De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina22/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   34

Hoofdstuk 21 Het laboratoriumfort.

De reis in Ballo's terreinwagen was snel en comfortabel, maar de persoonlijke verhoudingen liepen minder soepel. Het Shir-laboratorium in Gond, dat heel nauwkeurig op de oorlogskaarten van Twarth aangegeven stond, lag nog vrij ver van Sluimas. Soms passeerden ze oorlogskampementen, waar grote aantallen Shir-soldaten hun inzet tegen de Pirti afwachtten. Hoe hard ook gereden werd, de herberg op de viersprong bleek niet voor het vallen van de nacht te bereiken. Tussen twee glooiende zandheuvels maakten ze een kamp, maar besloten wegens de slangenrijkdom in dit gebied toch maar liever in de terreinwagen te slapen. De volgende ochtend kwam er echter niemand uitgerust aan het ontbijt kwam. Karnk had in het midden van hun vervoermiddel naast Siri gelegen en de steeds voelbare spanning tussen die twee had Gaosar in een onbehagelijke jaloersheid en onrust gestort. De angst om Tirt had ook Sugatha uit de slaap gehouden. Als ontbijt had Karnk een snelle soep bereid, kennelijk blij dat hij zichzelf even een functie kon geven. Na een tijdje merkte Siri op dat de soep een beetje zanderig was. Kregelig draaide Karnk zich naar haar toe: "Ja, dit is mijn wereldberoemde stuifschotel en zit niet te zeuren, want ik ben in een kwetsbaar humeur. Vier maanden geleden ben ik mijn nageltangetje kwijtgeraakt en als ik daar weer aan denk, komt er een bloedwaas voor mijn ogen!"

Siri keek alsof er een olifant uit de lucht viel, maar Gaosar zat breed te grijnzen: "Je moet gewoon even aan die man wennen. Dit is een voorbeeld van de zoveelste overwinning van zijn fantasie op de realiteit."

"Nogal verpletterend," vond Siri.

"En je hebt nog geluk ook," riposteerde Karnk. "Voor hetzelfde geld ben ik in een mindere bui en ga ik je echt zitten treiteren."

"Wat bof ik," antwoordde Siri quasi-timide.

"Zeker!" riep Karnk. "Het slechte in mijn karakter is namelijk dat ik geniet van mijn slechte eigenschappen."

"Daar houd ik geen droge ogen bij," mompelde Siri tegen Sugatha. "Zo heerlijk neutraal als die man toch is. Die is gewoon in staat om aan iedereen tegelijk een hekel hebben."

Iedereen zat gebiologeerd naar dit onverwachte steekspel te luisteren. Karnk moest en zou het laatste woord hebben: "Precies! En als de klachten aanhouden, dan verhogen we de dosis."

"Misschien moet je zelf eens naar een dokter. Anders word je vroeg dement van al dat slimme denken van je. Als je dat tenminste haalt, ouder worden."

"Je wilt bonje met me, hè Siri? Nou, ik heb liever dat jij ruzie met me maakt dan iemand bij z'n volle verstand."

"Etterhoofd! Ik zou je op je dikke lippen moeten slaan!"

Karnk lachte haar vierkant uit: "Vrouwtje, wat ben je toch oppervlakkig in je emoties..."

Ineens vloog Siri hem aan. Karnk deed nog even een poging om te blijven lachen, maar Siri's getrainde reflexen bezorgden hem de allergrootste moeite om haar van zich af te houden zonder haar of zichzelf echt te bezeren. Ze beet hem in zijn bovenarm en hij schreeuwde het uit van de pijn. Zijn kreet had echter zo'n lading, dat van het ene moment op het andere Siri's woede overging in verdriet. Slaphangend in Karnk’s reusachtige armen kermde ze haar machteloze gekwetstheid uit. Hij zat er verstijfd en geblokkeerd bij. Onhandig liet hij haar los. Ze gleed naar de zanderige grond en bleef daar ontroostbaar liggen huilen.

Gaosar wist niet meer raad met zijn houding dan Karnk. Hij probeerde iets vertrouwds: "Eh, ik heb Oerbash wel eens horen zeggen dat Liefde de inhoud geeft maar Rechtvaardigheid de v.."

Het woord `vorm' lukte niet meer, want Siri vloog overeind, schreeuwend en vingerwijzend, opnieuw totaal in het centrum van haar hartstocht: "Hoor wie het zegt! Sar Afstand aan het woord. Als die een echte vrouw tegenover zich vindt, gaat-ie over Oerbash zitten praten! Dat is er nog zo één, die een klap moet hebben voor ieder heilig babbeltje, dat-ie opkotst. Bah, bah. De ene ligt stiekem, zogenaamd slapend me de hele nacht wakker te houden met zijn dikke vingers en de ander loopt met zijn hoofd in de wolken, omdat-ie me niet wil zien. Bah. Waarom doe ik dit mezelf toch aan?!"

Het bleef heel lang stil. Dicht in de buurt richtten zich twee enorme geelbruine termietenheuvels op. Sugatha wees: "Die wonen heel dicht op elkaar. Dat kan alleen maar goed gaan, omdat ze hun voortplanting goed gestructureerd hebben," zei ze. "Jullie moesten daar ook maar eens iets op vinden."

Niemand zei iets.

"Als jullie elkaar in stilte vergeven, zal het ook wel lukken, denk ik," vervolgde het meisje. "En laten we dan verder gaan. Wie weet hoe lang we nog te gaan hebben."
Karnk’s Kendi-amulet lag in de herberg inderdaad op hen te wachten. Er was een boodschap bij. Bij monde van de herbergier, een kleine man met een puntneus en een piepstem, liet Tirt weten, dat als alles goed zou gaan, hij tegen het middaguur in de herberg terug zou zijn. Ze wachtten tot ver voorbij dat tijdstip, maar hun strijdmakker kwam niet opdagen. Er werd veel gepraat die middag. Het kwam tot uitleg en iets dat leek op verontschuldigingen. Het meeste voltrok zich echter in stilte tussen mensen, die elkaar lang aan durfden kijken. Toen ze uiteindelijk moesten besluiten om Tirt achterna te gaan naar Gond, was het een hecht gezelschap, dat het laatste stuk aflegde.

Ze hadden de terreinwagen achter de herberg gestald, zodat ze onopvallend door het licht glooiende landschap naar het laboratorium konden lopen, wat proviand en dorstlessend suikerriet in hun rugzakken. Tot aan de gekartelde horizon van de zeekust strekte zich een betrekkelijk ruig begroeid terrein uit, waar een breed pad doorheen slingerde. Het dorp Gond was langs een rustige beek gebouwd. Het laboratoriumdak was vanaf de heuvel goed zichtbaar, uitstekend boven de muren van het grote fort.

"Nou, dit is het dan. Maar nu. Hoe wou je er in komen?" vroeg Gaosar aan Karnk. De reus haalde flegmatiek zijn brede schouders op.

"Van nature doe ik al altijd allerlei dingen fout en dat ga ik nu weer doen. Binnenkomen is geen kunst. Er weer uit raken! En mèt Tirt in leven! Dat wordt nog een heel gedoe!"

"Misschien is dit een goede plaats voor jullie om op ons te wachten," zei Gaosar tegen Sugatha en Siri.

"Dat doen wij niet," zeiden de twee vrouwen bijna unisono. Met een bijna overslaande hoge stem vervolgde Sugatha: "Ik ben een Onderassistent uit het Huis van Onderzoek. Ze zullen me binnenlaten als ik zeg een boodschap voor Eichhor te hebben."

"En dan?"vroeg Karnk.

"Dan zijn wij in elk geval binnen, want ik ga met haar mee," vulde Siri aan. "Laten we het dan maar zo doen," stemde Gaosar in. "Wij gaan eerst en als dat lukt, komen jullie achter ons aan, zodat ze ons niet met elkaar in verband brengen. Het is wel zo dat jullie direct alles op het spel zetten. De Overzichters zullen jullie altijd herkennen."

"Zonder Tirt wil ik nooit meer terug naar Utrag," zei Sugatha fel.

"Als we hem hier uit krijgen, kun je toch al nergens meer in het Rijk van Tillant mèt hem terecht," stelde Karnk onomwonden vast. Niemand antwoordde. Het was geen spel meer en de werkelijkheid was die van een radicaal overleven geworden. Gaosar zette zijn eigen puntjes op de i: "Tirt is onze vriend, onze broeder. We houden van hem en hij houdt van ons. En we halen hem er uit. Kort en goed. Laten we maar gaan. Hoe langer we wachten, hoe erger we denken."

De vrouwen zouden vanuit het dichte struikgewas op de helling de vorderingen van Karnk en Gaosar in het oog kunnen houden. Er werd afgesproken dat zij achter hen aan zouden komen, zodra dat onopvallend zou kunnen.

"En als alles goed gaat, dan wachten we elkaar bij de terreinwagen op," besliste Karnk. "En nou ja, als dat niet lukt, dan zien we elkaar in de haven van Bardo. Ja?"

Iedereen knikte.
De enige weg naar het fort liep langs een viezig houten gebouw met een brede veranda, waar twee mannen in het rode Overzichtersuniform zaten te kaarten en wijn te drinken. Beiden waren gehuld in een volledige oorlogswapenrusting en de dikste man had zelfs aan zijn gordel een vervormer hangen. Ze hielden op met kaarten en keken ondubbelzinnig vijandig naar het afdalende tweetal mannen, dat zo anders was dan zij zelf. De roodharige reus zonder zichtbaar wapentuig wekte hun onmiddellijke verbazing, maar Gaosar in zijn dure Kantmoriaanse jas en zijn bijzondere Tat-sabel opzij was hen niet minder vreemd.

"Die nemen er hun gemak van in hun riante optrekje," mompelde Karnk, terwijl hij hen tegelijkertijd minzaam toewoof.

"Goedendag, o luisterrijken!" groette hij, toen ze onder oorbereik kwamen. De dikke man wierp hen een onpeilbare blik toe en de ander, een stille knaap met een rechte, rustige mond, haalde zonder omwegen een boog van zijn rug en legde er nonchalant een pijl op.

"Het was niet mijn bedoeling u te storen in uw stoffelijk zingenot," zei Karnk op een zalvende toon, die Gaosar nog nooit eerder van hem gehoord had. "Ach, hoe u mijn bedoelingen toch misbegrijpt!" slijmde Karnk verder. "Ik weet het, het is oorlog en ik ben van een ander ras, welzeker. Maar wellicht heb ik u iets te bieden, dat aan geen oorlogsbuit kan tippen. Ik ben een Kartan-priester, moet u weten. Ik dacht hier in mijn onderhoud te kunnen voorzien met de verhandeling van enige van mijn buitengewone zalven. Of misschien zijn uw superieuren geïnteresseerd in mijn unieke verzameling Kendo-amuletten?"

Al sprekend lichtte hij een pand van zijn jak op om de roodbruine amulet van stierenscrotum te tonen, die op zijn bovenbroek genaaid zat.

"Waar komt u vandaan?" vroeg de vette Overzichter op scherpe toon.

"We komen van Capai," antwoordde Gaosar.

"Ver van huis," merkte de jongste Overzichter op.

"Men geraakt niet in mijn professie zonder zin voor avontuur of verlangen naar welvaart," benadrukte Karnk. "Ik heb profijtelijke waar te bieden aan de juiste belanghebbende. U raakt vast minder vooringenomen, als uw lastgevers mij straks met hun dankbaarheid en dompellood overstelpen."

"De Rishe hier op Majeste hebben alleen oorlogszaken aan hun hoofd," gromde de dikke man. "En wij hebben het niet zo op vreemdelingen."

"Precies! Verschil moet er zijn," lachte Karnk begrijpend. "Ook de verstandelijke vermogens van de ene mens verhouden zich tot de andere soms als de zon naar een glimworm."

"Wat bedoelt u daarmee?" vroeg de jongen met de rechte mond.

"Ik bedoel dat u er wellicht het wijste aan doet om ons in kennis te brengen met de hoogste tovenaar in dit eh... laat ik het 'gehucht' noemen," antwoordde Karnk scherper.

"Die ziet mij al aankomen," zei de boogschutter onwelwillend.

"Als hij het moet hebben van lieden met zulk een verstandelijke werkeloosheid als de uwe, dan kijkt hij liever naar zijn kristallen bol," sneerde Karnk heel gedurfd. Driftig krabbend in zijn wansmakelijke kruis stond de dikke Overzichter de twee opvallende reizigers kritisch op te nemen. Als variatie nam hij zo nu en dan een andere pose aan om eens nadrukkelijk zijn walmende oksels te behandelen. Bijna kon Gaosar het zachte knappen horen van de kleine insectjes die onder de korte, vuile nagels van de man hun kortstondige leventjes lieten. 's Mans onverschillige lijfelijkheid stond echter in scherp contrast met zijn ijzingwekkende ogen, die waarschijnlijk moeiteloos en onaangedaan de gekwelde waarheid of een bepaald gewenst verhaal uit menig gepijnigd slachtoffer ontleed hadden. Gaosar keek naar de lucht. Zwarte stapelwolken gingen meer en meer het grijs overheersen, maar de dreigende storm zette alsmaar niet door. De drukkende, natte warmte zette zich als een klem op hun slapen.

"Op zulke dagen neuken de herders hun geiten," zei Karnk ineens. De Overzichters keken verrast op, alsof zij hun oren niet konden geloven.

"Wàt zei u?"snauwde de dikkerd.

"Met zulk nat weer heb ik moeite met schijten," improviseerde Karnk onvoldoende doelmatig. De dikke man nam ineens een besluit: "U moest allebei inderdaad maar eens met mij mee komen."

In een snelle beweging had hij de vervormer uit de holster gehaald en zijn stem klonk humorloos en afgemeten. Karnk probeerde de situatie nog te redden, maar zoals gewoonlijk was zijn verontschuldiging erger dan een eventuele belediging had kunnen zijn toen hij zei: "Ik bedoelde er absoluut niets persoonlijks mee, als u dat misschien mocht denken."

Voor zover de Overzichter dat nog niet gedacht had, toen deed hij het in ieder geval wel. Hij gebaarde geïrriteerd met zijn vervormer: "Voor mij uit lopen, stuipkoppigen!"

Karnk haalde zijn massieve schouders op.

"Neem me niet kwalijk," fluisterde hij tegen Gaosar, toen ze begonnen te lopen.

"Ach, zoiets wou je toch?" antwoordde zijn vriend even zachtjes.

"Bekken dicht," schreeuwde de Overzichter achter hun. "Tot aan het plein lopen en daar rechtsaf. We gaan op het fort es even uitzoeken, wat jullie hier eigenlijk komen uitspoken met die rare verhaaltjes."

Op het plein was een drukke markt aan de gang. Een natte geurdeken van bloemen, fruit, vlees, vis en groenten kwam op hen af. Onbestemd of duidelijk zoet, zuur of zout. Dan weer aangenaam en dan weer smerig, in de hitte gistende en rottende etenswaar, vermengd met vlagen pis- en strontluchtjes, die opstegen uit de open riolen langs de stoepen. In het midden van de markt stond een imposante cirkel van torenhoge kokospalmen. Hun gelaagde stammen gaven een onmeetbare ouderdom aan, een ring voor elk jaar. Hun vredig wuivende kronen hadden minstens tien generaties overzien. Langs hun stammen klommen in een bonte wirwar van stengels en zuigwortels concurrerende vingerplanten omhoog in een nimmer eindigend gevecht om plaats en licht. Hier nestelden vele soorten vogels, veiliger dan in de tuinen van de omringende huizen, omdat de haast permanente drukte van de markt eierrovende slangen en andere dierlijke belagers afschrok. Zwermen gele vlindertjes dansten boven de marktkramen en er onder zochten sprietige legioenen grote bruine kakkerlakken hun rantsoenen bij elkaar. Aan het begin van het marktterrein hadden de twee vrienden elkaar even vragend aangekeken. Hier was een kans om in de drukte te ontsnappen aan de Overzichter, omdat hij hier de vlamspuwende vervormer niet zo gauw zou durven gebruiken. Ze hadden echter niet lang geaarzeld. Dit was immers een kans om het fort in te komen, hoewel hun uitgangspositie niet onverdeeld gunstig was. Gaosar was benieuwd of de twee vrouwen al ergens in de buurt waren.

Bij de poort in de fortmuur stond een magere, zwartgeklede man met een dubbele bijl aan zijn gordel te wachten. Hij presenteerde zich met de lugubere aanwezigheid van een beroepsslachter. Zijn zure uitstraling deed zelfs twee honden, die langs het fort liepen, direct terugdeinzen, retirerend in een wijde boog om de poort heen. Het was alsof ze voorvoelden dat hem bijten hen net zo slecht zou bekomen als het onnadenkend naar een giftige pad happen. Toen het drietal naderbij kwam, hoestte hij schrapend bij wijze van groet. Dodelijk verschrikt vlogen twee kraaien op, die boven de poort op de transen hadden gezeten.

"Sar Gor, goedendag," groette de Overzichter met ongeveinsd ontzag. Gaosar en Karnk bekeken de zwartgallige man met nieuwe aandacht.

"Wat heb je daar?" vroeg Gor en het viel genoegzaam op dat hij over de twee reizigers als over vee sprak.

"Buiteneilanders met een grote mond. Moeten maar binnen hun praatjes aan de Hoogedelheldere zelf proberen te verkopen."

Die titel kwam aan in het brein van zijn twee arrestanten als een vallende boomstam. `Hoogedelheldere?' Een Hoofduitvoerder? Kerko soms? Ze schrokken zich wezenloos, maar hun schrik kwam hopeloos te laat. Gor duwde tegen de poort, die langzaam van binnenuit geopend werd. Een jonge Overzichter met een vet, pukkelig gezicht sloot met een klap de zware deur weer nadat het viertal op de binnenplaats was aangeland. Her en daar waren groepjes soldaten met verschillende slagwapens aan het oefenen. In de uitkijktorens op de hoeken van het fort waren de gehelmde hoofden van diverse wachtposten te zien. Er hing een oorlogsbeluste sfeer. De Overzichters waren merendeels jonge mannen in nog ongeschonden uniformen. Sinds de koning in zijn mysterieuze slaap was geraakt, hadden de Shir geen enkele veldtocht van betekenis kunnen voeren tot grote frustratie van het officierenkorps. De veteraan, die hen drilde, schreeuwde de boodschap nog eens overduidelijk: "Opspattend bloed, stelletje slurven, dat is de enige oefening, die mànnen van jullie maken zal!"

`Er in komen is inderdaad geen kunst,' dacht Gaosar bezorgd. `Maar er weer uit...'

Gor deed een paar passen vooruit en zich half omdraaiend zei hij tegen de Overzichter: "Ik heb minder moeite met het slopen van zulke buiteneilanders, Arvind, dan met zo'n afwijkeling onder de assistenten. Nozer heeft verschrikkelijke moeite om die kerel klein te krijgen."

Gaosar en Karnk keken elkaar met zeer gemengd gevoelens aan. Nozer. Nozer Eichhor dus. Dat zag er ook niet minder slecht uit voor Tirt.

"Van het één kom je in het ander," meesmuilde Karnk. Ze hadden geen goed plan gehad om Tirt te redden en zo'n plan was er nog steeds niet. Duidelijk was wel, dat hun missie erg urgent aan het worden was. Ze stonden inmiddels in een muf ruikende gang, die verder binnenwaarts het fort in voerde.

"Heer Overzichter Arvind, mag ik even vragen...?" probeerde Karnk, maar de dikke Overzichter stopte hem direct af: "Ik heb hier niks te zeggen. Jullie gaan naar Rish Eichhor door. Leg je gedoe met die amuletten maar bij hem uit."

Gor keek gestoord en verrast opzij: "Beweren ze magie te hebben?"

"Zeker, zeker!" sprong Karnk meteen in de opening. "Ik ben een Kartan-priester. Ik heb toegang tot kennis en kunsten, maar de behandeling die me hier ten deel valt, maakt mij noch mijn metgezel erg toeschietelijk. Ik zou me meer op mijn gemak voelen als men mij passend wat spijs en drank zou aanbieden."

Gor verspilde geen beleefdheden aan de situatie: "Toon mij een bewijs."

Karnk liet de amulet op zijn bovenbeen zien.

"Kendo?" vroeg Gor verbaasd.

"Gieshe-Kendo," specificeerde Karnk.

"Neem ze mee naar mijn werkvertrek," besliste Gor. "En geef ze maar wat te drinken. Ik moet eerst Eichhor vertellen hoe ver ik met die Tirt ben."

Karnk en Gaosar hielden beiden hun adem in, maar de zwarte beul had zich al weer in beweging gezet, verder de gang in. Arvind, die achter hun stond, had niets van hun ontsteltenis bemerkt en duwde tegen Gaosar’s schouder aan: "Hier in. Naar links. Die deur, ja."

Ze traden een grote en hooggewelfde kamer binnen. Het ontbreken van vensters gaf aan, dat ze ergens in het midden van het gebouw zaten. Er branden vettige kaarsen, die een onprettige lucht afgaven. Een schitterend, veelkleurig handgeknoopt kleed op de grond gaf de ruimte ondanks dat toch een zekere allure. De mannen werden een vreemd en beangstigend trillen van de vloer gewaar, net of direct onder hun in één van de kelders helse machinerieën aan het werk waren. Gaosar vroeg er naar. Arvind leek iets te zijn ontdooid door Gors nieuwe interesse in de twee bezoekers.

"De Rishe van Onderzoek hebben iets uitgevonden om de Pirti definitief te pakken te nemen," zei hij vergenoegd. "Ze werken er nu dag en nacht aan, want 't schijnt ongezond te zijn en haast te hebben. Jullie kunnen de draaiers voelen hier. Je went er zo aan. Nou, gaan jullie dan maar even daar zitten."

Hij wees twee stoelen aan bij een lange ebbenhouten tafel, die de hele ruimte domineerde. Aan het andere uiteinde lagen stapels schriftrollen, kleitabletten, schrijfgerei en diverse onherkenbare instrumenten in een bezige wanorde doorheen. Half door een handdoek aan het gezicht onttrokken ontwaarden ze ook een serie scherpe scalpels en kleine zaagjes. Deze ontdekking joeg hen koude rillingen over het lijf en werkte geenszins geruststellend op hun gespannen gemoed. Helemaal aan de andere kant van de kamer stond verlicht door een kaars in een achthoekige nis een hoge blauwwitte glazen kolf. Het voorwerp vibreerde mee met het trillen van de vloer, alsof het bezield was. In een vage mist bewoog zich iets in het glazen binnenste. Gaosar’s aandacht werd er als geobsedeerd naar toe getrokken. Karnk wisselde een korte blik van verstandhouding met hem en stond toen weer van de stoel op met de bedoeling om Arvind af te leiden. Hij liep ontspannen babbelend over de fraaie kamerinrichting naar de Overzichter toe, die met drie glazen en een karaf wijn in de weer was op een tafeltje bij de deur. Daarna gingen de dingen heel snel.

Achter zijn rug hoorde Karnk plotseling hoe Gaosar een gepijnigde kreet slaakte. De Overzichter keek geschrokken op en graaide naar zijn vervormer. Karnk vroeg zich niets af. Hij sprong op de man af, een voet omhoogflitsend naar het gezicht van Arvind, die nooit meer iets zien zou. Krakend brak diens zwijnenek. In zijn tweede beweging wentelde Karnk om zijn as, in Gaosar’s richting wervelend, klaar voor een nieuwe aanval. Er was echter verder niets of niemand te zien. Verbaasd en geschrokken stopte hij bij de nis, waar zijn vriend met een wasbleek gelaat een geluidloze, oneindige paniekstroom stond te verwerken. De onfortuinlijke Overzichter had geluidloos zijn laatste adem uitgeblazen en iets daarvan zoog Karnk daarna piepend naar binnen, toen hij zag wat Gaosar gezien had. Ontzet deinsde hij achteruit. In de glazen kolf wolkte een warrige wittige mist, waarin zo nu en dan voor de oplettende kijker een gekweld gezicht opdook. De vertrokken gelaatstrekken onder de gekarteld opengezaagde schedel, besmeurd met zwartgeronnen bloed, waren beslist die van hun ooit zo dappere maar inmiddels waarschijnlijk dode vriend. Tirt.
Na een oneindigheid van verdriet en teleurstelling kwam er weer een gedachte met kop en staart in Gaosar’s brein: "Ik hoop, dat-ie tenminste dood is!"

Karnk kwam als altijd het eerst bij zijn positieven. "Nou, eh, kijk es daar Gaosar, die Overzichter, eh, misschien ben ik een beetje overijld aan de gang geweest..."

Hij trok aan Gaosar’s mouw, hem weg van de toverkolf, wijzend op het lijk van zijn slachtoffer bij de deur. "Kom op! Voor Tirt kunnen we niets meer doen. En wij moeten hier uit. En meteen!"

De niet aflatende bedreiging van het moment bracht ook Gaosar weer tot handelen. Hij was blij dat het denken op kon houden. Ze rukten het nog traag uit de neus en mond bloedende lijf van Arvind overeind en sleepten het naar één van de andere nissen in de kamer. Karnk ontfutselde de dode al doende de handige vervormer en stak die weg in een zak van zijn jek. Door het strategisch verschuiven van een ladenkast werd hun dode getuige aan het oog onttrokken en toen stapten ze de verlaten gang op.

`Het is alsof er geen eind aan al deze doden komt,' dacht Gaosar, terwijl hij haastig achter Karnk aanbeende, terug naar de binnenplaats. Hijgend mompelde hij: "Er uit! Wel ja. Maar hoe doen we dat, Gobboeme? Ons er uit vechten met onze vervormers? Hoe lang werkt de mijne nog? Het stikt van de Overzichters buiten. En hoe komen we door de poort?"

Karnk zei niets terug. Gaosar overviel de onzinnigheid van hun vlucht. "Karnk! Stop! Wacht! Dit gaat niet zo!" riep hij geprangd tegen de brede rug van de reus. "Laten we ons ergens hier verbergen en wachten tot het donker wordt."

Karnk hield zijn pas in en draaide zich om. "En die meiden dan?"

Besluiteloos stonden ze te dralen bij een trappenhuis, dat kennelijk toegang tot de kelders gaf. Aan het einde van de gang klonk geruis, maar tegelijk kwamen er mensen vanuit de kelder omhoog. Voetstappen en stemmen van alle kanten.

"Wèg!" schrok Gaosar en achteruit tastend opende hij impulsief een deur. Donker binnen. "Hier in!"

Pas toen hij met bonkend hart binnen stond, realiseerde hij zich dat Karnk niet achter hem aan was gekomen. In een opperste verwarring aarzelde hij. Wat te doen? Hij kon geen enkel aannemelijk verhaal vertellen als een Overzichter hem zou betrappen, terwijl hij weer uit deze kamer kwam. Ineens leek het of hij ver weg Karnk hoorde schaterlachen. Absurd. Maar toch. Zo'n vette lach kon maar uit één mond komen. En Karnk kon er ook maar één bedoeling mee hebben: een signaal dat het met hem in orde was.

`Maar met mij is het niet in orde!' schreeuwde Gaosar’s eigen razende stem in zijn hoofd. `Deze schoften hebben mijn makker Tirt vermoord en, en .... en ik kan niets doen!!!' Het laatste wat hij tegen Karnk gezegd had, was iets over verstoppen en de nacht afwachten. Dat was tenminste iets van een afspraak. Hij vroeg zich af waar hij was en zonder tot handelen te durven komen stond hij daar maar een tijdje te staan. Soms gingen er voetstappen langs de deur en wachtte hij zwetend met een werpmes in de ene en zijn vervormer in de andere hand op nog meer tegenslag. `Dit is in elk geval de verkeerde plek,' dacht hij op een zeker moment en schuifelend en tastend langs de donkere muur liep hij verder de ruimte in. Hij voelde houtwerk onder zijn handen. Kunstig snijwerk. De gladheid van een bijzondere verfsoort. Koperen scharnieren. Ingebouwde kasten? Deuren? Dit is een ruimte waar iets kostbaars bewaard wordt, wist hij en daarom moest hij er des te dringender verdwijnen. Beter ergens een voorraadhok induiken om de nacht af te wachten. Zoiets... Weer een klink onder zijn zoekende hand. Bijna opgelucht drukte hij hem naar beneden. Zachtjes open nu. Mes weer terug in de hand. Luisteren. Niets. Voelen. Iets was hier niet goed, maar hij kon het beeld niet thuis brengen. Hij stapte uiterst behoedzaam over de vrij hoge drempel en daarna deed hij twee stappen. De tweede stap voelde vreemd verend onder zijn voet. Er was een geluid geweest dat hem waarschuwde maar het baatte hem niets meer. Iets ramde met een ongekende bloeddorst zijn achterhoofd en als een tomaat werd hij tegen de vloer gesmakt. Boven de deur zat een houten constructie, waarin zich een zware eiken dwarsbalk had bevonden, aan de twee zijden opgehangen aan een dun vezeltouw. Een vernuftig alarmsysteem had op de onattente en ongewenste bezoeker een dreunende wraakneming losgelaten...

Na korte tijd ging er een deur open en iemand stak een brandende fakkel in een houder naast de deur. Daarna liep de figuur op Gaosar af. Met een immense wilsinspanning richtte die zijn bebloede kop op om beter het mannetje te kunnen zien, wiens silhouet zich tegen het fakkellicht aftekende. Hij herkende de stem niet, die neuzelend "Welkom" zei, maar het silhouet met de puntoren kwam hem vaag bekend voor. Gaosar’s geest achtte het zeer raadzaam, dat hij bij bewustzijn bleef, maar zijn lichaam werkte onvoldoende mee. Alles werd zwart en de tijd verdween.


"Hee! Hij leeft nog. Hoe succesvol!"

`Leef ik? Of word ik in mijn hoop bespot?'

Gaosar werd zich bewust van zijn eigen gedachte en daarmee van zijn afgescheidenheid. Benige handen hadden hem pijn gedaan, ergens. De neuzelige stem ging zacht mompelend verder: "Ah, wat zullen wij deze galworm eens nuttig gaan gebruiken. Wat een spieren! Ha, wat een vangst!"

Het gemompel maakte Gaosar’s geest in elk geval klaar wakker, maar zijn hart zonk als een dof schietlood in een zonloze zee weg, toen hij Rish Nozer Eichhor herkende.

"Die zie je altijd liever gaan dan komen," had Tirt eens van zijn kraaiachtige superieur gezegd en Gaosar voelde die zelfde weerzin. Het zure gezicht, dat opdook in de bedompte mist die zijn aangeslagen bewustzijn was, schrok hem intens af. De tovenaar giechelde met een perverse goorheid en een golf van kwaad omspoelde zijn slachtoffer. Gaosar’s maag trok zich walgend samen. Ineens braakte hij, echter met zo'n onverwachte kracht dat de voorovergebogen man door deze onsmakelijke opwelling geheel verrast werd. De zurige brei spoot in zijn gezicht en vloekend vergat Nozer zijn gewone voorzichtigheid. Tierend en spugend poogde hij met twee handen zijn besmeurde gelaat schoon te vegen. Gaosar voelde de situatie meer aan, dan dat er een werkelijk bewuste waarneming aan vooraf had kunnen gaan. Zijn linkerhand was vreemd gevoelloos maar zijn rechter aarzelde niet met de dood zo dichtbij. Het vlijmscherpe ezelbot zat gelukkig nog steeds in zijn gordelschede. Het verraste Nozer Eichhor ingrijpender dan het braaksel. In één driftige stoot gleed het mes voorbij de maag door naar het zwarte hart. De tovenaar stierf middenin een vloek, die niet meer de tijd had om een vervloeking te worden. De inspanning had echter ook Gaosar’s laatste restje energie opgeslokt. Zijn uitgeputte en gekwelde lijf viel weer slap. Toch flakkerde er nog even een dolle vreugde in hem op, voordat hij weer bewusteloos werd. Tirt was gewroken.
Terwijl Gaosar zich bliksemsnel verstopt had, was Karnk blijven staan op de gang. Zijn scherpe gehoor had namelijk een bekend geluid opgevangen: de arrogante stem van Jah Lino Siri. Hij liep het tegemoet, zonder zich verder om Gaosar te bekommeren, want het gezelschap had hem reeds in het gezicht gekregen.

"Ah! Welk een toeval!" bralde Karnk, onmiddellijk het initiatief nemend. Sugatha en Siri waren vergezeld van twee jonge Overzichters, die hen kennelijk ergens naar toe moesten brengen. Hun gezichten stonden stomverbaasd. Karnk bleef opgewekt doorpraten: "Ik heb een zeer onderhoudend gesprek met Sar Gor gehad en ik weet weer alles wat ik weten wil, dus ik ben weer op weg naar buiten. Het spijt mij als wij elkander niet meer treffen! Of kan ik u hooggeborenen overhalen om uw plannen te wijzigen? Misschien bent u in de stemming om samen met mij wat inkopen te doen op dat rustieke marktje buiten het fort?"

Hoewel een grote ongerustheid over Gaosar en Tirt de twee vrouwen had bevangen, bezaten ze genoeg tegenwoordigheid van geest om passend te handelen. Na wat gespeelde aarzeling draaiden ze zich om en geraffineerd de jonge Overzichters verwarrend met wat zwoele gebaartjes liepen ze al babbelend over deze, boeiende toevallige ontmoeting met deze interessante kennis terug naar de poort. Sugatha informeerde tactisch naar het welbevinden van die Sar Gor en Karnk barstte in een overdreven kakelendhard lachen uit.

"Wat hebben wij die man toch blij kunnen maken! Zijn dankbaarheid kende geen grenzen!"

Hun begeleiders keken bepaald ongemakkelijk bij al dit lawaaierige vertoon, maar kennelijk was de hoge status van de twee vrouwen voldoende om hun opkomend wantrouwen te sussen. Net toen de buitenpoort voor het groepje openzwaaide, klonk er driftig geschreeuw uit de donkere gang, die ze net verlaten hadden. Was de dode Arvind inmiddels ontdekt? Overkwam Gaosar iets? Karnk kwam meteen in actie. Vlakbij de poort lag een hoge stapel vierkant gebikte steenblokken met een grote ijzeren voorhamer er naast. In een ijzige rust bukte de reus zich. De soldaat achter hem was nog zo verbaasd over de nieuwe ontwikkelingen, dat hij te langzaam was. Karnk doodde hem met een razendsnelle slag met de zijkant van zijn linkerhand en zwaaide de hamer door naar het hoofd van de ander. Ook deze knaap was langzaam, maar toch nog bijna snel genoeg. In een schallende botsing beukten zijn zwaard en Karnk’s hamer op elkaar. Het zwaard spatte in een fontein van splinters aan stukken en toen ramde Karnk met zijn vrije hand het neusbot van de jonge krijger ver in zijn verbaasde hersenen. Zijn hamer was al weer op weg naar de derde man bij de poort, die met openhangende mond verbaasd toe keek, alsof het een ander gebeurde maar niet hem. Hij stierf niet direct aan de hamerslag tegen zijn hoofd, maar het bloed gutste hem zo rijkelijk uit zijn neus en mond, dat hij geen verdere vreugde meer schiep in verzet. Hun zwaard ontblotend kwamen er echter gealarmeerd nog drie Overzichters naar de poort rennen. Ook op de transen ontstond onrust onder de wachters.

"Lopen!" schreeuwde Karnk tegen de twee vrouwen, maar Siri draaide zich in alle rust met een pijl op haar boog om. De eerste aanvaller stierf direct, maar de tweede die door één van haar werpsterren in de buik werd geraakt, begon als een offerschaap te gillen. De derde Overzichter hield in om dekking te zoeken, maar Karnk was al bij hem. Hij griste het zwaard uit de ontkrachte hand van de schreeuwende soldaat en stiet het zijn beangste opponent tussen de ribben. De man gilde niet minder hard, dan Karnk’s eerdere slachtoffer. In snel tempo suisden hem Siri's wonderlijk trefzekere pijlen voorbij. In een oogwenk was elke beweging in de fortgang opgehouden, maar stil was het allerminst en fris ook niet meer. Er zou nog heel lang de lucht van vele doden hangen.

Alles was zo snel gegaan, dat het drietal ontsnapten al bijna het dorp bereikt had, voordat de eerste groep achtervolgers de poort uit durfde te komen. De Overzichters werden begeleid door een hysterisch gevloek van de zwarte Gor, die de indringers kennelijk de bebloede rommel in zijn werkvertrekje nogal kwalijk had genomen. Karnk haalde met zijn enorme stappen de voor hem uit rennende vrouwen snel in en stormde toen een smal straatje in dat hem het snelst buiten het gehucht zou voeren in de dekking van de begroeide heuvelhelling. Plotsklaps zag hij in het voorbij gaan het sombere smoel van Ushtar in een nog viezer steegje. Tijd om na te denken gunde hij zich niet. Bij het volgende steegje dook hij naar rechts, de vlak achter hem aan komende vrouwen gebarend om verder te gaan, naar boven. Terwijl hij zijn gierende adem probeerde te onderdrukken, loerde hij om de hoek naar hun achtervolgers. Er lagen echter plots twee roodgeuniformeerde lijken, een derde Overzichter bengelde in een soort strop die over de straat gespannen was en de vierde was in een moordend zwaardgevecht met Ushtar gewikkeld. Karnk haalde de vervormer uit zijn zak en terwijl hij op de twee mannen toeliep, oefende hij even met het apparaat. De vuurstralen, die langs de huizen lekten, leidden helaas de aandacht van de Overzichter op noodlottige wijze af. Ushstar hakte hem de zij open, door de darmen naar de nier. Het meelijwekkende gejammer van de man schrok het volgende groepje rennende Overzichters op en af en gaf Karnk de gelegenheid om rustig te mikken met de vuurblaaspijp. Voor zover deze overheidsdienaren ooit zelf dit martelinstrument op onwillige derden hadden gebruikt, dan werd er nu flink wat branderig karma ingelost. De zware lucht van verbrand vlees en schroeiend haar woei de steeg in, maar Ushstar en Karnk renden voor de bruine rookwolk uit. Er kwam niemand meer achter hun aan.
Hijgend en uitgeput zaten ze eindelijk aan ieder oog onttrokken in dicht struikgewas onder de machtige stam van een wilde mispelboom. Er was gemengd nieuws uit te wisselen. Met toenemende verbazing luisterden ze naar het korte maar wonderlijke nieuws van Ushstar. Hij had een brede rauwe zwaardhouw over zijn elleboog opgelopen, die hem veel hinder gaf. Maar terwijl Karnk de wond insmeerde met de dure, helende zalf uit Utrag en daarna verbond, vertelde hij zonder één keer met zijn ogen te knipperen zijn ervaring op de reis naar Pirtiland.

"Ja, kijk, die boot van Benko was heel snel. We ware zo in Shanikita en de Pirti-tovenaars wiste al dadde wij d'r an kwame. Ze ware blij met al onze toverspulle en we krege d'r nog meer koper voor alsdadde ze beloofd hadde. Benko wou meddeen terug naar hier, naar de have van Bardo, want we hadde een wind as een hoos in onze rug inenen. En toen ginge we hier vlakbij onder de kust door en toen zage we op die kaarte van Gaosar, dadde me vlakbij dat ene labarotorum zate. Maar van alsdat er van die scherpe riffe zijn, konde we niet aanlande hier. Ja, kijk. Nou, en toen zei Benko alsdattie wou dat ik ging zwemme om de boel te verkenne bij dat labarotarum. Dus ik was-t-er vanmorrege al enne dat is nogal goed van pas gekomme, dacht ik zo."

"En Tipo?" vroeg Karnk. "Die kan toch ook zwemmen?"

"Ja kijk, nee, die wou niet. Die kon niet van dat tovenaarswijf afblijve, hè?"

"Van wie?!"

"Van die Bakdrel met d'r grote bek!"

"Een Bakvrouw?! Nisha?" riep Karnk uit.

"Percies! Die! Die zitte de hele tijd as niemand kijkt an mekaar te flikflooie en as een fetsoenlijk mens wel kijkt, dan houwen ze d'r ook niet eens echt mee op."

Dat de missie naar Pirtiland goed was afgelopen, luchtte hen erg op, maar het slechte nieuws was slechter dan het goede nieuws goed. Hun gevoelens nauwelijks ingehouden luisterden Siri en Sugatha naar de gebeurtenissen rond Tirt en Gaosar. Sugatha zat stil te snikken.

"Ik kan niet zeker zijn over Tirts ongeluk. Er wordt door Eichhor akelige magie op hem toegepast, maar wie weet, hoe alles zich nog keert," troostte Karnk. "En Gaosar, nou dat is het trage type. Maar hij is heel praktisch en handig. Ik vind dat we rap verder moeten gaan, over de Horenpas en dan in de haven van Bardo op hem wachten. Ik denk dat hij daar ook op rekent. Terug naar de herberg is veel te gevaarlijk. Gaosar is een binnenvetter, maar als-t-ie een beetje loskomt... Als die eenmaal nijdig wordt, gaan die Rishe in het fort nog rare tijden tegemoet!"




Deel met je vrienden:
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina