De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina23/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   34

Hoofdstuk 22 Stormvloed over Bardo.

Nijdig. Dat was zacht uitgedrukt. Toen Gaosar weer bij zijn bewustzijn kwam, trof hij zichzelf in half ontklede toestand aan op een brede tafel. Hoeveel tijd er voorbij gegaan was, wist hij niet, want ook dit vertrek had geen vensters. Waarschijnlijk had de wonderbaarlijke werking van zijn vaders polsband hem tegen allerlei ellende beschermd, want hij voelde zich redelijk in orde. Behalve dat zijn achterhoofd één grote bloedkorst was, dat door de val al zijn voortanden door zijn lippen geslagen waren en dat Eichhor hem besneden had, was er verder weinig met hem aan de hand. Tenminste, hij werd tevens geplaagd door een akelige jeuk op zijn heiligbeen, waar op diverse plekken op de strakgespannen, pijnlijke huid gele blaasjes aan het openbarsten waren, een weg biedend aan doorschijnend pus. Het werk van de Berseng? Hij wou er niet echt verder over nadenken.



Half onder de tafel lag het ontzielde lichaam van de kleine tovenaar. Om zeker te zijn voelde Gaosar even aan de koude, verstijvende hand. Nieuwsgierig onderzocht hij daarna of Eichhor een okselvervormer had bezeten, maar op het schrale oude mannenlijf was geen wapen te bekennen. Wel had hij vreemde, scherpe instrumenten aan zijn gordel hangen. Wat Gaosar ongemakkelijk makend opviel, was, dat de Rishe met een monstrueuze erectie wel anderhalf voet lang gestorven was. Niet minder onprettig was het beeld, dat de inhoud van een kleine glazen kom op een bijzettafeltje bood. In een alcoholhoudende oplossing lag daar een zielig velletje. Gaosar nam zich voor om het positief te blijven zien ('Die tovenaar had ook het hele ding kunnen amputeren'), maar de schrijnende wond op zijn penis bleef een pijnlijke herinnering aan de smerige manipulatie. Naar het magische of seksuele motief erachter kon hij slechts gissen. In een opwelling van bezitsgevoel viste hij zijn voormalige onderdeel uit de glazen kom en wikkelde het in een linnen lapje, dat op tafel lag. Het daar achterlaten kon hij beslist niet. Omdat Eichhor kennelijk slechts belangstelling voor zijn onderlichaam had gehad, vond Gaosar ook al zijn andere bezittingen intact in en onder zijn jas. De vervormer, de Tat-sabel, de paarse sjaal en zijn kostbaarheden. De vreugde hierover werd echter verdrongen door een ongekende emotie, die hand over hand bezit van hem nam. Je zou kunnen zeggen dat hij... ja, dat hij nijdig aan het worden was. Zijn beschouwende verdraagzaamheid, zijn nuchtere zelfreflectie en zijn nog steeds min of meer neutrale opstelling leek mèt het arme voorhuidje te zijn verdwenen. In een stemming van onverzettelijke pissigheid inspecteerde de Halfbak de kleine zaal, waar de afgestrafte penisbesnijder hem naar toe had gebracht. Nozer Eichhor mocht vanuit een ondoorgrondelijke valse romantiek genoegen geschapen hebben in het walmende licht van de flambouwen, maar Gaosar zocht allereerst naar meer verlichting. Middels een ruk aan een laagafhangend koord bij één van de wanden kon hij een fraaie kroon van lianry-licht in werking stellen. Geen schok werd hem echter bespaard. Hij moest vaststellen, dat nergens in de hele ruimte een deur te zien was. Behalve de snijtafel waar Gaosar zijn onfortuinlijke operatie had ondergaan, stonden er twee hoge kasten, nog twee tafels en immense rijen planken met de meest buitenissige attributen, gereedschappen en schrijftabletten. Hij zag kolven, potten en flessen, machines en apparaten, maar daarvan was er weinig herkenbaar. Het was alsof hij in een andere wereld van onbegrijpelijke kennis was aangeland. Maar een deur was een deur. Als je hem zou zien tenminste. Hij herinnerde zich Onstens ingenieuze constructie in de apenkelder. Zo iets moest ook hier te vinden zijn. Met een steeds meer verbeten kop zocht hij hand voor hand de wanden af. Het enige vreemde dat hij hier en daar geraffineerd verborgen vond, waren kleine, trechtervormige, ronde gaten ter hoogte van zijn borst. Er achter strekten zich mysterieuze, donkere, handdikke tunneltjes uit. Mogelijk waren ze met demonische of dierlijke hulp uitgegraven? Piekerend boog hij zich er dichter naar toe. Een heel vage geur bereikte zijn neus. Eten? Eten! Sudderende lamskoppen! Dit moest een verbinding met de keuken zijn. Lepelgekletter klonk en stemmengedruis. Beelden van vetdoordrongen tafels en ziedende ketels drongen zich aan hem op. Hij stelde zich de kleine gestalte van de Rishe voor met het gespitste puntoor bij de opening. Zou hij zo opdrachten geven? Of waren het juist afluistergaten? Hij bewoog zich van het ene gat naar het andere. Het knallen van een poortdeur en gevloek van wachters, gemopper over het ergerlijke, nutteloze wachtlopen van jonge soldaten. En toen ergens een zeer aristocratische stem: "... De verstandigen begrijpen mijn bedoeling. Van de onverstandigen wordt verder niets verlangd."

"Ik deel uw optimisme niet," bromde een andere stem zorgelijk. Gaosar herkende die ijzige, godinverlaten stem direct. Gor! De zwarte beul bij de poort, de man, die Tirt gemarteld had! Van de spanning kreeg Gaosar haast een flauwte.

"Er is geen sprake hier van de natuurlijke loop der dingen," vervolgde Gor. "Hij is door niets en niemand van zijn post te krijgen."

"Als je zo blijft denken, Gor, dan verandert er nooit wat," zei de beschaafde stem. "En in feite zijn jij en ik net zo verantwoordelijk voor deze situatie, omdat we blijven toelaten, dat Nozer zijn macht en gezag misbruikt voor ordinaire wellust. En denk aan zijn gesukkel op ons vakgebied. Hij kan nog geen herpes van een muskietenbeet onderscheiden!"

"Ach, zijn wellust doet niet onder voor Kerko's wraakzucht," stelde de droge stem van zijn gesprekspartner vast.

"Zeker. Maar daarmee heeft Kerko zich vervreemd van een deel van de Raad. Het ombrengen van Hayo is een voor vele integere lieden onvergefelijke misdaad. Hayo in zo'n val laten lopen is net zo iets als de koning vermoorden. Nu ja, brengt men op de radel verder buigaanpassingen op of moeten we met bamboe-veren genoegen nemen?"

Het gesprek kabbelde voort over onschuldiger en technischer onderwerpen. Plotseling kreeg Gaosar een werkelijk lumineuze inval. Met dichtgeknepen neus gilde hij scherp en hard in het gat: "Stuipkoppigen!"

Aan de onbekende andere kant werd het doodstil. Na een gekweld tijdje, zowel voor de spreker als voor de aangesprokenen, weifelde de onaangename stem van de beul: "Hoogedelheldere...?"

Gaosar kneep als in razende woede zijn stem, zodat hij zoveel mogelijk neuzelig en onherkenbaar zou worden. Hij vertrouwde maar blind op zijn goede gesternte. Gor verwachtte immers niemand anders dan Nozer?

"Gor! Jij aarspuist! Wie luisterde er daar naar jouw gal?"

De beschaafde onbekende liet een onzeker keelgeschraap horen.

"Eh, uw Onderuitvoerder Balgox Wyldo. Met al mijn nederigheid, Hoogedelheldere," verontschuldigde hij zich ongerust en kruiperig betrapt. Gaosar sprong bijna een gat in de lucht vanwege deze onverwachte hoge vangst.

"Direct hierheen!" snierde hij terug. "Klop vier keer op mijn deur. Haast jullie!"

Wegstervende snelle voetstappen. Gaosar bevestigde een nieuw rozenpantserveld om zich heen en bereidde zich voor op de uitwerking van zijn brutale list. Hij stelde zich precies in het midden van Eichhors werkruimte op. Zo kon hij het beste bepalen waar het kloppen vandaan zou komen. Maar hoe vaak hij ook tegen zijn innerlijke zelf herhaalde, dat alles goed was, dat de angst zijn enige echte vijand was en dat... en dat... Ondanks al zijn fraaie oefeningen bleef het klamme zweet in zijn handen staan.


Toen werd er vier keer geklopt. Op zijn tenen stoof Gaosar in de richting van het geluid. Hij kon zich meteen wel voor de kop slaan. Naast het lichtkoord natuurlijk! Als men binnenkomt, doet men het licht aan, nietwaar? Zijn betrekkelijke onbekendheid met de vernuftige uitvindingen van de Rishe, zoals deze toverachtige lichtbron, maakte hem niet toleranter naar zichzelf. Nu ja! Verder geen tijd verloren! Hij sloop weer terug naar de snijtafel van Eichhor en smeet het ding met een oorverdovend geraas om. Daarna sprong hij drie keer bonkend op en neer op de vloer en beende toen met veel aplomb naar de onzichtbare deur. Heel dik kon de wand niet zijn, want hij hoorde een ontzet tweestemmig hijgen. Gor en Wyldo hadden begrepen dat er iets helemaal niet in orde was. Gaosar haalde diep adem en riep met zijn volste, eigen klank naar de andere kant van de kale muur: "Luisteren allebei!"

Doodse stilte. En daarna de keurige articulatie van de Onderuitvoerder, geschokt maar niet bang: "Wie spreekt?"

Gaosar zette zijn stem nog verder uit: "Luister, dar! Ik heb Eichhor in mijn macht. Hij gaat boeten voor zijn wandaden en jullie vallen met hem mee, tenzij jullie absoluut met mij mee werken."

"Wie spreekt!?" drong Wyldo aan en Gaosar had kunnen zweren dat de man opgelucht klonk.

"Rish Gaosar Ouran," riep Gaosar met zulk een vertoon van zelfverzekerdheid, dat hem zelf verbaasde.

"In wiens opdracht handelt u?" aarzelde Wyldo. En zonder nadenken flapte Gaosar het er uit, waar de gedachte vandaan kwam, wist hij zelf niet: "In opdracht van de koning!"

"Ai, Hoogheldere!" hijgde de stem van Gor in opperste geschoktheid. Wyldo was niet minder ontdaan.

"Wat wilt u van ons, Hoogheldere?" vroeg hij. En daar moest Gaosar eigenlijk nog zelf ook even over nadenken. Maar dat ging snel: "Eichhor wordt berecht in het paleis van de koning. Bezorg mij dus voor die reis een luchtwagen op de binnenplaats," beval hij met een onverwachte, krachtige autoriteit.

"Hoe weten wij dat u over de macht beschikt, die u voorwendt?" wilde de Onderuitvoerder wantrouwig weten. Dat Eichhor al niet meer in het land der levenden was, kwam gelukkig niet eens bij hem op.

"Ik gebruik een Berseng-val," blufte Gaosar. Lang, lang geleden (wat was dàt lang geleden) had zijn vader, Cayobur Hayo de aanwezigheid van de parasiet kunnen peilen. Misschien was die Wyldo wel even vaardig. Het was immers het enige wat Gaosar aan magisch attribuut kon presenteren.

"Ah, juist. Aha. Met minder zou u Eichhor niet verrast hebben..." analyseerde Wyldo. "Juist ja. En hoe kan ik mij van uw goede trouw vergewissen? Misschien is het slechts uw bedoeling om onze gewaardeerde superieur om te brengen?" insinueerde Wyldo hoopvol.

"Ga daar van uit!" riep Gaosar hoorbaar cynisch terug. "Denk maar eens met mij mee! Als ik Eichhor volgens mijn bewering ter bestraffing aflever in het paleis van de koning, zal jou een promotie wachten, nietwaar? Tenminste als mijn rapport gewag maakt van jullie onvoorwaardelijke medewerking."

"Inderdaad..." Wyldo woog de mogelijkheden.

"En als ik hem onderweg in zee kieper? Ook toch?"

"Zeker, zeker," bevestigde Wyldo snel van begrip. Gaosar hielp hem beslissen: "Weet je wat? Zet je eigen gewicht aan zilver erbij in die luchtwagen. Maak het voor mij aantrekkelijk om naar Kantmorie te vliegen en mijn opdracht te verzaken. Eichhor dient de haaien en jullie hebben een prettig verhaal vol overmacht voor jullie collega's. Begrijpen wij elkaar?"

"Ik meen van wel," dacht Wyldo.

"Goed," vervolgde Gaosar. "En nog wat. Hoe ver zijn jullie met die Tirt?"

In die laatste vraag konden en mochten de twee kerels iedere emotie horen die ze wilden. Het was nu Gor, die antwoordde.

"Hij praat niet, Hoogheldere. We weten niet wat hij in ons laboratorium heeft uitgevoerd. We konden slechts zijn onwaarheid peilen."

"Zal hij praten?" vroeg Gaosar uitzonderlijk benieuwd.

"Misschien," dacht Gor voorzichtig. Gaosar kon de blijdschap niet uit zijn stem houden. In dat geval leefde Tirt dus nog!

"Ik wil hèm ook meenemen," riep hij.

"Dat zal nogal moeilijk gaan," mompelde Gor. "Zijn gesteldheid is niet zo best."

Gaosar’s woede moest vijf deuren verder voelbaar en hoorbaar zijn: "Dan lap je hem op, etter! Ik wil hem bij zijn volle verstand mee naar Gondar nemen."

"Dat kan nog wel even duren, Hoogheldere," aarzelde de beul. Gaosar raasde op volle toeren: "Wend ieder middel aan, doodsaap! En anders haal je er die Wyldo maar voor uit elkaar! Snap je me, drabkoker?"

"Zeker, Hoogheldere!" klonk het tweestemmig en toen Gaosar "Weg nu!" schreeuwde, bonkten er twee paar voeten in grote ongerustheid heen.


Gaosar kreeg heel lang de tijd om de verborgen deur te zoeken. Toen hij uiteindelijk met zijn voet tegen de drempelplint aanschopte, begonnen er onzichtbare scharnieren te draaien. Welk een voor de voet liggende oplossing! Zo kon de tovenaar met zijn armen vol onbekende lasten zijn werkvertrek verlaten zonder een deurklink te moeten gebruiken. Nimmer had de onsympathieke Hoofduitvoerder van het Huis van Onderzoek echter kunnen voorzien, dat hij zelf ooit in één van zijn eigen tapijten gerold op zo'n wijze afgevoerd zou worden. Maar is dat niet het leuke van de gehele schepping? Is niet het onvoorspelbare de vitale kracht achter iedere evolutie? Oerbash had het gezegd kunnen hebben, dacht Gaosar. `Maar tegenwoordig bedenk ik het allemaal zelf,' wist hij. 't Was nog een beetje wennen aan al zijn nieuwe rollen. Een onbevreesde Rishe. Een gevreesde scherprechter van koning Katsin Oatreru. En wat moest er nog niet allemaal volgen? Maar zelf in zijn stoutste dromen had Gaosar zich nooit als 's konings opvolger durven zien...
Vier van zijn reisgenoten hadden met een grote inspanning ondertussen de Horenpas bereikt. Daar trof hen echter de meest waanzinnige storm, die ze ooit hadden meegemaakt. De natuurkrachten trokken zich niets van de naderende nacht aan. Voor niets en niemand zou er in deze nacht rust zijn. De twee mannen en de twee vrouwen waren uitgeput van de snelle en gevaarlijke mars. Vooral de klim langs het smalle ezelpad door de kloof had alles van hun oplettendheid gevergd. Diep beneden gaapte met een laconieke honger een diep, wild begroeid ravijn, vruchtbaar gemaakt door vele onvoorzichtiger reizigers en hun mee verongelukte lastdieren. De storm had al de hele middag gedreigd. Aansporingen van de één om sneller te gaan, had onveranderlijk alleen de anderen nog zenuwachtiger gemaakt zodat ze er uiteindelijk maar allemaal het zwijgen toe deden. Gedacht werd er genoeg. Het onbekende noodlot van Tirt en Gaosar bedrukte hen in gelijke mate, hoewel alleen Sugatha een enkele keer met een wanhopige, ontroostbare schreeuw uiting aan haar immense pijn gaf. Eindelijk konden ze, in het laatste schemerlicht boven op de kliffenkust aangekomen, ver beneden zich de haven van Bardo zien liggen. De storm joeg venijnige, grijze wolken van zand en zeewater over het stadje. Afdalen leek hen bepaald niet veilig. Hoewel, blijven waar ze waren, was minstens even oncomfortabel. Ushstar vond een min of meer beschutte plek, enigszins uit de beukende wind, die scherpe, zoute zeewatervlagen meevoerde van de lager gelegen geteisterde stranden. Enkele grote, licht overhangende rotsen boden hun een redelijke bescherming. Als ze laag bij de grond bleven, raakten hen de schurende wervelingen het minst. De storm bracht een onwerkelijke koude mee, maar het was niet dat, wat Bardo vernietigen zou. Toen het geluid van de storm feller en feller werd, was Karnk in een vreemde doodsverachting overeind gekropen. Hij krabbelde tegen de wind in naar een verder gelegen rotsblok bij de rand van het afdalende pad. Hij zocht naar een herkenningspunt in de ziedende donkerte onder hem. Bardo. Ergens daar was Tipo. En Benko. En die andere ongure moordenaar, die Ate. En Nisha. Een Bakdrel, had Ushstar haar genoemd. Maar wel een heel mooie Bakdrel...

`Wat een ongelofelijke fortuinvatter is dat Bakjong eigenlijk,' dacht Karnk op één van de weinige momenten, dat de storm hem denken toestond. Ieder licht in het stadje was verdwenen. Er was geen gebouw meer te zien, tenminste... Karnk voelde een ijskoude hand naar zijn ingewanden tasten. Het donkere strand bewoog, leek te golven tot aan de oprijzende kliffen. Leek? Het was zo. Er was een stormvloed van ongekende kracht opgeroepen, die het hele stadje overspoeld had.

`Tipo! Tipo!' riep Karnk’s hele wezen, wanhopig met dichte mond, dichte tranende ogen en dichte darmen, zich vastklemmend aan de oersteen om niet weggeblazen te worden. `Jongen! Red je zelf! Ik kan niks voor je doen!'

En dat was misschien wel het ergste. Niets te kunnen doen, niets! Niets dan te kunnen denken aan alles wat er gebeurd zou kunnen zijn. Niets te kunnen doen en alleen die grote, zware steen in je darmen te voelen. Te voelen. Te voelen.

Eens luwde de wind een moment. Als een geslagen, merggeschokt pasgeboren kind opende Karnk even zijn bijna blindgeknepen ogen. Tegen een kleine helling onder hem was een kolossale wortelstronk neergesmeten in het door woeste krachten opgehoopte donkere zand, dat onophoudelijk door de wind werd aangevoerd van het ver onder hem liggende stormgegeselde strand. Verwrongen en omgekeerd lag die oeroude boom daar, met zijn wortels naar de straffende hemel en zijn stamkop in het zand gedrukt, niets meer willen wetend van het daverende heelal. In het stilgevallen geweld herademde Karnk. Hij keek en keek. Even stilte. Stil. Hij dwong zichzelf om zijn opengesperde ogen weer te sluiten. Een verschrikkelijke pijn brandde in zijn ruw gezandstraalde leden. Een eind achter hem maar veel beter beschut, lagen ook de anderen. Plat op hun buik, hun handen klauwend in de grond, zichzelf met de nagels ingravend in Moeder Aarde. Gezamenlijk ervoeren ze hoe de climax van de storm voorbij ging. En daarna? Er was een langdurige gedeelde pijn, als van wachtende zielen in het voorportaal van het hiernamaals. Zou er een nieuwe kans zijn? Was er nog wel een wereld? Of waren alleen zij hier gered uit het rumoer van de samenwerkende vernietigingselementen?

Karnk kroop terug naar de andere drie. Ze durfden zich nog steeds niet rechtop aan de huilende nacht te vertonen, bang voor een nieuwe aanval, niet zeker van hun eigen leven en levensvatbaarheid.

Een lange, barre nacht zaten ze nat en bibberend, halfslapend, halfwakend tegen elkaar aan. Vanuit de verte van de getroffen stad klonken vlagen van mensengejammer, wanhopig geblaat, geloei en gejank van dieren en andere angstaanjagende geluiden naar hen op. Pas de aanmoediging van een volle oranjerode ochtendzon bracht hen weer op de been. Karnk ging als eerste de benauwde luwte uit, die geladen was met hun gezamenlijke wanhoop. Hij rekte zich krakend uit en riep over zijn schouder met een heel vertrouwde intonatie: "Ons logeeradresje is in de prak is gewaaid, lui. Maar we boffen verder enorm met het weer!"

Niemand kon er om lachen, maar iets van die allesoverlevende afstandelijkheid in Karnk’s humor bracht hem terug naar hun doel: het terugvinden van hun strijdmakkers. Ze klopten het zand uit hun kleren en veegden het uit hun oren, ogen en neusgaten. Ze maakten aanstalten om af te dalen naar de stad, toen ineens Sugatha hysterisch begon te gillen. Dodelijk geschrokken keken ze in de richting die zij had aangewezen. Net ver van hen vandaan hing een luchtvlot in de lucht. Er zaten twee mannen in. Eén ervan was Gaosar. En de ander leek op Tirt.

Karnk gaf zo'n doordringende vreugdeschreeuw dat de echo's tegen de harde rotsen niet op schenen te houden. Direct daarna klonk er nog een schreeuw, minder luid, maar niet minder opgelucht. Uit een zo goed als aan het oog onttrokken brede grot een flink eind verder staken tot een ieders stomme verbazing een aantal bekende gezichten. De schreeuw was van Tipo geweest. Achter hem aan draafden Ishsti en Nisha naar de dalende luchtwagen toe en even later doken ook Benko en Ate op. Ze hadden zonder het te weten deze afschuwelijke nacht op een steenworp afstand van elkaar doorgebracht!

De ochtend ademde nog steeds een geladen, onherbergzame sfeer, maar boven op de kliffen langs het dodemansstrand van Bardo was er één plek waar het dodelijke stormstof weg leek te waaien in wervelende vriendschapswinden. Tirt en Sugatha waren zo geëmotioneerd dat Tirt zijn verhaal niet zelf kon vertellen. Geobsedeerd zaten ze allemaal naar de gemartelde Rishe te kijken. Gaosar vatte de belangrijkste dingen kort samen, omdat hij zelf even onbeschrijfelijk nieuwsgierig was naar de verhalen van de anderen.

"... en toen kwam Gor met Tirt aan. Tirt met benen van ijzer en nog een paar aanpassingen, zoals jullie kunnen zien. Gor en Eichhor hadden hem betrapt in de kelder van het fort, maar ze wisten niet wat hij er gedaan had. En dat weten ze nog niet, hoe erg ze hem ook gemarteld hebben. Maar het is dus gelukt."

"Tenminste, ik heb het ontstekingsmechanisme veranderd," zei Tirt, die eindelijk wat gekalmeerd was. "Van de constructie van de bom zelf had ik onvoldoende kennis. Er zullen nu waarschijnlijk kleinere ontploffingen langs een schuine lijn plaatsvinden. En hoe het uitpakt, weet ik nog niet. De toekomst is duisterder dan ooit."

Sugatha trok zijn gekwelde gezicht naar zich toe, heel, heel voorzichtig. Op de bovenkant van Tirts kaalgeschoren schedel was een flinterdunne bronzen plaat zichtbaar en de aanhechting bezorgde hem kennelijk nog steeds vreselijke pijnen. Ishsti onderzocht zijn Rishe-vriend nauwkeurig.

"Iemand heeft heel goed werk verricht hier. Je hebt zelfs een hoge polsband om, zie ik."

Tirt wuifde naar Gaosar: "Hij heeft me de zijne geleend. Er is beslist een Meester-Doodvorser met me aan de slag geweest."

"Waarschijnlijk Balgox Wyldo, Nozers Onderuitvoerder," dacht Gaosar en toen wendde hij zich naar de stokmeester, die er heel moe uitzag, maar toch bijna extatisch opgelucht keek na het verhaal over Tirts min of meer geslaagde sabotagepoging. Voelde hij dat daarmee de last van zijn eigen wanhoopsmissie van zijn schouders was genomen?

"Ushstar heeft ons wat verteld over jullie voorspoedige reis," zei Gaosar voorzichtig. "Mogen wij weten wat je aan de Pirti moest brengen, grote Oom?"

"Wij brachten hun wat sieraden," zei Benko met een glad gezicht. "Doorboorde leeuwetanden als herinnering aan hun Oorsprongland bijvoorbeeld. En ze zijn dol op kleurige slakkehuizen. Ze betalen ons met amber en hun mooie oker. De meeste Pirti verven namelijk de verbleekte gezichten van hun doden met rode oker om zielrovende demonen te misleiden."

"Had je hàndel nu zo'n haast, stokmeester?" wou Tirt weten.

"Er is gedaan wat gedaan moest worden," antwoordde Benko afhoudend. Hij aarzelde en keek de kring rond.

"Ach, misschien is er geen reden meer voor geheimhouding," besloot hij eindelijk. Toch sprak hij met duidelijke tegenzin verder. "Ik heb bepaalde spullen naar de Pirti-tovenaars gebracht. Dat was de laatste wil van een oude vriend van me. Die zaken zullen het Rish Kerko nog heel moeilijk gaan maken."

"Je maakt ons heel nieuwsgierig," drong Tirt aan op meer informatie.

"Vertel het hun, oom Benko," zei Nisha.

"Ik heb de meeste verbanden al geraden, Benko," moedigde Ishsti aan. "En ik heb mijn steun verleend waar dat kon. Wil je dat ik het uitleg?"

Benko knikte alleen maar. De immense kracht van zelfs dode tovenaars weerhield hem nog van het noemen van Onstens naam.

"Rish Uto Onsten is door Kerko vermoord, tenminste indirect door toedoen van één van zijn assistenten, door ene Hiss Sarlof," meldde Ishsti. Tactisch, om te vermijden dat bepaalde eerdere contacten ter sprake zouden moeten komen, gaf hij niet alle bijzonderheden: "Nisha is door Osten postuum aangewezen om zijn wraak te vervullen. Zij heeft zijn machtskristal aan de Pirti gebracht met de kruinstaart van Sarlof, die zelf bij de aanslag op Onsten is omgekomen. De Pirti hebben Onstens machtkrachten op hun eigen vreemde manieren gebruikt. Ze hebben kortgeleden een Shir-spion ontmaskerd en met vergif in een halve dood gebracht. Het is een Bindi-man, ene Dut Derhin. De tovenaars hebben daarna Sarlofs kruinstaart in Derhins hoofdhaar ingeweven. Met Onstens kristal hebben ze hem daarna een geleend nieuw leven gegeven. Zo noemen ze dat. De Pirti naaiden daarna Derhins slapende lichaam in een bisonhuid en gooiden hem op een magische plaats in zee. Door de ingesloten lucht blijft hij drijven. Zeegeesten zullen hem met de stroom terug brengen naar Illyan. Daar zal hij weer ontwaken, denkend dat hij Dut Derhin is. Dat hij uitsluitend Onstens voertuig is, zal hij misschien pas bij zijn dood beseffen. Hij is nu een soort dubbelspion. Zijn lichaam leeft als Derhin, maar zijn handelen en zijn kennis wordt door Sarlofs wraakgevoel naar Kerko gestuurd. En als Sarlofs geest even iets anders zou willen, dan komt Onstens geest er weer aan te pas. Zulke vreselijke magie kan alleen ontstaan als een Rishe zich met de Pirti verbindt. Kerko zal het heel moeilijk met deze onherkenbare en vreemde Tegenstrever krijgen."

Gaosar had het verhaal in een grote paniek aangehoord. Zijn ogen puilden van de schrik bijna uit zijn kassen. Tipo zag het. Hij wist wat er door zijn halfbroer heen ging. Snel ging hij achter hem zitten en fluisterde hem zijn inzichten in het oor.

"Onsten staat aan onze kant. Nisha heeft me verteld dat Onsten ook uit het geslacht van de koning afkomstig was. Hij heeft zijn vorst en zijn familie lief boven alles en zijn geest zorgt voor Nisha als voor zijn eigen kind. Ik vertrouw het. Vertrouw jij nu op mij!"

Heel langzaam ontspande Gaosar een beetje. Benko en Ishsti vertelden om de beurt bijzonderheden over hun reis naar Pirtiland en hoe zij de storm overleefd hadden.

De heenreis naar Pirtiland was makkelijker geweest dan de terugreis. De wind was weer in hun voordeel gedraaid, maar de stijgende luchtdruk en de stapelwolken beloofden niet veel goeds. Benko's lange reiservaring met de onberekenbare elementen had hem een flinke haast bezorgd om naar de veilige haven van Bardo te komen. Ze waren echter niet alleen bang geweest voor de dreiging van een storm. Zodra de boot had aangelegd, sprongen alle opvarenden de kade op met een onaangenaam gevoel in de ingewanden. Nisha leek er het slechtst aan toe te zijn. Ze had last van een akelige druk in haar oren.

"Niet de stad in!" riep Ishsti. "Het pad naar boven, naar de kliffen."

Niemand vroeg naar het waarom. Pas toen ze hoog boven het strand een beschutte plek vonden, gebaarde Ishsti dat ze even konden pauzeren. "Wat is je idee, Meester Ishsti?" vroeg Benko. "Het gaat nog veel harder waaien, dat is zeker."

"Ik heb mijn Duidersdoos geraadpleegd aan boord en er komt magie achter ons aan," zei Ishsti zacht.

"Dat voel ik allang an me water," zei Ate. "Ik bin voor geen mens bang, maar ditte, nee ..."

"Kerko heeft een speurdemon achter Nisha aangezet. Onstens geestesaandacht en bescherming is nu tussen haar en Derhin verdeeld en nu wordt zij kwetsbaarder. Ik weet echter een machtplek van het Oude Volk hier dichtbij, waar ik die demon kan verslaan. Hij zal jullie met rust laten. Wacht hier de komst van Karnk’s groep af. Uit mijn tekenen lees ik dat alles voorspoedig met hen gaat, hoewel ik slechts een raar half beeld van Tirt kan krijgen. Maar er is haast. Ik wil nu meteen verder met Nisha."

"Ik ga met jullie mee," gromde Tipo met een verbeten gezicht. Nisha gaf hem een stralende blik, die ver voorbij dankbaarheid ging. Een blik van eeuwige verknochtheid.

Nisha, Tipo en Ishsti waren er na een heel kort afscheid snel vandoor gegaan in de jachtloop van de Baks: zestig passen snelwandelen, zestig passen rennen. Ishsti paste zich bijna moeiteloos aan. Met bewondering voor zijn uithoudingsvermogen keken de twee donkere jonge mensen zo nu en dan naar hem opzij. Nisha's hoofdpijn verbeterde onmiddellijk, toen ze eenmaal in beweging kon komen. Na korte tijd werden ze echter opgeschrikt door een serie korte knallen achter hen. Het leek op paardehoeven op rotsgrond. Of was het onweer op zee? Tipo keek ongerust achterom.

Ze gingen met de harde wind schuin in de rug in noordelijke richting. Het zanderige land was vrij vlak. Er was nauwelijks voldoende glooiing in het terrein, die beschutting kon bieden aan een achtervolger, geen geul, waar een ruiter in het verborgene kon rijden. Naast Tipo rende Ishsti met zijn bestofte ogen gericht op de noordelijke horizon. Soms mompelde hij binnensmonds wat over de hitte en het smerige zand. Weer klonken de knallen. Tipo vertraagde zijn pas om om te kijken, maar Ishsti gromde direct: "Loop door, jongen. Loop door! Ik hoor het ook, natuurlijk. 't Belooft niks goeds. Je oren halen streken uit met je verstand en straks zijn je ogen en je neus aan de beurt. Lopen!"

Toch keek Tipo over zijn schouder om en schrok meteen hevig. Als een lijkwade van zwavel lag er in het midden van de horizon achter hen een vreemde, bewegende gele nevel, waartegen het grijs van de stormwolken op zee scherp afstak. De wind was zo wild dat hij soms het wolkendek als met een scheermes openrukte, zodat er een gierende kogel van blauw verscheen. In de hete luchttrilling bewoog er iets in de gele nevel dat een duidelijk donkerder kwaliteit bezat. Tipo was op slag helemaal niet nieuwsgierig meer.

Eindelijk brak een kleine heuvelrug het woestijnachtige landschap van zand en grint. Midden tussen de grinthopen en lage rotsblokken richtte zich een veel hogere formatie van graniet op, zwartblauwe steenbrokken, soms rooddooraderd. Dichterbij gekomen zagen ze er achter een bizar woud van dode, grijze bomen dat zich ver langs een naar beneden glooiende lange helling uitstrekte. Het was alsof er een lange koning in het land stond met een achter zich uitwaaierende mantel. Een dode koning in een dood kledingstuk. Verder naar boven viel meteen de veel ordelijker opstapeling van de granietblokken op.

"Net of daarboven een mond is," wees Nisha naar een duister gat.

"Vroeger lag het zand en het grint hoger, tot daar," hijgde Ishsti. "Het is een poort. Een poort in een tempel van het oude volk."

Ze stonden zwetend en trillend stil en keken omhoog. Alsof hun gezamenlijke aandacht een bepaalde trilling op gang had gebracht, stortte er plotseling een grote hoeveelheid grint en zand naar beneden. Sommige keitjes raakten op pijnlijke wijze de mensen beneden. Duidelijk was er schuin boven de poort nog een gapende opening zichtbaar geworden, die zeer wel mogelijk ooit een oogkas had voorgesteld. Een misselijk gevoel van beklemming overviel hen. Het dode oog keek bepaald dreigend op hun neer.

"Vooruit!" spoorde Ishsti hen aan. "Het is terug of voorwaarts. Heb je voorkeuren? Ik niet."

Hij begon te klimmen met Nisha vlak achter hem aan. Tipo keek naar haar gespannen billen en haar krachtige benen. Ondanks de gevaarlijke situatie voelde hij zijn geslachtsdeel nadrukkelijk gaan kloppen.

"Gobboeme," vloekte hij zachtjes. En toen onhoorbaar: "Wat heb je toch een goddelijke kont, Nisha."

Overmoedig geworden door zijn eigen levenslust keek hij toen even achterom. Er overviel hem de gekmakende verkramping van iemand, die denkt in een lage greppel te vallen en ontdekt, dat het een driehonderd voet diep ravijn is. In het doodse landschap vertoonde zich achter een halfhoge rots een schurkachtig, hongerig gelaat met uitpuilende, roodachtige ogen en een kwijlende mond. Het schepsel bewoog zich steels naar voren. Ondanks de gebogen gestalte scheen het zeker nog anderhalf keer langer dan hun reuzenvriend Karnk. Het door de wind rond de keien opgetaste zand knerpte onder zijn sloffende voeten. De gluiperige ogen in het afgeleefde gezicht stonden wijdopengesperd en keken met een dwingende begeerte naar Tipo. Vol afgrijzen bleef de jongen naar hem terugstaren, vastgenageld in zijn eigen verstarring, tenondergaand in zijn eigen ademloosheid. Meedogenloos kwam het van bloeddorst vervulde monster dichterbij. De handen maakten huiveringwekkende knijpbewegingen. Een beestachtige geur drong zich dichter en dichter aan Tipo op, zo dichtbij dat hij vreesde te verdrinken in die duistere reuk, als hij tenminste niet al eerder gestikt was.

"Klimmen!" gilde opeens de schrille stem van Ishsti, die ontdekt had wat er aan de hand was. "Klimmen!"

Nisha begon hysterisch te gillen. Dat geluid wekte Tipo eindelijk uit zijn dodelijke bevriezing. Hij vloog tegen de muur op, zó snel, dat hij nagenoeg gelijk met Ishsti en Nisha het grote mondpoortportaal binnenviel. Kokhalzend van angst en zijn ontlasting verliezend strompelde hij achter de Tekenduider door de totaal vermolmde resten van zware houten poortdeuren heen. Van boven in het gebouw kwam licht door een even vergaan houten dak.

"Stil maar," zei Ishsti tegen zijn twee doodsbenauwde gezellen. "Hij komt niet naar boven. Stil maar. Hij is bang voor de macht van deze tempel."

De oudere man liep terug naar de poortdeuren en luisterde aandachtig.

"Het is een schaduwzuiger," zei hij rustig, maar deze benaming voor het gruwelwezen alleen al maakte Tipo opnieuw aan het kotsen.

"Is hij ergens kwetsbaar?" vroeg Nisha met een verbazingwekkende ijzigheid.

"Misschien," antwoordde Ishsti. "Als wij tenminste vreesloos zijn, zonder boosheid, maar ook zonder mededogen. Als je twijfelt of langzaam bent, zuigt hij het bloed uit je lijf en word je net zo als hij."

Ishsti's stem had heel scherp geklonken, vooral bij het woord vreesloos en Tipo wist dat het voor hem gezegd werd. Met een uiterste wilsinspanning draaide hij zich om.

"Word ik zo als hij?"

"Laat hij maar zo worden als wij!" zei Nisha heftig en verrast greep Ishsti haar arm.

"Je weet het al?" vroeg hij haar stomverbaasd. De jonge vrouw keek hem met niet begrijpende ogen aan.

"Laat maar," zei de Tekenduider. "Ik moet meteen aan het werk."

Hij liep zoekend een klein stukje de muffe tempelruimte in. Voor een grote steen hield hij stil. Hij schraapte met een scherp stuk rots over het oppervlak. Plots ontsnapte hem een opgeluchte zucht. Hij wenkte Tipo en Nisha om hem te helpen.

`Duwen', gebaarde hij. Zonder vragen gingen ze gedrieën aan de slag. Toen Tipo in de gaten kreeg, dat het Ishsti's bedoeling was om de steen door de vergane poortdeuren te duwen, mogelijk naar beneden te gooien, begon zijn hele lijf opnieuw te trillen van angst.

"Beheers je, jongen!" grauwde de oudere man. "Zweet je angst uit, maar blijf bij jezelf, anders vernietig je dadelijk ook òns beiden! Kom aan! De grens is lintdun! Vooruit, praat maar ergens over. 't Geeft niet waar over!"

"Eh... eh, waar zocht je naar, Danil?" stotterde Tipo.

"Schrifttekens van het Oude Volk. Er staat hier VERDWIJN OF VERGA. IK VERBERG HET GODDELIJKE GEHEIM. Nou, weet je het. Duw en praat door."

"Eh, wat, eh... wat ga je doen?"

"Ik ga de binnenschacht ontgrendelen met deze steen. Je zult het wel zien. De schaduwzuiger wil ons hier opsluiten en uithongeren. Die strijd zal hij altijd winnen als wij niet ontsnappen. Naar binnen durft hij niet, maar wij kunnen hier evenmin blijven. Deze plaats wordt geregeerd door oeroude magie, die sterker wordt naarmate het donkerder wordt. Ho, ho, tot hier met die steen. Nu, voorzichtig. Hier zal de gleuf wel ergens zitten."

Zwetend en trekkend bewogen ze de zware steen heen en weer over de grond. Opnieuw klonken buiten de harde knallen, die ze eerder hadden gehoord. Tipo en Nisha sprongen achteruit, maar Ishsti schold hen met toenemende drift uit. Hij greep hen bij de armen.

"Help me en sluit je voor alles af behalve voor mijn stem. Nu! Duwen!" Ze voelden van het ene ogenblik op het ander het kolossale steenbrok kantelen.

"Sta doodstil!" beval Ishsti. Uit één van zijn zakken haalde hij twee minuscule klompjes deeg, die hij aan Tipo en Nisha aanbood.

"Stel geen vragen meer en vertrouw mij onvoorwaardelijk," zei hij. "En houd elkaars handen vast. Jullie innerlijke goden zullen jullie beschermen en ik bescherm mijzelf wel. Dit is het medicijn van de Rishe tegen de tijd. Eet het op en stap dan vooruit."

Ze deden wat hij zei. Ishsti schreeuwde een toverspreuk en een zin, die hen bij bleef. Het klonk als een heildronk. "Op de liefde!" wisten ze zich allebei naderhand te herinneren. Ze wisten niet waar ze in stapten en niet waar ze uitkwamen. Waarschijnlijk vielen ze in een gang, die Ishsti de binnenschacht genoemd had. Er woei een bulderende wind in hun oren. De temperatuur zakte gestadig, totdat er een snerpende kou op het drietal inbeet. Ze voelden geen grond meer onder hun voeten. Een ingrijpende, onbekende omhelzing van een magische natuur voerde hen verder en verder. Tipo en Nisha omklemden in een onbeschrijfelijke doodsangst elkaars handen. Vreemd genoeg ontdekten ze onder zich Ishsti die met de ogen dicht scheen te zweven, terwijl hij Nisha's rechtervoet vasthield en Tipo's linkervoet. Ze hoorden telkens de vreselijke knallen van de schaduwzuiger en eenmaal meenden ze het giftige gezicht te onderscheiden in een bolgespannen perspectief vlak boven hen. Voor schrik was niet eens meer plaats noch tijd, want de bodemloze gulzigheid van die tijd slokte hen op.



Deel met je vrienden:
1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina