De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina19/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   34

Hoofdstuk 18 Het zintuigentasje.

Karnk liet na het verhaal van anderen zijn ideeën over een brand in het Mengkantoor horen. Hij had die middag op verschillende adressen in totaal tien vaten dure lampolie ingekocht, waar hij zijn hele fortuin aan loodgordels aan had besteed.

"Nog nooit heb ik me zo lichtvoetig gevoeld, zo luchthartig, zo losbandig, zo lastverlost," liet hij poëtisch weten. Hij had ze ingeladen op een grote lastwagen en die gestald op het terrein van een bevriende relatie van Ishsti in de buurt van het Mengkantoor. Ishsti had zich kunstig vermomd als een handelaar en een monster van de olie aangeboden aan de magazijnmeester van het Mengkantoor. Daarna had hij diens begerigheid opgewekt door hem de hele partij aan te bieden in ruil voor slechts vijftien balen grofgeweven linnen, waar hij zei dringend om verlegen te zitten. De magazijnmeester vond dit zo'n fortuinlijke overeenkomst, dat hij zich de hele middag zou beijveren om de gewenste hoeveelheid in huis te krijgen. Ze hadden afgesproken dat de olie op de lastwagen de volgende middag in de opslagruimte op de onderste verdieping van het Mengkantoor gelost zou worden. Tegelijkertijd kon dan de koopman Ishsti zijn `zeer sterke bediende' daar de balen linnen laten opladen.

"En dan gebeurt er een ongeluk," giechelde Karnk als een ondeugende kleuter. "Want zulke sterke bedienden zijn ook altijd heel, heel dom! En olie en linnen hè, dat is een heel brandbare kombinatie, hihihi!"

Gaosar voegde aan het algemene enthoesiasme met een doelgerichte beslistheid die hem zelf verbaasde een tweede plan toe.

"Ik laat me tegelijkertijd uitnodigen in Twarths kantoor op de bovenste verdieping," zei hij. "En daarna ga ik met hem eens een goed gesprek beginnen!"

Hij spande op die speciale manier zijn elleboogspieren en plop, daar lag de geheimzinnige vervormer van Cayobur Hayo in zijn hand. Bijna alle aanwezigen gaven een schreeuw van verrassing, alleen Ishsti bleef volkomen kalm. Hij begreep het direct.

"De erfenis van je vader?" stelde hij vast. Gaosar knikte. De oude Tekenduider schudde bedachtzaam zijn hoofd.

"Hij lacht zo nu en dan heel tevreden naar je," zei hij. Gaosar stond er van versteld dat Hayo's glimlach ook door iemand anders was opgemerkt.

"Zijn geest is al de hele avond hier. Hij keurt je daden goed," vervolgde Ishsti. "Hij is heel blij dat jij zijn werk af maakt, laat hij weten."

Gaosar voelde een versluierde irritatie opkomen. Het duurde even, voordat hij het onder woorden kon brengen, omdat iedereen om hem heen was komen staan om de vernuftige techniek van de vervormer in de armholster te bewonderen. Ook de buitengewoon fraaie manakonda-gordel uit Gaosar’s erfenis werd druk besproken. Ineens zei Gaosar luid en scherp boven alle gepraat uit: "Ishsti! Laat hem weten, dat ik alleen mijn eigen werk wil afmaken. Ik heb niets met zijn wraak te maken en dat wil ik niet ook!"

Iedereen werd doodstil. Tipo stond te trillen als een riet. Er was zonder waarschuwing ineens een ongekende kracht in de vuurzaal aanwezig, bijna tastbaar, bijna hoorbaar. Het leek alsof iets zichzelf schudde als een vos in de regen. De onzichtbare druppels vlogen alle kanten op. Gaosar werd voor de tweede keer Tirts enorme geestpantser gewaar, dat zich in een oogwenk had uitgespreid en alle anderen omvatte en beschermde. De niet-natte druppels leken te verdampen op dat niet-hete schild. Toen was de geest weg en de vuurzaal weer gewoon de vuurzaal.

"Hij bedoelde het niet kwaad," zei Ishsti.

"Dat weet ik ook wel," antwoordde Gaosar. "Maar toch. Ik heb al meer dan genoeg aan mijn eigen opdracht."

Daarna zaten ze nog een tijdlang zonder veel te zeggen bij elkaar. Toen Gaosar liet weten dat hij wilde gaan slapen, zei Siri: "Ik zal mijn voorouders vragen om je morgen te beschermen."

"Laat hen maar rusten," antwoordde Gaosar met een onwennig gevoel van onafhankelijk willen zijn. "Ik ben het zuiverste als ik alleen rekening hoef te houden met mijn eigen drijfveren. Ik wil morgenavond hier weer graag ongeschonden al mijn vrienden ontmoeten."

Hij haalde twee keer diep adem, voordat hij de volgende zin aandurfde: "En eh, jou ook natuurlijk."

Oei! Heel snel gooide hij er achteraan: "En Suze ook uiteraard!"

Ai, ai, hoe fout, hoe gênant fout, had dat geklonken. Hoe laf. Maar hij durfde niet duidelijker te zijn. Het was gelukkig voor iedereen tijd om te gaan slapen.
Midden in de nacht hoorde Gaosar vreemde geluiden. Hij had al zijn kleren in bed aangehouden, bedacht op ieder mogelijk onraad. De vervormer had hij onder zijn hoofdkussen gelegd. Hij sloop met het apparaat in z'n hand de gang op, waar hij plotseling oog in oog kwam te staan met Karnk.

"Ga maar terug," fluisterde de reus. "Niets aan de hand."

Weer hoorde Gaosar het geluid. Alsof er iemand kreunde in een vreselijke pijn. Een vrouw? Hij pakte Karnk’s elleboog in een diepe angst om Siri. "Stil, stil," zei Karnk. "Tirt en Suze Sugatha slapen bij elkaar. Ze schreeuwt niet van pijn."

"O."


Toen Gaosar zich omdraaide, zag hij ook Tipo uit zijn kamer komen. Hij realiseerde zich dat ze alledrie in slagveldslaap hadden gelegen, rustend, maar zich nooit helemaal overgevend aan de verre reis van de diepe slaap. "Suze geniet van Pan," legde Karnk zachtjes aan Tipo uit.

"Ik was alleen maar benieuwd wie het was," zei Tipo. Pas toen hij weer in bed lag, bedacht Gaosar, dat Tipo er rekening mee gehouden had, dat het de stem van Siri had kunnen zijn, huilend van die zoete pijn. `Maar ik ben niet zo dapper als Pan Tirt', dacht hij. Of misschien was het gewoon nog niet de juiste tijd.?


In de vroege ochtend hing er een lichte mist over de stad, die zeer ruikbaar verzwaard werd met de grijsblauwe rook van de ontelbare houtvuurtjes, waar de stadsbewoners hun ontbijt op verwarmden. Langzaam verdween de nachtelijke koelte. Tirt had Gaosar een populaire uitspanning in de buurt van het Mengkantoor aangewezen met de naam Van Daenikens Dageraad. Daar schenen velerlei medewerkers van het Kantoor zich voor te bereiden op zware werkdagen of even prettig te pauzeren tussen hun belangwekkende opdrachten in. Bij uitzondering werden zelfs de grote bazen Twarth en Eichhor er gesignaleerd. Het zou Gaosar een onverdacht contact kunnen opleveren en de zo zeer begeerde uitnodiging.

De serai was vol kooplieden, een enkele priester en inderdaad talloze lieden, meest mannen, in de bruine werktuniek van het Mengkantoor. De mensen zaten aan lange tafels te eten en te drinken. Gaosar bracht er ruim een wateruur door. Hij bood hier en daar iemand iets aan en verzamelde slinks informatie, maar geen van de aanwezigen bezat voldoende status voor zijn plan. Karnk en Ishsti zaten af te wachten in een nabij gelegen, nogal wat loucher etablissement. Beiden hadden ze hem waardevolle raad gegeven om de aandacht van de Rishe te kunnen krijgen. Om de beurt kwamen ze zo nu en dan onopvallend even langs om `de voortgang te bewaken,' zoals Karnk het noemde. Het was hun plan om hun aanslag in gang te zetten op het moment dat Gaosar zijn entree bij Twarth of Eichhor zou kunnen gaan maken. In verband met zijn nieuwe functiebeslommeringen was Rish Bol van het geschokte Huis van Onderhoud voorlopig niet meer op zijn post in het Mengkantoor maar aan de slag in Hayo's werkruimte in het Raadsgebouw. Gaosar liet zich niet ontmoedigen. Er vloeide een soort heilig vuur door hem heen, dat een onbegrensd vertrouwen in de goede afloop van zijn radicale bedoelingen meebracht. De vlieggordel maar vooral ook het wapen onder zijn oksel voegden daar niet weinig aan toe. Hij had de mogelijkheden in de donkere paleistuin uitgeprobeerd en hij had versteld gestaan over de macht, die de vervormer hem gaf. Zijn enige zorg was de gebruiksduur van het apparaat. Tirt had hem verteld dat elk een eigen oplaadhouder voor zonne-energie had. Die was helaas niet meer beschikbaar. Maar voorlopig! Hij was zich er van bewust, dat hij zijn aspect van jager op gevaarlijk wild had aangenomen. Dat zijn prooi in dit geval menselijk was en niet dierlijk, maakte geen verschil. Wat moest komen, zou komen. Dat was geen zin meer in zijn hoofd, het was een weten in zijn hele wezen. Hij keek naar buiten. Op het kleine plein voor de Dageraad stonden een paar vrouwen waterketels te vullen bij een openbare waterput. Een groepje van zes mannen in bruine tunieken liep langs hen heen. Allen keken geobsedeerd naar de bukkende en bewegende vrouwenlichamen, maar het vreemde was, dat ze dat van elkaar niet schenen op te merken, omdat ze immers allemaal dezelfde kant op loerden. Toen ze binnen kwamen en luidruchtig gingen zitten, zorgde Gaosar er voor dat hij een discrete plaats vond binnen hun gehoorsafstand. Daardoor kwam hij naast vijf Niss te zitten, die langs de ebbehouten wand hurkten. Hun zwarte haren vielen weg tegen de donkere achtergrond, hun witte tanden schitterden in de strakgespannen gele gezichten. Hun taal moest wel langdradig zijn. Stuk voor stuk hielden ze lange vertogen tegen elkaar met knetterende en sissende klanken. Ook de werkers uit het Mengkantoor hadden het druk met het bespreken van de sensationele gebeurtenissen van de vorige dag. Nieuws hoorde Gaosar aanvankelijk niet, totdat één van de mannen opstond om zijn betoog kracht bij te zetten. Het was een nogal zwaarlijvige, oudere man met een bol gezicht en miezerig baardhaar. Hij zette een voet op de lange bank, waar Gaosar op zat en daardoor vielen hem ineens de rijke versierselen op 's mans laarzen op. Toen zag Gaosar ook een klein gouden insigne op de zware borst glinsteren. Hij spitste zijn oren. Dit was vast geen onbeduidende assistent van een assistent. Ook de sfeer van verplichte aandacht, die de andere mannen plotseling uitstraalden, scheen die conclusie te rechtvaardigen.

"Wat voor spontane moordlust, jonge Hadde?! Waar bazel je over, aap? Nooit volgt de beschaafde mens zonder meer zijn spontane impulsen!" oreerde de man. "Jij kwaakt als een kikker, kerel. Welke passie?! Onze cultuur en fijnzinnigheid uit zich in een gepolijste beschroomdheid rond alle vitale verlangens. Onthecht toch! Laat de passie maar aan de Bindi, wij Shir zijn immers uitgestegen boven het lagere lichaamsbewustzijn? Ha! Wij zijn de dragers van de hogere geest!"

De laatste regel werd onderstreept door een ferme vuistslag op de tafel. Dit deed minstens één van zijn ondergeschikten opschrikken uit wat men een diepe slaap had kunnen noemen, ware het niet dat hij de ogen steeds wijd open had gehad.

`Ai, slapen en toch niet-slapen. Wat een nuttige vaardigheid,' dacht Gaosar. De rest van de mannen knikte bepaald slaafs, hoewel degene, die met Hadde was aangesproken een verre van onderdanige blik in zijn ogen hield. Toen de zware man moraliserend door bleef balken, stond Hadde op een zeker moment op, verontschuldigde zich en liep naar achteren. Impulsief ging Gaosar hem achterna. De deur, waardoor de man verdween, bleek toegang te geven tot een luxueuze ontlastingsruimte met fraaie vaasjes van aardewerk met ruim water, waarmee men zich de aars kon reinigen. Dankbaar maakte hij van de gelegenheid gebruik. Het bevreemdde hem, dat hij Hadde niet meer zag of hoorde, maar dat werd opgelost toen hij de jonge assistent met een hoogrode gezichtskleur tevoorschijn zag komen uit een aangrenzende ruimte, die Gaosar niet eerder was opgevallen. De man goot wat koud water in een daarvoor kennelijk bedoeld halfhoog in de muur gemetseld bassin en waste toen zijn gezicht en handen daar in. Om zich een houding te geven volgde Gaosar zijn voorbeeld en nam toen zijn kans waar.

"Eerbiedwaardige Sar, vergeef mij, maar mag ik u vragen wie de imposante persoonlijkheid is, die in uw gezelschap zulke fraaie gedachten uitspreekt?" vroeg hij met een subtiel ironische ondertoon, die Hadde misschien zou opmerken en boeien en die in het andere geval voor correcte bewondering kon worden gehouden. De assistent keek kort opzij, taxeerde Gaosar’s voorname kledij en antwoordde toen niet onwelwillend: "U bedoelt Rish Tayana. Hij is iemand die vooral geleende praatjes verkoopt. Hij praat zijn leermeester Twarth na, maar zelf weet hij absoluut niet waarover hij het heeft."

Hij wees met zijn duim achter zich: "Hij staat daar net zo vaak als ik, die halve heilige."

Hadde veegde wat haar voor zijn gezicht weg en verdween met een korte groet weer naar het dranklokaal. Gaosar’s nieuwsgierigheid was flink geprikkeld en vol verwachting stapte hij door de aangewezen deur naar binnen. Hij kwam in een piepklein hokje terecht, dat met een grote grendel kon worden afgesloten. Op gulphoogte zat er in de wand een ronde opening, die vooralsnog aan de andere kant was versperd. Aan weerszijden van het gat zat een stevige handgreep bevestigd. Een kleine loodgleuf erboven maakte hem de aangeboden herbergservice min of meer duidelijk. Hoewel het idee hem in z'n perverse buitenissigheid opwond, durfde hij zijn geslachtsdeel niet zonder nadere kennis van zaken toe te vertrouwen aan de onbekende ontvangende instantie, menselijk, dierlijk of mechanisch. Met weemoed dacht hij even terug aan Capai, waar het leven soms heel simpel was, heel natuurlijk en beslist niet anoniem. In een onthechte stemming keerde hij terug naar de gelagkamer.

Nog steeds was Rish Tayana aan het woord. Gaosar veinsde een toenemende belangstelling voor het moralistische gebral en onderbrak toen de Rishe op een passend moment: "Uw uitzonderlijke waarnemingen boeien mij, Hoogheldere. Vergeeft u mij mijn interruptie, maar mag ik u een vraag stellen?"

Tayana probeerde Gaosar’s afkomst en klasse in te schatten maar kwam daar klaarblijkelijk niet bevredigend uit. Toch knikte hij. Zijn vaste gehoor presenteerde niet veel meer dan plichtmatige aandacht en hier was een frisse, potentiële adept.

"U bent een Verantwoordelijke van het Mengkantoor, mag ik aannemen?" veronderstelde Gaosar.

"Rish Tayana, toegevoegd aan de Edelheldere Twarth," stelde de dikke man zich niet zonder trots voor, waarschijnlijk blij dat hij zijn hoge positie even nadrukkelijk hoorbaar in de gelagkamer kon openbaren.

"Wat vindt uw leermeester van het feit dat naar men zegt de kinderen van de Niss tot het negende jaar bij hun moeder in bed slapen?" vervolgde Gaosar met een directheid, die maakte dat allevijf de Niss plotseling met gefronste wenkbrauwen recht overeind gingen zitten. De mond van Tayana viel open en hij moest eerst even slikken voor hij antwoord kon geven: "De Edelheldere Twarth heeft daar nog nooit iets over gezegd maar ik vind die gewoonte allersmerigst en onterend. Men stelle zich voor! Mannelijk broed en de héle nacht? Welk een verval! En u vraagt dat alsof u een positieve reactie mijnerzijds acceptabel vindt? Ongehoord! Wie bent u en hoe komt u aan deze kennis?"

Gaosar wuifde luchtig met zijn handen.

"Och ik heb veel gereisd," antwoordde hij. "En bovendien ik heb contact met een afvallige Niss-tovenaar."

De reaktie van de gespannen luisterende Niss was bizar en onverwacht. Eentje liep met de hand voor de mond naar de ontlastingsruimte, drie anderen stommelden elkaar stotend en struikelend naar de uitgang en de overblijvende Niss sloot zijn ogen voor een ontsnappende diepe trance. De Rishe haalde zijn voet van de bank en staarde Gaosar aan.

"Wonderlijk, wonderlijk," mompelde hij. "Een Niss-magiër, die zijn volk verloochent? Wel, wel. Heeft hij u, eh, laat ik zeggen, heeft hij u eh, specifieke geheimen leren kennen?"

Gaosar bleef bescheiden en blufte: "Och, inderdaad, zo het een en ander..."

"De Edelheldere Twarth zal beslist alle bijzonderheden willen horen!" zei Tayana nadrukkelijk. Gaosar stond echter gespeeld onverschillig op en keerde zich naar de deur.

"Ach, ik begrijp uw belangstelling, maar mijn tijd is te kostbaar voor zulk een oponthoud," zei hij rustig. "Ik ben op weg naar Kantmorie en mijn missie veelt nauwelijks uitstel. Helaas! Misschien een andere keer."

De Rishe deed geagiteerd een stap naar Gaosar toe en greep hem afremmend bij de mouw van zijn jas. "Eerwaardige reiziger, ongetwijfeld zullen wij u schadeloos kunnen stellen als uw informatie boeiend blijkt te zijn!"

De nieuwe rol begon Gaosar te bevallen. Zijn volgende uitspraak deed hij vergezellen door een arrogante glimlach: "Ik ben niet gewend aan zo'n afhankelijke opstelling. Mijn honorarium dien ik vooruit betaald te krijgen, Hoogheldere. U nodigt mij uit? Wel, draagt u dan ook de kosten. En of mijn antwoorden uw superieur bevallen, dat zal voornamelijk afhankelijk zijn van de kwaliteit van de vragen, die hij mij stelt!"

De gefascineerde assistenten verschoten van kleur vanwege zoveel aanmatigendheid maar voor Tayana was deze zakelijke opstelling juist een bewijs van de betrouwbaarheid van zijn nieuwe ontdekking.

"Zoals u wilt," sprak hij lichtelijk aangedaan. "Mag ik u na het middagmaal uitnodigen in het Mengkantoor? De Edelheldere Twarth is er dan zelf en zal zeker bereid zijn u de gevraagde som te verstrekken. Hoeveel is uw gebruikelijke tarief, als ik mag vragen?"

Zonder blikken of blozen stak Gaosar vijf vingers op.

"Bolts," zei hij na een subtiele pauze, waarin Tayana even had kunnen denken, dat hij setparsies had bedoeld. De Rishe onderdrukte een kreun, maar stemde desalniettemin in met het gevraagde. Waarschijnlijk bedacht hij ontspannend, dat de Edelheldere Twarth ruimschoots de vaardigheid had om deze vreemde buiteneilander op een discrete wijze te liquideren, mocht het gebodene niet in overeenstemming zijn met de prijs. En zelfs als dat wel het geval mocht zijn... De laboratoria van de Doodvorsers zouden het lichaam van zulk een ongebruikelijke gemengdbloedige zeker op prijs weten te stellen, vanwege de zeldzaamheid er van. Zo zou deze reiziger een dubbel doel dienen. Zeer tevreden over zichzelf liep de Rishe handenwrijvend mee met Gaosar, die de uitspanning ging verlaten. Ook Gaosar was meer dan opgewekt. Deze fase was gelukt. Heel vanzelfsprekend. Heel gewoon. Het juiste contact met de juiste man. Het was eigenlijk een zeer ongewone ervaring. Simpel vertrouwen hebben en dan, ja, dan gewoon merken dat gewoonheid werkt.
Samen met Karnk en Ishsti at hij wat. Ze stemden hun activiteiten zorgvuldig op elkaar af. Daarna zond Ishsti een kleine jongen met een boodschap naar Tirt, die deze dag dringende zaken te doen had in het kantoor van het Huis van Onderzoek in het Raadsgebouw. De boodschap luidde: `Vanwege de warmte liever een glijwagen op het Uur van de Beer.' Deze afgesproken code zou Tirt met een eventueel nodige glijwagen in actie brengen.

Toen was het tijd. Terwijl de grote lastwagen met Ishsti en Karnk op de bok naar de magazijndeuren in het souterrain ratelde, stapte Gaosar de marmeren ontvangsthal van het Mengkantoor in. Hij werd verwacht. Er waren trappen, maar een jongeman bracht hem naar een brede koker, waar aan een katrollensysteem twee stijgtoestellen bevestigd zaten. Samen stegen ze in een rustig tempo naar de hoogste verdieping van het Mengkantoor, het territorium van Eichhor en Twarth. Even overviel Gaosar een redeloze paniek. Wat als ze hem zouden fouilleren voor hij Twarth kon ontmoeten? Toen zette hij alle emotie van zich af. Hij was voorbereid op alle noodzakelijke geweld en iedere dwang. De tovenaars zouden op hun beurt voorbereid zijn op intriges van andere magiërs, maar hun traditionele superioriteit was nog nooit door een buiteneilander, en zeker niet op hun eigen terrein, beproefd. Ze zouden niet zoeken naar dat wat ze niet konden vermoeden. Hij bevestigde nogmaals zijn rozenveld en deed toen iets nieuws, waarin Tirt hem onderwezen had. Hij projecteerde op de buitenkant van zijn aura een naadloos beeld van een vermoeide reiziger, vervuld van kennis en dorstend naar meer, de zoeker om het zoeken. Het was een beeld uit zijn eigen geest, maar opgeblazen om andere facetten te verdoezelen. Boven aangekomen gespte de jonge assistent het stijgtoestel los en verdween er daarna mee naar beneden. Gaosar liep een fraai beklede gang in. Onmiddellijk overviel hem een prikkeling achter in zijn nek en rond zijn oren. De tovenaars peilden hem. Terwijl hij door liep naar de panoramale ramen aan het eind van de gang, bleef zijn innerlijke stem constant op vredige, hypnotiserende toon zijn eigen naam herhalen. Gaosar Ouran. Gaosar Ouran. Zijn hele aandacht was geconcentreerd op een punt, precies in het midden van zijn schedel. Verder geen gedachten, alleen adem.

De ramen boden het meest schitterende uitzicht over de stad en de verder gelegen heuvels, dat men zich maar kon voorstellen. In het Kanaal der Koningen was het een drukte van belang. Tientallen soorten schepen voeren er af en aan. Handelsschepen, ertsbarken, oorlogsgaleien, kano's en bulkvlotten. Ver weg, aan de overkant van het kanaal zag hij de indrukwekkende daken van het paleis van koning Katsin Oatreru. Koepels, vlaggen en piramidevormige stellages, alles blonk goud en zilver. Hij keek zijn ogen uit. Zijn onschuldige geboeidheid zou de vorsende telepathische sonde van de tovenaars in de aangrenzende kamer geruststellen. Het rozenveld om hem heen namen ze zonder twijfel waar, maar het zou hen juist intrigeren, omdat ze er de hand van de Niss in konden vermoeden. Een met ivoor ingelegde deur naast de ramen ging open en buigend kwam Rish Tayana naar hem toe. "Welkom, Eerwaardige reiziger," slijmde hij. "Vanmorgen vergat ik in mijn vervoering uw naam te vragen. Mag ik alsnog?"

Gaosar nam niet de moeite om te liegen en bovendien zou de man dat misschien opmerken.

"Gaosar Ouran," zei hij vol vertrouwen. "Ik voel mij eveneens vereerd. Ah, de Edelheldere Rish Twarth bevindt zich hierbinnen, neem ik aan? Ja? Mooi zo. Fijn dat iedereen op tijd is, want mijn tijd is kostbaar. Overigens, mogen wij eerst even afrekenen, met uw welnemen?"

Het initiatief overviel Tayana geheel. Verontschuldigingen mompelend wees hij op zijn superieur, omdat die kennelijk de ambtelijke beurs beheerde. Misschien wilde Twarth zijn bezoeker imponeren, maar in elk geval bleef hij druk schrijvend gebogen zitten boven zijn werktafel. Gaosar kreeg een indruk van een oud, benig, naar en wittig gezicht, een kwaadaardige op macht beluste genius. Een ogenblik besluiteloos draaide Gaosar zich half om naar de dikke Tayana. Wat nu? Toen schoot hem Karnk’s favoriete uitspraak te binnen. `Dit is niet het moment voor een goed gesprek,' wist hij met een grijns en toen Tayana zich verexcuserend weer langs hem heen drong om de twee mannen aan elkaar te kunnen voorstellen, sloeg hij in een harde impuls met de zijkant van zijn hand Tayana's strottehoofd stuk. In zijn tweede beweging gooide hij de vervormer uit de armholster in zijn hand, de loop op de verbaasd opkijkende Twarth richtend.

"Bevries!" schreeuwde hij. De oude tovenaar verstilde in het midden van zijn opkomende beweging, beide handen nog op tafel. Langzaam gleed een vervormerkoord uit zijn mouw omdat Twarths wapen maar tot halverwege geactiveerd was geworden. Tayana lag rochelend met de handen om zijn keel geslagen te sterven op het tapijt. De beide andere mannen leken, uiterlijk volstrekt rustig, respectvol te wachten tot zijn doodsstrijd was afgelopen. Op een ander niveau woedde er echter een volledige energieslag. Gaosar voelde hoe de wil van de tovenaar als een slang in de chakra van zijn wapenhand probeerde binnen te dringen.

"Ga daarmee door en ik vuur onverwijld," fluisterde Gaosar hees. De druk viel weg. Daarna begonnen er kleine beweginkjes binnen te dringen vanuit zijn verste ooghoeken, links en rechts tegelijkertijd.

"Ook daarmee ophouden, direct!" beval Gaosar, nu zo dicht bij de dood, dat er geen denken meer over was, alleen drift. De dreiging van zijn ijzige woestheid vloeide als vuur naar de bewegingloze Twarth.

"Wat is uw motief, als ik tenminste vragen mag?" vroeg het benige witte gezicht. Gaosar gromde alleen en stuurde een beeld van opengereten ingewanden naar deze Tegenstrever, dat alle conversatie stil legde.

"Ik wil de Oorlogskaarten van Majeste! Misschien praat ik daarna!"

Twarth deed een poging tot protest, maar Gaosar bevingerde een fractie van een moment de vervormer en de oude man zeeg door zijn ellebogen, zijn gezicht bijna op de tafel. Wat damp wolkte uit zijn neus en mond. Hij richtte zich weer op met nagenoeg dode ogen en draaide zich heel langzaam om naar een immense boekenkast achter zich. Gaosar bewoog met hem mee naar de kast, zodat hij 's mans gelaatsuitdrukking en diens handen geen oogwenk uit het gezicht verloor. Nogmaals probeerde Twarth zijn aandacht af te leiden.

"Waarom dit alles?" vroeg hij op dramatische toon, terwijl hij de vingers van zijn linkerhand tersluiks bewoog. Misschien wilde hij een bepaalde functie van zijn pinkring activeren? Gaosar zag het beginnende gebaar. Hij schakelde de tweede knop van de vervormer in en vuurde zonder waarschuwing. Het apparaat was van heet naar koud gezet en direct werd de hand van de Rishe een klomp ijs tot aan de pols. Twarth jammerde heel kort en heel hoog. Toen maakte hij met zijn andere hand een wijzend gebaar naar een plank, waarop iets roods lag. Gaosar durfde echter de ogen van de tovenaar niet los te laten en zei: "Wat is dat?"

"Een tas met wat u zoekt."

"Blijf me aankijken en pak het op. Goed. Draai naar me toe. Open het."

Gaosar liet er een oogwenk zijn blik op rusten. Er staken beslist kaarten uit, maar hij meende ook de glans van een kristal te onderscheiden.

"Gooi het over de grond naar me toe," beval hij. De man deed het en Gaosar ving het glijdende voorwerp onder zijn voet op. Was het een illusie of werd zijn voet warm, tintelend? Hoe nu? Hij bukte, maar aarzelde halverwege. Dit was een onveilig moment. Hij bedacht dat hij zonder de tovenaar te doden hem voor heel korte tijd in een ijsveld zou kunnen hullen. Het was echter alsof de griezelkop onmiddellijk zijn gedachten las. Met een wonderbaarlijke lenigheid liet de bejaarde man zich opzij en achterover vallen in de richting van het openstaande raam naast de kast. Hij moest zeker een vlieggordel om zijn middel dragen. Razendsnel vuurde Gaosar, maar pas het derde schot was goed raak. Er lagen toen drie grote ijsklompen achter de werktafel, één er van al half uit het raam met de ingevroren Rishe er in onderschept. Gaosar duwde het ijsblok wat verder weg van het raam en bekeek toen buitengewoon op zijn hoede het rode tasje op de grond. Met gouden en zilveren draden was er het symbool van het Viervoudige Ei op geborduurd. Met een stuk gordijn om zijn hand gewikkeld bevoelde hij het, proberend om de voorwerpen er in te raden. Hij legde het op Twarths tafel. Hoeveel tijd zou hij nog hebben? Op dit moment zouden Karnk en Ishsti nog bezig zijn om de olie af te laden. Hij liep terug naar de deur en grendelde die aan de binnenkant zodat hij niet onverwacht gestoord zou worden. Alleen om even iets anders te doen te hebben, doorzocht hij de kleren en zakken van Tayana's lijk en beroofde het van allerlei nuttigs. Een tweede vlieggordel, een halssnoer van jade, een kleine vlamspuiter en een doosje, dat hij naderhand wel eens zou onderzoeken. Toen moest hij weer terug naar het tasje. De inhoud kraakte. Papier was het zeker, maar waren dit de kaarten die hij zocht? Uit de verte had hij een glans zien oplichten, maar er zat niets in dat als een kristal aanvoelde. Hij was bang om het te openen. Tirt had hem gewaarschuwd voor vergif, spiegels en gas. Toch moest hij zeker zijn van zijn zaak, voordat hij hier kon verdwijnen. Vooruit!

Op de werktafel lagen twee houten penselen, die tussen de stof gestoken het tasje verder konden open wrikken. Hij kon met zijn mes twee delen van het papier van elkaar buigen. Het was dik en van een kostbare kwaliteit. Dit zouden heel goed werkelijk de oorlogskaarten kunnen zijn. Hij bleef echter wantrouwig. Dat die ouwe engbek hem dit zo maar zonder bijbedoelingen had willen overhandigen, nee, dat wou er bij hem niet in. Er lichtte iets op in het tasje, toe hij de kaarten er verder uit wilde trekken. Vuur? Nee. Lianry-licht? Nee. Toen realiseerde hij zich was het was. Een spiegel. Op de achterkant van de kaart geplakt, goed voor een fikse betovering voor degene, die er in keek? Met zijn hoofd afgewend en zijn hand opnieuw beschermd door de dikke gordijnstof haalde hij ineens met een zwaai de kaartenmap uit het tasje. Van een klein tafeltje naast hem trok hij een dik blauw kleed en wierp dat er met dichte ogen overheen. Daarna stampte hij geruime tijd lichtjes met de poten van het tafeltje op het hele oppervlak. Zonder te kijken schudde hij de map een tijdje verticaal heen en weer. Hij hoorde een heel fijntjes gerinkel en legde toen het kleed over de schervenstapel. De map duwde hij naar het raam in een baan zonlicht. Voorzichtig keek hij naar de muur. Als er spiegelscherven waren achtergebleven, zou het zonlicht nu ergens moeten weerkaatsen. Er gebeurde niets. Hij keek. Er was geen glas achtergebleven. Hij zag merktekens en lijnen! De oorlogskaarten? Hij vouwde met de penselen het papier verder uit. Er ging een schok van grote vreugde en opluchting door hem heen. Eilanden. De schrifttekens van de Shir waren hem onbekend, maar de wegen en de havens waren duidelijk herkenbaar. Dit was het! Hij voelde tranen over zijn wangen lopen. De onzekerheid en de grote angst voor valstrikken, voor een verschrikkelijke dood, alles ontlaadde zich nu. `Eigenlijk wil ik gillen,' dacht hij. `En deze hele smerige engtroep vlug in de brand steken en wegwezen. Maar ik moet wachten tot Karnk beneden succes heeft, anders wordt iedereen te vroeg gealarmeerd.' Zijn hele lijf deed zeer; hij werd zich vooral bewust van een stekende buikpijn. Nervositeit maar ook een volle blaas. Pure agressie deed hem het schitterende karpet bepissen en met de urine vloeide zo veel spanning weg dat hij aan het eind van een langdurige straal hardop stond te schaterlachen.

"Ik leef nog," zei hij tegen het lijk van Tayana. "En hoe! Ik ben gewoon niet geboren om simpel thuis wat klappernoten leeg te vreten. Avontuur wou ik? Nou, dat krijg ik!"

Hij vouwde de kaartenmap zo klein mogelijk op en deed hem in zijn halsbuidel. Daarna ging hij alle brandbare materiaal uit de kamer verzamelen bij de deuren. Hij schakelde de vervormer weer op heet. Met één stoot zou hier alles in de brand staan. Hij keek naar Twarth in het ijsblok. Het was een heel onaangenaam gezicht. Hij wendde zijn gezicht af en zijn oog viel op het lege, rode tasje. Wat was het eigenlijk prachtig. Misschien zou Siri er blij mee zijn. Hij pakte het op en liep er mee naar het raam om naar beneden te kijken. Nog geen rook. Nog even wachten. Het tasje voelde heel vertrouwd aan in zijn hand. Zacht. Haast als de hand van een liefhebbende vrouw. Als terloops keek hij er even naar. De voering schemerde geel. Een mooie kleur. Met zijn duim duwde hij de sluiting iets verder open. Een gele voering. Heel geel. Veel te geel eigenlijk. Rook hij gas, geel gas? Rook hij geel? Hoorde hij geel? Proefde hij geel? Toen was er geen geel meer, alleen zwart. En nog later was er ook geen zwart meer.

Gaosar’s lichaam was ineengezakt op de grond, de ogen rolden naar boven in hun kassen. Terwijl Karnk en Ishsti, zoals naderhand zou blijken, succesvol hun problemen in de kelder aan het oplossen waren, had Gaosar zich door de laatste van Twarths betoveringen in een ander tijd/ruimte besef laten weglokken...
Op een bergtop, maar misschien was het wel een kraterdal, zat een klein, blind jongetje in een tasje te kijken.

"Ga weg allemaal," riep het kereltje steeds maar tegen de leegte om hem heen. Misschien was zijn eigen beeld op zijn blinde netvlies ook wel heel druk. "Niemand mag in mijn tasje kijken," zeurde hij. "Ik zit net lekker zelf in mijn tasje te kijken. Ga weg! Ga weg! Dit is van mij, van mij, van mij."

Het jongetje maakte gebaren alsof het iemand afweerde en langzaam veranderde zijn stem. Hij ging harder en schriller praten, een dove, die zichzelf niet meer horen kan. "Nee! Nee! Au, scherp, au, weg! Weg, alsjeblieft!"

Het tengere lichaampje schokte gepijnigd omhoog alsof het door iets in het nekvel werd gegrepen en omhooggeworpen. Het kind viel neer op de buik en het gezichtje werd diep in het harde zand gedrukt, of wat het dan ook was. Splinterzand? Steenspons? De jongen gilde in een verscheurende machteloosheid.

"Aa! Auwauwau. Au. Au. Mijn bips. Nee. Au!! Niet daarin! Nee nee. Alstublieft er uit. O, alstublieft!"

Er werd meedogenloze druk uitgeoefend op het onderlijfje van het kind. Toen sloeg het dove en blinde jongetje in een ontzet gebaar zijn handje voor de gekwelde mond, zijn blauwe tong naar buiten stulpend tussen de verkrampte vingers, de kaken kauwend op een niet meer proefbaar, niet meer in te ademen luchtledige geestengas. In een laatste gebaar trok hij het tasje over zijn hoofd en rolde toen op een zij, de handen tussen de liezen geklemd. Ongeboren dood, vergast, verrottend in vergiftigd vruchtwater. Toch bleef haast onmerkbaar zacht en langzaam het hartje kloppen, net zichtbaar in de slagader van de onbeschermde keel onder het tasje. Een gewoon mens was daar gestorven, maar de Berseng in het lichaam van Gaosar hield een minieme circulatie van energie en zuurstof op gang.

Bonk, bonk, bonk, bonk, bonk. Kloppend hartje. Pulserend.

Een-twee. Een-twee. Een-twee.

Na een eeuwigheid ontstond er een woord in dat ritme. Bonk-bonk-bonk-open-dicht-bonk-bonk. En na nog langere tijd weer een woord. Bonk-ja-nee-bonk. Klop-klop-hart klopt-klop.

Iets vaker bewogen er daarna woorden in de golven van de breinslagader. Klop-leef-klop-hart-klop-wie?-klop-hart-klopt-wie? Klop-klop-ik-ben-ik-ben-ik ben-niet-niets-klop-klop. Klop-hart-klopt-ik ben-klop-klop-klop-wie-is-dit? Klop-klop-ik-jij-klop-klop-geliefde. Klop-mens! Mens! Klop-klop-ik-ben-alleen-klop-klop. Wie-praat?

Misschien duurde dat allemaal heel lang. Maar anderzijds, er was daar geen tijd. Eens, ooit, kwam er weer een halve zin hardop: "Zo-ver-drie-tig" en toen begonnen er tranen uit de blinde ogen te stromen. Het vocht verwarmde het koude gezicht en droop langs de droge hals. Een hand bewoog om het prikkelende gevoel aan te raken. De vingers van de andere hand krampten samen, grepen zich vast aan een klein, moedeloos geslacht. Na nog een lichtjaar ademde het kind diep in. En toen het uitademde, zei een stille stem: "Ik-hou-van-jou."

Bij de volgende ademhaling hoorde het kind het opnieuw: "Ik hou van jou, Gaosar Ouran."

In de blauwe sterrenstilte vroeg het jongetje Gaosar: "Wie-ben-jij?" en de stem antwoordde: "Ik ben je naamloze geliefde. Degene die was en is en die altijd zal zijn."

"Ik ben niet alleen?" vroeg het kind.

"Nooit," zei de stem.

"Hou jij van mij?"

"Altijd. Wij zijn één. En nu geliefde Gaosar, wordt wakker. Je moet opnieuw geboren worden. Er is nog veel voor ons te doen!"
Direct daarop begon de man Gaosar afschuwelijk te hoesten. Toen Gaosar zijn ogen opende, leek het nacht. Het waren echter zwarte rookwolken, die de ramen verduisterden. Hoeveel tijd er voorbij was gegaan, kon hij niet zeggen. Voor hem was er een heel leven voorbij gegaan. Later zou hij vaststellen, dat hij ettelijke grijze haren had gekregen, niet alleen op zijn hoofd, maar ook in zijn baard- en borsthaar, overal op zijn lichaam. De vervormer lag naast hem op de grond. Toen hij hem oppakte, voelde hij iets van zijn vroegere krijgersaspect terug komen. Hij vuurde haast zonder nadenken een brede straal vuur af in de kamer en het materiaal bij de deuren laaide witgeel op. Het ontzielde lichaam van Twarth tuimelde uit de versneld smeltende ijsklomp. Voor hem had Gaosar’s tijdelijke uitstapje in elk geval te lang geduurd. Het lijk van Tayana vatte vlam. Die lucht van verbrandend mensenvlees bracht een vreselijke herinnering mee, hoewel Gaosar met zijn bewuste geest die beelden niet in een hem bekend verleden kon plaatsen... Het leek of er verschillende tijden door elkaar liepen in zijn hoofd. Met het stuk gordijn, dat nog steeds om zijn hand zat tegen zijn mond gedrukt, stommelde Gaosar naar het raam, weg uit de brandende kamer. De vlieggordel droeg hem door de vette, zwarte rookwolken heen.

Lampolie en linnen. O ja. Karnk en Ishsti, vuur in de kelder. Mengkantoor. Gasval. Gered. Hij was weer helemaal terug in het Hier En Nu. Eenmaal ver weg in de lucht, op weg naar Siri, o Lino Siri, keek hij om. De toren van het Mengkantoor leek op een lange bruine man, tot aan zijn middel in een zwarte zee, wiens hoofd uitbrandde. Het helle licht verlichtte een diepzwarte plek op Gaosar’s ziel en daar brandde iets schoon.

Hij herinnerde zich de laatste opmerkingen van zijn vader, diens dubbele gevoelens naar zijn Tegenstrever. Dankzij Kerko's misbruik van de Verboden Kunst kon Hayo zich geestelijk verrijken door zijn uiterst ongewone contact met Nur-ell-Guin. En dankzij Kerko kreeg Nur de zoon, waar ze zo naar verlangd had. Dankzij de monsterlijke magie van Twarth had Gaosar in zijn geestelijke chaos een bewustzijnslijn naar een wezenlijke innerlijke geliefde hervonden, een eeuwige getuige voor zichzelf. Hij realiseerde zich onverwacht dat het magische weten van de Rishe nooit verder dan kennis was gekomen. Er was geen spoor van boosheid meer in hem naar Twarth, noch naar de kwade genius achter hem, de moordenaar van zijn vader, Kerko. Integendeel, hij werd overspoeld door een onwennige dankbaarheid. Sterker nog, er roerde zich een onplaatsbare behoefte om zijn liefde voor dit paradijselijk schitterende leven te delen met al zijn zogenaamde Tegenstrevers, even goed als met zijn vrienden, geliefden en andere Medestanders. Want hij wist nu iets wezenlijks. Hij wist dat er feitelijk noch wit noch zwart bestond, alleen een onsterfelijke kracht, die zich zelf in beweging diende te houden, alles ondergeschikt makend aan het leven en aan de veelheid van dat leven. En hij wist dat er geen tijd bestond. Evenzeer was zijn gewone begrip van ruimte voorgoed veranderd.



Deel met je vrienden:
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina