De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina2/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Hoofdstuk 1 De erfenis van de Rishe.



Nur waakte drie dagen en nachten gewaakt bij de gewonde man. Zijn diepe bewusteloosheid had haar eerst gefascineerd, later onrustig gemaakt. Ze had hem voorzichtig ontdaan van alle waardevolle voorwerpen en kledingstukken om die mee te kunnen nemen, als hij stierf. Alleen zijn vreemde, brede geelwitte polsband kon ze niet losmaken. Maar de man stierf niet, hoewel hij ook niet wakker werd uit zijn gruwzame slaap. `Mijn vogelman,' zo noemde ze hem in gedachten. Tegen de ochtend slikte de vogelman voor het eerst duidelijk en een aantal malen achter elkaar het water weg, dat zij hem regelmatig in de mond goot om hem voor uitdroging te behoeden. Soms scheen het Nur toe dat er geen ziel meer huisde in het lichaam. Op zichzelf was dat lichaam haar al heel vreemd. Behalve de lichte huidskleur en de grote lengte bevreemdde de totaal andere haarinplant haar en de onevenredige gespierdheid. De beenspieren waren slap. Deze man zou zelden lopen. Vreemd, dacht ze. Daarentegen waren zijn onderarmen en handen beslist stevig, met name zijn rechterhand. Het meest rare aan hem was het rode zakje van hard gelooid zeeleeuwenleer, dat zijn testikels en lid omhoog bond tegen zijn onderbuik. De vogelman liet soms zijn ontlasting en water lopen en het zakje raakte doordrenkt en smerig. Uit nieuwsgierigheid maakte ze op de derde dag het verbindende koord los en tot haar grote verbazing bleek de vogelman in het zakje behalve zijn mannelijkheid ook twee zeer ongewone edelstenen te bewaren, die tussen zak en anus in waren geplakt. Zijn penis was mooi van vorm. Ze voelde hoe de slapende, naakte aanwezigheid van deze bijzondere vogelman haar zeer bewust maakte van haar 'vrouwentijd'. Als ze op hem neer keek, leek het gezicht van de man op dat van één van de Heel Oude Moeders die ze ooit op een Maanfeest ontmoet had. Als ze naar hem keek vanuit een zittende positie, dan scheen de man een vredige jeugdigheid te hebben, die haar verraste en haar ook ... ja, prikkelde. Ze kon zich steeds minder verzoenen met het idee dat hij zou moeten doodgaan. Wat zou goed voor hem zijn? Een waterbad? Water had ze in overvloed door een kleine onderaardse beek die hier en daar op de helling aan de oppervlakte kwam. Ze gooide handenvol over hem heen, maar de kou leek hem niet te raken. Impulsief besloot ze om hem te reinigen van alle bloed en uitwerpselen. Dat was op de vierde dag. Toen ze de vervuilde geslachtsdelen met water wreef, onderging ze een veelheid van gevoelens. Wassen was een goede gewoonte van het Tjetjah-volk. Baks uit Igdi en zeker de Baks uit Ogdi waren veel smeriger, hoewel de vrouwen deden alsof ze trots op hun sterke lichaamslucht waren. Zwemmen was het merendeel van de Baks onbekend, maar overal langs de kusten van Capai zwommen jonge meisjes, jongens en mannen, duikend naar schelpdieren, kreeft en inktvis. Nur waste de vogelman met een intense aandacht, die groter en groter werd, toen ze het deel van de vogelman in haar handen iets sterker voelde gaan kloppen. Dat was in de namiddag van de vierde dag. De maan kwam vroeg op, nog bleek maar bijna vol. Nur keek en keek naar de vogelman, naar het lichte kloppen van zijn hart in zijn keelslagader. Steeds kwam de herinnering aan een ander soort kloppen bij haar naar boven, het bonken van haar bloed in haar onderlichaam. En in het midden van de nacht ging ze naast de man liggen, hem verwarmend met haar zo levendige, warme lichaam. Ze kon zijn mannelijkheid niet met rust laten, wellicht voelend hoe hier zijn laatste lijn met de aarde op geankerd was. Na een onbestemde tijd was het deel duidelijk aan het zwellen, hoewel dat maar kort duurde.
De vijfde dag ging voorbij. Nur zocht knollen, eetbare bloemknoppen, wortels en eieren. De stapel voedsel naast de liggende man was groter geworden dan ze ooit zou kunnen vervoeren. Toen de maan weer opkwam, nu voller dan tevoren, ging Nur uiterst voorzichtig vanwege de buikwond weer tegen het lichaam van de vogelman aan liggen. Niet lang, want duidelijker en duidelijker wist ze nu wat ze wilde. Ze begon met water wederom het lichaam en de beide gewonde plekken schoon te maken. Het verwonderde haar buitengewoon toen ze zag hoe voorspoedig de wonden genazen.

In het midden van de vijfde nacht had het deel van de vogelman onder de ritmische aanrakingen van de jonge vrouw zich geheel opgericht. Nur had een heel zacht offerlied ingezet. Een flinke wind had zelfs de lichtste wolkenslierten weggeblazen en toen stond er een ondubbelzinnige toeschouwster aan de hemel, het oog van de Moeder van de Moeder, die haar leek toe te roepen, dat dit haar laatste moment in haar tijd was. Nur luisterde naar die woordeloze, onhoorbare maar machtige stem, zozeer in overeenstemming met haar eigen intuïtieve weten. Ze ontdeed zich van haar kleren en ging bovenop de vogelman zitten, behoedzaam maar zeker bewegend. Het lied van Nur was geen bestaand lied, maar mensen in de vallei zeiden naderhand dat ze het gehoord hadden. Nurs beide zusters hadden het zeker met hun innerlijke oor gehoord en allebei heel hard moeten huilen. En toen het lied uit was, opende de vogelman een oog, zijn linkeroog. Hij keek naar Nur, die nog steeds bovenop hem zat. De man wist wat zijn leven gered had en hij zou dat nooit meer vergeten. Want deze redding was een redding uit een voortijdige dood. Er moest nog iets rechtgezet worden in dit teruggehaalde leven, in het leven van de persoon die vroeger de Onderuitvoerder van het Huis van Onderhoud op Illyan, Rish Cayobur Hayo was geweest. Dat leven was bijna beëindigd geweest door een ontoelaatbare toepassing van de Verboden Kunst. Onder die omstandigheden, wist Hayo, had hij opnieuw moeten incarneren om die handeling te wreken of te neutraliseren. Hij was zich niet eerder van deze verborgen vijand bewust geweest, zo zorgvuldig had deze persoon zijn motieven weten af te schermen. Niet veel Rishe zouden die vaardigheden bezitten. Dankzij de inspanningen van deze Bakvrouw wist hij, zou hij alsnog de gelegenheid krijgen om deze moordenaar te kunnen ontmaskeren. Haar zorg was meer dan alleen dank waard. Het was een Belofte waard.


In het midden van de negende dag bracht de vogelman zijn rechterarm naar zijn gezicht, zodat hij naar de geelwitte polsband kon kijken. Met zijn kin drukte hij op een bepaalde manier op de zijkant er van en aan het eind van die dag kon hij weer praten. Hij zei maar weinig en Nur begreep de taal, die hij sprak maar half, hoewel het Tiki van de Shir hier en daar leek op Pai, de taal van de Baks.

"Ik ben Rish Cayobur Hayo," had hij gezegd. "Ik weet dat je nu een kind draagt. Stuur het naar het Huis van Onderhoud voor zijn erfenis. Ik beloof hem de erfenis van de Rishe. Stuur hem."

Nur knikte alleen maar, hoewel ze alleen maar het `kind dragen' had begrepen. Dat vervulde haar al met zo'n diepe vreugde, dat ze geen moment de moeite nam om al die vreemde uitdrukkingen en namen te onthouden. Nur en Hayo bleven nog tien dagen in het bos. Er was voedsel en water in overvloed. De oude man was zich nauwelijks nog van zijn leeftijd en zijn verwondingen bewust. De edelstenen gingen niet meer terug in het scrotumzakje. Het was hem of hij buiten de tijd in een paradijs leefde met deze mooie, stralende vrouw, die met sterren in haar ogen naar hem keek. Er was een moment dat hij dacht: `Het lijkt of ik háár geschenk ben in plaats van dat ik haar dankbaar moet zijn omdat ze mijn leven heeft gered.'

Maar dat waren gedachten die aangaven dat hij niet veel van de Bak-maatschappij begreep.


Hij had veel tijd om over de aanslag op zijn leven na te denken. En over zichzelf. Het Huis van Onderhoud, het Groene Huis zoals het ook wel genoemd werd, was in het archipelrijk van Tillant het machtigste Huis binnen het ordesysteem van de Shir. De Onderuitvoerder bekleedde zijn hoge positie al negentien jaar, zonder dat hij zich ooit wezenlijk uitgedaagd gevoeld had. In de verschillende Genootschappen was men het er over eens dat Cayobur bepaald niet meer in deze wereld zou hoeven te incarneren na zijn dood. De gebeurtenissen hadden hem echter onverwacht geconfronteerd met een heel andere toekomst, dan hij ooit had kunnen voorzien. Had hij zulke vijanden op Utrag, dat iemand hem naar het leven stond? Of was hij slachtoffer van magie van de tovenaressen van de Baks? Hij sloot dat uit, omdat hij de techniek die hem misleid had, had herkend. Onmiskenbare Rishe-kennis. Wie zou zoiets durven? Er zweefde hem plots het gezicht voor de geest van de Voorzitter van de Rishe Raad, Rish Palo Kerko, tevens Hoofduitvoerder in het Huis van Oorlog. Eén van de oudste lieden uit de Rishe hiërarchie. Honderd jaar. `Een ontmoedigende ouderdom,' analyseerde hij het probleem van Kerko's promotiezuchtige ondergeschikten. Het was een man die hij niet mocht. Een oorlogzuchtig en op macht belust mens, hoewel ondubbelzinnig intelligent. Briljant in wetenschappelijk opzicht, maar weinig menselijk in zijn onderzoeksmanie naar de macht van het leven over de dood. `In naam van de wetenschap ontleedt de man lichamen van slaven en krijgsgevangenen. Hij en dat armzalige stel sterfangstige Rishe in zijn Genootschap transplanteren organen en klieren van hun slachtoffers. Ik heb daar kritiek op, zeker. Maar kan ik zijn dodelijke wrevel opgewekt hebben? Eerder verdenk ik Eichhor. Die haat mij. Dat ligt anders en duidelijker. Ik erger mij eveneens sterk aan hem, daar kan ik niet omheen. Sinds ook hij als hoogste gezag in het Huis van Onderzoek de experimenten van de Doodvorsers welwillend is gaan steunen, waart er een onderhuidse storm van drift en frustratie door de Huizen. Al jaren wordt iedere natuurlijke doorstroming in onze topfuncties belemmerd door die levensverlengende inspanningen van een aantal Doodvorsers op hoge posten. Er zijn recent enige promoties ingeleid door opmerkelijke verdwijningen en mysterieuze ongelukken. In de Huizen neemt het aantal ambitieuze assistenten toe en de aanname van novieten en leerlingen wordt uitgesteld en gesaboteerd. Gaat dit zover dat ik en vele anderen met mij ons straks moeten gaan wapenen tegen aanslagen vanuit eigen kring? Onze kennis van ziekten en doodsoorzaken wordt groter en groter, maar welk doel dient dit? Ik zal zo spoedig mogelijk terug moeten om te keren waar en wat er gekeerd moet worden.'
Toen hij voldoende hersteld was om te lopen, bracht Nur hem naar haar ooms, die van hem dompellood aannamen om hem naar de haven van Benzatzoee te brengen. Aan Nur gaf hij zijn fraaie laarzen en het vezelkoord, geschenken, die ze naderhand zeer profijtelijk verhandelde op de markt in Tsjonghedjingo. Hayo poogde opnieuw haar iets uit te leggen over de erfenis van haar kind, maar ze wuifde zijn gepraat weg. Ze begreep in het geheel niet waar hij het over had. Bij de Baks was immers alle waarde bij de moeders? Wat zou een kind nu toch bij een manvader moeten gaan halen? Met graagte pakte ze wel zijn dunne, maar keiharde en scherpe Shir mes aan. Nurs oom Rinzai kwam terug met het verhaal dat de vogelman op de kade iets had gezegd over zijn afgerukte arm en gewezen had op de polsband. Rinzai had er weinig van begrepen, maar Nur snapte er meer van. Op een middag ging ze terug naar ze plek in de jungle waar de vogelman gevallen was. De rottende arm was uit de takvork gevallen en ze kon er de geelwitte polsband makkelijk van losmaken. Het zou een mooie amulet voor haar kind zijn, vond ze en toen dacht ze, dat de vogelman dit bedoeld moest hebben met zijn Belofte en dat erfenisverhaal.
Zo kon later het kind Gaosar Ouran (hetgeen in Pai betekende 'Flitsend vallende vogel') worden geboren, even onkundig van die vèrstrekkende Belofte als zijn moeder. Behalve de polsband, die hij al als zuigeling om kreeg, was zijn erfenis verder duidelijk genoeg. Hij was een Halfbak: een kind met een Shirneus, een scherpe haak, groene Shirogen en een veel lichtere huid dan de mensen om hem heen. De meisjes maakten grappen over de geslachtsrijpe toekomst van dat opvallende kind en vanaf zijn zevende jaar bleef het niet bij grappen alleen. Gaosar had een zeer voorspoedige jeugd en bleef wonderlijk voor alle gebruikelijke ziekten gespaard. Nurs tweede kind was een meisje, zodat haar geluk volkomen was. Iria-ut-Zoa werd het genoemd, `De bloeiende palm, die haar beloning was'. De derde was weer een jongen, Tipo Tennen (`Hoge Rotskind', omdat hij op de top van een hoge berg verwekt was). Er werden nog vier kinderen geboren, twee dood en de laatste twee kwamen tegelijk en stierven binnen het maanjaar. Daarna wilde Nur geen mannen meer.
Gaosar en zijn broer Tipo maakten beiden in het Jaar van de Zwaluw twee sterke vrouwen uit een andere vallei zwanger en daarna werden ze voor een lastige keus gesteld. Ze konden voor hun moeder blijven werken, hoewel er weinig te doen was en hun zuster aan Nur zeer toegewijd. Ze mochten ook in de andere vallei komen werken, maar dat was een armer gebied met veel mannen. Ze zochten naar andere mogelijkheden. Er was sprake van een reis naar het uiterste zuiden van Igdi om daar goud te zeven in het mondingswater van de Stingo-rivier. Ook overwogen ze om kopererts te gaan zoeken in het gebergte van Noordwest Igdi. Ofschoon het verre van ongevaarlijk was, lokte dat avontuur hen het meest. Hun plan was om na het regenseizoen te gaan, maar Nurs onverwachte dood bespoedigde hun vertrek. De Oude Moeders gaven Nurs schedel aan Iria en ook al haar verdere bezittingen. Gaosar en Tipo hadden allebei verlangend naar het legendarische scherpe vogelmanmes gekeken, maar de wet was onverbiddelijk. Bij haar leven had Nur het weg wel kunnen geven aan haar eerstgeborene maar door haar dood vervielen alle rechten en zaken aan de oudste dochter. Dus gingen Gaosar en Tipo al vroeg in het nieuwe Flamingojaar weg uit Capai. Eerder in het jaar hadden ze bitterzout gehaald in de natuurlijke zoutpannen van Bis Bis, een zwaar werk omdat ze middels zeven het zout van het zand moesten scheiden. Ze zouden het in elk geval overal kunnen ruilen voor aantrekkelijker waren. Hun taal, Pai, was verwant aan het Zietse dat de Baks in Igdi spraken, zodat handel drijven makkelijker was. Ze waren vol zelfvertrouwen. Gaosar, de Halfbak, zoals hij soms genoemd werd, was iets langer dan zijn donkerder halfbroer Tipo, maar Tipo was beslist krachtiger gebouwd. Tipo was met zijn vrolijke, open gezicht en een ondeugende oogopslag op het eerste gezegd de aantrekkelijkste van de twee, terwijl Gaosar met een bepaalde onuitgesproken ernst de meest stabiele indruk maakte. Samen vormden ze een hecht team. De broers kenden redelijk wat woorden Tiki, zodat ze eventueel hun zout konden verkopen aan één van de vele Shirkooplieden, die langs de handelsroutes door Capai reisden. Omkomen van de honger zouden ze in dit seizoen zeker niet. Hun enige zorg gold een beroving onderweg, zelfs een vrijheidsberoving, want ondanks hun verwantschap hielden enkele stammen in de Baklanden slaven en incidenteel, bij rampzalige droogte of een dreigende oorlog, werden mannelijke vreemdelingen gebruikt voor een offer aan de godin. Ze vertrouwden echter op hun grote vaardigheden in jacht en gevecht. Hun bewapening was dan ook zeer uitgebreid. Ze droegen om hun middel een lang vallentouw van gevlochten hennepvlas, dat ook als wurgkoord zeer bruikbaar was. In ieders gordel stak een scherp geslepen mes van everzwijntand, een kostbaar en al zeer oud bezit, dat hun oudste oom van moederskant hun ten geschenke had gegeven. Ze waren verder behendig op dubbelzijdig geslepen, lichte werpmessen van ezelbot, die ze zelf vervaardigd hadden en waarvan ze er vijf, Tipo zelfs negen, aan koorden aan hun gordel hadden hangen. Hun grootste kracht lag echter in de manshoge speer met een vuurstenen blad, dat vlijmscherp geslepen was. Ze gingen. Blijven in een arme vallei met saaie vrouwen was niet aantrekkelijk. Ze waren beiden gezond en sterk, dus gingen ze weg. Verder dachten ze niet.
Nadat Gaosar en Tipo zeven dagen in oostelijke richting gelopen hadden, werd het landschap hun allengs onbekender. De zeewinden, die langs het hele schiereiland woeien, lieten onregelmatig in het jaar wat regen vallen, als ze tegen de berghellingen moesten stijgen. Daaraan dankte Capai zijn hier en daar weelderige vegetatie. Toen ze het smalle stuk van het eiland overstaken, werd de begroeiing snel minder. Dit deel was nagenoeg vlak en overdekt met mager savannegras. Er graasden grote kudden van de meest uiteenlopende soorten buffels en andere hertachtigen. Soms zagen of roken ze leeuwenmest en dan liepen ze bijzonder op hun hoede om de kleine bosschages heen, die hier en daar verspreid in het gras stonden. In de bomen zagen ze soms kennelijk op hun beurt wachtende gieren, een zeker teken van een etend roofdier. Geruststellend was dat allerminst, want hongerig of niet, roofdieren hebben de onhebbelijke gewoonte om zich niet door speer of pijl te laten afschrikken. Langzaam begon hun pad ook te stijgen tot ze niet langer de kustlijn konden volgen door de ontoegankelijkheid van de kliffen langs de zee. Diepe ravijnen en onbeklimbare overhangende rotsen dwongen hen uit te wijken naar het binnenland, waar de temperatuur aanmerkelijk hoger werd overdag. Het gras begon in de hitte al weer snel te verdorren, dikke plekken geel tussen het donkergroen, een licht knisperen onder de laarzen van de twee reizigers. Rond onbegroeide rotsformaties was veel marjolein te vinden, profiterend van de van de steen druipende nachtelijke dauw. Hoger tegen de geërodeerde berghellingen stond salie, laf grijsgroen blad, stervend van de dorst maar nooit doodgaand. Soms bleek op deze hoogte zelfs een magere den te overleven. Eén jaar van overvloedige regen en er schoot direct van alles omhoog, maar het volgend jaar zou alleen datgene overleefd hebben, dat direct omlaag had getast, diep peurend naar permanente waterstromen in de ingewanden van de berg.

`Wat niet diep geworteld is, valt ten prooi aan de heetste hel' was een gezegde op Capai dat was ontleend aan dit deel van de natuur. Deze streken werden weinig bezocht, hoewel trekkende herders uit Igdi hier soms hun geiten lieten weiden. Het pad dat de beide broers volgden, was al heel oud. Het was een route voor karavanen en individuele kooplieden, die hun weg gemarkeerd hadden met talloze kleine offerplaatsen bij hun nachtkampen om hun goden of godinnen een veilige nachtrust af te smeken. Op bepaalde plaatsen hadden herders en jagers de tekenrituelen uitgevoerd, die bij hun sterke jachtmagie hoorden. De ontelbare ingekraste symbolen in de rotswanden verbeeldden de betoverde prooidieren, wier ziel in de steen gevangen was, zodat de jager hen besluipen kon. Niet zelden weken de broers een eindje van de weg af, omdat de kracht van bepaalde plekken zo huiveringwekkend was, dat ontheiliging er van voor hun gevoel een bijna zekere dood zou betekenen.


Aan de voet van een langzaam stijgende helling vonden ze een schedelplaats van een volk, dat al eeuwen hier niet meer woonde, voormoeders van de Bindi. Soms offerden reizigers wat voedsel om de geesten van de oude moeders tevreden te stellen. Gaosar en Tipo waren niet dapperder dan de ongetelde reizigers voor hen en legden voor de opening tussen de hoog opgetaste stenen de koppen van twee blauwhanen neer, die ze met een slingerriem 's middags verschalkt hadden. Toen Gaosar zich oprichtte, zag hij plotseling tot zijn grote schrik in de schedelplaats een naakte bebloede arm liggen. Instinctief verschenen er zonder overgang twee messen in zijn handen en op dat gebaar sprong ook Tipo achteruit, graaiend naar zijn speer, die hij op de grond had gelegd om in passende eerbied zijn offer te kunnen brengen. Even stonden ze doodstil, hijgend en zwetend, klaar voor vlucht of aanval. Toen hun eigen adem rustiger werd, hoorden ze een gerucht, een binnensmonds kreunen van ondragelijke pijn. Dat stelde hen voldoende gerust en mes vooruit, keek Gaosar opnieuw naar binnen. Weggedoken tegen één van de wanden, tussen de schots en scheef door elkaar liggende schedels, lag een kolossaal mannenlichaam, onder het bloed en overdekt met rattenbeten. Kennelijk had de gewonde man hier beschutting gezocht tegen de zon, maar een haast gruwelijker vijand gevonden in nachtelijke knaagdieren. Gaosar zag nergens een wapen, maar hem viel wel 's mans halsketting op, die een gouden glans had. Hij wenste zichzelf geluk met deze vondst, een moeiteloze buit. Ze zouden de man doden en hem het waardevolle sieraad afnemen. Hij durfde echter voor geen prijs de schedelplaats zelf in. Hurkend greep hij de bloederige pols waar hij net bij kon en poogde het lichaam tot buiten de opening te slepen. Het hoofd en de romp kwamen echter klem te zitten en hij moest de arm loslaten om het hoofd op te tillen om het naar buiten te kunnen sjouwen. Plotseling sprong hij overeind. Tipo had naast hem gestaan met gestrekte speer en Gaosar kon de scherpe vuursteen nog maar net uit diens dodelijke richting duwen toen zijn gealarmeerde broer wilde toesteken.
"Rood haar!" gromde Gaosar ontzet en ook Tipo week achteruit. Wat ze voor een bebloed hoofd hadden gehouden, bleek nu lang krullend vuurrood haar te zijn. Een oude legende werd plotseling vlees geworden werkelijkheid. In dat rituele verhaal werd een tovermoeder immers terzijde gestaan door een reusachtige roodharige geest, die van een haarstreng voor haar een altijd vonkende vuurtol had gemaakt. Deze man had beslist vuurhaar! Ze keken zo geobsedeerd naar het hoofd van de reus, dat, mogelijk door hun geconcentreerde aandacht, diens geest uit de dood terugkwam. Het hoofd opende een bloederig oog en toen de mond en zei: "Koepeh..." hetgeen de broers herkenden als een Zietse woord, dat `geliefde' betekende. Zonder te kunnen handelen bleven Gaosar en Tipo toekijken. Het rechteronderbeen van de reus was vlak onder de knie vreselijk toegetakeld, evenals de beide handen en onderarmen. Ze herkenden ineens de soort wonden: de man was aangevallen door Jioe-honden, agressieve doders, die in kleine groepen jaagden en zelfs voor leeuwen niet automatisch uit de weg gingen. Hij had ze klaarblijkelijk met zijn handen van zich afgehouden. Alleen met zijn handen! Dat idee maakte een diepe bewondering in hun wakker. Zulke dapperheid en kracht verdiende een beter lot dan te sterven in een voormoederlijke schedelplaats onder de meedogenloze tanden van bruine ratten! Bijna gelijktijdig bukten ze om de reus om te draaien, zodat hij op zijn rug kwam te liggen. De man kreunde weer erbarmelijk. Tipo onderzocht het lichaam en zei verbaasd: "Verder niets. Maar hij kan niet meer lopen. Weinig bloed meer."

Zonder acht te slaan op het vreselijke kreunen legde hij de loshangende stukken vlees van het onderbeen tegen elkaar aan en verbond toen de monsterlijke wond. Ook in het linkerbeen en de linkeronderarm zaten diepe hondenbeten, die Tipo zonder dralen uitwaste en daarna verbond. De handen zaten onder het bloed maar hadden bij nader onderzoek alleen diepe schrammen van de scherpe tanden opgelopen. Ze konden zich geen van beiden voorstellen hoe een man zonder speer of mes zich te weer had kunnen stellen tegen Jioe-honden.

Gaosar goot voorzichtig wat water uit zijn waterzak in de uitgeput hijgende mond. De man slikte en kreunde iets.

"Hij zegt: ‘Kos', geloof ik," zei Tipo tegen Gaosar. "Dat kan `meer' betekenen, of `hoofd' als hij `Kas' bedoelt."

De reus bewoog heel licht zijn hand, alsof hij naar boven wees. Gaosar goot hem nog maar wat water in de mond en terwijl hij dat deed, voelde hij iets bewegen op zijn arm die het hoofd van de gewonde ondersteunde. Een lange ervaring met dit soort situaties deed hem los van alle paniek, maar zeer weloverwogen reageren. Hij trok uiterst voorzichtig zijn arm terug en keek toen neer op een gekrioel van sluiptorlarven. Onder het rode haar zat een etterende wond, die aanvankelijk aan hun aandacht was ontsnapt. Een sluiptor had er eieren in gelegd, die kennelijk aan het uitkomen waren, een vreselijke jeuk veroorzakend, een gevoel dat wellicht erger was dan de gekwelde verbroken zenuwuiteinden in de beenwond. Met zijn scherpste werpmes schoor hij het achterhoofd kaal en waste toen de wond schoon en de larven weg. Het leek wel of daarmee pas het besef van zijn redding doordrong tot de reuzenman, want er welden tranen uit zijn gesloten ogen. Zonder enig geluid uit de keel van de gewonde bleef de tranenstroom vloeien. Tipo en Gaosar keken er een tijdje naar en daarna keken ze elkaar aan.

"Als we hem meenemen, moeten we hem op een baar tussen ons in hangen," zei Tipo. "Tenminste, àls we hem meenemen."

Ineens was hun reisplan drastisch onderbroken. De karavaanstad Zu was nog maar vijf of zes dagreizen ver. Met een draagbaar lopend zouden ze er misschien wel meer dan een week over doen.

"We kunnen teruggaan en hem naar Lit-kaka brengen," zei Gaosar. "Dat duurt maar een dag of twee."

"Wel ja, dan gaan we naar het zuiden in plaats van naar het noorden, waarom niet?" grijnsde Tipo breed. "Als de hand van de Ene beweegt, gaan de vingers mee."
Met dat oude gezegde was de wijziging van hun bestemming aanvaard. "Bomen," wees Gaosar en tegelijk stonden ze op. Met de bedoeling om enkele lichte takken voor een draagbaar te kappen liepen ze op het aangewezen groepje bomen af. Toen ze dichterbij kwamen, klapwiekten ineens een aantal gieren de lucht in. Twee jonge jakhalzen stoven weg uit het struikgewas toen ze de mannen die met de wind mee naderden, roken. Op hun hoede gingen ze verder, nog meer roodharige lijken verwachtend. Ze troffen echter geen reuzen aan, maar de kadavers van drie grote Jioe-honden. Eén ervan was zo goed als in tweeën gebroken, van een ander was de onderkaak van de bovenkaak afgescheurd. De derde hond miste de staart, die ze onder één van de bomen terug vonden. Het leek er op dat iemand het dier, aan de staart vastgehouden, had doodgeslagen tegen de stam. Vol ongeloof lieten ze het tafereel op zich inwerken. Plotsklaps deed Tipo een paar stappen het struikgewas in en kwam terug met een brede, dubbele schoudertas.

"Veel lood," zei hij en gebarend met zijn hoofd: "Van hem."

Ze kapten met de zijkant van hun speren snel twee dunne takken en sneden een aantal brede repen elastische bast uit de boomstammen. Voordat ze terug liepen, brak Tipo de vervaarlijke hoektanden uit de door de gieren al flink aangevreten koppen van de Jioe-honden. In andere plaatsen zouden tovenaars ze graag willen hebben voor hun veelsoortige jachtamuletten. Toen ze later de reuzenman op de baar tilden, deed hij opnieuw zijn ogen open en zei nogmaals zachtjes: "Koepeh" (geliefden). Tipo antwoordde met: "Zenne!", het Pai-woord voor `broeders.' Gaosar bemerkte een intens gevoel van volheid in zijn wezen, dat hij met zijn denken niet anders kon omschrijven dan als `We hebben gedaan wat moest' gevolgd door `Dit is ook mijn broeder, inderdaad' en daarna was er een ongekende weekheid in zijn ingewanden.

"Ik voel me zo trots," deelde hij zijn gevoel met Tipo die voorop liep. "Het is net alsof we op weg naar huis zijn met de grootste jachttrofee die ik me kan voorstellen."

"In elk geval met de zwaarste," zei Tipo en daarna zeiden ze, hijgend en zwetend, heel lang niets meer, nagenoeg tot op het strand van Lit-kaka, want de reus was inderdaad reuze zwaar.
Lit-kaka, 'Schedelstad', was al eeuwenlang een haven voor handelaars tussen de eilanden van de Tillant-archipel en het vasteland. Vooral de Bakvissers met hun grote boomkano's zochten graag beschutting in de natuurlijke haven, die omgeven werd door hoge rotsen. Op het grote zandstrand vonden nog steeds tientallen kano's een ligplaats, maar nu was er ook een steiger gebouwd voor de dieper liggende Shir veerboot.

Opnieuw wasten ze daar de vuile wonden uit. Onderweg had de gewonde diverse malen het bewustzijn verloren, overmand door pijn en bloedverlies, maar nu lag hij met open ogen naar zijn verzorgers te kijken. Ze hadden hem eerder die ochtend het verse bloed van twee in hun nachtvallen gevangen marmotten te drinken gegeven en de rauwe hartjes van de dieren. Dat had hem klaarblijkelijk aangesterkt.

"Koepeh", zei hij weer zachtjes in het Zietse, de taal van de Baks. En toen: "Geliefden, ik dank jullie voor mijn leven, dat nu aan jullie toebehoort."

De broers moesten even aan de uitspraak en de zinsbouw wennen, maar ze begrepen hem goed. Ze bogen hun hoofd even schuin omlaag ten teken van aanvaarding.

"Jullie hebben ook mijn tassen gehaald," constateerde de reus. Weer bogen ze hun hoofd licht.

"Mijn naam is Gaosar en dit is mijn broer Tipo. Wij komen uit het zuidwesten van Capai," informeerde Gaosar de ander.

"De naam is Karnk Bartas. Uit Kendoland. Kwam uit Ut," deelde de reus mee. "Reisde naar Lit-kaka. In plaats van dood bij de honden lig ik nu toch op de goede plaats."

"Dit is Lit-kaka," bevestigde Gaosar. Karnk zuchtte diep en sloot zijn ogen, nu in slaap in plaats van bewusteloos. Aan het eind van de middag werd hij weer wakker. De man dronk veel en at de twee bouten van de marmotten op, twee handen met noten, een roze wortelknol van forse afmetingen en daarna keek hij nog met trek naar de vis, die Tipo boven een klein vuur zat te roosteren. Zonder commentaar gaf de jonge Bak de vis aan de reuzenman en liep toen weg om nieuwe te gaan vangen. Gaosar zat belangstellend toe te kijken.

"Je eet goed," zei hij.

"Ik leef weer dus ik eet," zei Karnk. Plotseling lichtten zijn ogen op, toen hij naar Gaosar’s onderarm keek. "Dacht, dat je een amulet droeg, maar nee, een Shir polsband. Jullie zien er niet als tovenaars uit."

Gaosar moest lang nadenken om het hele verband te begrijpen. De Zietse-woorden waren hem wel duidelijk, maar de bedoeling niet.

"Praat je over dit?" vroeg hij zijn linkerpols tonend. Karnk knikte: "Natuurlijk. Wie heb je er voor doodgemaakt?"

"Mijn moeder gaf hem mij toen ik pasgeboren was. Ik weet niets van de oorsprong," antwoordde Gaosar.

"Was je moeder een tovenares?" vroeg Karnk. Gaosar hief zijn open handpalmen op in een gebaar van ontkenning.

"Jij weet het. Vertel mij meer," vroeg hij nieuwsgierig.

"Ik heb die dingen eerder gezien," vertelde Karnk. "Ik heb het vorig jaar een reis gemaakt naar Bonewits en daar heb ik Shir tovenaars ontmoet. Die dragen dat soort dingen als bescherming tegen ziekte. Sommige rijke Shir hebben ze ook om. Dreef je moeder handel met de Shir?"

Gaosar en Tipo waren stomverbaasd.

"Nur-ell-Guin? Met de Shir?" riep Tipo.

"Er was wel een verhaal...?"aarzelde Gaosar. Hij riep Tipo terug: "Hee Tipo, weet je nog? Dat verhaal van Nur? Over de vogelman? En het vogelmanmes?"

"Onze moeder Nur had het meest voortreffelijke mes van alle valleibewoners, één dat scherp bleef zonder wetsteen," vulde Tipo aan, toen hij naast Karnk kwam staan.

"Dat was een Shir mes," bevestigde Karnk. "En je broer is een Halfbak en hij draagt een Rishe ziektetalisman. Was je vader een Rishe, Gaosar?"

"Bij ons volk vraagt nooit iemand wie je vader was," zei Gaosar onzeker.

"Goed," zei Karnk. "Ik moet aan jullie taal wennen en aan jullie gewoonten. Vergeef me als ik je beledigd heb."

De broers begonnen te lachen.

"We hebben je geen twee dagen gesjouwd om ons nu druk over zoiets te maken," zei Gaosar. "Het bloed op de blaren van onze handen heeft zich met dat van jouw wonden vermengd. We beschouwen je als onze bloedbroeder."

"Precies! Dàt is de juiste geest," grijnsde de reus. "Wat hebben jullie een goede smaak! Ja, dat jullie mij als je vriend hebben uitgekozen!"

Die visie op de gebeurtenissen was zo ongerijmd, dat de broers in schaterlachen uitbarsten. Karnk lachte eerst mee, maar trok toen een zure grimas.

"Ontspan maar," grinnikte Gaosar.

"Ja, nee, kijk, als ik me nu nog meer ontspan," antwoordde Karnk met een strakke kop, "dan laat ik een scheet en bovendien trekken mijn wonden dan nogal pijnlijk."

Plotseling kreeg Gaosar een idee. Hij gespte zijn polsband los en deed die om Karnk’s pols met een losse strik vanwege de zeer forse maat van die pols en vanwege een paar kleinere wondjes op de rug van de hand.

"We zullen zien of je gelijk hebt, Karnk Bartas, met je verhaal over die talisman tegen ziekte," zei hij, tevreden over zijn eigen slimheid. "En houd je nu een tijdje stil. Laat al dat eten verteren en slaap dan nog wat. Je moet hier maar beter zien te worden, want ik draag je niet verder meer."

"Nog één ding," merkte Karnk op. "Als je deze polsband op Bayin verkoopt, dan kun je hier een hele kudde geiten kopen. Het is maar dat je het weet."

Alsof die zin inderdaad het laatste van zijn krachten gevergd had, zo vielen zijn ogen dicht. Gaosar, die de polsband nog maar zelden had afgedaan, voelde zich zonder het vertrouwde gevoel vreemd kaal en leeg. Het idee op zichzelf was schitterend, beslist veel beter dan koper zoeken in een droog en heet Igdi of goud wassen in de monding van de Stingo tussen mogelijk niet geheel vriendelijke Bakstammen. Maar als Bartas gelijk had, zou deze Shir amulet hem beschermen tegen ziekte. Daarmee was het een bezit van onbeschrijfelijke waarde.

"Er ligt een Shirboot aan de steiger," wees Tipo, die kennelijk zijn gedachten las.

"Zou jij naar de Tillant-eilanden willen in plaats van naar Ogdi?" vroeg Gaosar.

"Ik wel!" bevestigde zijn broer enthousiast. "Ze hebben huizen met lavaglas ramen, heb ik wel eens gehoord. Dat wil ik wel eens zien. En de Shir mannen erkennen het gezag van de Moeders niet. Dat wil ik ook wel eens zien."


Het was donker aan het worden. Vol gedachten maakten de twee broers een nachtkamp. Gaosar kon de slaap niet vatten. Hij lag naar het vuur te kijken, dat de nachtdieren op een afstand moest houden. Beelden van Nur-ell-Guin vloeiden af en aan in zijn geestesoog. Shir had hij nog nooit gezien. Hoe een Rishe er uit zag, kon hij zich helemaal niet voorstellen. Hij had zich nooit bezig gehouden met vragen over zijn vader. De Bakstammen telden broers en de ooms van moederskant. Zelden hadden de vrouwen meerdere kinderen van eenzelfde man. Hij moest ook weer denken aan het vogelmanmes, dat Nur aan haar eerstgeborene had kunnen geven, maar dat in het moederbezit naar hun zuster Iria was gegaan. `Bij de Shir erven de jongens' wist hij en er ging een naar gevoel door hem heen, dat leek op afgunst en op teleurstelling, toen het beeld van het vogelmanmes weer verscheen. Een kudde geiten kon je kopen met zo'n polsband, dat had Karnk gezegd. Dan kon je er ook wel een vogelmanmes voor kopen. Of twee. Of drie. Het duurde een lange tijd voordat hij sliep.


Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina