De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina20/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   34

Hoofdstuk 19 Het Ritueel van de Doodvorsers.



(...)

  • Krijg ik tijd genoeg?

  • Je handlangers werken er hard aan. Jij zelf ook?

  • U vertrouwt me niet.

  • Jij vertrouwt je zelf niet.

  • Hoe komt u daarbij?

  • Denk er maar over na.

  • Ik ga beslist succes hebben. Met of zonder uw hulp.

  • Als jij alles alleen kan, waarom kom je dan hier?

  • Ik wil alleen weten of ik tijd genoeg krijg.

  • Goddelijke tijd genoeg, gewone tijd misschien niet.

Gaosar was even opgelucht om Karnk en Ishsti terug te zien, als omgekeerd. Het hele gezelschap zat met trillende handen en een bonkend hart, nadat de wederzijdse avonturen waren uitgewisseld. Gaosar had een hoge prijs moeten betalen voor de oorlogskaarten, maar ook Karnk en Ishsti hadden slechts op het nippertje het vege lijf kunnen redden.

"Alles ging perfect, precies zoals we het bedacht hadden," vertelde Karnk. "Die magazijnmeester had netjes de balen linnen klaarliggen en ik was bezig om de vaten olie af te laden. Vol blije verwachtingen klopten mijn zweren, zag ik me toch ineens het bekende smoel van Mani opduiken, die iets kwam ophalen bij die man. En hij zag mij. Ik schrok me lam maar het rare was, dat Mani zich ook lam schrok. Allebei keken we de andere kant uit. En daarna was-t-ie weg! Vroeg ik zo terloops wat over Vuurlanders aan die magazijnmeester. Nou, die kerel pakte meteen uit, zeg."

Diens functie had de Shir-magazijnmeester bepaald geen windeieren gelegd, want hij droeg over allebei de oren fraaie kapjes van flinterdun gedreven goud. Hij zette de handen in de zij, een gebaar van suprematie, dat men nooit bij Bindi zou zien. Zijn pink- en ringvingernagels waren heel lang, een demonstratief teken, dat de man zelf nooit lichamelijke arbeid hoefde te verrichten. Zijn ordinaire accent stond helaas in een onevenwichtige verhouding tot zijn uiterlijke statusornamenten. Ishsti en Karnk luisterden met toenemende verbazing naar zijn informatie.

"Kweeniet wat zullie de hoge baze voor dienste bewijze, maar dat punthoofd haalt hier elke halleve maan een vracht met durigheid en zwaarte weg. D'r is bove altijd een hoop drukte en narigheid voordat ze komme en een rare rust as ze weer weggezweefd benne in hun dure luchtwage. En dat gaat zo al sinds de koning betoverd is. 't Staat ons hier benede niks aan. Wij benne niet zo slim as de Rishe misschien, maar ook niet helemaal dom. Ik doe wat me wordt opgedragen, maar ik vertrouw het noppo."

Wat Mani's vreemde opdracht ook mocht zijn, Karnk had de zijne. De kelder was smerig en donker, maar vlakbij het trappenhuis, waar de beheerder een kantoor had, stonden verschillende flambouwen in houders aan de muur te walmen. Karnk had Ishsti een teken gegeven en zijn tengere metgezel was al onopvallend in de richting van de kelderuitgang gelopen. Er stonden nog twee vaten op de lastwagen, de andere waren langs de muur gezet, vlak naast de balen linnen. Karnk tilde een vat op om het naar de laadrand van de wagen te rollen, maar ongelukkigerwijze (of was het geen toeval?) brak één van de hoepels van het vat. De duigen bogen uit elkaar en de olie begon rijkelijk te lekken. Karnk vloekte en rolde het laatste vat naar de rand. Hij klom van de wagen af en zette het vat op zijn sterke schouders. Gleed hij echt uit? In ieder geval was de keldervloer echt glad geworden en de reus zwierde met het vat op zijn nek vloekend alle kanten uit. In een ongecontroleerd gebaar veegde hij met een elleboog langs de muur en één van de fakkels viel op de grond. Karnk botste met zijn zware achterwerk tegen een ander vat en daar braken ook twee hoepels van stuk. De reus viel glibberend ondersteboven. Het olievat beukte stuiterend op het deksel van weer een ander vat, dat ook al verbazingwekkend makkelijk in duigen viel. Een paar van de dure balen linnen werden doordrenkt met olie en onder de geschokte ogen van de magazijnmeester en twee Bindi-bedienden vatte de stof direct vlam. Karnk was inmiddels overeind gekomen en rende tierend en schreeuwend naar de aarzelende kerels toe.

"Wèg! Naar buiten!" beval hij met zijn stentorstem. "Dadelijk verbranden we hier levend!"

Misschien hadden vier goed samenwerkende mannen het beginnende brandje snel kunnen doven, maar Karnk zaaide zo'n paniek, dat er geen samenhangend handelen op gang kwam. Het doordrenkte linnen gaf bovendien een smerige, zwarte rook af, die vertoon van dapperheid niet aantrekkelijk maakte. In zeer korte tijd brandde het hele magazijn en trok het vuur door het trappenhuis naar de volgende etage. Karnk en Ishsti stonden in grote spanning buiten te kijken naar de ravage die ze hadden aangericht. Overal werden ramen opgeschoven en doken er Rishe naar buiten, die hun manakonda's hadden ingeschakeld. Daardoor kwam er echter een enorme luchttrek op gang, die het vuur met een fatale snelheid om zich heen deed grijpen. De rookwolken waren zo dicht dat Karnk en Ishsti niet konden zien wat er op de bovenste etage gebeurde.

"Vooruit!" gromde Karnk. "Wat is, dat is. Gaosar kan goed op zich zelf passen. Laten we als hazen wegwezen hier."

Hun via Tirt bestelde glijwagen was op tijd, maar het wachten op Gaosar zou tergend lang gaan duren...


De kruidenwijn en de fazantepoten, die de paleisbedienden aandroegen, waren meer dan welkom om wat restanten angst weg te spoelen en te knagen. Siri had haar ogen niet van Gaosar af kunnen houden, maar steeds als hij naar haar keek, draaide zij vlug haar gezicht af. Karnk zat als gewoonlijk met volle mond te praten.

"Van die gore rook kreeg ik een smaak in mijn mond, alsof ik een hele tijd niet gepoept had," illustreerde hij pakkend.

"Da's nou zo te zien een hoop verbeterd," zei Tipo.

"Ik verdien ook een hoop lekkers," grinnikte Karnk. "Ik heb heel hard gewerkt. Vriend en vijand zijn het eens over mijn fraaie manoeuvres!"

"Heb jij dan vrienden?" grijnsde Tipo terug.

"O, gaan we zo praten?" riep Karnk tussen twee vette happen in. "Met zulke vrienden als jij, kleine roetmop, heb ik inderdaad geen vijanden nodig!"

"Flink ventje is die Karnk toch, hè?" vroeg Tipo aan de geamuseerde omstanders, die maar al te blij waren, dat er even gelachen kon worden. Tirt kon nog niet echt ontspannen meegenieten: "Goed, goed, jullie actie tegen het Mengkantoor is, hoe onwaarschijnlijk ook, volledig succesvol geweest. Ternauwernood kan mijn geest bevatten, dat één van de pijlers van ons grootse rijk onderuitgehaald kan worden door de vastberaden inzet van slechts drie mannen. Mijn zenuwen zinderen nog van de opwinding." Ternauwernood beheerste hij zijn emoties. "Laat ons echter nooit onze Tegenstrever onderschatten. Zijn verstandelijke vaardigheden worden bovendien nog verre overtroffen door zijn magische. Wie zou niet onzeker worden bij de gedachte aan een confrontatie met Kerko's buitengewone demonen?"

Tirts woorden brachten de aanvankelijke juichstemming terug tot een onbehaaglijke aandacht. "Kerko zal met zijn volledige drift naspeuringen gaan doen. Natuurlijk zal Karnk’s postuur hem overal verraden. En wat mij betreft: Kerko wantrouwt mij al langer bitter. Hij doet er al alles aan om van mijn hoge functie een dodelijke val te maken. De komende Raadszitting wordt één grote slachting. Men wil zondebokken zien, schuldigen en verantwoordelijken. Het enige lichtpunt dat ik zie, is dat ze mijn superieur Eichhor als Hoofdbeheerder van het Mengkantoor zullen willen kwellen met een verbanning naar een dubieuze post in het oorlogsgebied. Zijn Onderhoofduitvoerder maakt dan straks promotie. Zo word ik straks de hoogste assistent in rang. Hoe zal men echter met argusogen op mij gaan letten!"

Ishsti stond op en liep zichtbaar ontspannen naar een vitrinekast met fraaie geblazen glazen kruiken.

"Kan ik?" vroeg hij Siri om toestemming. Ze woof uitnodigend en Ishsti schonk zichzelf een beker Spozie-drank in, een beroemde opwekkende kruidenmelange uit de heuvels aan de Gondarkant van de Fartwoestijn. Hij schudde zijn opgeheven vinger in een waarschuwend gebaar en zei scherp: "Laten we de essentie van de hele confrontatie niet uit het oog verliezen."

"En wat beschouwt u dan als de essentie, Sar Ishsti?" vroeg Tirt vrij rustig, kennelijk zonder zich aangevallen te voelen.

"Bereid zijn om je Tegenstrever te ontmoeten, omdat alleen hij je kan dwingen om je ware karakter te tonen."

"Dat is ontegenzeggelijk waar," bevestigde Sugatha. "Zo is het ons geleerd. Zo staat het in de boeken van de Sterrenheer. `Niets groeit zonder druk.' Maar Kerko jaagt ook mij een diepe angst aan. Zijn demonenverzameling is naar het gerucht gaat, de meest schrikwekkende die ooit enige Rishe aan zich gebonden heeft..."

Ishsti verhief zijn stem een beetje. Hij klonk plotseling teleurgesteld alsof hij meer inzicht en dapperheid verwacht had: "Niet de demon is onze vijand. Hij strijdt immers een open strijd. De angst voor het demonische, dàt is de ware vijand. Dat is die valse wurghand om je keel, die verraderlijke, ongrijpbare stillegger. Rish Pan Tirt, jij voert in je eentje een bittere, geluidloze strijd met je angst. In het duister van je gepieker vergeet je hulp in te roepen. Deel je vrees toch! Bespreek de zaak met je bondgenoten. Jouw eigen angst is namelijk de beste bondgenoot van de demon! Hij wacht rustig af tot je bevend en in verlammende paniek jezelf aanbiedt voor zijn maaltijd. Pan, je hebt je zelf heel waardevolle medestanders bezorgd. Zelfs kun je een beroep doen op twee zeer hooggeboren vrouwen. Is dat niet genoeg?"

Tirt keek inderdaad opgeluchter. Hij haalde een paar keer diep adem en er leek een grote last van hem af te vloeien, toen hij de kring rond keek. Niemand weerlegde Ishsti's vaststelling. Ishsti wendde zich tot de drie buiteneilanders: "Het enige wapen tegen demonen is de waarheid over hun eigen angsten, die hen in het demonische gevangen houden."

Tipo stond opgewonden op.

"Hoe kunnen wij eenvoudigen van geest iets begrijpen van zulke wezens?" vroeg hij, ten prooi aan diepe twijfels. "Allereerst moet je weten dat het demonische hetzelfde verheven levensrecht heeft als zijn zuivere tegendeel, het heilige," antwoordde de Tekenduider. "Wat zou het witte zijn zonder het zwarte? Men meet en vergelijkt zichzelf met het andere. Het zwarte is een vitaal onderdeel van het heelalspel. Bedrieg jezelf niet met je verlangen naar eeuwige vrede. Eeuwige stilstand is dood. Denk aan de onzin van de Gonds. Zij menen dat hun doden verder leven op een hemels veld zonder ooit nog zorgen te kennen. Ach! Hun hoop is slechts een doodse uitstalling van onbeweeglijk aardewerk in hun absurde graven. Waar komt alle beweging vandaan? Wat is de kern van het leven anders dan de adem? Die komt er in en gaat er uit. Beweging! Nu is het noodlot van de demon dat hij niet wil bewegen. Hij verbindt bewegen met veranderen, veranderen met groeien en groeien met pijn. Pijn van eerdere slechte ervaringen. Hij wil niet meer in een lichaam terug om nieuwe risico's te lopen. Hij haat diegenen die dat wel durven ondanks het weten van die pijn. Want hij haat zichzelf om zijn eigen angst. Snap je?"

De wangkrullen van Ishsti schudden heen en weer op de maat van zijn bevlogen woorden. Siri en Sugatha zaten te knikken, maar voor de drie continentale reizigers was dit allemaal volstrekt nieuwe kost, die ze met een kleur op hun gezicht in probeerden te nemen. Ishsti vervolgde: "De demon verdringt zijn marginale herinneringen aan gelukzaligheid van het lichamelijke genieten. Hij wil het goddelijke gezang van de stembanden niet meer horen, noch de smaak van het fruit proeven. Hij houdt een miezerig bestaan op gang met het wegzuigen van wat levensenergie van de meest angstigen onder de levenden. En zijn toekomst is saai, saai, dodelijk saai. Hoe machtig hij ook wordt, vreugdevol is die macht nooit. Altijd ontbreekt er de liefde aan. Altijd is hij alleen. Slechts de levende mens kan zich delen met een geliefde, met een kameraad. De demon is steeds in strijd met zijn mededemonen om de kruimels gestolen levenskracht van de levenden. O, had hij toch de durf om uit zijn hel te treden in het licht van de zon op het strand, te baden in de warme oceaan, te eten van de verrukkingen van ons heerlijke, zo gevarieerde paradijs. Snap je jouw kracht, Tipo, de macht van jouw levenswaarheid boven zijn armzalige overlevingsinstinctjes?"

Ishsti nam een paar flinke slokken om zijn droge keel te spoelen. De oude man had zichzelf in vuur en vlam gezet met zijn eigen verhaal.

"Leer dus dat zwarte kennen, vrienden," bromde hij. "En vertrouw dan op jezelf. Want luister! In deze strijd is een ieder van ons alleen. Er is geen werkelijke hulp van buiten. Er bestaat niet zoiets als een God buiten ons! Alle legenden daarover zijn slechts een mensenverzinsel om begrip en dankbaarheid over hun afkomst in woorden te vatten. Zo. Punt. Het is nog vroeg in de avond maar onze geesten zijn reeds overvol, bijna te vol. Laat ons over luchtiger zaken spreken. Sar Bartas, uw gulp staat open."

"Ja, dat doe ik voor de sfeer," zei Karnk serieus, terwijl hij gorgelend zijn mond spoelde met de kruidenwijn. "En verder, Danil, dat Tegenstrever-verhaal is wel mooi en fijn, maar daar is dan ook alles mee gezegd."

"Het leven zit vol onbegrepen observaties, Karnk," antwoordde Ishsti met een milde glimlach. "Jij zal wel weer andere wijsheden hebben opgedaan in jouw leven."

"Zeker wel," stapte Karnk in. "Ik zit bijvoorbeeld aan die Mani te denken met zijn rooftochten naar het Mengkantoor. Met een luchtwagen nog wel! Ik denk me suf. Die lui hebben mij flink voor de gek gehouden, dat is zeker. Zich als een zooitje armoedzaaiers voordoen en ondertussen! Die Oerbash is een hele handige bedelaar. Dat op zijn minst. En misschien is-t-ie wel een betere tovenaar dan dat hele happie Rishe hier. Want waarom kopen ze hem anders af? Nee, 't is een slim maar griezelig baasje. Zijn enige zwakke plek is dat hij de hele tijd door aandacht en bewondering wil voor zijn babbels. Eén woord van kritiek op hem en hij staat zich een wateruur lang goed te praten en te rechtvaardigen. Kijk, ik moest soms wel es lachen om zijn grapjes maar hebben jullie hèm ooit om mijn grappen horen lachen? Nou, ik niet. En ik haatte die rotstreken, die hij naar Tipo heeft uitgehaald. Had hij mij eens moeten doen! 't Klinkt mooi als hij Tipo dan zo'n schitterende persoon noemt, terwijl hij 'em net daarvoor in de fik probeerde te steken. Kijk, Tipo is schitterend. Daarom ben ik zijn vriend. Maar die Oerbash is mijn vriend niet en dat wordt-ie niet ook!"

"Als Oerbash je weer te keer hoorde gaan, zou hij, denk ik, iets over afstand nemen zeggen," zei Gaosar aarzelend. "Iets over eerst je woorden wegen. Kijken waar ze vandaan komen."

"Daar heb je Gaosar weer!" foeterde Karnk. "Die heeft zich als een oefening in afstand nemen de helft van zijn zuurverdiende vermogen laten aftroggelen door die Mani met zijn bijdehandte punthoofd. Knap hoor!"

"JIJ twijfelt altijd aan alles en iedereen," beschuldigde Siri nu Karnk.

"Hier! Het geweldadigste wezen van de gehele planeet aan het woord: een vrouw met verstand!" pareerde Karnk, die op temperatuur kwam. "Liever sta ik hier twijfelend dan dat ik daar misleid en misbruikt lig! Snapt u het een beetje? Die Oerbash is jullie straks allemaal te vlug af. Maar waar is waar, ik heb ook wel wat van hem geleerd. En hij heeft ons met die spuugdemon uit de penarie gehaald. Maar aan de andere kant heeft hij Gaosar met opzet die Berseng-val ingestuurd. En hij heeft vanzelf zich ruimschoots voor zijn drie dagen werk laten betalen. En nu? Wij hebben door de brand zijn handeltje met het Mengkantoor verklooid en reken er daarom maar op dat-ie op ons gaat dwarsliggen. Ik heb liever met die Shir-tovenaars te doen dan met hem. Jullie Shir hebben tenminste nog allemaal rare frustraties, waardoor een slimbo als ik jullie om de tuin kan leiden, maar Oerbash heeft van geen enkele moraal last. Ik voor mij verdwijn liever zo snel mogelijk van dit hele eiland af."

"Er zijn ook een aantal Rishe die Oerbash wantrouwen," zei Ishsti bedachtzaam. "Dat hij de Raad voor gek gezet heeft, ach, dat is niet zo'n probleem. Daar waren ze aan toe. De meeste leden moesten trouwens zijn gelijk op vele fronten toegeven. Maar wat moest hij in het koninklijk paleis? Dat baart ons zorgen. Stormvogel Horkan haat hem. Als Oerbash weer in bereik van zijn vervormer opduikt, zal hij zonder bedenkingen vuren. Is het niet zo, Tirt? Lino?"

De aangesprokenen bevestigden Ishsti's verhaal volmondig.

"Er is nog een gerucht...," monkelde Tirt voorzichtig. "Ik aarzel of ik dit vertellen kan... Nu ja, ik heb al eerder een belofte geschonden. Ik eh... kijk, het zit zo, dat eh.."

"Kop op Tirt," stimuleerde Karnk. "Ga anders eerst even een beetje liggen, je weet nooit."

"Ik zeg het al, wees maar niet bang," bitste Tirt. "Het gaat er om dat het Genootschap van de Doodvorsers soms geheime zittingen houdt in de tempel van het Huis van Onderzoek. Die maakt deel uit van het grotere complex van de Zonnetempel. Eichhor heeft immers alle bevoegdheid om die ruimte te gebruiken. Daar worden ook wel magiërs van buiten ons Rijk uitgenodigd om hun vaardigheden te demonstreren. Oerbash eh..., ik heb het idee, dat hij daar vaak bij is."

Ishsti floot. "Behalve een bekwaam onderzoekstechnicus is onze Tirt ook bekwaam in meer sociale onderzoekjes."

"Intriges en spionage, kun je dat rustig noemen," vulde Sugatha aan. "Hij heeft kritiek op al dit soort gewoonten van andere machtshongerigen in de Huizen, maar zelf betaalt hij ook allerlei lieden om hem van informatie te voorzien."

"Hoe kan ik anders?" snauwde Tirt. "Ik probeer alleen te overleven in mijn functie. Elke hoge assistent heeft extra oren en ogen nodig in deze tijden."

"Stil maar, Panneman, we vallen je niet aan," zei Sugatha. Siri hief verrast haar hoofd op, toen ze Tirts nieuwe koosnaampje hoorde vallen. Toen Sugatha zich realiseerde wat ze gezegd had, bloosde ze waarschijnlijk tot in haar bilspleet. Tirt zat met een knalrood hoofd naar de vloer te staren. Karnk was als vanouds zonder mededogen: "Ja, Panneman, vertel nou maar meteen de rest ook. Dat van gisterennacht hoeven we verder niet te weten, hoor. Dat zien we wel aan je rooie kop. Maar eh, waarom vertel je dat van Oerbash en die Doodvorsers tempeldienst?"

Tirts geestelijke groei van de afgelopen dagen was direct meetbaar aan zijn herstellingsvermogen. Hij had slechts tien diepe ademhalingen nodig om weer over te kunnen gaan tot de (wan)orde van de dag: "Ik meen dat er vandaag tegen zonsondergang een zitting zal plaatsvinden. Of er is niemand, vanwege het schandaal van de brand, of ze zijn er juist allemaal, om hun positie nader te bepalen. Kerko is er, Eichhor zeker en Oerbash ook, heb ik me laten informeren. Er zijn wel wat meer Rishe die beloftes van geheimhouding naar hun eigen Genootschap schenden."

"En? Waarom vertel je dit? Wat heb je in gedachten?" drong Gaosar aan.

"In mijn functie kan ik toegang verkrijgen tot de betrokken ruimte op een wijze, die ..., nou ja. Er is een afluistergang. Ik zeg het, maar jullie moeten goed begrijpen dat ik geen dag meer leef, als dit verraad Nozer of zijn Onderuitvoerder Balgox Wyldo ter ore komt."

"Maar je bedoelt dat we zo te weten zouden kunnen komen, hoe onze voornaamste Tegenstrevers reageren op de brand en wat de positie van Oerbash daarin is?" vroeg Gaosar.

Siri stoof op: "Gaosar, je gaat niet weer zo iets krankzinnigs ondernemen! Het is genoeg! Genoeg! Je leeft nog en dat is me nog een wonder. Ik zou kunnen proberen om jullie het paleis van de koning in te krijgen om met mijn grootvader te spreken. Dàt kan zin hebben, maar wat je nu voorstelt niet. De Doodvorsers zullen onmiddellijk zo'n schending van hun geheimen bestraffen met de gruwelijkste magie. Ik wil dat jullie ophouden met dit soort gepraat. Gewoon stoppen met jullie krankzinnige ondernemingen. De brand in het Mengkantoor zal op termijn het hele leven op de eilanden veranderen. Laten we daar toch genoegen mee nemen!"

"Misschien, misschien wel ja..." krabbelde Gaosar terug. Over zijn hoofd heen ontmoetten de ogen van Tipo en Karnk elkaar. Tipo knikte heel lichtjes met zijn voorhoofd in Siri's richting en Karnk antwoordde met een oogbeweging richting Gaosar. `Die twee hebben wat met elkaar' zeiden hun ogen. `En daar gaat nog een hoop gedoe van komen,' zei Karnk’s gelaatsuitdrukking.

"Tirt zou het niet voorgesteld hebben als hij geen veilige manier wist," zei Ishsti uitnodigend naar de aarzelende Rishe.

"Die weet ik ook," bevestigde Tirt.

"Ik weet niet of ik dat allemaal wel weten wil," bracht ineens Tipo in, die de hele tijd zwijgzaam en in zichzelf gekeerd had zitten luisteren. "Ik heb me met een duidelijk doel verbonden: met Benk Benko naar Majeste. We hebben inmiddels de kaarten, die we wilden hebben. Ik heb hier zwetend en biddend de hele middag zitten wachten en daar heb ik nu schoon genoeg van. Morgenochtend in alle vroegte komt Benko's bark aan in de haven. Hij heeft ons een paar dagen respijt gegeven, maar hij zit op hete kolen. Hij heeft ook zo z'n informatiebronnen. Wie weet hoever ze al zijn met die vervormersbom? Weet je, ik heb hem mijn gezelschap beloofd, wat jullie ook allemaal van beloftes vinden. En ik ga nou geen risico's meer nemen. Ik zit hier alleen maar te wachten tot ik Gaosar’s kaarten kan kopiëren en dan wil ik met mijn hele lijf intact naar Benko."

"Je bedoelt met je hele lijf intact naar eh..., naar eh, naar dat vieze gore vrouwtje?" peurde Karnk meteen naar Tipo's zwakke plek. Die vloog op: "Ik hoop dat die Shir-slagers je te pakken nemen en je terugsturen met een hersenamputatie. Wat ga ik dàn van jou genieten, Karnk!"

"Ai, ik dacht dat ik je enige vriend op de hele wereld was?"

"Vast. En wat fijn voor je dat ik meestal lekker dicht bij je in de buurt blijf! Maar helaas vertrek ik morgen met Benko naar Majeste. Wij gaan op de kaarten uitzoeken om welk laboratorium het gaat en daar gaan we op af. Ik neem aan dat we elkaar niet terugzien op Bonewits? Maar waar dan wel?"

"Zolang ik niet zeker weet, waar Oerbash staat, ga ik niet naar zijn boot kijken op Bonewits," besloot Gaosar. "Het zekerste is nog de haven van Zolui op Bayin. Daar zijn we aangekomen en vandaar kunnen we weer teruggaan."

"Wil je dan terug, Gaosar Ouran?" vroeg Siri. Er was in haar stem een onbestemde klank van verlangen. Gaosar leek flink met zijn figuur verlegen. Een uitspraak van Oerbash flitste door zijn hoofd: `Wat een ontzagwekkende kracht heeft de valse vrees, hoe meelijwekkend zijn zijn slachtoffers!'

Het was net of iedereen wachtte op een verlossend woord uit zijn mond, alsof iedereen precies wist wat er gezegd diende te worden. Maar zijn geest was blanco geworden. `Waar komt mijn vrees nou vandaan?' dacht hij krampachtig maar het bleef bij een kwellende vraag, want voor het echte antwoord was zijn geest te bang...

"We kunnen hier afspreken," zei Karnk. "Ik dééd net alleen maar een beetje alsof ik bang was. Ik dacht dat ik het alleen maar tegen die Kerko moest opnemen en nou heb ik dadelijk ook die Tat tegen me ingenomen. Maar vooruit, iedereen heeft hier zo te horen zijn eigen kleine angstjes en schrikjes, dus ik accepteer de mijne ook maar. Kom op, Tirt, ik ga met je mee naar dat tempeltje van je, als jij de weg wijst. Nog meer vrijwilligers?"

Gaosar stak zijn hand op. "Vooruit dan maar."

Ishti stond op en zei: "Ik ga de stad in. Ik heb ook zo mijn manieren om dingen te weten te komen. Het lijkt me goed als we hier weer allemaal de nacht doorbrengen. Ik heb alle vertrouwen in ons verbond."

Hij knikte en sprak toen rechtstreeks de ongeruste Siri en Sugatha aan: "De bal rolt. We bewegen allen van ver naar nabij. Ik ben getuige voor jullie gevoelens, die ik vanmiddag heb waargenomen. Vertrouw maar op de goedheid van het leven. En heel praktisch, willen jullie onderzoeken hoe de toestand van de koning is? Majeste is stap Eén, maar het paleis zal stap Twee moeten worden."
Wat er ook verder gedacht mocht worden in alle verschillende hoofden, het handelen kwam in harmonie. Het was schitterend, bladstil weer buiten. Ver weg stond er nog steeds een hoge zwarte rookpluim in de lucht. Er zou inmiddels wel heel veel kostbaar zaad ontdooid zijn in de koelkluizen van het Mengkantoor. Tirt gebruikte weer zijn luchtwagen om naar de noordoostelijke kant van de stad te vliegen. Om geen argwaan te wekken liet hij het voertuig dalen op een open plek in de jungle, die de hellingen daar overwoekerde. Tirt wees: "Daar verder ligt de Zonnetempel, het meest magistrale bouwwerk van de Shir, groter dan het paleis van de koning. Er is geen Rishe of priester, die er alle geheimen van kent. Veel geleerden hebben er wonderen verricht en naderhand hun vaardigheden mee hun graf in genomen. Onze kennis is aan het degenereren, omdat we tegenwoordig te eenzijdig naar specifieke kunsten zoeken. De weertovenaars hebben grote macht gekregen, net als de Doodvorsers, die naar het eeuwige leven zoeken. En dat is ten koste aan het gaan van vele andere zaken..."

Na een half uur lopen kwamen ze op een klein plateau, van waar ze een goed uitzicht op de tempel hadden. Het geelwitte tempelcomplex was indrukwekkend. Het lag hoog boven de zeespiegel. Deels waren de muren overwoekerd door een onoverwinnelijke klimplant. Zorgvuldig hadden tempelwachters echter de laatste lengtes tot aan de bovenkant van de muren van blad en stengels ontdaan om mogelijke indringers te verhinderen om zo naar boven te klimmen. Aan beiden zijden van de tempel stortte een smalle waterval naar beneden. In het regenseizoen zou die uitgroeien tot razende, verwoestende modderstromen, nu ruiste het water als een lieflijke muziek de jungle in. Ze daalden af naar een aan zoekende ogen onttrokken richel. Een klein paadje scheen daar naar de zijkant van de tempel te leiden.

"De zitting is al aan de gang," zei Tirt. "We gaan naar binnen via een geheime ingang, via de dodeningang. We moeten opschieten voor het te donker wordt."

Het uitzicht werd zo tijdloos prachtig, zo adembenemend dat ze even moesten stoppen om rustig om zich heen te kunnen kijken. Het wijdse vergezicht op de grootse drielingstad Gondar en het majestueuze paleis was even overweldigend als de duizendkleuren jungle onder hen, reikend tot aan de azuurblauwe zee. Onmeetbaar ver in zee stond een oranjerode horizonlijn. De zonsondergang ging alle beschrijving te buiten. Naarmate het donkerder werd, raakten alle bomen en struiken om hen heen vol met dwaallichtende glimwormpjes. Lager op de hellingen onderscheidde zich het licht van verschillende vuren, waar stukken bos werden afgebrand door Bindi boeren om akkerland te verkrijgen. Vogels jubelden hun dankbaarheid over deze heerlijke dag weer uit in een overstelpende veeltonigheid. Tirt gebaarde: `Opschieten!' en gaf zelf het goede voorbeeld. Zweet gutste van hun lichamen en de eerste golven muskieten vielen op hen aan. Tot hun grote opluchting vond Tirt direct de deur, een houten constructie, die met koperen platen was verstevigd. Het koper zorgde bovendien voor een perfecte camouflage omdat het veeltintig oxiderend groen was uitgeslagen en zo nauwelijks in de begroeiing van de tempelmuren opviel.

Tirt gebruikte een bezwering om de deur te openen. Gaosar vroeg maar niet naar de aard van de bezwering want er was een tergende wind van onbehagen langs zijn gezicht gestreken bij de eerste klanken uit Tirts mond. Ze kwamen in een muf ruikend portaal, dat hen op uiterst onplezierige wijze aan onaangename vormen van doodgaan herinnerde. Tirt haalde een halsketting van edelstenen onder zijn tuniek vandaan en maakte er tekens mee in de lucht. Gaosar had zich uit puur lijfsbehoud in een strak rozenveld gehuld en ook Karnk naast hem stond onafgebroken zijn naam te mompelen. Hier waren krachten aanwezig, ouder dan de mensheid. Mogelijk was zelfs de tempel juist op deze plaats opgericht om die krachten gunstig te stemmen jegens de menselijke bewoners van de stad. Gespannen en bepaald niet zonder vrees keken ze naar hun strijdmakker.

"O, eerloze broeder," mompelde Tirt tegen de lege muffe ruimte. "Laat mij door. Ik ben mijn hart."

Hij wenkte Karnk en Gaosar, die met een felkloppende keel in het portaaltje stonden.

"Doe jullie schoenen uit en besas je blote voeten, snel, snel," fluisterde hij tegen de verbaasde mannen. Tijd voor een waarom was er kennelijk niet en de mannen voldeden stil aan de opdracht, terwijl Tirt kritisch toekeek en aanwijzingen gaf: "Je hele voet natmaken, wrijf ze rondom in. Goed, goed. Het zout trekt de waakdemonen aan. Ze gaan naar de plaats waar je sas is neergevallen en als ze achter je aankomen blijven ze hangen in je voetafdrukken op de grond. Kom nu, vlug door naar de glijkoker."

Ze renden achter elkaar aan door lange, sporadisch met olielampjes verlichte verlaten gangen, die leken te spiralen naar een ongewis middelpunt. Gaosar verbaasde zich al nergens meer over. Tirt stopte plotseling voor een donkere nis en duwde tegen een hoge ronde vorm in het midden ervan, iets dat er als een grote urn uitzag. De vaas draaide weg op een verborgen scharnier en onthulde een zwarte buis. Tirt ging op de rand zitten en zei: "Doe als ik en volg me."

Hij trok zijn knieën op, omarmde ze en boog zijn hoofd wat. In die houding liet hij zich naar binnen zakken. Karnk dook achter hem aan en Gaosar volgde in een stemming van wezenloos, gedachteloos vertrouwen. Deze gebeurtenissen waren zo ongerijmd dat alleen overgave hem ergens kon brengen. Boven hem hoorde hij de urn terugschuiven en onder hem hoorde hij de beurse ploffen van neerkomende lichamen. Direct daarop viel hij ook op een dik tapijt in een schemerige, lage ruimte. Tirt haastte zich al weer verder, door een lage bamboedeur naar het volgende vertrek. Hij wees op een lange spleet over de hele breedte van het langwerpige vertrek waarin ze waren aangeland.

"De tempelzaal van de Doodvorsers," meldde zijn geluidloos bewegende mond. Karnk moest flink bukken om iets te kunnen zien. Gretig boog Gaosar voor de spleet. Hij keek in een immense hoge op het eerste gezicht lege ruimte. Deze werd verwarmd en verlicht door veelkleurige vlammetjes, die brandden op het blauwzwarte oppervlak van elf in een cirkel opgestelde olievaten met de doorsnee van een manslengte. Ver weg klonk een lichte melodie van cymbalen en klankschalen. In de tegenoverliggende tempelwand zwaaiden twee oranje houten deuren met een gouden beslag langzaam open. Breedgeschouderde Rishe-novieten in oranjerode gewaden, gewapend met lansen, duwden hen verder open en onthulden een kleine processie van zes al wat oudere jongens die op rode kussens bizarre apparatuur meedroegen. Gaosar herkende de attributen niet die om hun lijf heen geknoopt zaten, noch de aard van de meeste instrumenten. Vanuit de voorhof liepen de jongens verder de tempel in en recht onder de muurspleet stonden ze stil. Een oude kalende man met bruine wangkrullen en een grijze snor kwam achter het groepje binnen en stak enkele bokalen met mirre aan. De scherpe lucht vulde binnen luttele tijd de hele tempel. Gaosar ervoer een onverwacht gevoel van tijdloze vrede. De priester voedde een onbekende offergave in de diepe mond van een dof zwart oogloos hoofd, dat op een gouden voetstuk in het midden van de tempelruimte stond. Direct gloeide er een mat, diffuus licht uit een onbekende bron op. Daarna maakte de zeven drie buigingen en trokken zich terug op een laag platform. Tirt stootte Karnk en Gaosar aan en wees. Inderdaad konden ze toen buiten de lichtkring van het tempelvuur enkele rijen Rishe ontwaren, die in doodse stilte naast elkaar zaten op kleine meditatiekussentjes. Bij het vuur stonden twee bekende gestalten. De ene was Rish Palo Kerko. En de ander was Oerbash.

Er ging een diep gevoel van weemoed en teleurstelling door Gaosar heen. Een heel strak rozenveld om hem heen bood geen werkelijke beschutting tegen de oprukkende kilte van binnenuit. Liever had hij hiervan geen getuige willen zijn, wist hij. Wat Karnk gezegd had, was mogelijk waar. De combinatie van die twee zag er dreigend uit. Beiden hadden een sfeer van naargeestige onverzoenlijkheid om zich heen hangen. Toen Kerko het woord nam om de vergadering toe te spreken, duurde het lang voordat Gaosar en Karnk er iets van begrepen.

"Het vaste offer is gebracht!" oreerde de tovenaar met een volle stem. "De altoos durende vaste inzetting verbindt ons in onze belofte van Strikte Observantie. Uw trouw is de onvoorwaardelijke trouw, uw beloning is het eeuwige leven!" Hij wachtte even en er klonk een gedempt gemurmel, alsof de aanwezigen de formule herhaalden. Oerbash ging twee keer van de ene voet op de andere staan.

"Die voelt zich toch niet echt op z'n gemak," fluisterde Karnk in het oor van Gaosar. Kerko ging op gezwollen toon verder: "Uit zorgeloosheid of onverschilligheid is er vandaag een diepe wond toegebracht in het Genootschapslichaam. De bewakers van de heilige bloedlijnen hebben hun falen al met de dood in het vuur bekocht. Rish Nozer Eichhor kunnen wij niet van verraad betichten, edoch zijn verantwoordelijkheid is op bedenkelijke wijze in diskrediet gebracht. In een nadere zitting zullen de dertien Slangendragers zich over zijn positie beraden!"

Overal werd nu gefluisterd. Sommige aanwezigen bewogen zich zo onrustig, dat het leek of ze op wilden springen om iemand te lijf te gaan. Ergens werd "Verraad!" geschreeuwd.

"Hang de beer op!" brulde een ander. Gaosar keek aandachtig naar Oerbash. De Tat moest wel de indruk hebben dat de agressie uit de zaal voor hem bedoeld was, want hij stond kaarsrecht in een bijna onzichtbaar lichtschild. Zijn magische bescherming verhevigde kennelijk de woede van de Doodvorsers.

"Hang de beer op!" klonk er nu van twee kanten. Werd daarmee Oerbash bedoeld? Of Eichhor? Gaosar was ten prooi gevallen aan een onbestemde, maar tegelijk gloeiende zwaarmoedigheid. Hij voelde in welk gevaar de Tat-meester zich bevond. Een gezamenlijke magische actie van de Shir-tovenaars zou hem vernietigen, hoe krachtig de kleine witharige man ook was. `Ik kan met mijn vervormer zeker de helft van hen uitschakelen, voor ze van de verrassing bekomen zijn,' bedacht hij. `Maar dan? Voor welke zaak strijdt Oerbash eigenlijk? Hoe kunnen ze hem van verraad beschuldigen, als hij niet eerst aan hun kant heeft gestaan? Waar heeft hij mij voor gebruikt? Heeft hij me alleen uit de klauwen van Onstens spuugdemon gered om me in te zetten als een bloedwapen tegen mijn vader? Werkt hij samen met Kerko?' In gedachten zag hij zichzelf al de Rishe neermaaien, maar even sterk kwamen er fantasieën over gruwelijke betoveringen, die Kerko daarna op hem los zou kunnen laten. Die vrees werd gevolgd door beelden van een opgelucht ontsnappende Oerbash. `En dan gaat die zich later handenwrijvend verkneukelen vanwege mijn ondoordachte en fatale driestheid...'

Het werden zichzelf herhalende dwangvoorstellingen in de geest, die hij dan weer even pathetisch verwierp met diepe angsten over onjuist handelen. Het was een vreselijke verwarring van terugkerende bevroren herinneringen aan momenten, die hij liever wou ombuigen naar hun tegendeel. `Verblind ik mij zelf nu door mijn innige dankbaarheid naar Oerbash? Gewoon omdat ik zo veel van die man geleerd heb? Of hoef ik niet eens ergens dankbaar voor te zijn, omdat hij me alleen ergens in gemanipuleerd heeft, omdat het hem goed uitkwam?' Er verscheen hem weer een ander beeld voor ogen van Oerbash, die tegen Mani riep: "Doe alleen je eigen ding! Ik doe niets voor jou. Ik doe alleen wat mijzelf amuseert. Houd op met jezelf uit te sloven voor mij. Doe alleen je eigen ding!" Gaosar werd zo in beslag genomen door zijn denkprocessen, dat hij niet eens gemerkt had dat er een andere Doodvorser aan het woord was. Het was een magere man met een open gezicht.

"Oussinnikap," wees Tirt. "Hij heeft alle rozentuinen in het paleis van de koning aan mogen leggen."

Het enige wat Gaosar opving was "... met de stroom mee."

Daarna stond er een ander op, een vrij jonge, robuuste vent met langharige manen als een leeuw. Hij was door het rumoer moeilijk te verstaan, maar allengs bedaarden de toeschouwers. "Dat is Xandor Fipilepi uit het Huis van Oorlog," fluisterde Tirt. "Hij stuurt in tijden van oorlog de koninklijke bark. Hij heeft veel gezag."

"....Waarom wel? Waarom niet? vraag ik u," verstonden ze. "Deze Tat heeft de Kendo aan zich horig gemaakt zonder dat ze het zelf weten. Hij bespeelt de vrouwen en de doden. Maar streeft hij niet hetzelfde doel na als wij? Hij leeft al veel langer dan één van ons. Is zijn doodsmagie niet sterk gebleken? En profiteerden wij niet vaak van zijn kennis?"

"Je eigenbelang verdoezelt je logica aanzienlijk, Fipilepi!" schreeuwde iemand op de achterste rij. De aangesprokene verhief zijn stem: "Wij geloven in wetmatigheid en orde. Maar een paar onbekende avonturiers met wat verbeeldingskracht en ondernemingszin kunnen ons hele Genootschap machteloos maken. En juist die kwaliteiten hebben wij genegeerd. Zo worden we gevaarlijk geconfronteerd met afwijkelingen die voor onze geoefende maar ingeslapen geesten onvoorspelbaar zijn geworden."

"Stel je punt, Schipper!" werd er ongeduldig teruggeroepen. Maar toen de Schipper eenmaal zijn punt stelde, was niemand er blij mee. Verderop in de tijd maakte het natuurlijk wel veel duidelijk.





Deel met je vrienden:
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina