De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina24/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   34

Hoofdstuk 23 De tunnelstroom.

Voor Gaosar waren associaties van de Schaduwzuiger met de achtervolging door Onstens spuugdemon niet te vermijden. Steeds weer dwaalden zijn gedachten af naar de martelende ren door de onderaardse gang op het mijnterrein van Brank. En nu zou hij vertrouwen moeten krijgen in Onsten als een Medestander?! Dat vroeg een immense koerswijziging. Hij verwijderde zich even van zijn tochtgenoten onder het voorwendsel, dat hij zich ontlasten moest. In feite was zijn behoefte uitsluitend die aan stilte, even ontsnappen uit de rondrazende emoties, zowel de zijne als die van de ontwortelde anderen. Hij keek om zich heen. Na de stormnacht stond er nu een bleke, waterige zon aan de hemel, aarzelend achter roze en lila wolkenbanken. Een dag van veranderlijk weer, ook een volmaakte beschrijving van zijn stemming. Er stond nog steeds een flinke wind, die herhaaldelijk van richting veranderde. Soms ontstond er een trillende werveling van luchtstromen tussen de steenformaties, waardoor er huiveringwekkend gegier opklonk. Het had een vreemde uitwerking op hem. Net of er van verre een schorre stem om hem riep. Een lijdend wezen, verdwaald en gekweld? Ergens opgesloten op een plek waarvandaan het niet meer op eigen kracht ontsnappen kon? Hij schudde zich even als een natte wolf, maar het gevoel ging niet weg. Onzeker stond hij daar, eenzaam en rusteloos. Ergens, iemand... Iemand, die hij nog niet kende, riep hem. Om hulp? Of had hij zelf hulp nodig? Was er in de demonische val van de tovenaars uit het Mengkantoor iets van zijn eigen kindergeest zoek geraakt? Vervreemd van zijn eigen verlangen stapte hij heen en weer. `Wie ben ik eigenlijk? Waar heb ik me toch in laten halen? Ik moet gek zijn, betoverd. Iemand duwt me ergens heen, waar ik helemaal niet heen wil. Of is het allemaal anders? Omgekeerd? Gobboeme, gobboeme! Wat sta ik nou toch te etteren? Wat wil ik nou toch?'

Trillerig liep hij weer terug.
Tipo en Nisha probeerden elkaar aanvullend onder woorden te brengen wat eigenlijk niet beschrijfbaar was. In de tunnel waren ze ondergedompeld in een caleidoscoop van herinneringen. Pijn en vreugde, schaamte en blijdschap, lachen en sterven wisselden elkaar af. Of het hun eigen levens waren die voorbij trokken of die van een ander, ze konden het nooit meer vaststellen. Het was een soort dood, een bijna-dood, maar tevens een herbevestiging van het leven. Steeds zoog er een zwarte, begerige mond aan hun levensenergie, maar die kracht werd minder en minder naarmate ze zich bewuster van hun elkaar ondersteunende drieëenheid werden. Ze reisden door sterrenluchten en onder de golven van oceanen, door vuur en door modder. Niets scheen hen niettemin te deren, een onuitlegbaar mysterie rond niets en alles. Maar alles went en wordt van ongewoon gewoon.

Er kwam een moment dat ze struikelend in het donker weer grond hadden onder hun voeten. Ze zochten zich een moeizame weg over grove klonten aarde, over bulten, in kuilen, tussen puin, stof en modder. Beledigd piepend stoof er ongedierte alle kanten op, hun een route tussen stinkende uitwerpselen latend. Dat het een tunnel was, realiseerden ze zich pas toen ze bovengronds kwamen. Het was nacht geworden. Ishsti greep hun handen en trok hen mee. Ook zijn gezicht stond even strak en uitgemergeld als dat van de andere twee. Ze liepen door een met maanlicht overgoten dood landschap, een grijs woud van duizenden bomen, dat gelijktijdig gestorven scheen, eeuwen, eeuwen geleden. De lucht was prikkelend en zuiver. Er moest veel tijd voorbij gegaan zijn, want de stormdreiging was inmiddels geheel opgelost. Ishsti had een kristalstaf in zijn hand, waarmee hij de grond tussen de dode boomtakken afzocht. Eindelijk wees hij op een donker gat. Slechts met de grootst mogelijke tegenzin lieten de jongere mensen zich een tweede keer overhalen om opnieuw naar een nieuwe ongewisse ondergrondse hel af te dalen. Ishsti wees achterom en dat hielp direct. Er stond een grauwe gestalte in de tunnelopening, die ze net verlaten hadden. Het woei nog steeds hard, maar de stormwolken waren weg. Het maanlicht werd iriserend blauw als er lichte wolkenflarden voorbij ijlden. In dat licht blonken de uitpuilende ogen op, schokkerig van links naar rechts speurend. Ishsti haalde iets onder zijn tuniek vandaan.

"Jij gooit verder dan ik," fluisterde hij, terwijl hij een ovale bal in Tipo's rillerige hand duwde. Toen de bal neerkwam, spoot er een groengeel vuur uit, dat in een oogwenk al het dode hout in een helse brand stak. De schaduwzuiger begon wezenloos in het rond te rennen, slaand naar de brandende bomen en struiken om hem heen. Het vuur scheen een waanzinnig makende jeuk op het reusachtige lichaam te veroorzaken. Krabbend en om zich heen maaiend met bloederige vingers begon het gekwelde wezen schel te gillen. Het was een onoverstembaar, hartstochtelijk schreeuwen, zo gruwelijk dat het zich voor altijd innestelde in donkere, resonerende hoekjes van de schedelholtes van de ontzet toekijkende getuigen.

"Geen angst, geen boosheid en geen mededogen!" herinnerde Ishsti op scherpe toon de twee Baks aan een eerdere opdracht. Ze keken en keken. Het geestesmonster verbrandde niet maar scheen te verdampen. Toen het zich snel uitbreidende vuur dichterbij kwam, doken het drietal het tweede tunnelgat in. Een sterke wind werd van de andere kant van deze tunnel aangezogen door het zuurstof vretende vuur en ze worstelden zich er tegen in. Toen ze weer bovengronds uitkwamen, was de hemel achter hen vuurrood.

"Het orakel van de Moeders!" hijgde Tipo. "Voor de vijf is de juiste tijd geen tijd, maar hun vuur op Majeste behoedt de Pirti voor de tijdloosheid!"

"Er was nòg een orakel," antwoordde Ishsti. "Het juiste gezelschap zal het vuur en het water scheiden, de lucht verlichten en de Aardemoeder redden."

"In ieder geval hebben wij de lucht flink verlicht!" riep Nisha. Ze draaide zich met een wilde beweging om en viel Tipo om zijn hals. Als Ishsti, die wat verderop stond te wachten, niet over zijn schouder geroepen dat hij op wou schieten, dan hadden ze elkaars hete lijf nooit meer losgelaten.

De hele weg terug naar Bardo liep Tipo achter zijn natte erectie aan. Ondanks de stormwind en de sfeer van dood in de lucht had hij zich nooit eerder zo levend gevoeld. Nog nooit was wellust zo synoniem met leven geweest. Soms maakte dat gevoel plaats voor golven van dankbaarheid. Dat ze het samen doorstaan hadden. En soms was er een nog subtielere, fijnere emotie. Tipo herinnerde zich de heilwens van Ishsti, toen ze de binnenschacht indoken: "Op de liefde!" Liefde... Was dit nou dè Liefde?

Nisha keek hem extatisch gelukkig aan en zei: "Onbewust wist ik het eigenlijk al toen je aan boord kwam in Lit-kaka. Maar ik moest eerst wat anders doen. Ouwe dingen afmaken met Onsten."

"Dat zei Oerbash ook altijd," herinnerde Tipo zich. "Als je je ziel schoon wilt wassen, moet je geest van ouwe patronen ontdoen. Tenminste, zoiets. Ik weet eigenlijk niks meer."

"Ik weet dat jij er bent," lachte Nisha. "Ik voel je. Verder hoef ik niks te weten. Enne... ik ruik je ook nogal."

Gelukkig kon Tipo de aangekoekte resten van zijn angstaanvallen onderweg afwassen in een diepe regenplas.

Midden in de beklemmende nacht vonden ze de ongeruste Benko en Ate terug in de beschutte grot.

"Het is goed gegaan. We zijn veilig," was alles wat Ishsti wou zeggen en daarna vielen ze allevijf doodmoe in slaap. Kennelijk was inmiddels het vuur in het dode woud gedoofd, hoewel er nog lang een zware roetnevel zou hangen. Ze waren blij, dat de wind nog steeds de andere kant op woei. En nog gelukkiger toen ze `s ochtends Tirts luchtwagen ontdekten.

"Ik ben nog nooit zo bang geweest, als op die tocht," bekende Tipo later. "Wat is er van die schaduwzuiger geworden?" vroeg Karnk.

"Het vuur heeft hem van zijn vorm bevrijd," antwoordde Ishsti. "En in zijn vormloze vorm heeft hij de liefde tussen Tipo en Nisha kunnen waarnemen. Dat kan hem aansporen om zonder angst opnieuw een menselijke vorm te zoeken. Een vorm die in bloed het hartebloed van de liefde ziet in plaats van een voedselbron in de duisternis..."

Ze waren allemaal een tijdje stil.

"Laten we gaan kijken wat er van Bardo is overgebleven," opperde Karnk praktisch. "En bovendien, ik barst van de honger. Misschien is er wat te bikken te regelen."

Ze konden onmogelijk met zijn elven op de luchtwagen, dus ze besloten hun grote gezelschap in tweeën te splitsen. Tirt kon nog niet lopen en Sugatha wilde absoluut bij hem blijven. Ishsti had een aantal helende behandelingen voor Tirt in petto, dus ook hij verkoos de luchtwagen. Benk Benko en zijn twee zwijgzame neven hadden nog nooit van een luchtwagen gebruik kunnen maken en ze stonden dus ook te stralen, toen Tirt hen uitnodigde om er op te klimmen.

"Dankie, dankie, Edelvoorname Heer," bleef Ushstar alsmaar mompelen en zijn ongure moordenaarskop onderging een wonderlijke transformatie naar onverwachte zachtheid.

"Die heeft zo'n vreselijk porum, dat alleen zijn moeder daar van kan houden," fluisterde Karnk. "En ze zou 'em zo niet meer terugkennen."

"Jòuw moeder wil je niet eens herkennen, als ze je terug zou zien!" jende Siri direct. Zo, die waren weer gelijk terug in het oude patroon.


De luchtwagen steeg op en de achterblijvende vijf begonnen aan de afdaling langs het smalle pad naar het strand. Nisha en Siri liepen stijf gearmd voorop. Siri vroeg haar honderduit over Capai, over haar relatie met Onsten en over Pirtiland.

"De vrouwen daar zijn er toch weer heel anders dan op Capai," vertelde Nisha. "Ze aanvaarden het gezag van de Oude Moeders, maar zonder de onderdanigheid, die bij de Bondo-stammen gewoon is. Toen Benko en ik de zaken van Onsten brachten, maakten een Pirti-tovenaar en één van hun Zeer Oude Moeders samen een ontvangstritueel voor die gift. De vrouwen zongen een sterk lied ter ere van de Aardemoeder, maar ook ter ere van zichzelf: `Zij, die het leven geeft. Steeds bloedt zij, maar sterven zal ze nooit.' Dat heeft me erg ontroerd."

De drie mannen liepen achter elkaar naar beneden. Karnk was niet nieuwsgierig naar ontroerende ervaringen: "Heb je nog wat moois zien rondlopen, daar in Pirtiland, Tipo?"

"O, mooie wapens dragen die Pirti," zei Tipo quasi-naïef. "Allemaal even kunstig bewerkt. Ze hebben dolken uit de ellepijpbeenderen van edelherten en, net zoals wij op Capai, kromme messen uit de slagtanden van everzwijnen. De noordelijkste stammen hoeden vooral rendieren. En je gelooft me vast niet, maar echt, ze hebben daar soms wolfshonden voor afgericht. Anderen zijn harpoenjagers op walvissen. Ik heb jagers en vissers zien varen in met vuur uitgeholde boomstammen van het allerlichtste hout. Ze noemen dat 'omiak'-boten. Mooi en snel! Daar kunnen wij op Capai nog heel wat van leren."

"Dat zal allemaal best, maar vertel mij maar liever wat over hun vrouwen," watertandde Karnk ongeduldig. Tipo keek iets onrustig naar Nisha, maar hield zich toch niet in: "Ze zijn sterk, maar klein. En ze zijn uitzonderlijk bekwaam in het zetten van tijgfuiken en het vlechten van visnetten van boombast."

"Kom op, Tipo. Ik wil wat van hun andere kunsten horen!" mopperde Karnk. "Ben je nergens leuk op visite geweest?"

"Jawel, hoor. In Shanikita wonen de Pirti in woonkuilen met stenen vloeren. Daaroverheen wordt boomschors gelegd voor de warmte. Zuidelijker bij Faize schijnen ze in hutten te wonen van met leem bestreken biezen of rietvlechtwerk, net als de Bindi. De kuddenhoeders wonen meestal in tenten van dierenhuid."

"Jaja! Maar ben er in geweest? En met wie?"

Tipo schepte een plagerig vertier in dit spel met Karnk’s geobsedeerdheid. "Ze slapen onder bontvachten, maar ze weven ook mooi. De vrouwen dus."

"En wat kunnen ze nog meer? Tipo, je gaat me niet vertellen dat je kuis geleefd hebt al die tijd."

"Jawel hoor!" grinnikte Tipo.

"Nee!" riepen Karnk en Gaosar.

"Toch!" antwoordde Tipo. "Overdag."

"Bijzonderheden! Vertel," smeekte Karnk.

"Het is nogal gevaarlijk met Pirti-vrouwen samen," zei Tipo. "Je moet erg oppassen met hoe je praat en met je bewegingen. Hun gewoonten zijn heel anders dan die van ons of van de Bindi. Als ze nee zeggen, gooien ze hun hoofd achterover of ze duwen met hun vingers tegen hun onderkin. Soms wordt er alleen gesist. Bij `ja' zeggen, schudden ze hun hoofd van links naar rechts. Pas op, als ze hun hoofd lange tijd schuin houden. Dan doen ze alsof ze naar je luisteren, maar ze denken na over manieren om je om te brengen."

"Ik word gek van hem," gromde Karnk. "Tipo, kap nu met je gezwets. Jij kan zo druilerig zijn als een moeraslijk. We weten al van alles van Ushstar. Vertel ons dan over Nisha."

"Hèhè. Jullie hoeven niks meer te weten dan je al weet. Zij is met mij en ik ben met haar."

Siri hield even haar pas in tot de mannen dichterbij waren. "Ik hoor wat van jullie gepraat. Flinke mannen onder elkaar, nietwaar?"

"Niet onder jou helaas," kwam Karnk gewoontegetrouw met een dubbele bodem aandragen. Siri kreeg een hoogrode kleur. Ze moest een paar keer slikken voor ze haar gekwetste gemoed kon luchten: "Jij ongelofelijke gierput, jij ielig aanhangsel! Jij bent gewoon jaloers op Tipo! Jij kan alleen maar aan je geslachtsdeel denken. Van liefde heb je nog nooit gehoord en wil je ook niet horen!"

Als vanouds begon Karnk direct superieur te lachen. Als een kinderachtig teken van hoon applaudisseerde hij met zijn duimnagels.

"Bravo, vrouwe," zei hij op smalende toon. "U gooit weer even wat van uw routine-beledigingen in de groep?"

Gaosar liep met een krampende pijn in zijn borst naar deze zoveelste confrontatie te luisteren hoewel de haat-liefde verhouding van Karnk en Siri weinig verrassends meer bood. Toch was er kennelijk tijdens de nacht in de glijwagen tussen hen kennelijk ook enige lijfelijke toenadering geweest. `Maar ze zou het net zo goed tegen mij gehad kunnen hebben,' wist hij. `Ben ik nou bovendien jaloers op de aandacht, die Karnk krijgt van haar?' vroeg hij zich af. `Misschien. Ja... En hij kan evenmin weerstand aan haar bieden als ik. Zoals je geen weerstand aan de zwaartekracht kan bieden. Wil ik haar? Ja, ik wil haar net zo krampachtig als Karnk haar eigenlijk wil. Maar hij is toch veel dapperder dan ik. Hij spreekt tenminste nog iets naar haar uit...'

Siri stond met haar handen in de zij stil, van ongecontroleerde woede zonder pauze gekalmeerd tot een beheerst inzicht. Haar stem was meeveranderd, hoewel nog niet zachter: "Wat jij niet allemaal doet om mijn zachtheid niet te voelen, Karnk! Wat je niet uithaalt om maar niet dichtbij je eigen gevoelens te komen! Ik word er zo hopeloos, hulpeloos van... En als er even een brug is, dan voer je die ontspanning direct zo ver door, dat je slap gaat zitten lachen. Ook omdat je bang bent voor meer, verder, dieper."

Ze pauzeerde en iedereen hield halt. Het pad liep wat vlakker en ze konden min of meer naast elkaar staan. Tipo drong zich dicht tegen Nisha aan en hun armen gleden liefkozend om elkaar heen. Siri haalde diep adem. Karnk had niet het lef of enig weerwoord om haar te onderbreken. "Nou ja, ik praat wel met je, maar eigenlijk wil ik dat helemaal niet," vervolgde ze op felle toon. "Ik wil je vasthouden! Want dat is houden van voor mij, begrijp je? Vàsthouden. Ik wil door je gestreeld worden, ik wil door je geknuffeld worden en ik kan je bijdehandte grapjes niet meer uithouden. Ik verdraag je woede-aanvallen niet meer! Stil wil ik met je zijn. Stil! snap je? Snap je?"

"Sta je daarom zo tegen me te schreeuwen?" vroeg de reus met een cynische grijns.

"Karnk! Ik haat je. Ik haat je!" gilde Siri plotseling, razend en gefrustreerd door zijn afstandelijke gedrag. Maar Karnk wilde niet, kon zich niet overgeven. Wellicht nooit? Ineens wist Gaosar waarom. Het was het verraad van de Kendo-priesteressen geweest, dat die diepe beschadiging in de geest van de reus van Kartan had veroorzaakt.

`Maar ik dan?' dacht Gaosar gepijnigd. `Ik ben niet bang voor verraad. Ben ik alleen maar bang om afgewezen te worden...? Ik verlam mijzelf en ik kan er niet uit.'

"Ik wou dat je dood viel!" schreeuwde Siri tegen Karnk, haar opgeheven vuisten schuddend. Even viel zelfs de wind stil. Die laatste uitbarsting was niettemin de druppel die de oceaan van Gaosar deed overlopen. Hij zakte door zijn knieën van pure onmacht, bijna het bewustzijn verliezend. Nog net ontsnapte hem een korte kreet van woeste gekweldheid als een kurk uit een gistende fles. Zacht jammerend rolde hij in elkaar als een foetus, terwijl Siri met wijdopengesperde, stomverbaasde ogen naar hem bleef kijken. Het kon Gaosar niets meer schelen. Hij had zichzelf opgegeven. Er kwam hem het beeld voor ogen van die andere eenzame woestenij, een betoverd kraterdal. Een klein kindje, vermoord en verlaten. Zo'n verdriet! En toen sneed Siri's vlijmscherpe stem door zijn zelfmedelijdende isolement: "Hou toch es op met je drama, Gaosar."

Tot in zijn zielemerg geschokt keek hij op. Ze stond rechtop, weer met haar handen in de zij, die zelfbewuste Nadirpose van ongenaakbare kracht. Wat fletse zonnestralen schenen vanachteren door haar haar en hij kon haar gezicht niet goed zien. Haar stem was ondubbelzinnig genoeg: "Hoe is het toch weer mogelijk? Gaosar de Grote speelt zijn nieuwe toneelstuk: De Bron Van Alle Kwalen. Ik ben klein en zij zijn groot. Wel ja! Als je met al je andere geraffineerde trucjes je zin niet kunt krijgen, dan gooi je dit soort drama in de strijd. Een zielig kindje, dat het ook niet meer weet. Nou? Ben je klaar? Kunnen we dan misschien weer verder? Want zo te zien is er verder met jullie kerels niets leuks meer te doen!"

Ze begon klaterend te lachen. Gaosar betrapte zichzelf eerst nog op een paar dramatische gedachten in de orde van `Ik begrijp het allemaal niet' en `Wat is er toch allemaal aan de hand?' maar lang kon hij dat niet volhouden.

"Gobboeme!" vloekte hij en toen stond hij gewoon op. Hij keek haar gewoon aan en ze bleef gewoon doorgrinniken. En toen viel ergens iets op zijn plaats. Die sentimentele man, die daar net nog snikkend op de grond gelegen had, loste op in een klein zuchtje wind. Het publiek voor zijn hartverscheurende theater was naar huis gegaan en het decor was afgebroken. De rotskliffen waren weer gewoon de rotskliffen en de bomen weer de bomen. Siri sloeg een arm om zijn middel.

"Nou?" vroeg ze. Gaosar moest zo hard om zichzelf lachen dat-ie bijna weer op de grond viel. "Je gaat het toch niet wéér doen, hè?" zei ze waarschuwend. Hij hield een beetje in.

`Ai, hoe ze me doorziet!' dacht hij. `Ze voelt hoe ik van overdreven verdriet direct in overdreven vreugde onderduik. Ai, ai!'

"Koest maar," zei ze vergevingsgezind. "Hoe minder je zegt, hoe beter. Laten we maar weer een eindje verder lopen. Kan de wind wat door je brein waaien."

Karnk stond met stomheid geslagen naar het tweetal te kijken. Ze waren al een flink eind gevorderd voor hij, achter Tipo en Nisha aan, eindelijk in beweging kwam. Nog hing zijn mond half open van verbazing.

Langs de kant van het pad groeiden gele, doornige bremstruiken, overal met slingerende kamperfoelie doorschoten. Het vogelleven had zich weer geheel hersteld van de stormvloedschrik van de afgelopen nacht. Er werd getsjilpd en gekwetterd, dat het een lust was. `Fijn, dat er wat afleiding om me heen is,' dacht Gaosar. Niettemin bracht het niet-praten bepaald nog niet zijn denken tot stand: `O, hoe ik nu mijn eigen onbewustheid zie. Hoe onwetend ben ik nog. Maar nou ja, daar is niets verwerpelijks of stompzinnigs aan. Zo is het gewoon. Het is een feit. Soms ben ik wèl volledig afgestemd op alles om mij heen. En soms niet. Soms ben ik zo blind als een mol, totaal gestoord en geblokkeerd. En door die paniek zie ik dan mezelf niet meer. Nou ja, zo is het dan maar. "Je mag fouten maken." Dat zei Oerbash tegen me bij het kratermeer. "Perfect zijn is dood zijn." Zoiets zei hij. En hier loop ik met Siri, die me mijn drogbeelden en mijn illusies ontneemt. En wat ben ik blij met haar!' Hij keek opzij.

"Ik ben zó blij met je," fluisterde hij.

"Hoe minder je zegt, hoe lekkerder ik me bij je voel," antwoordde ze zonder dat het als een aanval klonk. Ze wandelden in een rustig tempo door, hun voeten gelijkopgaand en hun ademhaling in harmonie. En ach, wat moet er verder nog van gezegd? Overal om hen heen kwetterden vogels, maar in hen was er een stilte, zoals die er was in de ochtend van de wereld.


De haven van Bardo was grondig verwoest door de stormvloed. Benko's boot was niet eens meer te vinden. Alle houten huizen waren vernietigd, alleen de stenen gebouwen hadden het natuurgeweld doorstaan. Overal weerklonk gejammer om doden en verlies. Honden stonden hysterisch te blaffen en kinderen krijsten. Toch hernam het praktische leven snel zijn noodzakelijke gang. In de opwarmende ochtendzon hielpen Bindi en Shir elkaar met het opruimen en drogen van doorweekte bezittingen. Er werden vuurtjes aangelegd en ergens vandaan kwam de geur van kruidig eten en versgebakken brood. De vrienden gingen hun neus achterna. Op een beschermd plein, dat minder te lijden had gehad van de moordende golven, zagen ze plotseling de grote luchtwagen staan. Ate en Ushstar hielpen een lange Shirherbergier al met het naar buiten dragen van driehoekige, bonkige stoelen. Ze herkenden walviswervels15, vijf handen hoog, acht handen lang. Overal lag een dikke, onordelijke laag zeezand, vermengd met wier, schelpen en dode zeebewoners. Nu was er nog slechts sprake van een sterke zoutlucht maar binnen enkele dagen zou de geur van verrotting voor de geteisterde bevolking de zoveelste plaag worden. In de herberg was het wonderlijk genoeg vrij droog gebleven, hoewel niet schoner. Jaren van onfris vakmanschap hadden dikke lagen vuil, stof, as, zweet en drank doen aankoeken op de vloer. De herbergier liep rochelend en mopperend rond. Herhaalde malen schreeuwde hij "Baggor!" naar binnen en na enige tijd verscheen er inderdaad iemand, die een bedienende functie scheen te hebben.

"Je gaat het nòu schoonmaken, schijthuismiezeraar!" brulde de herbergier maar hij kreeg de kerel niet in beweging.

"Nee!" weigerde deze Baggor resoluut. "Drigg nog an toe. 'k Doen et nie."

Zijn armen waren kort, de handen eeltig. De nagels van zijn stompe vingers waren tot op het bot afgekloven. Zijn ogen dwaalden heen en weer, nooit rust, nooit vrede verwachtend voor zijn dood. Misschien zelfs niet daarna. De manier waarop hij liep, was die van een schichtige veel geslagen ezel. Zijn hoofd wendde zich herhaaldelijk naar links en rechts, zijn ogen achterna, angstig uitkijkend naar weer nieuw gevaar. Tijd voor andere emoties dan angst en kwaadheid leek hij niet te hebben. Verdriet scheen hem een verspilling van hard nodige energie toe, tranen een te kostbaar verlies van water in zijn woestijnbestaan. Met een gesloten en stuurs gezicht bleef hij naar de grond staan staren.

"As u eerst betaalt, werk ik. Anders niet."

Zijn onverzettelijke houding drukte zijn deprimerende levenservaringen uit: vaak bedrogen, vaak slaag in plaats van een beloning. Toen zijn baas een hand ophief om hem te slaan, hief Baggor de zijne op.

"Geen klappe meer. En me achterstallige lood!" dreigde hij. De herbergier draaide zich verontschuldigend om: "Heb ik elf klanten om mijn noodlot te verlichten op deze onheilsdag en nu moet ik me dat laten welgevallen." Hij wees op Baggor. "Waar moet ik nu lood vandaan halen? Denkt u aan alle schade die ik moet laten repareren. Ach, ik moet ook altijd overal zelf voor opdraaien."

Hij liep naar binnen, maar Baggor stapte met een onverzettelijke kop achter hem aan. Het grote gezelschap was in afwachting van enig voedsel op de driehoeken gaan zitten. Toen er binnen een oorverdovend geraas klonk, stond Karnk op.

"Gevoel voor humor bestaat hier nauwelijks," zei hij.

"Ja, het bestaat wel, maar niemand lacht er om...," reageerde Tipo. Grijnzend liepen Tipo en hij de herberg binnen. Ze waren nog vrij vlug terug met armen vol warm brood en wijnkruiken.

"De storm heeft ook de gezagsverhoudingen hier flink door mekaar geschud," zei Karnk. "Baggor is de nieuwe eigenaar geworden. Zijn baas heeft een naar ongeluk gehad."

Terwijl ze zaten te smullen, vroeg Ishsti naar het lot van Eichhor.

"In zee gegooid," zei Gaosar.

"Voor de vloed of er na?"

"Voordat de storm losbrak."

"Dan kan zijn lijk dus nu overal liggen? Ergens aangespoeld..."

"Misschien," zei Gaosar met een heel onbehagelijk gevoel. Hij had geen enkele behoefte om de Rishe, levend noch dood, ooit ergens terug te zien. Tirt voelde de situatie perfect aan: "We moeten zo rap mogelijk terug naar Gondar. Ook daar zal de stormschade groot zijn. Even zal er niemand naar ons op zoek zijn. Ik stel voor dat ik twee keer op en neer vlieg. Deze luchtwagen is nieuw en in voortreffelijke staat. Dat moet lukken. Dan kunnen we vanavond weer samen in Siri's paleis zijn."

Het voorstel ondervond geen enkele tegenstand.


Siri was ter voorbereiding met de eerste vlucht meegegaan en Gaosar viel het wachten op haar lang. Zijn hoofd zat vol beweging. Aan het eind van de middag verliet hij even zijn makkers voor een stille wandeling. Verder en verder dwaalde hij naar de rand van het aangeslagen stadje. Eindelijk was hij even verlost van alle moeten. Hij zong een zachte melodie, melancholieke tonen, die in een spontane harmonie op hun plek vielen. Hun afgescheiden wereld nam zijn zorgen mee en de spanning van de laatste dagen viel langzaam van hem af. Zijn geest raakte opgelost in de omgeving als zout in water. Nog luisterde hij naar verwaaiend gehuil in een zijstraat, nog hoorde hij verweg een blaffende hond. Een dichtslaande deur op een onvindbare veranda was het laatste anker voor zijn afdrijvende zelf. Toen braken ook de laatste lijnen. Hij liep door. Boven het stromende water van een beek, die in de nu zo kalme zee uitmondde, hingen de bruine nesten van wevervogels. Ze werden gezien. Er was luisteren naar de plons van een neerduikend ijsvogeltje. Onder de voeten voelde het lichaam het rulle, plakkerige zand, waarnemingen zonder de benamingen van het waargenomene er aan vastgeplakt. Er was ruiken zonder de naam van de Roos. De gistende geest, die ziedende denkzee, was even rimpelloos geworden. De ogen waren gesmolten in het dichte gezicht. Gaosar was voor eventjes geen Gaosar meer, alleen een adem in een gedachteloos lichaam. Een onbegrensde ziel teruggebracht tot een harteklop.
In het oosten begon het al donker te worden, toen het gezelschap weer compleet bij elkaar zat in de tuin van Siri's familiepaleis. In het westen kleurde de hemel geel en roze. In de late schemering waren de boskrekels tot leven gekomen met een onafgebroken snerpend, zagend gehuil als dat van een wetsteen op een roestig zwaard. Hun doordringende vibraties verdreven ook de muggen en dat was in elk geval een verademing. Van hoog boven hen kwam het geluid van lome maar zelfverzekerde vleugelslagen. In gedisciplineerde formatie vlogen er ganzen over, hun geklapwiek begeleidend met roddelend gekwek. Op weg naar een verre bestemming... Majeste? vroeg Gaosar zich peinzend af. Ver, ver weg lag het laboratoriumfort. De bom was gesaboteerd. Eichhor dood. En op de luxueuze luchtwagen lag een fortuin aan zilver.

"Gaat het goed met je?" vroeg Tipo hem zachtjes, een beetje ongerust vanwege de vreemde uitdrukking op het gezicht van zijn oudere broer.

"Ik wil steeds hier mee ophouden," fluisterde Gaosar terug. "Mijn kop kan nauwelijks bevatten dat we dit allemaal overleefd hebben. We hebben wat we willen. Laten we er toch tussen uit knijpen. Ergens met z'n allen op een klein, rustig eiland gaan wonen. Ergens bij Vuurland, in de Meloi Zee of ergens anders. Ik heb het gevoel dat we ons geluk verspelen als we het onderste uit de kan willen."

"Wat wordt er daar gesmoesd?" riep Karnk. "Als jullie over mij praten is het goed, hoor. Ik ben nou eenmaal een buitengewoon iemand."

"Gaosar wil ergens een stil eilandje aanschaffen en een dorpje beginnen met ons," legde Tipo uit.

"Daar ben ik helemaal voor," riep Sugatha, als om steun naar Tirt kijkend. Er klonk angst en wanhoop in haar stem. `Niet nog meer!' schreeuwde haar hart. Karnk keek heel zuinig: "Gao doet maar. Hij is een goedkoop mannetje. Een angstkonijn. Ik heb een belofte aan mezelf gedaan. Ik ga Kerko te pakken nemen en die koning eh..., iets met die maffe koning doen. Daar sta ik in elk geval voor."

Ishsti woof met z'n hand: "Ook ik heb mij achter Karnk’s opdracht gezet met een belofte. Voor mij is er geen andere weg."

"Voor mij ook niet meer," zei Tirt zachtjes. Hij pakte Sugatha's hand. Er blonken tranen in haar ogen. Ze wist het al. Zoals ze al zoveel wist. Ze hoefde niet te zeggen waar ze stond. Iedereen kon het zien. Siri stond op en liep naar de twee broers toe.

"Ik ben al heel ver gegaan met jullie," zei ze. "Ik heb een belofte aan Tirt en mijn nicht staan. Ik sta naast hen. Maar ik zal mijn belofte breken, als je mij vraagt mee te gaan met jou, Gaosar."

Ate en Ushstar konden hun verbijstering niet meer beheersen en maakten hijgende geluiden. Halfbak en Shir-adel, die zich verbonden? Beloftes die verbroken zouden worden? Gaosar keek de kring rond.

"Nee, nee...," bracht hij er uit. "Nee. Wat staat, dat staat. We moeten eerst de koning... Ach, ik heb gewoon heel hard slaap nodig."

"Precies!" riep Karnk. "Dat is het! Een echt bed! Ik ga vast!"

Als hij had gedacht, dat er iemand van het andere geslacht achter hem aan zou komen, dan had hij het mis. Die nacht sliep iedereen alleen en heel vast.
Niet overal op het eiland Illyan werd er geslapen. In de stad Gondar kwam de magie van Onsten en de Pirti-tovenaars tot leven. Onzorgvuldigheid, opzet of een ongeluk had korte tijd het licht op de gangen van de hoogste verdieping van het Huis van Oorlog laten uitvallen. Het was een zwarte nacht zonder maan en door de grote ramen van kristalglas kwam alleen een dieper donker de immense toren binnen. Toch bleef voor een oplettend oog de steelse beweging van een schimmige gedaante bij iets wat een hoge, zware kast kon zijn, nog juist zichtbaar, omdat er via het trappenhuis van de lager gelegen etage een diffuse glans weerkaatste langs de muren. Meer licht zou een nors en gegroefd gezicht hebben onthuld en harde spieren in een vierkant lichaam. Een dichte haardos van kleine bronzen krullen liet nog juist de sterrobijnen oorhangers vrij, die zelfs in dit bijna zwarte duister nog opvonkten. Dut Derhin meende dat hij zichzelf was en een vakman in insluiping en magie.

"Ah, ik krijg slechts een weerspiegeling," mompelde hij. "Waar zit de bron?"

Geërgerd verdubbelde de spion zijn onduidelijke inspanningen. Sterke handen met lange vingers rommelden met een tangvormig apparaat langs de omtrek van panelen, die deuren zouden kunnen hebben zijn. Bijna onhoorbaar werd er gevloekt en de donkere figuur richtte zich, kennelijk onverrichterzake weer op. De tang werd onder een zware mantel weggestoken en nu glansde er een korte kristalpuntstaf in één van die krachtige handen. Ooit had dit magische gerei toebehoord aan Hiss Sarlof, maar valse herinneringen hadden Derhin over de herkomst gerustgesteld. De staf gloeide plotseling op. Het leek of er binnenin honderden kleine gouden vuurdraden glinsterden. Derhin drukte het tegen de onderkant van een van de panelen en er achter klonk even een onrustbarend gerommel. Tweemaal flikkerde het kristal op. De bezoeker schopte ontevreden tegen het hout.

"Nou, dat moet dan maar zo," mopperde hij zachtjes. Hij liep een stukje verder en aarzelde bij een groenmetalen deur. Geprikkeld door zijn eerdere mislukking leek hij plots te besluiten tot een driestere handeling. Hij bukte bij de drempel en manoeuvreerde de kristalstaf er langs. Toen dit niet het gewenste resultaat gaf, liet hij zich neer op zijn knieën en herhaalde gespannen dezelfde bewegingen. 's Mans kwaliteit bewees zich misschien het meest onweerlegbaar in het feit dat hij niet onmiddellijk stierf van angst, toen er zonder waarschuwing een romploos gezicht oplichtte, vlak voor het zijne. Om de ingevallen, gierachtige hals hing een gloeiende ketting van rode granaatstenen. Kerko. De kille mond in het misprijzende tovenaarsgelaat liet een onaangenaam geluid ontsnappen, verrast, neerbuigend en dreigend tegelijk. De brandende zwarte ogen knepen zich berekenend toe. De zijige stem van de Hoofduitvoerder van het Huis van Oorlog klonk op: "Ah, armlastige spionage. Welk een symbool van smart en futiliteit! Maar uw vernuftige kunsten baten u niet. En wat hinderlijker is, u heeft me gestoord."

De knielende man stond geagiteerd op en het van ver weg geprojecteerde gezicht rees met hem mee omhoog.

"Kijk, zo opgewekt als een mossel," jende Kerko's mond, maar juist die sneer scheen de betrapte inbreker te ontspannen.

`Als hij zekerder was van zijn positie, zou hij me niet uitdagen,' wist Derhin. Hij stapte achteruit naar de donkere ramen in de gang, maar het zure gezicht zweefde met hem mee.

"Legt u vooral geen rekenschap af," dreigde Kerko. "Maakt u me vooral kwader dan ik al ben. Maar koestert u zich geen illusies. Ik zal uw identiteit ontmaskerd hebben voordat u zich ergens veilig waant. U draagt het spiegelmasker van Rish Etzwane Gastel, maar mij misleidt u niet, zoals u mijn garde bedrogen hebt. Ik beloof u een uitgelezen gruwel als ik uw ware gezicht met de scalpel van uw schedel zal scheuren!"

Weer stapte de inbreker verder achteruit totdat hij vlak naast één van de enorme ramen stond. Hij lachte hardop. Het zilverlichtende tovenaarsfacie vertrok van boosheid, radend wat de ander van plan was.

"O lijkenvreter! Schurftziel!" raasde de witvertrokken mond en in de kamer achter de groene deur klonk nu een hels geraas, alsof daar ook de rest van het lichaam van Rish Kerko aan het materialiseren was. De indringer wachtte dat echter wijselijk niet af en sloeg met brede houwen van zijn grote tang het raam aan diggelen. Met een hoge sprong dook hij naar buiten, waarbij hij kennelijk op een manakonda-gordel kon vertrouwen. Vreemde geeloranje sliertjes damp dwarrelden onmiddellijk met de koude nachtwind mee naar binnen. De vertrekkende ongenode gast dekte hiermee doelmatig zijn aftocht, want toen de groene deur openvloog, omhulden de dampen zonder tijdverlies de briesende Rishe, die om zich heen maaiend met zijn eigen roodgloeiende kristalstaf, de grootste moeite had om zich te oriënteren in zijn eigen kantoorgang. Beneden in het gebouw begonnen helse sirenes te loeien en de lifttunnel braakte achter elkaar vijf exploderende gardisten uit met kristaltoortsen en vervormers. Twee renden er via het trappenhuis naar de lagere verdieping, een derde controleerde alle deuren in de gang en de andere twee naderden omzichtig de oranjeomfloerste vloekende en tierende tovenaar.

"Da's de stem van de Hoogedelheldere. We moeten iets doen," zei de jongste. De oudere man had een mindere rang, maar zijn veel langere ervaring met tovenaars, maakte hem heel voorzichtig.

"Zulke gedachten komen bij ons allemaal wel eens op, heer Officier," fluisterde hij afhoudend. "Het verkeerde niet doen is vaak minder erg dan het goede proberen. Ik ga liever bij de liftkoker staan wachten. Als de edele Rishe door een machtiger vijand ten onder gaat, ben ik daar liever geen getuige van. Als we zien, dat hij deze plaag overwint, is er tijd genoeg om hem met passende eerbied te hulp te schieten."

Zijn jongere meerdere was snel overtuigd, maar wees nog even naar het raam: "Daar is die andere door ontvlucht. Als we er nu achteraan gaan..."

"Dan komen we dadelijk inderdaad nog die kwaadaardige vijand van onze hoogste superieur tegen," vulde zijn verstandiger wederhelft aan. Ondertussen deed hij vast een pas terug. Uit de walmende hindernis dook nu Kerko's schuimbekkende, woeste hoofd op.

"Er achteraan, armoedig gespuis! Vuur op hem tot je hem hebt!" gilde hij. De gardisten konden het bevel niet negeren, maar eenmaal in de koude nachtlucht vliegend, maakten ze niet de maximale haast.

"Oranje is de kleur van de koning," riep de oudere man tegen de nachtwind in.

"Rish Kerko doet zelden moeite om zich populair te maken," antwoordde de jongere. "Ik denk dat eh... Nou ja. Misschien denken we te veel."

"Ik denk weinig in dit beroep," observeerde de ander. "Maar wie goed kijkt, blijft lang in leven."

Zwijgend vlogen ze verder, maar ze speurden niet zo nadrukkelijk de nachtelijke lucht af, als verwacht mocht worden in hun hoogverantwoordelijke funktie. Ze namen de tijd voor hun opdracht en inderdaad, vaak is dat wijzer dan haast.




Deel met je vrienden:
1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina