De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina21/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   34

Hoofdstuk 20 Het punt van de Schipper.





  • Ik aarzel of ik hen alledrie niet gewoon zal laten ombrengen.

  • Je laat je door onzuivere motieven leiden.

  • Ik?

  • En je laat je door raadgevers adviseren, die dommer zijn dan jijzelf.

  • U probeert me te provoceren.

  • Die moed heb ik opgegeven.

  • Soms vraag ik me af, waarom ik hier nog kom.

  • Niemand luistert nog echt naar je. Ze doen simpelweg wat je hen opdraagt.

  • Hoe ging dat dan vroeger?

  • Niet anders.

De hoge tempelruimte leek z'n adem in te houden. Hoewel verwacht mocht worden, dat Kerko als Genootschapsvoorzitter de meeste macht zou hebben, was de aandacht van de Doodvorsers voor Fipilepi's woorden van een veel intensere aard.

"De orakels van het laatste jaar hebben ons geschokt en verbaasd," galmde de stem van de leeuwman. "En we hebben er weinig van begrepen. Terecht hebben we de Kendo bespioneerd. Hun machtshonger is genadeloos en op niet meer dan wellust gegrondvest. Een onbekende macht is ons te hulp gekomen bij de vernietiging van het Gieshe-ritueel. Al dat is ons voorspeld. Terecht hebben we tevens verspieders op de Zeer Oude Moeders in Bondoland afgestuurd. De stammen in het Oorsprongland zijn voor onze macht bevreesd, maar zijn evenzeer op onze ondergang gespitst. We hebben bewijs voor hun invloed op subversieve elementen onder de Bindi en we zullen daar met krachtige hand tegen op blijven treden. Hun haat tegen de Vader is spreekwoordelijk intolerant en hun geheime magie is voor ons moeilijk hanteerbaar. Hun weertovenaars vormen een permanent gevaar voor het welzijn op onze eilanden. We blijven ons tegen hun experimenten te weer stellen. Het orakel heeft ons die weg aangeraden. Evenzo hebben we de Pirti terecht geprovoceerd, omdat hun Schimdoden een krachtiger macht dan ooit zijn gaan vertonen. De levenden zijn er niet meer dan slachtoffers voor hun onbelichaamde voorouders geworden. Alleen de Shir kunnen die ziekte een halt toeroepen. De kracht van ons Rijk overtreft immers die van al onze mee- en tegenstanders? Of is dat niet meer zo?!"

Fipilepi pauzeerde. De spanning in de zaal nam hand over hand toe. Kerko was iets opzij gestapt en stond als een toonbeeld van zalvend zwijgen in de vlammetjes van de brandvaten te kijken.

De Schipper ging door: "Maar de sterksten winnen niet iedere strijd, noch de snelsten elke wedloop. Het Koningsorakel heeft ons een toekomstige tijd van inertie aangekondigd. Ik stel echter vast, dat wij ons daar al middenin bevinden. Men heeft mijn interpretatie al herhaaldelijk betwist, maar ik herhaal wederom met kracht mijn standpunt. Het orakel verwijst absoluut naar een gedwongen zelfinkeer. Alleen zo kan de evolutie in gedrag en denken op gang komen, die het orakel nodig vindt voor onze aanpassing aan de nieuwe tijden. Dan zal ik nu mijn punt stellen."

Weer pauzeerde Fipilepi. De drie verborgen toeschouwers hingen ademloos met hun tollend volle hoofd tegen de geheime kijkspleet. De Rishe beneden waren onrustig, deels angstig, deels geërgerd.

"Schipper, is je maat half vol of half leeg?" riep opnieuw dezelfde kritische stem van één van de achterste rijen. Een ander vulde in dezelfde toon aan: "Verrijk je ons of besteel je ons, Schipper?"

"Het lot van ons land is met de koning verbonden!" gilde Fipilepi onverwacht hard en met hoge stem. "Het orakel voorzegt ons wraak!"

Gaosar begreep er niets van, maar het punt van de Schipper veroorzaakte een chaotische opwinding in de zaal. Mannen schreeuwden tegen elkaar en ondanks het krachtige taboe op lichamelijk aanraken gingen er zelfs twee Rishe bijna met elkaar op de vuist. Een zwaarlijvige man stond met opgeheven handen iets te eisen van Oerbash. Gaosar herkende de padachtige Rishe van Bonewits. Plotsklaps weerklonken er drie dreunende gongslagen. Kerko had achterin de tempel middels dit instrument de vergadering met grote kracht tot de orde geroepen. Zijn aansporing werkte. Toen echter iedereen zijn plaats weer innam, was Oerbash echter verdwenen. Tirt trok Gaosar en Karnk aan een mouw achteruit.

"Oerbash is weg," fluisterde hij. "Ik wil ook weg. Ik weet wat ik weten wil en ik vertrouw de situatie niet meer. Kom mee."

Gaosar aarzelde. Hij wierp nog een snelle blik naar beneden door de spleet. Links in de tempel waren zes kleinere jongetjes verschenen, naar schatting tien of elf maanjaren oud, die allen een stok, versierd met veren en koperen belletjes omhoog hielden.

"Kerko heeft een harmonie-ritueel gelast," legde Tirt uit. "Mooi. Dat geeft ons de tijd om rustig te verdwijnen. Kom nou mee!"

Gaosar kon zich echter niet van het tafereel losmaken. Ook Karnk stond weer nieuwsgierig toe te kijken. De jongetjes begonnen in een strak gedisciplineerd evenwicht van stilstand en bewegen aan sierlijke rituele dansen. In een volmaakte balans vloeiden talloze verschillende klanken, bewegingen en gebaren ineen tot een indringende harmonie die ook de illegale toeschouwers op de galerij niet onberoerd liet. `Zo wordt alles geordend en verankerd,' was een gedachte, die door Gaosar’s hoofd dreef. De dansen met hun eeuwenoude traditie waren misschien zelfs al ontworpen door de eerste Shir die op de eilanden landden. Het proces verzinnebeeldde hoe de wetten van de Moeder, de Aardemoeder, de Tweede God, zich in eerbied en dankbaarheid bogen voor de wil van de Onzichtbare Eerste, de Vader. Gaosar voelde hoe een voornaam deel van zijn innerlijk verlangen zich moeiteloos voegde naar dit voor hem nieuwe concept: het eerbewijs aan de Vader. Tegelijk stormden er eeuwen ingeslepen Baktradities op dat verlangen af. Op Capai en overal in het Oorsprongland, werd immers uitsluitend de Levengeefster geëerd, de Moeder. Mannen waren ooms, broers, moederzusterzonen of andere horige werkers, maar nooit vader! Een oude pijn sloop binnen: het beeld van de Oude Tsjorm-kalki Moeder die het vogelmanmes overhandigde aan zijn jonge zus Iria-ut-Zoa. Hij zag weer hoe de schedel van zijn moeder naar Iria ging, hoorde weer hoe het woonrecht aan Iria bevestigd werd, zonder dat zelfs de twee zonen genoemd werden. Bovenal stak hem plotseling Tipo's diepe smart om Nisha. Hoe ondenkbaar het was op Capai dat een jongen het meisje van zijn keuze zou mogen vragen voor een verbintenis, zoals de Bindi en de Shir die kenden! Maar hoe zou de aarde minder zijn dan de zon? Hoe zou een vrouw minder kunnen zijn dan een man? Hoe zou een man minder kunnen zijn dan een vrouw? De wreedheid van het Kendo-offer in de Gieshe moederput was immers niet anders dan de manipulaties van het Mengkantoor met Shir-vrouwen? Hij haalde een paar keer diep adem en rukte zich los van het tafereel beneden in de tempel. Tirts hand trok dwingend aan zijn mouw: "Kom nu!"

Hij wachtte niet meer, maar verdween razendsnel uit de kamer. Gaosar en Karnk renden achter hem aan, terug, door gangen en geheime poortjes, een andere weg dan ze gekomen waren. Uiteindelijk droeg Tirt hun weer het bekende urineren-ritueel op en loodste hen toen via een andere deur het akelige demonenportaaltje in. Zonder tegenslag geraakten ze weer buiten. "Wat is dit voor een dodenpoort?' vroeg Karnk hijgend.

"Een dodenùitgang. Als er een ongewijd iemand in de tempel sterft, mag hij niet door de hoofdingang naar buiten gebracht worden," antwoordde Tirt, die zichtbaar opgelucht was, dat ze weer veilig hun missie volbracht hadden. In het donker en in een wolk van muggen zochten ze de weg terug naar de verborgen luchtwagen. Gelukkig gaf de opgekomen maan veel licht.
Onderweg had Tirt al veel van zijn vermoedens met de twee anderen gedeeld maar terug in Siri's paleis bleek hij nog weer scherpere conclusies te willen delen met de rest van zijn medestanders. In de vuurzaal brandde een krachtig vuur. Er werd vorstelijk eten en drinken geserveerd door de bedienden, die door Karnk gelijkelijk met `vriend' of `vriendin' werden aangeproken. Hun gezichten bleven strak, maar ze straalden een ongewone vreugde uit.

"Je doet mijn personeel veel eer," zei Siri onwennig.

"Lui, die dit soort spul opdienen, kan je nooit innig genoeg te vriend houden," sprak Karnk met afgeladen mond. "Hee, Tirt, vertel nou maar verder. Hoe zat dat met die beer?"

"Hang de beer, dat is een bijzondere frase die uit onze oudste traditie komt. Men geeft aan dat men een beloftebreker in de eigen gelederen vermoedt. Een 'beer' is een tovenaar, die uitsluitend met de geest en zonder de toewijding van het hart bezig is met het nastreven van werelds vertier en macht. Zulk een blauwe beer is levensbedreigend. Hij leeft zonder gevoel, alleen vanuit zijn mentale tovenaarsvernuft. Zijn zwarte gedachten hebben de kracht van een beer, die bijna onoverwinnelijk is. De Doodvorsers vermoeden zeker zulk een komplot, dat zelfs geen respect heeft voor onze hoogste waarden."

"Je snapt dat ik dolgraag wel es wil horen wàt nou eigenlijk jullie hoogste waarden zijn," bespotte Karnk de opgewonden Tirt. Die liet zich niet van zijn stuk brengen: "Rish Fipilepi heeft een allerscherpst punt gesteld met een dapperheid, die recht doet aan zijn positie als Schipper van de koninklijke bark."

Ishsti sprong bijna uit zijn stoel, toen hij de naam hoorde.

"Heeft de Schipper zich opnieuw over de koning uitgesproken?" hijgde hij. "De Tekenen hebben over zo'n gebeurtenis voorspeld, maar ik durfde mijn oude ogen haast niet te geloven!"

"Fipilepi heeft in de eerste plaats zijn eigen behoudzucht bevestigd," zei Tirt. "Hij vindt nog steeds dat de Shir het aanzicht van de hele wereld moeten verbeteren. Hij blijft een maniakale controleur, die alles voor iedereen beter weet. Niet voor niets is hij bevelhebber van de Stadsoverzichters van Gondar. Maar hij heeft mijn vermoeden bevestigd dat de Doodvorsers direct of indirect bij de magische slaap van de koning betrokken zijn. Zijn waarneming met betrekking tot het orakel is echter mogelijk onjuist. Hij ziet de huidige catastrofes als een wraak van 's konings beschermkrachten."

Ishsti was met een kleur opgestaan en vulde Tirt aan: "Al deze vooraanstaande Rishe zijn bezig met hun superieure veranderingetjes van de uiterlijke wereld. In feite is dat niets meer dan vermoeiende en hinderlijke verbeterzucht. Aandacht voor een innerlijke verandering hebben ze niet."

"Misschien moet je 's nachts eens op verschillende plekjes in de stad het woord `Apeneuker' op de muur schrijven, Ishsti," droeg Karnk ginnegappend bij. Oef! Opnieuw zaten er vier Shir, de vrouwen en de mannen, met hun gefrustreerde geest op een andere planeet.

"Hallo!" schreeuwde Karnk. "Maak het kort!"

Pas na een tijdje kwam de gewone conversatie weer op gang.

"Ik bedoel maar," zei Karnk. "Schep niet te vlug op over je eigen innerlijke groei, lui. Nou, tot zaken. Hebben de Doodvorsers de macht om de slaap van Oatreru te laten voortduren?'

Tirt haalde zijn schouders op: "Ik kan het me voorstellen, hoewel met veel moeite. Misschien heeft de koning toch vijanden van buiten de archipel op zijn nek gekregen."

"Ik heb mijn eigen vermoedens," zei Ishsti. "En ik heb ook mijn bronnen uit kringen rondom de koning gepolst."

"Mag ik vragen wie je daar kent?" vroeg Siri zenuwachtig. De Tekenduider aarzelde lang. Met enige moeite zette hij zich over zijn twijfels heen: "Ik spreek soms koningin Aniz."

Zowel Siri als Sugatha gaven een gilletje, beduusd en verbijsterd: "Wat!?"

"Ik spreek soms koningin Aniz," herhaalde Ishsti. "Zij is een meesteres in vermomming. Men denkt dat ze onder Horkans bescherming in het paleis vertoeft, maar dat is niet zo. Ze leeft onopgemerkt in de stad en verandert van woning en van uiterlijk zo vaak als ze wil. Ze onderzoekt op haar eigen wijze. Ook zij heeft net als Oatreru ongewone magische vaardigheden. En ze mag mij. Zodoende. Jullie begrijpen mijn aarzeling. En jullie voelen de omvang van dit geheim, mag ik aannemen?"

Iedereen was doodstil. Men knikte vol ontzag.

"Wil je meer van de koningin vertellen?" vroeg Sugatha. "Ik heb haar één maal gezien, een prachtige vrouw, grote amandelvormige ogen, die gloeiden als edelstenen. Ze werd vroeger de witte koningin genoemd. Toen ze haar beide zonen verloor, werd ze een beetje vreemd. Men vertelde dat ze zieke en oude dieren in het paleis ging verzorgen en verstoten vondelingen."

"Dat is niet onwaar," zei Ishsti. "Ze heeft een groot hart, dat liefde geeft aan alles wat klein is en onderdrukt wordt. Haar enige probleem is dat..., misschien... Ik heb het vermoeden dat toen de koning ziek werd, dat zij ..., nu ja, dat zij niet heeft willen meewerken aan experimenten van het Mengkantoor om een andere bloedlijn op te zetten om het koningschap veilig te stellen."

Tirt zoog met een fluitend geluid zijn adem in. "Dat verklaart de ergernis vanuit het Huis van Oorlog. En de slinkse manipulaties van het Mengkantoor om aan zaad en weefsel te komen van andere edellieden uit het geslacht van de koning. Hoewel, ook daar zijn vreemde gebeurtenissen aan vooraf gegaan. Veel van 's konings bijvrouwen hebben in het verleden zorgelijke en onverklaarbare miskramen gehad. En er was een dynastiek geheim verbonden aan juist de bloedverbintenis van Oatreru en koningin Aniz. Zulke geruchten zijn mij ter ore gekomen."

"Wacht eens even!" hijgde Siri opgewonden. "Mijn vader sprak ooit over de problemen van mijn grootvader om iemand in of juist uit het paleis te houden. Hij sprak over `die vertakte ziel.' Heeft dat iets met de koningin te maken?"

"Alles," antwoordde Ishsti. "Zij kan vele levens tegelijk leven. Ze kan op verschillende plaatsen tegelijk zijn en ze kan eh... Ik bedoel, het Mengkantoor is razend over haar eh, nou ja, haar eh onkoninklijke en onvoorspelbare gedrag. De koningin is namelijk met vele minnaars samengeweest, soms zelfs met enkelen tegelijk..."

Er werd alom diep van verbazing en ongeloof gezucht.

"Maar is ze dan toch nooit meer zwanger geworden?" vroeg Gaosar. "Daar gaat het toch iedereen om?"

"De koningin heeft haar eigen visioenen en haar eigen magie," zei Ishsti. "En geen Rishe noch priester heeft haar tot nu toe in haar moederschap kunnen manipuleren. Ik denk dat ze wacht op Oatreru."

"Misschien hebben de Doodvorsers hulp van Oerbash gezocht?" opperde Tipo.

"Die kan in ieder geval naar believen zichzelf in en uit het paleis toveren," vulde Karnk aan.

"Maar waarom betaalden de Rishe Oerbash?" vroeg Tipo.

"Het is misschien een rare gedachte, maar het Mengkantoor vraagt soms mannen om hun zaad, dat ze in hun slaap uitstorten, op te vangen en te bewaren voor invriezing," antwoordde Tirt bedachtzaam. Het idee stimuleerde snel zijn verbeelding. "En stel je voor! Oerbash haalt het op en het Mengkantoor probeert er een nieuwe kroonpretendent mee te verkrijgen."

"Dat zou een mogelijkheid zijn," zei Ishsti, maar Gaosar was tot een heel andere conclusie gekomen: "Stel je voor dat Oerbash juist alleen maar een poging doet om de koning in leven te houden? Want zeven jaar slapen?! Oatreru had allang dood moeten zijn."

"Voor hetzelfde geld is Oerbash de kwade genius achter die zogenaamde halve doodsslaap!" riep Karnk wantrouwig. "Genoeg gepraat trouwens! Wij kunnen hier wel de hele avond zitten piekeren over hoe het zit, maar daar schieten we niks mee op. We zien wel wat er gebeurt. Ik heb mijn plan. Ik wil mee met Tipo en die Benko. Ik heb eventjes boven die oorlogskaarten zitten suffen en hup, ik weet het. Waar we moeten wezen is Fort Zong. Dat is dat bommenfabriekje op Majeste, bij een gehucht dat Gond heet. Ik houd niet van geweld, maar ik heb voor de verandering nou es zin in om dat in elkaar te lazeren.. Doe je mee, Gaosar?"

Karnk’s energieke opstelling deed het duizendvoudige denken van het gezelschap snel transcenderen.

"Natuurlijk!" bevestigde Gaosar. "Even uit de buurt van die opgefokte Doodvorsers. Dat lijkt me heel verstandig. Ik ga mee morgenochtend."

"We zouden met mijn luchtwagen kunnen gaan," suggereerde Tirt.

"Jij bedoelt natuurlijk jij en ik als je het over wij hebt!" protesteerde Sugatha. "Want jij gaat nergens heen zonder mij. Als jij jezelf in allerlei gevaren wil storten, best. Maar niet zonder dat ik daar iets in te zeggen krijg."

"Ik blijf hier evenmin thuis zitten om in mijn eentje op een wonder te wachten," zei Siri rustig.

"We kunnen het een doen en het ander niet laten," zei Karnk. "Dat vind ik trouwens toch een prima motto. Maar laten we even afwachten, wat Benk Benko er van vindt morgen."
De nacht was een onrustige nacht. Gaosar kwam zijn bed niet uit om verder te zoeken naar de oorzaak van het gekreun, dat de gangen van de paleiselijke vleugel vulde. Hij begreep dat Tirt opnieuw niet alleen sliep. Nee, hij kwam alleen maar zijn bed uit om voor de kamerdeur van Siri's slaapvertrek te aarzelen en te aarzelen en te aarzelen. En toen hij trillend van zelfverwijt en frustratie weer netjes terug naar zijn eigen kamer was geslopen, kon hij de slaap daarna niet meer vatten. Hij zag er dus als een geestverschijning uit met omwalde, rode ogen, toen de drie 's morgens aan boord van Benko's schitterende bark klommen. Misschien was dat de reden, dat Benko een ongewoon scherp standpunt innam?

"Ik heb niks met jullie te maken," gromde de stokmeester. "Ik denk er niet over om je broer en die reus mee te nemen, Tipo. Dat stel valt mij te veel op. En bovendien, ik heb mijn eigen opdrachten. Jij en Ishsti zullen jullie belofte aan mij vervullen, neem ik aan. Uit en over. Maar die kaarten, nou dat is fantastisch, dat moet ik je nageven, Gaosar. En overigens moet ik eerst naar Pirtiland. Er is nog iets anders, dat geen uitstel duldt."

Toen hij het zei, kletterden er in de kombuis van het schip een paar pannen en misschien wat lepels op de grond. Benko knipperde even met zijn ogen, maar gaf geen nadere uitleg.

"Als ik klaar ben in Pirtiland, vaar ik naar de haven van Bardo op Majeste. Als jullie daar ook zijn, kunnen we mogelijk samenwerken. En neem van mij aan, dat er razende haast geboden is. Kerko schijnt vannacht allerlei materiaal naar Majeste verscheept te hebben. Hij heeft tot in de vroege uurtjes met Eichhor zitten vergaderen. Dat belooft niks goeds. Daarom ben ik toch blij met jullie acties. Hoewel ik mij niet kan permitteren om in enig opzicht van jullie of van die Tirt afhankelijk te zijn. Nou, ik vaar vanmiddag uit. Tipo Tennen, vaar je met me mee?"

Tipo knikte. Hij had bijna onophoudelijk naar de deur van de kombuis zitten kijken. Er waren daar de stemmen van Benko's neven te horen. En soms de stem van nog iemand. Een vrouw. Onder de indruk van de haast, die Benko's informatiebron kennelijk noodzakelijk vond, kwamen ze tot een radicaal plan. Hoe de repercussiemaatregelen tegen Tirts superieur Eichhor zouden uitpakken, was nog niet bekend. Niettemin mocht Tirt daardoor een wat hogere status in het Huis van Onderzoek verwachten. Op die basis zou hij op Majeste inzage kunnen vragen in de voortgang bij het maken van de vervormersbom. Misschien zou hij in het laboratorium in staat zijn om het betreffende proces te saboteren. Als dit bedrog geen resultaat zou opleveren, zou een vorm van geweld uitkomst moeten bieden, al dan niet in samenwerking met Benko's gezelschap.

Toen Tipo en Ishsti dus onder veelsoortige aanmoedigingen naar de haven vertrokken, klommen Tirt, Karnk, Gaosar, Sugatha en Siri aan boord van Tirts luchtwagen.


Het werd een langere reis dan ze verwacht hadden. Toen ze eindelijk de oostelijke kust van Majeste in zicht kregen, begon Tirt bovendien zorgelijk te kijken.

"We halen Bardo nooit. Er is iets aan de hand met mijn aandrijving," zei hij zachtjes tegen Karnk. "Ik wil landen in Sluimas. Dat is hier dichterbij. En ik ben al blij als we dat halen."

Ondanks Tirts angst lukte de landing goed, hoewel met hortende schokken, die niet uit luchtzakken of windstoten te verklaren waren, omdat het windstil was. De temperatuur op de grond was hoog en de hitte was van een onaangenaam drukkende aard. Tirt onderzocht het zonnepaneel van de luchtwagen aan de bovenkant en de bronzen houders aan de onderkant. Hij keek niet blij.

"Deze vinding is pas één generatie oud. Hij dient nog verder verbeterd te worden. Geen van de Rishe gebruikt hem zonder een vlieggordel om. Maar ook die zijn niet altijd betrouwbaar. In mijn eigen laboratorium onderneem ik daarom vrij ver gaande experimenten met het langs andere wegen verplaatsen van materie. Bepaalde Rishe zijn zeer vergevorderd in de kunst om zichzelf naar believen op andere plaatsen te materialiseren, maar mijn gestel heeft helaas nogal moeite met die techniek."

Naarmate hij langer bezig was, verstrakte zijn gezicht meer. "Ik durf het niet aan om ons vijven er op te vervoeren zonder manakonda's. We zullen een andere manier moeten vinden om naar Gond te komen."

"Dan zullen we te laat komen," stelde Siri vast. "En we zijn al laat. Welk bereik heeft jouw gordel nog? Haal je die afstand? Dan kunnen Gaosar en jij namelijk vast samen vooruit vliegen."

Tirt maakte allerlei technisch helder onderbouwde bezwaren, maar het voornaamste punt was, dat niemand in het laboratoriumfort zijn dubieuze missie zou vertrouwen als hij zonder luchtwagen met de merktekenen van zijn Huis zou arriveren. Bovendien wilde hij dat de rest van zijn vrienden in ieder geval de beschikking over een vlieggordel zou hebben op de gevaarlijke reis over land. Karnk had aandachtig de oorlogskaart zitten bestuderen en hij hakte ineens de knoop door: "Jij moet alleen gaan. Met de luchtwagen. Wij regelen het snelste vervoer over land dat we kunnen krijgen. Jij probeert ondertussen je technische klus in dat laboratorium rond te krijgen. Kijk eens mee op de kaart, hier. Net voor Gond. Daar is een viersprong. Er staat een grote uitspanning aangegeven. Daar wacht je ons op en dan gaan we samen door naar de haven van Bardo."

Iedereen had bezwaren, iedereen was ongerust, niemand wou Tirt alleen laten gaan, maar niemand had een beter idee. Karnk knoopte één van zijn Kendo-amuletten los: "Tirt, neem deze mee, geliefde broeder. Hij zal je in de lucht beschermen. Geef 'em aan de waard in die herberg met een boodschap voor ons. Dan weten we tenminste dat je heenreis inderdaad goed verlopen is."

Sugatha werd een kort moment hysterisch, Siri stond met een strakke mond naar de zinderende lucht te kijken, Karnk liep onnutte dingen rond de luchtwagen te doen en Gaosar stond te stuntelen met een rozenveld. Wou het wel, wou het niet? Grondend contact met de aarde wilde niet goed vlotten, steeds dreef zijn geest ver weg. Vreemde beelden kwamen in zijn hoofd langs: Tirt met twee ijzeren benen en een kaal hoofd, Tipo in een gepassioneerde omhelzing met een vreemde vrouw en een krankzinnig hoge zee. Hij schudde bijna driftig zijn hoofd. Hier-en-nu! beval hij zichzelf en eindelijk had hij zijn beide voeten weer op de grond. Tirt stond al in de luchtwagen, klaar om op te stijgen. Hij keek heel afstandelijk naar beneden, alsof... Gaosar stak twee handen omhoog in een haast zegenend gebaar van overgave. Toen riep hij naar Tirt: "Wat is, dat is! Je weet het. Je krijgt alleen wat je nodig hebt."

Het was een beetje prekend, dacht hij, maar hij meende het.

"Dat de Moeder je mag behoeden, broeder en dat de Vader je maar niet belazert," rijmde Karnk zogenaamd grappig, maar niemand moest er om lachen.

"Als er iets fout gaat, kom dan meteen naar de haven van Bardo," riep Siri. Haar toon gaf aan hoe zeer ze rekening hield met die mogelijkheid. Sugatha zei niets. Ze klemde haar handen tegen elkaar voor haar mond om honderden woorden van liefde, angst en pijn bij dit afschuwelijke afscheid binnen te houden. Sommige geliefden voelen immers hun noodlot aan ver voorbij de tijd. En Sugatha en Tirt hielden daar en toen heel veel van elkaar. Waarschijnlijk voorvoelden ze beiden een toekomstige pijn...

Het was een naar afscheid. Ze keken gevieren de verdwijnende stip in de lucht lang na. Ook al om hun bezorgde gedachten af te leiden togen ze haastig aan de slag. Siri en Sugatha zouden proviand voor drie dagen gaan inkopen en de mannen gingen op zoek naar een vervoermiddel. Opvallend was het immense aantal veelkleurige zwermen trekvogels dat in en uit bomen en gebouwen vloog. Vooral blauwe duiven, roodgekuifde groene parkieten en een schetterende zwartblauwe spreeuwensoort bepaalden het straat- en klankbeeld. Boven de stad cirkelden grote bruine buizerds rond, klaar om ieder verzwakt exemplaar met de kracht van hun neersuizende klauwen aan een doelmatig einde te brengen. Her en der lagen slapende katten, die 's nachts ook hun aandeel in de hoogst noodzakelijke vogelslachting zouden opeisen. De vogelpoep had onder elk dak- en muuruitsteeksel eeuwenoude wituitgeslagen merktekens aangebracht. De nood had in het modebeeld de deugd van hoofddeksels in uiteenlopende maten en soorten gestimuleerd. Gaosar’s bijzondere hoofddoek werd door diverse voorbijgangsters nadenkend en wegend bekeken. Zulk een dracht was tijdelijk niet in de mode, maar dat zou wellicht nog dit seizoen kunnen veranderen, nietwaar? Voor het eerst zagen ze behalve gesluierde vrouwen ook gesluierde mannen. Karnk wist vanzelf daar al weer een goeie reden voor: "Die hebben of een hitsig bekkie waar ze zich voor generen, of ze zijn zo beeldig dat ze zo alle belangstelling van zich vandaan willen houden. En dan zal je d'r ook nog wel wat kwabkoppen bij hebben, die met een sluier willen doen voorkomen dat ze onder die sluier de moeite waard zijn..."

Aan een brede boulevard troffen ze, naast een ezelstal ook een ruime uitstalling voertuigen te koop aan. De welvarende Shir-eigenaar beheerde bovendien een grote winkel met uiteenlopende huishoudelijke artikelen. Buigend liep de koopman op hen toe, althans, die buiging moest vanwege 's mans opgeblazen corpulentie noodgedwongen kort blijven.

"Ireneiis Ballo, tot dienst bereid," stelde hij zichzelf voor. Men keek, beklopte en testte. Zonder uitzondering was de verf van alle voertuigen door dikke lage vogelstront aangetast. De koopman woof iedere opmerking daarover weg met de naïeve benadering dat hij nog nooit anders gezien had en dat was waarschijnlijk ook zo. Eenmaal ruiste er een spreeuwenzwerm over de boulevard, die het drietal met gezwinde spoed de ruime terreinwagen in dwong, waar ze net voor stonden. Er ratelde een kakbombardement op het dak. Karnk was razend, omdat hij als laatste, net nog in de deuropening, flink geraakt was.

"Dat geile zooitje neukt en schijt maar aan, gobboeme!" vloekte hij, onbewust van de schrikbarende verandering, die zijn gespierde taal teweeg bracht bij Sar Ballo. De man had een purperrode gelaatskleur gekregen en hij keek alsof hij met een penisdemon in een aarden kruik was opgesloten.

"Sar Ballo, wat is er met u?" vroeg Gaosar verbaasd en toen barstte de dikke man los: "Welk een smeerpraat! Natuurlasterend, oneer! Hoe komt u erbij om zoiets te zeggen? Bij de eer van de Sterrenheer, waar komt u toch vandaan?"

Divers geslijm en gezwollen verontschuldigingen brachten eindelijk de koopman tot bedaren. De terreinwagen bleek overigens nog niet zo'n slechte keus te zijn, behalve dat het interieur volkomen kaal was. Gaosar kaartte het aanbrengen van sanitaire voorzieningen aan: een waterreservoir met een handpomp. Ballo vond het vreemd dat een gewone emmer zijn klanten niet voldeed.

"Ja, kijk, onze meisjes zijn thuis nogal wat comfort gewend en dus!" zei Karnk. Gaosar had het purpereffect al aan zien komen, maar het bleef indruk maken.

"U reist met vrouwen samen?" hijgde Ballo, kennelijk opkomend maagzuur wegslikkend. Karnk verloor zijn geduld.

"Bemoeit u zich toch eens met uw eigen zaken," donderde hij, in zijn volle kwade lengte hoog boven de kleine dikzak uitrijzend. "Legt u toch ons niet de norm van uw eigen karige contacten op! De wereld is beslist groter dan deze armetierige eilanden. Nou, bent u handelaar of niet?! Verkoopt u ons deze wagen wel of niet? Of we doen zaken of u neukstraalt direct uit mijn buurt!"

De laatste krachtterm maakte dat Ballo ineenzeeg op een krat. Hij sloot zijn ogen. Waarschijnlijk mediteerde hij geschokt op het begrip 'neukstraal', dat hij vast en zeker voor het eerst in zijn leven onder woorden gebracht hoorde. De situatie was zo dramatisch komisch, dat de twee ginnegappende vrienden onthand tegen de wand van de wagen moesten leunen. Karnk’s mentale sadisme was op noodlottige wijze geprikkeld. Op zoetsappige toon zei hij tegen Gaosar: "Deze man zou fortuinen kunnen verdienen met het verkopen van extra brede badkuipen."

Ondanks zijn staat van Zijn opende Ballo snel zijn ogen om ze echter onmiddellijk weer verwond te sluiten, toen Karnk verder ging: "Hoe heerlijk verkoelend en hoe waterbesparend is het immers niet om met een hete geliefde het wasritueel te ondernemen!"

Gaosar probeerde zijn lachen in te houden en waarschuwde: "Sar Ballo is vast niet zo gevoelig voor onze spaarzame neigingen, Karnk."

Ballo stoof inderdaad ineens op: "Ah! Precies! Neen! Neen. Maar ik heb besloten om mij niet meer te laten provoceren door uw bedenkelijke ontladingsmechanismen. Wij staan hier in Sluimas op het standpunt dat de aangeboren gorigheid van de mens in toom gehouden dient te worden door weloverwogen beperkingen. Ik heb nu eenmaal mijn overtuigingen en ik ben gedwongen om u de uwe te laten omdat ik verkies deze fraaie terreinwagen aan u te verkopen voor driehonderd Bolts. En ik hoop vurig dat mijn langverhoopte kinderen tezijnertijd niet zullen opgroeien in de smerige a-morele omgeving, die aan u zo vertrouwd schijnt te zijn!"

"Heeft u geen kinderen, Sar Ballo?" vroeg Gaosar om het gesprek een wat neutralere wending te geven.

"Nee!" bitste Ballo venijnig. "Maar hoewel het u niets aangaat, kan ik met trots melden, dat mijn zaad drie jaren geleden geselecteerd werd om ingevroren te worden in de koelkluizen van het Mengkantoor!"

Onder de indruk van dit beeld liet Karnk nu alle remmen varen: "Ik hoop ook vurig dat uw zaad ooit ontdooid zal worden, Sar Ballo en ergens hyginisch geïnjecteerd. Maar wij nemen dat verwarmingsproces nu eenmaal graag zelf ter hand! Als u zich tenminste kan voorstellen wat ik bedoel!"

Karnk moest om zijn eigen vieze grap zo hard lachen, dat hij naast de koopman op de grond viel. Ballo naderde een kookpunt: "Ik kan uw onverantwoorde praat niet meer aanhoren. Nou, u doet maar. Ik begin te vermoeden dat u zelfs het gedegenereerde, laffe soort bent, dat meerdere vrouwen bekent."

Karnk’s vreugde in het gesprek kende geen grenzen: "Ah, het monogame noemt u niet laf? Ik zou mijn leefstijl juist gevaarlijk willen noemen."

"Uw manier van gevaarlijk leven dient met de meeste nadruk veroordeeld te worden," sprak de koopman op gedecideerde toon. "U roemt de zonde van het vlees en u bespot mijn kuisheid. Uit welk tuchtloos land komt u toch? Zelfs de Baks leven zo niet. Zij kennen in hun ongeremdheid alzeker nog de trouw, heb ik mij laten vertellen."

"Je hebt je wat laten wijsmaken, koopman," lachte Gaosar en Karnk vulde grijnzend aan: "Dit manneke is zo bang voor brand dat hij bij voorbaat zijn hele huis onder water zet."

Ballo begon zo geïrriteerd te kijken, dat hij zelfs leek te overwegen om de hele klandizie buiten zijn erf te zetten. Vlug pakte Gaosar zijn beurs en liet zijn loodgordels zien, voordat Ballo's boosheid tot daden zou leiden. Hij liet wat zilver rinkelen en zei: "Vergeef ons, Sar. In ons land zijn we veel spel gewend. We trekken echter uw zedelijkheid en moraal geenszins in twijfel, noch verwachten wij dat u onze gewoonten omlaag haalt. Laten wij elkaar pogen te respecteren, niet? Laat ons toch zaken doen, zonder dat met filosofie te belasten. Uw voertuig is verder voldoende voor ons doel geschikt. En ziet u, wij reizen met een opdracht van het Mengkantoor, van de Edelheldere Twarth zelf. Kijk, mijn Rishe-uitrusting moge u overtuigen." Hij liet de vervormer uit zijn oksel in zijn hand schieten. De koopman hijgde van schrik en verschoot van kleur. Ook de onderhandelingen schoten direct een stuk vlugger op. Tegen een alleszins redelijke prijs konden ze keuken- en slaapgerei, kaarslampen en divers gereedschap kopen. Gaosar wilde uit de beurs betalen, waar hij de onfortuinlijke en inmiddels keurig gecremeerde Rish Tayana van beroofd had. Toen hij er één van de vreemde blokjes in tegen kwam, wilde hij het aan Ballo toestoppen als een bonus voor diens uiteindelijke medewerking. De man begreep hem echter volkomen verkeerd. Hij deinsde verschrikt achteruit en hijgde: "Edele, wat wilt u van mij? Dit kan ik onmogelijk als betaling aannemen. U weet dat mensen zoals ik dit niet in bezit mogen hebben. Alstublieft, brengt u mij niet in verleiding."

Gaosar deed een geslaagde poging om niets van zijn opperste verrassing te tonen. In de hoop verdere informatie te verkrijgen blufte hij: "Wij zijn niet onderhevig aan de wetten die voor gewone burgers gelden. Wij hebben een speciale opdracht."

"Natuurlijk, de oorlog, ik weet het," zei de koopman, terwijl hij zijn angstige en tegelijk begerige ogen niet van het blokje in Gaosar’s hand kon afhouden. "Maar, maar ... welke beelden zou ik mij kunnen permitteren, o, Edele? Welke dosis is voor mijn eenvoudige brein geschikt? Ik zou natuurlijk elke lap kunnen versnijden... Maar aan de andere kant, wat moet ik zeggen als een Overzichter of een assistent uit één van de Huizen mijn verschovenheid opmerkt? Of als één van mijn afnemers verschoven wordt aangetroffen?"

"U noemt mijn naam maar eenvoudigweg," suggereerde Gaosar zo waardig mogelijk. "Ik ben Falak Ouran. En eh... hoeveel eh... laps zou u willen hebben?'

Ballo bevingerde aarzelend het blokje en het bleek uiteen te kunnen vallen in twaalf dunne vierkantjes. Zorgvuldig pakte hij er eentje en daarna nog een tussen duim en wijsvinger.

"Twee?," vroeg hij. "Drie...?"

"U kunt er tien krijgen als u er een passende vergoeding tegen over stelt," antwoordde de 'Falak' met nauwelijks verhulde nieuwsgierigheid naar de waarde van dit onverwachte cadeau. Nu hervond de koopman zichzelf op bekend terrein. Zijn gezicht plooide zich wat zuinigjes en hij stelde quasi-ontspannen voor: "Voor twaalf stuks moogt u de terreinwagen als betaling aanvaarden."

Karnk, die met een ongewone zelfbeheersing had zitten luisteren, mengde zich met gespeelde ergernis in het gesprek: "Wat een schandelijke praat is dit? Wij bieden deze man de uiterst zeldzame kans om verschoven te geraken en hij pingelt op de prijs? Voor twaalf stuks moet hij er minstens alle gerei bij geven en de boel luxueus stofferen. Wat een zwaarschijter, zeg!"

Sar Ballo hapte zo gretig toe op dit aanbod dat Gaosar formalistisch terugkrabbelde om nog wat nadere vragen te kunnen stellen.

"Zijn er in uw omgeving dan zo veel lieden die een versneden 'lap' zouden willen gebruiken?"

Ballo keek zo ongelovig op, dat Gaosar even vreesde dat dit een geheel verkeerde, verraderlijke vraag was geweest. Dat bleek gelukkig anders te liggen.

"Edele Falak, wij lopen hier op het platteland niet zo erg achter als u insinueert," riposteerde de koopman bijna beledigd. "De tijden zijn angstig, de oorlog komt steeds dichterbij en het schijnt dat er Oude Bindi-moeders zijn, die gewaarschuwd hebben voor stormvloeden en aardbevingen. Wie zou niet wat van het verleden en de toekomst willen zien? En ook is waar, dat... Ach, men zegt dat een kwart of een halve versnijding ontuchtige beelden doet verschijnen, maar zoals u begrepen hebt, taal ik daar niet naar!"

"Nee, nee, vast niet," interrumpeerde Karnk cryptisch. "Maar Sar Ballo wil natuurlijk weten of hij zijn lood moet begraven of juist moet investeren in een handelsschip naar Tyr of naar Kantmorie."

De koopman leek werkelijk oprecht in zijn antwoord: "Wie zou anders zijn in mijn plaats, Eerwaardige? U weet dat wij van de kleinere eilanden gewoonlijk voor zulke informatie een fortuin dienen te betalen aan een orakel. En behalve dat, we zouden ook nog naar Illyan of Bayin moeten reizen. Nee, vergeeft u mij mijn gretigheid, maar hoewel uw tovermiddel onwettig bezit is, zal niemand van de kooplieden uit Sluimas deze gelegenheid voorbij laten gaan. Ik zal u correct van dienst zijn, zoals u het mij bent. Mijn erkentelijkheid zou zelfs tot een belofte mijnerzijds kunnen leiden."

Gaosar weerde de nu aangedane koopman voorzichtig af.

"Wij blijven buiteneilanders, Sar Ballo, en onze missie maakt dat we geen beloften kunnen aannemen," zei hij rustig, "maar één vraag heb ik nog. Ik ben benieuwd of u hier deze verschuiving anders gebruikt dan in onze geboortestreek?"

Ballo dacht even na. "Huis-assistenten plaatsen hem wel onder het ooglid, maar ik weet dat anderen hem in wijn verhitten en de damp opsnuiven. Dat ga ik althans zelf proberen."

"Heel apart," knikte Gaosar schijnheilig begrijpend. "Hoe boeiend. Over die laatste manier had ik inderdaad nog nooit gehoord. Goed, laat ons nu ons vervoermiddel inrichten."

Even bracht dat onderwerp de kleine handelaar weer een eerdere heikele conversatie in herinnering, maar in de nieuwe sfeer van wederzijdse tevredenheid had niemand meer behoefte aan geprikkelde praat. Wel keek Ballo nog met scheve ogen naar de naast elkaar gelegen slaapplaatsen. Hij gaf echter geen commentaar en sjouwde in zijn eentje zelfs een fraai vloertapijt naar binnen. Hij dankte de mannen hoffelijk en verdween op een drafje uit het zicht, op weg naar zijn toekomstkijkerij.

Karnk keek Gaosar met een diepe bewondering aan. "Man, man! Heb jij die vetlap even gloeiend uitgekleed. Man, we zijn schatrijk!"

"Ik heb nòg zo'n blokje," grijnsde Gaosar.

"Bij de kut van de Moeder!" vloekte Karnk. "Daar kan je heel Gondar mee verschoven krijgen, als je het in hun drinkwater gooit!"

"Zo rijk als we nu zijn, worden we misschien nooit meer," zei Gaosar in een moment van bedachtzame inkeer. "Als we terug naar Capai gaan, hoeven we nooit meer te werken."

"Hier! Meester Zeurhoofd aan het woord. Werk of niet, wat maakt dat nou uit? Ik hou van werk, ik hou van bewegen, van avontuur. Ik was al rijk bij mijn geboorte, kwatbak. Hier, kijk maar."

Van onder zijn jak haalde Karnk zijn gouden halsketting omhoog. Het goud was verweerd en beschadigd maar er stonden leesbaar kleine tekentjes op. Stierekoppen, zag Gaosar, toen hij beter keek. Op de brede sluithaken was echter een ander beeld gegraveerd. Twee berekoppen bogen zich naar elkaar over. Gaosar schrok. Weer klonk het in zijn hoofd: `Hang de beer!' De wraakroep van de Rishe.

"Wat is dit, in naam van de Moeder?" vroeg hij.

"Nou, dit is alles wat ik aan mijn geboorte heb overgehouden," verklaarde Karnk. "De Kendo hebben me er nooit iets van verteld, maar het is veel waard. D'r zijn hopen Rishe geweest, die 'em van me wouen kopen."

"Waarom heb je dit niet aan de dwergen laten zien? Of aan Oerbash?"

"Ik ben niet zo'n vertrouwerig tiep," zei Karnk nors. "Dat jij nou zo naïef bent. Jij laat je hele hebben en houen zien aan iedereen, zodat ze je meteen bestelen, als je even niet kijkt. Dit hangt onder mijn jek en daar hangt het best. 't Zal wel iets van Kartan zijn. Best. Laat mij nou maar spelen, dat het me beschermt. Ik heb er in ieder geval een extra leven aan verdiend. Daarom heb je me toch uit dat rattengraf gehaald, nietwaar? Jullie eerste aandrift was toch om even die rooie dooie van zijn mooie zooi te beroven, niet?"

Gaosar knikte. Zo was het gegaan, ja. De schedelplaats langs het karavaanpad. Dat was een hele tijd geleden. Levens geleden, leek het wel. Soms was het hem te moede of er geen tijd meer bestond, alleen een stortvloed van gebeurtenissen. Tijd was daar maar een armzalig woord voor, dacht-ie.





Deel met je vrienden:
1   ...   17   18   19   20   21   22   23   24   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina