De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina25/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   34

Hoofdstuk 24 De Berseng.



(...)

  • Bestemming? Bestemming? Waar komt dat idee nu ineens vandaan?

  • Ik reflecteer niet meer dan jouw eigen verlangen.

  • U brengt me ver voorbij de grens van mijn eigen geloofwaardigheid.

  • Ooit was ik berucht om zulke meedogenloosheid.

  • Probeert u opnieuw de tijd te doden met zo'n sinister spelletje, ten koste van mij?

  • Dat niet.

  • Wat dan wel?

  • Jij laat je meestal ontmoedigen door zuivere kennis.

  • Mm. Helpt u mij er dan mee?

  • Kun je je dat eigenlijk voorstellen?

  • Nauwelijks.

Op het eiland Illyan maakten nog wel meer lieden het heel laat. In een luxueuze suite in het grandioze paleis van de slapende koning bij de drielingstad Gondar kon men een vloekende en tierende Generaal Iten `Stormvogel' Horkan aantreffen. De ruimte stond vol met de wonderbaarlijkste kunstschatten. Ivoor en porselein, goud en zilver, ebbenhout en tin. De wanden en deuren waren met wit geschilderd schrijnwerk versierd, waarop met bladgoud de meest gracieuze ornamenten waren aangebracht. Het plafond liep in een ovale koepel uit, die beschilderd was met symbolische en toverachtige tekens. Aan beide zijden van de ruimte stond een marmeren schouw met een brandschoon geborstelde vuurplaats. Schitterende fijngeweven gordijnen in rood en oranje, de kleur van het koningshuis, sloten de hoge ramen af die uitzicht gaven op de perfect onderhouden rozentuinen op de binnenplaats van het paleis. Meer dan manshoge zijden tapijten met romantische natuur taferelen verwarmden de wanden. Generaal Horkan was helaas niet in een romantische bui.

"Vance Jeek! Jouw fantasie lijkt onuitputtelijk! Moet ik dit allemaal gelòven?" riep hij in opperste geprikkeldheid uit. "Biedt de Zonnetempel mij niet meer dan dit?"

Voor hem stond een kleine man in het kostbare, fijngeweven witlinnen gewaad van een opperpriester. Zijn korte kroezige haar was rookgrijs van ouderdom en zijn lichaamshuid was gerimpeld als broos perkament. In het strakke gezicht sprankelden twee felle glinsterogen.

"De koningin bedrijft de liefde met een glijwagenchauffeur!?" raasde Horkan weer. "Alleen dat nieuws brengt me al aan het braken van ergernis. Niet het nieuws, maar dat de Tempel het vergaard heeft! En nu meldt men jullie dat Rish Poldetson uit Rondoval zijn koninklijk erfdeel wil opeisen!? Rondoval notabene! Op dat achterlijke Bonewits! Omdat zijn moeder een halfzuster van onze koningin is? Welja. Maar zijn vaders lijn is slechts in de verte verwant aan één van de tien geslachten. En hij is al de vijftiende pretendent, die mij in de strot geschoven wordt. Jeek, ik zeg het je nog één keer. Mijn garde verdelgt een ieder, die de troon opeist voordat mijn wettige vorst gestorven is. Mijn toewijding heeft mij al duizend maal tot ver voorbij iedere denkbare grens van twijfel gebracht en een andere weg ken ik niet."

Hij pauzeerde even. De priester mompelde direct: "Dat is je zwakke plek, Stormvogel."

"O ja! Jij wilt me doen geloven dat er meer waarheden zijn. Welja. En je presenteert me die priesterlijke bewijsvoeringen met al jullie geslepen vaardigheden. Vooruit, jullie mogen denken wat je wilt, bewijzen wat je wilt. Er is niet slechts één oplossing, niet slechts één weg, zeg jij. Maar de kern van jullie manipulatie is echter maar voor één uitleg vatbaar. De Tempel wil namelijk nog steeds dat ik er aan meewerk, dat het nog levende lichaam van mijn koning verdonkeremaand wordt naar een plaats die júllie veiliger noemen. Veilig tegen wat? `Tegen de natuur!' schreeuw je tegen mij. Wij kennen elkander al heel lang, priester. Ik respecteer jouw vaardigheden, maar jij dient mijn toewijding te respecteren. Als die koninklijke jakhalzen buiten dit paleis vernemen, dat de koning hier niet meer is, (en dat zúllen ze!) dan ontaardt er een opvolgingsstrijd, die zijn weerga niet kent. Die kleine stroompjes koninklijk bloed in hun aderen dragen echter zo weinig van de koninklijke liefde, die ik in mijn geliefde Oatreru heb leren kennen, dat ik ze met diezelfde liefde zal vermorzelen. Moet ik duidelijker zijn, priester?!"

De priester neeg zijn grijze hoofd: "Ik zal ook duidelijk en oneerbiedig zijn, eerbare waker. `Wat babbelt de punt in de cirkel over eenheid?' vraagt de Oudste ons immer. `Luister naar het zingen van de cirkel,' adviseert hij. En dat is wat jij in je toegewijde drift niet meer kan, Stormvogel. Lees de tekenen. Het volk van de Shir wacht met smart op de dood van de oude koning, zodat een nieuwe hen kan leiden door de komende barre tijden. Oatreru's slaap geeft geen zekerheid meer en de koningin bekommert zich slechts om katten, ouden van dagen en haar bizarre genotsbelevenissen in plaats van geboorte te willen geven aan een nieuwe, rechtmatige prins. De Tempel is niet minder toegewijd aan het koningshuis dan jij, Stormvogel. Maar de Tempel dient allereerst het volk. De simpelen, de enghartigen, de bevreesden, die heldere richtlijnen nodig hebben. Zekerheid! En jouw onbeweeglijkheid staat ons in de weg. Je hoort me. Je kent me. Er is geen dreiging in mij. Er is slechts een simpele vaststelling. En verder laat ik je zijn, Stormvogel. Werkelijk. De Tempel zou je leven kunnen nemen, maar niet middels mijn handen."

De generaal keek met een vaste oogopslag naar de oude priester.

"Dat weet ik, Jeek," zei hij ineens gekalmeerd. "Daarom laat ik je hier ook toe. Maar het besprokene zal niets aan mijn onbuigzame opstelling veranderen. Ik leef bij mijn eed. Al zou dat de hele wereld doen ineenstorten. Er is maar één anker voor mij en dat is deze belofte. De vreugde van haar te vervullen biedt mij iedere helderheid, die ik ooit vermocht na te streven."

"Dat kan ik aan je zien, Horkan," zei de kleine man met een berustende klank in zijn stem. "En wat kome, dat komt."

"Wat kome, dat komt, Jeek."

De twee mannen bogen naar elkaar ten afscheid. Wat gezegd was, was gezegd. Het was tijd voor handelen.
De volgende ochtend werd er in de langzaam wakker wordende paleisvilla een luxueus fruitontbijt geserveerd. Op twee lange tafels troffen de gasten een paradijselijke overvloed aan in oogstrelende kleurencombinaties opgemaakt. Er lagen bananen, appels, mango's, ananas, kaki's, kokosnoten, druiven, papaya's, appels en vijgen, gelardeerd met vers mintblad, een lust voor de zintuigen. Het leek erop dat het keukenpersoneel op die wijze uitdrukking gaf aan zijn eigen vreugde dat de riskante verre reis van de meesteres goed was afgelopen.

Tirt had in het holst van de nacht samen met Siri de grote luchtwagen verborgen in een geheime, diepe grot aan het noordoostelijke einde van het enorme landgoed. Zelfs het personeel was niet van het bestaan van die plek op de hoogte. In hardhouten, weerbestendige kisten stonden er wapens en een grote noodvoorraad voedsel opgeslagen, vooral gedroogde bananenpulp en vijgen. Achter in de schemerige ruimte was een kleine bron met heel zuiver water, dat kabbelend iets verder opnieuw z'n onderaardse bedding opzocht. Tirt merkte een zwaar met ijzer beslagen deur op. Siri gaf geen rechtstreeks antwoord op zijn vraag naar de bestemming van de eventuele gang er achter.

"Mijn familie is machtig gebleven omdat we ons zelden zullen laten verrassen," zei ze.

"Misschien kunnen we beter allemaal hier bivakkeren tot we weten hoe de Raad reageert op het nieuws uit Majeste," bedacht Tirt zorgelijk. "Via hun kristalontvangers en de gongen zullen alle Rishe uiteindelijk op de hoogte komen van onze betrokkenheid bij de dood van Eichhor in Fort Zong."

"Nee." Siri was heel zeker geweest. "Zeker tot morgenochtend zijn we veilig. Er komt geen Overzichter op dit terrein zonder overleg met mijn vader en grootvader en zonder hun toestemming. Al onze bedienden zijn getraind door de Nadir. Er is direct na mijn aankomst een verdriedubbelde wacht ingesteld, zonder dat ik daarom heb hoeven vragen."

Tirt had zich maar aan haar vertrouwen overgegeven.

"Hoe is het met je lichaam?" had ze op haar beurt bezorgd gevraagd.

"De ik die denkt, is een tijdelijke bestuurder van dit voertuig," zei hij met een niet meer verdwijnende rimpel tussen zijn wenkbrauwen. "Het was nooit anders, maar nu ben ik me daar wel uiterst scherp van bewust. Ik ervaar permanent een vreemde, lichte pijn, maar ik begin er aan te wennen. Ik ben in elk geval zielsblij dat Sugatha voor me zorgt."

"Je zorgt ook heel bijzonder voor haar," zei Siri. Hij ving een scherpere klank in haar stem op, die hij niet thuis kon brengen. Was ze jaloers op haar nicht? Het was niet het goede moment voor verdere vragen.

`Alle problemen van anderen zijn me teveel geworden,' dacht hij. `Ik ben al blij dat ik mezelf overeind kan houden.'

Hij sliep als een blok de rest van die nacht.
Gaosar was zijn laatste ontbijtnoten aan het kraken, toen een jonge bediende binnenkwam en Siri's aandacht trok. De knaap liep op haar toe en boog met zo'n gratie en natuurlijke beschaafdheid, dat het de slechter opgevoede leden van het gezelschap nadrukkelijk opviel.

`Dat leer je alleen in generaties omgaan met hoge edellieden,' dacht Gaosar met een lichte afgunst. `Als ik zo'n buiging probeer, lijk ik direct op een hansworst met o-benen.'

`Dan moet je dat ook niet doen!' riep een bekende stem in zijn hoofd: Oerbash, ooit, ergens, zijn gezelschap voorhoudend dat iedere mens alleen maar zijn eigen ding hoeft te doen.

`Wat zit dat diep ingeslepen,' realiseerde Gaosar zich. `Laag na laag onthult zich in mijn geest. Commentaar op commentaar. Maar wat hou je over als de ui gepeld is?'

"Vrouwe, de stokmeester staat voor de poort," meldde de jongeman. "Kan hij verder komen?"

Siri knikte kort. Toen Benko binnenkwam, bracht hij een onbekende, prikkelende geur mee, die iedereen onmiddellijk in een staat van alerte nieuwsgierigheid bracht.

"Waar ben je geweest, Grote Oom?" vroeg Nisha, die blij op hem was afgestapt.

"Verslag uitgebracht aan de Oude Bindi Moeders. Ze wisten alles al. Toch wilden ze mijn mond horen spreken."

"Kun je ons ervan vertellen, Meester Benko?" vroeg Siri met onverhuld respect. Benko ging vermoeid zitten.

"Ik heb een boodschap voor u en uw gezelschap meegekregen, Vrouwe. Het was een vreemde nacht met sterke kracht." Hij keek de kring rond, wegend en nieuwe inschattingen makend. "Er zijn velen op weg, heeft Moeder Hinah gezegd, maar er zijn verschillende doelen. Sommigen dienen de Bindi nu, anderen pas later. De Moeders bieden echter onverwacht hun diensten aan de koning aan, omdat zijn goedheid elk Bindi-offer overschreden heeft. Ze zullen de obstakels van de Rishe in het paleis pogen te keren, zodat de koning toegankelijk voor jullie wordt."

"Dus ze vermoeden dat wij naar hem toe willen?!" riep Karnk ongerust.

"Ik denk zelfs dat ze al weten hoe alles afloopt," antwoordde de stokmeester zonder verbazing. "Dit is wat ik gehoord heb. Ze waarschuwen voor de Tat. Die heeft zijn eigen onvindbare en onzichtbare toegangsdeur tot het paleis gemaakt. De Moeders kunnen geen magische invloed op Oerbash uitoefenen en daarom vrezen ze hem. Jullie weten allang wat ik van hem vind. Hij is net zo'n goeie vriend van mij als die tafel daar en hij heeft de gezelligheid van een cactus. Maar bang ben ik nooit voor hem geweest. Hij weet wat waarheid is, zeggen de Oude Moeders, maar hij minacht de wereld. Hij wil het beste van alles voor zijn eigen genot en hij heeft de rust van vele stervenden en doden verstoord. Hij zoekt naar een einde van de wereld, omdat hij zelf ergens gekeerd wil worden. Hij overweldigt zijn medestanders net zo zonder genade als zijn vijanden. Dat zeggen de Moeders. Maar ze vrezen zijn onvoorspelbaarheid. Als hij zich in het paleis tegen jullie keert, kunnen zij niet helpen."

"Bij Eandro!" riep Sugatha uit. "De angst slaat me om mijn hart. Ik wist helemaal niet dat jullie het paleis in wilden."

"Daar waren wij zelf ook nog niet zo zeker van," mompelde Gaosar. Karnk had een blos op zijn gezicht gekregen: "Volgens dat Orakel moet ik van alles en nog wat met die Katsin..."

Het betoverde paleis trok hem bepaald niet erg aan. Ishsti was de enige, die geen verrassing getoond had. `Die heeft ook al lang en breed alles uitgevogeld met zijn Tekenduidersdoos,' vermoedde Gaosar.

Het was onder invloed van de krachtige ochtendzon heel warm geworden. Ishsti haalde een paarse doek uit z'n zak en wreef het parelende zweet van zijn hoge voorhoofd. Gaosar kreeg een onverwachte schok, toen hij de kleur en de witte tekens herkende.

`Mijn sjaal! De sjaal met de rituele boodschappen van de Bondo-moeders! Alleen kleiner. Ook van die Ente Gus gekocht, die kleine Bindi-verkoper in Utrag? Bij de kut van de Moeder! In welke intrige ben ik hier nu toch verzeild geraakt? Werkt Ishsti samen met de Moeders? Een Shir, die zijn eigen volk verraadt? Welk plan wordt er om ons heen en over ons hoofd heen volvoerd?'

Tipo merkte onmiddellijk de nervositeit van zijn broer op. Met een onopvallend vingergebaar seinde hij een vraag: `Alles goed?'

Gaosar stelde hem gerust met pink- en duimnagel op elkaar: `Alles goed!' Maar hoe goed was goed in deze krankzinnige tijd...?

Benko kneep zijn ogen dicht tot een dun spleetje en zei: "Er zijn plotsklaps veel Overzichters opgeroepen. Van overal. Maar geen enkele bevelhebber is verwant aan één van de hoge geslachten, heb ik me laten vertellen. Dat is een raar teken. En er waren aardbevingen de afgelopen dagen, in het noorden van Bayin. Een hoop mensen zijn bang geworden. Ze herinneren zich de verhalen uit de oude tijden, toen de vulkanen Illyan en Bayin uit elkaar scheurden16. Sommige rijke Shir schijnen al te vluchten naar Kantmorie en Tyr. In alle havens is er veel schade door de storm en de Rishe zijn zenuwachtig. De Moeders ook. Ze weten dingen, die wij gewone mensen niet weten. Jullie moeten allemaal je ogen maar wijd open houden, als ik er niet meer ben om op jullie te passen."

"Wat ga jij dan doen, Grote Oom?" vroeg Nisha. "Ik mis je als je er niet bent."

De oudere man hief blij verrast zijn gelooide gezicht naar haar op bij deze verklaring van genegenheid. Er gleed een lange glimlach onder de grote walrussnor door.


"Ik moet straks een nieuwe boot kopen, hebben de Moeders me opgedragen. De grootste en snelste bark die ik krijgen kan. Ik heb er al eentje uitgezocht. Ze vertellen me maar weinig, maar ik denk dat ze een lange tocht gaan maken. Misschien naar Capai. Het zou heel goed Capai kunnen zijn."

"Oh!" Nisha verslikte zich bijna van opwinding. "Kan ik met je mee, Oom Benko? Ik bedoel, kunnen wij met je mee?"

"Wie is wij?" vroeg Benko met een opvallende strengheid aan haar.

"Eh, Tipo en ik. En misschien wil Gaosar ook mee terug..." aarzelde ze. Die keek heel benauwd van Karnk naar Tipo en dan even, even flitsten zijn ogen naar Siri.

"Ikke... ik geloof, misschien moet ik niet, eh...."

Benko grijnsde al zijn vierkante tanden bloot.

"Ik wist het al. Maar steeds sta ik weer verbaasd over het voor-weten van de Moeders. Gaosar gaat niet mee, hebben ze gezegd, maar de broeder-dichter en de juiste vrouw zijn Eén. Daarom varen die twee mee, hebben ze gezegd. En juist dáárom denk ik dat we naar Capai gaan."

Tipo keek naar Gaosar en die keek lang terug. Alle andere aanwezigen keken naar hun tweeën.

"We zijn allemaal in gevaar hier," zei Gaosar eindelijk. "Ik heb hier echter nog iets af te maken, al weet ik niet precies wat. Maar jij Tipo,... Jij hebt gevonden wat je zocht op de Blauwe Eilanden. Smeer 'em maar. Duik voor de klap komt. Laat je niet door de Moeders op je kop zitten en niet door die kleine, venijnige, mooie stoot van je."

Zijn stem was zacht, een mengeling van genegenheid en waarschuwing. Nisha keek heel vuil naar hem en stond op het punt om hem lik-op-stuk te geven, toen Tipo heel teder een hand over haar mond legde. Rustig zei hij: "Kijk. Dit kan ik doen en ze bijt me niet."

Onder zijn krachtige hand moest Nisha lachen.

"Die Tipo is toch zo'n handig knaapje," pruttelde ze haar gezicht afwendend naar Sugatha met de intimiteit van goede minnaressen onder elkaar. "Weet me altijd zo onopvallend af te leiden. Net een fruitvlieg. Legt iets lekkers voor het vrouwtje neer en als ze begint te eten, schuift-ie discreet achter haar aan voor zijn pleziertje."

Er werd gul gelachen en de spanning over het afscheid tussen de broers ebde weg. Benko verdween. Tipo en Nisha zouden hem later achterna komen. Siri deed de stokmeester uitgeleide.

"Ze hebben me niet zien komen en ze zullen me ook niet weg zien gaan, Vrouwe," zei hij bij de poort. "Maar u kunt beter hier verdwijnen. Kerko heeft overal z'n spionnen."

Ze knikte en wenste hem behouden vaart. Ze zou hem nooit meer terugzien.
Gaosar liep een stukje de tuin in. Siri had voorgesteld dat ze tegen het middaguur zouden verkassen naar de grot, als Tipo en Nisha vertrokken waren. De tuin zinderde van zomers leven. Kleine stekelharige cavia's renden in vitale wellust huppelend achter elkaar aan door het hoge gras. `Straks varen die geluksvogels terug naar Capai,' mijmerde Gaosar. `En dan? Samenwonen ergens in een vallei in de Staart? Nisha is rijk. Ze heeft Onstens schatten. En haar familie is rijk. De Koningin van Capai zal verbaasd zijn als ze haar verbintenis met het kleine prinsje opgeeft vanwege Tipo. Nou ja, Tipo gaat gelukkig ook niet met lege handen terug.'

Hij had Tipo de helft gegeven van het zilver dat hij Balgox Wyldo had afgetroggeld. `En vanzelf wil Nisha zo ver als ze kan uit de buurt van Kerko's demonen. Die heeft haar portie wel gehad. Tipo ook. En ze hebben elkaar.' Hij keek naar twee cavia's, die elkaar hitsig gevonden hadden. `Ik ben niet jaloers op hem,' dacht hij, `maar ik zou zelf ook zo graag weer eens lekker.... Nou ja. Laat ik maar ophouden met denken, want dat schiet niet op.'

Hij ging weer naar binnen, waar hij tegen Ishsti op liep, die hem met zachte stem tegenhield.

"Ik wou je iets vragen over Eichhor. Is dit daar een goed moment voor?"

Gaosar knikte. Het waren niet zijn favoriete herinneringen en hij had ze ver weg geduwd. Op Ishsti's gezicht stond echter een merkbare bezorgheid dus gaf hij zonder bedenkingen toe.

"Hij is in elk geval dood. Dat geeft me een prettig gevoel."

"Dat had ook heel anders kunnen zijn," antwoordde de oudere man cryptisch. "Je vertelde gisteren dat je z'n hart hebt doorstoken?"

Zijn toon stelde dat als nauwelijks geloofwaardig ter discussie. Gaosar keek hem verbaasd aan.

"Ik zat onder het bloed. En dat was absoluut het zijne."

"Kijk, Gaosar," zei Ishsti ernstig. Er was een diepe frons op zijn voorhoofd verschenen.

"Eichhor was een uitzonderlijk vaardig magiër. Hij heeft je vast in een diepe bezwering gebracht, voordat hij een snijritueel op je ging toepassen. Die man heeft nog nooit enig risico genomen zolang ik hem ken. Daardoor kwam hij op zijn hoge positie en daardoor heeft hij daar zo lang gezeten. Het feit dat jij hier tegenover me zit, maakt me blij en onzeker tegelijk. Ik heb overwogen dat Eichhor bezit van jouw lichaam had genomen, maar mijn tekenen wijzen daar niet op. Maar bij Eandro, hoe heb jij hem kunnen verrassen?"

"Hij deed me pijn en toen werd ik wakker."

"Hè? Wakker? Wat voor pijn?"

"Hij besneed mijn penis."

"Wàt!?'

Gaosar had dit detail aanvankelijk voor zich gehouden. Op de een of andere manier had het hem als niet passend geleken om aandacht te vragen voor zijn onbenullige ongemak in vergelijking met de veel ingrijpender verminkingen, die de beulen Tirt hadden aangedaan.



"Echt?"

Ishti was stomverbaasd maar niet alleen dat. Gaosar bespeurde nog een andere maar moeilijker te peilen emotie in zijn uitroep. Vanuit de andere kamer werd er eveneens lichtelijk verontrust opgekeken naar het tweetal. Ineens herinnerde Gaosar zich nog iets: "Weet je, ik blufte impulsief tegen Balgox en Gor dat ik tegen Eichhor een Bersengval gebruikt had."

Ishti's ogen puilden bijna uit zijn hoofd. "Maar dat is de waarheid!" kreunde hij, ongelovig maar toch overtuigd. Gaosar greep zijn arm en schudde hem indringend heen en weer.

"Ishsti! Vertel me wat je weet."

"Ik weet niet veel. Het staat als zeer zeldzaam beschreven in onze boeken. De Berseng is bijna uitgestorven omdat hij nauwelijks nog anderen van zijn soort kan vinden om zich voor te planten. Hij was oorspronkelijk een draakparasiet. Het zal hem verschrikkelijke moeite gekost hebben om zich aan jouw lichaam aan te passen."

Gaosar ontplofte bijna van verontwaardiging: "Wat denk je van mijn afschuwelijke lijden?"

"Oh ja. O zeker. Zeker! Daar doe ik niets van af. Maar zie het ook van de andere kant. De Berseng zal er nu alles aan doen om jou in leven te houden. Dat heeft hij al bewezen te doen. Als jij onverhoopt toch sterft, zal hij noodgedwongen jouw aanvaller overweldigen, maar voor hem zal dat bepaald niet een mindere kwelling zijn. Uiteraard zal elk van jouw vijanden -wie tenminste de aanwezigheid van de Berseng kan waarnemen- zeer op zijn hoede zijn. Daarin ligt Eichhors nalatigheid. Nooit kon hij bevroeden dat iemand buiten de Rishe-elite zo'n gevaarlijke parasiet zou durven dragen... Op het eerste pijnsignaal heeft de Berseng je in elk geval uit je verdoving gewekt. Hoe deed hij dat?"

"Ik herinner me dat ik afgrijselijk moest braken."

"Alsjeblieft. Wat een wonder! Dat moet Eichhor onvoorstelbaar verrast hebben.."

"Toch had hij mij al te pakken voordat ik hem had," mopperde Gaosar. Nog steeds schrijnde het wondje licht, tegelijk een aandacht naar zijn seksuele interesse brengend, die op dat moment weinig speels gericht kon worden.

"Hij zal een demon aan je hebben willen binden," bedacht Ishsti. "Die voorhuid was als een voorschot bedoeld. De demon zou later je hele lijf gekregen hebben, nadat hij Eichhors opdrachten had uitgevoerd."

"Daar kan ik me veel te veel onsmakelijks bij voorstellen," walgde Gaosar. "Die Eichhor had trouwens een monstrueuze stijve, toen hij stierf..."

"Je hebt hem in zee gegooid, niet?"

"Ja. Van grote hoogte. En Tirt heeft nog van alles met zijn lijk zitten doen, voordat we hem overboord zetten."

"Prima. Tirt is daar heel bekwaam in. Hij zal geen vergissingen gemaakt hebben."

Het gesprek had Gaosar in een bepaalde zin opgelucht. Iets bleef nog echter zeuren in zijn achterhoofd: "Wat moet ik met dat eh, ... met dat velletje aan? Ik heb het namelijk meegenomen."

Ishsti zweeg te lang en zijn stem haperde: "Meegenomen?"

"Nou en?" vroeg Gaosar ongerust.

"Ik ben niet bevoegd om daar een advies in te geven," aarzelde Ishsti. "Dit is een zaak die met rituelen van het koningshuis te maken heeft."

"En wat heb ik daar mee te maken? Wat is er aan de hand, Tekenduider?"

"Jij bent een zoon van Cayobur Hayo."

Waarom wist hij niet, maar Gaosar voelde plotseling het bloed naar zijn hoofd stijgen. Ishsti leek even verlegen met de situatie als hij: "Vraag het Siri. Zij komt uit één van de koninklijke geslachten."

In verwarring keek Gaosar om zich heen. Karnk ving zijn blik op en stapte direct op het tweetal zwijgende figuren af.

"Heeft die krullewang weer last van een besmettelijke apeziekte?" vroeg hij met een blik op Ishsti's gereserveerde gelaatsuitdrukking.

"Vraag het Siri." Ishsti zei het heel beslist.

"Hee dotje!" schreeuwde Karnk zonder tijdverlies naar de andere kant van de grote ruimte en toen Siri verrast opkeek: "Snoetje, ze hebben je weer eens dringend nodig."

Ze reageerde niet op Karnk’s populaire aanspreekvormen maar vroeg bezorgd wat er aan de hand was.

"Ik kan Gaosar niets over de rituele regels van het Oranje Huis vertellen," legde Ishsti uit. Siri kreeg een kleur.

"Moet ik dat dan nu doen?"

"Vertel hem in elk geval wat je mij verteld hebt, toen Tirt, Karnk en hij naar de Zonnetempel waren."

"Het gesprek met mijn vader en mijn broer?"

"Dat, ja."

"Waarom is dat nu ineens belangrijk? Toen kon het niemand iets schelen."

"Gaosar is besneden door Eichhor. Hij heeft de voorhuid meegenomen. En hij is een zoon van Hayo."

Siri verschoot tweemaal van kleur. Van een rood hoofd naar een krijtwit en weer terug naar rood.

"O," zei ze. En toen aarzelend: "Maar zijn moeder is een Bak."

"Daarom!" antwoordde Ishsti. "Alle Oude Moeders van de Bindi, Baks en Bondo zullen zijn aanspraak steunen."

"Mogen wij heel misschien ook weten waar jullie het over hebben? Als we niet te veeleisend zijn tenminste?" vroeg Karnk zeikerig.

"Misschien niet," zei Siri.

"Misschien wel," zei Ishsti. "Wacht, ik roep alle anderen hier."

Gaosar voelde zich buitengewoon onbehagelijk, vooral toen hij Ishsti, Tirt en Sugatha druk fluisterend zag terugkomen uit de tuin, waar ook zij een wandeling gemaakt hadden.

"Ik voel me nogal lullig," zei hij in het algemeen.

"Je lulletje schijnt er anders direct mee te maken te hebben," grijnsde Karnk. "Nou lui, waar dient al die geheimzinnigheid toe?"

Siri deed iets plechtigs met haar stem en zei toen: "Bij een troonsbestijging in het rijk van de Shir wordt de ingedroogde voorhuid van de koning in onderpand gegeven aan een afgezant van de Mengt ter bezegeling van het Verbond van Ion. En die besnijding moet gebeuren door de Opperpriester van de Tempel. Maar er zijn ook gevallen geweest, waarin één van de Hoofduitvoerders van de Huizen tot die eer geroepen werd. Als Eichhor op de hoogte was van Gaosar’s afkomst, dan... Ishsti denkt dat... Er kan sprake zijn van een komplot tegen de koning. En dan is er nog de zaak van de koninklijke erfenis!"

"Wat heeft dat nou allemaal met mijn broer te maken?" vroeg Tipo ongeduldig.

"Als je de hele geschiedenis niet kent, snap je er helemaal nooit iets van," antwoordde Tirt kribbig namens Siri. "Heb geduld. Ze kan het kort maken als ze wil."

Dat lukte haar niet echt.

"Kijk," legde ze uit. "Zolang de koning nog leeft, maar niet regeert, wordt zijn vermogen beheerd door de drie Hoofduitvoerders van de Huizen. Dit college van koninklijke Bewaarders is uitgebreid met de Opperpriester van de Tempel, de Verhevene Herbertox Fran en de koninklijke schatbewaarder, Magul Tort. Dat ergert met name de koningin mateloos, want ze wordt heel kort gehouden door die bewaarders. Die vrezen haar neiging tot verspillen nu de koning haar niet meer kan corrigeren."

"Of ik denk te snel, of ik denk te langzaam," mopperde Karnk. "Maar het verband ontgaat me."

"Daar heb jij toch al vaak last van!" bitste Siri onmiddellijk terug. Voor die twee weer in hun vertrouwde gehakketak verzeild konden raken, nam Tirt Siri's uitleg over: "Het zit zo! Als de koning sterft, is er niet direct een wettige troonopvolger. Siri's vader heeft verteld, dat het aantal troonpretendenten inmiddels is opgelopen tot achttien en allemaal worden ze in een zekere mate betwist. Maar eerst zal de koninklijke familie het erfrecht afhandelen. Alleen de mannelijke leden uit de familie zullen uit koning Katsins persoonlijke vermogen erven."

"Bedoel je dat de koningin niets krijgt?" vroeg Tipo ongelovig.

"Ze kreeg niet eens de erfenis van haar eigen vader, toen die stierf," zei Tirt. "Dit is het koninkrijk van de Shir, niet Capai, weet je."

"Geen wonder dat ze zich tegen alle gedoe van de Rishe Raad verzet," zei Karnk.

"Koningin Aniz verzet zich ook tegen de Bewaarders, tegen de weertovenaars, tegen de Doodvorsers en tegen de priesters van de Zonnetempel," vulde Ishsti aan.

"Dat noemt zij de Tempel van de Verheven Idioterie, heb ik wel eens horen vertellen," zei Sugatha.

"Dwalen we af of let ik weer niet op?" zeurde Karnk onvermoeid door. "Wat is de kern?"

"Jouw vader was een oudoom van de koning," legde Tirt aan Gaosar uit. "Hij was een broer van Oatreru's grootmoeder van moeders kant. Maar het zwaarste telt, dat jij via je vader ook verwant ben aan de familie Vastiz, één van de aanzienlijkste geslachten van de tien. Snap je het nou?"

"Nee," meldde Gaosar botweg.

"Tirt legt net uit, dat alleen de afstamming in de mannelijke lijn iets uitmaakt op de Blauwe Eilanden," zei Ishsti. "Maar de Bindi denken daar heel anders over. De Oude Moeders houden namelijk al duizend jaar heel precieze moederstambomen bij. Officieel besteedt geen van de Shirmachthebbers daar aandacht aan, maar ondertussen houdt iedereen daar wel druk rekening mee. Vooral als er ergens een Hoofdoverzichter benoemd moet worden, die veel gezag moet kunnen uitoefenen over de Bindi. Zulke lieden hebben zonder uitzondering ergens een voormoeder uit het geslacht van de mòeder van de koning. Snap je het nu?"

"Nauwelijks. Ik zal wel ergens last van hebben."

"Dat is wel zeker!" bulderde Karnk. "Want ik heb het al helemaal begrepen. Als Gaosar kan bewijzen, dat hij Hayo's zoon is, heeft-ie minstens recht op een koninklijk paard."

"Minstens!" antwoordde Siri. "Hoe langer ik er over nadenk, hoe opgewondener ik word. Hayo had geen zonen, dat denkt tenminste iedereen. Hij heeft drie dochters, die voorname huwelijken zijn aangegaan. Hun echtgenoten zijn nu vanwege hun hoge status troonpretendenten. Hayo heeft na de dood van zijn echtgenote het celibaat verkozen boven een nieuwe verbintenis. Maar als Oatreru's jonge zonen nog geleefd hadden, dan was hij zeker regent geworden, totdat de oudste oud genoeg was voor de troon."

"Gaosar, die Hayo heeft het tegenover Nur toch steeds over jouw speciale erfenis gehad!" riep Tipo. "Dat is toch zo?'

"Ik snap het. Ik snap het met grote tegenzin," bromde Gaosar. "Ik moet de negentiende troonpretendent worden."

"Jouw naam betekent Heer van de Wereld," zei Siri vreemd verlegen met een hoge blos.

"In het Tiki!" schreeuwde Gaosar emotioneel. "Mijn naam betekent 'Flitsend vallende vogel van de Shir' in het Pai. Dat is me zat genoeg!"

"Maar hoe kan hij ooit zijn afkomst bewijzen?" riep Nisha boven het tumult uit.

"De zoon draagt de scrotumstenen van zijn vader," antwoordde Tirt.

"Ha! Die?" riep Gaosar fel. "Die liggen in de schedel van mijn moeder op Capai en daar laat ik ze fijn liggen!"

De aanwezigen waren in een grote consternatie geraakt. Karnk maakte platte grapjes over zijn aandeel in de winst en Tipo riep dat het misschien niet slim was om slapende honden wakker te maken. Sugatha vond uiteraard dat er al genoeg absurde risico's genomen waren en Nisha betoogde in vuur en vlam dat Gaosar de enige was, die een werkelijke vrede zou kunnen brengen tussen de blanke Shir en de donkerhuidige Bindi en Baks. Tirt verwachtte een losbarstende intrige met Gaosar als uiteindelijk slachtoffer en Ishsti wees op mogelijke en waarschijnlijke steun van de Zonnetempel.

Siri zei niets en Gaosar ook niet. Hun ogen vonden elkaar plotseling in alle verwarring. Het was hem heel vreemd te moede. Er lag zo'n onverdraaglijke nabijheid in die uitwisseling. Geen woorden konden dat verbond beschrijven. Niets bekends, geen vorm, geen toekomst paste daar bij. Hij stond op en liep aarzelend naar haar toe. Haar lippen trilden.

"Te veel, te veel," zei haar mond onthutst, maar zonder geluid. "Moet wennen. Moet wennen."

Ze draaide zich beverig om en rende plotseling de vuurzaal uit. Iedereen viel op slag stil. Gaosar keek in grote verlegenheid om zich heen. De verwachtingsstroom van alle aanwezigen golfde over hem heen. Meer dan een beschermende gemeenplaats kreeg hij er niet uit.

"Wat is, dat is," zei hij met bibberende mond. "Wat komt, dat komt."

En toen liep hij hakkerig ook weg, de tuin in.

De waanzinnige informatie had zijn hersens zo overvoerd, dat hij een enorme hoofdpijn voelde opkomen. Alle onthullingen echo'den gekmakend in zijn hoofd, kristalliserend in een zeurende pijn in zijn nek, in de spieraanhechtingen van de schedelbasis. Hij masseerde zich zelf maar het gaf weinig verlichting. De kloppende druk achter zijn ogen verergerde met het moment. In alle spanning was er toch een uitweg toen hij zich een uitleg van Mani herinnerde, nadat de Vuurlander een sai bewegingloos naar een boomschors had zitten staren. `Als je denkt dat je ziek wordt, ga dan stil zitten. Let alleen op je ademhaling, niet op je gedachten. Verlaat je gedachten als ze je mee nemen en kom terug met je aandacht naar je ademhaling. Opnieuw en opnieuw.' Gaosar koos een zacht mosveld uit in de beschutting van een vijftal reusachtige bemoste stenen, die hem doelmatig onttrokken aan de blikken van andere wandelaars uit het gezelschap. Hij ging liggen, hij mòest gaan liggen. `Adem komt naar binnen door je neusgaten, vult je buik, je middenrif, je borst, ribben komen omhoog, je keel, door je neusgaten en dan weer pffffft uit, uit. Weg gaan je zorgen, teruggegeven aan de aarde onder je. En weer opnieuw.' Het hielp wel wat.


Tipo nam afscheid van Karnk aan de andere kant van de uitgestrekte tuin. De vele groencontrasten op de hellende tuinterrassen en de talloze vogels boden oor en oog een groot genoegen. Jonge frêle bamboeblaadjes staken met hun felle lichtgroen even sterk af tegen de donkerder achtergrond van statige cypressen als het geelverdorrende groen van uitgebloeid zwaaigras tegen de gerafeld wuivende brede bladeren van de bananenbomen. Een eind verder weg stond een machtige banianboom, die haast zo oud als het huis zelf leek. Zijn reusachtige kroon bood zeker onderdak aan wel tweehonderd papagaaien en parkieten en een tiental pauwen, kakelend, koerend en krijsend over de gewichtiger zaken in het leven dan een afscheid.

"Ach... Ik weet niet wat het is," antwoordde Karnk mismoedig op een vraag van Tipo. "Ik zal je missen, dat meen ik. En ik knijp 'em soms. Jij mist ons vast ook maar jij hebt Nisha. Ik benijd je om heel eerlijk te zijn."

"Zij en ik zijn één in de ogen van de Moeders. En zo voel ik dat zelf ook vaak met haar."

"Als jullie samen liggen?"

"Ja. Meestal dan," zei Tipo rustig.

"Als ik jou zo hoor, dan denk ik dat ik maar ophoud met seks," meesmuilde Karnk. "Hoezo?"

"Nou, in de eerst plaats heb ik het druk met allerlei rare en gevaarlijke toestanden en in de tweede plaats schijnt het dat niemand me wil hier."

"Het had erger kunnen zijn," grinnikte Tipo.

"Wel ja! Nòg erger?"

"Tuurlijk. Stel je maar eens voor dat je op mòest houden. Vanwege een ongeluk op een trap of zo."

Gelukkig kon Karnk er direct om lachen, maar Tipo had niettemin zijn diepe neerslachtigheid opgevangen. Hij vroeg er openhartig naar: "Je had zelf ook hete ogen voor Nisha?"

"Wie niet!?" riep Karnk heftig uit. "Ik had heel andere plannen toen ik op die Shirbark in Lit-kaka stapte om naar de Blauwe Eilanden te varen. Weet je nog wel? Ik had mezelf een paar buitengewoon sappig momenten beloofd met een paar beestachtig lekkere meiden, maar ho, ineens lopen we tegen die twee rare Mengt-dwergen aan en moet ik plotseling de een of andere opdracht vervullen. Ik moet de koning verheffen en een soort ingewikkelde brug maken en Kerko om zeep brengen, wel ja. Krijgen helden tegenwoordig geen kut meer als beloning?"

Gewoontegetrouw probeerde Karnk zich met wat grove humor aan zijn gevoelens te onttrekken, maar Tipo vroeg door: "Je hebt ook een soort balletje opgegooid naar Siri, hè?"

"En een klomp graniet teruggekregen," mopperde Karnk. "Dat schijnheilige mormel. We reisden samen in een terreinwagen naar Fort Zong, nou, 's nachts kroop ze zowat op m'n hand! Maar ze wou alleen mijn vingers, de rest niet. Ik begrijp van allerlei dingen niet van dit volk, maar dat van haar snap ik tenminste nog. Die heeft het gewoon hoog in d'r bol. Nadir-bol. Ik ben haar te min. Zodra ze hoorde, dat Cayobur Hayo de vader van Gaosar was, heeft ze haar aandacht naar hem verlegd. En heus niet omdat ze zo geil op hem is. O nee. Geil wordt ze alleen van iemand met wie het toch nooit wat worden kan. Boerse reuzen, zoals ik, maar die wel lekker dikke vingers hebben, snap je? En hoe heet ze toen was, mag verder nooit meer iemand weten. De volgende dag behandelde ze me gewoon als, nou ja, als gewoon."

"Jullie zijn altijd in gevecht, zo lijkt het voor ons tenminste."

"Ik haat haar grote mond en die vanzelfsprekende moordlustige arrogantie van al die Nadir. Toen al, in Tirts tuin in Utrag, weet je nog?"

Karnk bromde nog meer binnensmonds maar Tipo geloofde het niet helemaal.

"Wees eens eerlijker, Karnk."

"Ik ..., ik haat haar en ik begeer haar erger dan ik ooit iemand anders begeerd heb," bekende Karnk eindelijk. "Ik haat haar omdat ze zich nooit aan mij wil overgeven. Ze blijft een soldaat, altijd. Ze doodt heel makkelijk en dat is haar natuur ook. Je had haar moeten zien met pijl en boog tegen die Overzichters in Fort Zong. Ze miste er niet één! En dat bewonder ik ook zo in haar. Tegelijkertijd haat ik haar en ik heb haar lief. En bovendien ..." Hij maakte zijn zin niet af.

"Het lijkt soms dat je mijn broer tegen haar beschermen wil," gaf Tipo aan. Karnk dook fel in die opening: "Dat is ook zo! Hij is een zacht ei. Hij laat zich inpakken en kwetsen straks."

"Nee, jij laat je kwetsen door haar. Nu en hier!"

Karnk was een tijd stil. Vrij dicht bij hen zaten Tirt en Sugatha woordeloos stil bij elkaar in een prieel, de handen ineengestrengeld, ondergedompeld in liefde. Ineens wendde Sugatha haar hoofd in de richting van de twee andere mannen. Voelde ze Karnk’s pijn?

"Dat is waar, Tipo," zei Karnk verlegen. "Maar ik weet niet wat ik er aan kan doen. Ik zeg het verkeerde of ze begrijpt me verkeerd. Ik... ik kan wel huilen. Als ik dat kon, tenminste..."

"Je kan het proberen," hielp Tipo hem liefdevol. Karnk probeerde er relativerend nog even onder uit te komen: "Dan moet ik eerst nog wel een zooitje zeer zielige dingen tegen mezelf zeggen."

"Waarom niet?" hield Tipo aan.

"Arme Karnk. Groot dik kindje. Geen vader en geen moeder meer," probeerde de reus onserieus.

"Inderdaad. En geen lief wijf dat even zijn moeie kop in haar schoot trekt," hielp Tipo weer. Dàt werkte. Het was niet echt huilen en het duurde niet lang, maar er kwamen tranen. Voor iemand, die jaren zijn liefdespijn onderdrukt had, betekent elke traan daarover heel veel. Sugatha en Tirt stonden op en kwamen zacht naar hen toe. Sugatha streelde de dikke, rode haardos en fluisterde: "Dat werd tijd, lieve vriend. Huil maar. We zijn allemaal bij je."

Toen golfde er eindelijk een stroom tranen los, die zijn weerga niet had. Het was hooguit de tweede keer dat Karnk zo huilde en het zou de laatste keer zijn, maar het was dan ook een reuzenverdriet.

Veel later gingen ze gevieren weer naar binnen. Siri merkte Karnk’s rode ogen wel op, maar ze zei niets. Ze had voorlopig nog teveel tijd voor zichzelf nodig.



Deel met je vrienden:
1   ...   21   22   23   24   25   26   27   28   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina