer,' liep hij te piekeren. Op een driesprong schoten plotsklaps twee vleermuizen langs hem heen in een lage duikvlucht. Hij liep hun klakkeloos achterna, het ene pad net zo goed als het andere. Weer redde hem de volhartige troost van Tipo. `Het had erger kunnen zijn, zeikerd!' riep diens stem hem als van verre toe. Ineens kon hij weer glimlachen. `Zo is het ook! Het had erger kunnen zijn. Ik voel me als een marionet en toch weet ik dat het niet zo is. Het is mijn eigen verlangen dat me maar zulke ervaringen drijft. Dit is allemaal onbekend terrein voor me. Ik kan het alleen experimenterend onderzoeken. Maar tegelijk kots ik van angst omdat er me bij elk risico dat ik neem direct een vuile hel van onmacht voor me opdoemt. Goed. Vooruit. Zo is het. Ik hoef niet perfect te zijn. Ik mag fouten maken, anders leer ik het niet.' Hij had in elk geval weer tijd van leven gekregen om fouten te maken.




Deel met je vrienden:
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina