De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina18/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   34

Hoofdstuk 17 De Rishe Raad.

Het was opnieuw een luxueus diner. Het avondweer was voortreffelijk zacht en de overdaad aan smakelijkheidjes, die Tirt zijn Niss onder de tuinparasol liet serveren, kreeg in elk geval Karnk weer moeiteloos naar de top van zijn gemoedsrust. Gaosar zat volop te piekeren, zijn hoofd vol aanvalsplannen, angsten en tegenwerpingen. Overzichters, Shirbeambten, tovenaars, demonen en simpele pech achtervolgden zijn geest onophoudelijk. De stem van vrouwe Siri haalde hem er uit: "Sar Ouran, uw hoofd is ver weg, hoewel uw mond zit te eten."

Zijn wantrouwen bleef. Deze vrouw boezemde hem ontzag in. Het idee dat het haar grootvader was, die aan het bed van de betoverde, slapende koning waakte, droeg daar niet weinig toe bij. Maar hoe zou ze reageren als ze hoorde dat een stel buiteneilanders de oorlog tegen de Pirti wilden saboteren? Om nog maar niet te denken aan een aanslag tegen het Mengkantoor op Gondar! Aan de andere kant... De Nadir-geslachten schenen zich niets te hoeven aantrekken van de regels, die voor de burgers golden.

"Ik denk aan een reis naar Gondar," zei hij naar waarheid. "Wij hoopten met Tirt mee te kunnen op zijn luchtwagen."

Tirt knikte.

"Prima. Ishsti en ik hebben het daar vandaag over gehad. Er staat van alles te gebeuren in Gondar. Ik heb er een beknopt huis, waar ik niettemin makkelijk onze gasten kan uitnodigen."

"Vrouwe Sugatha en ik hebben besloten om jullie te vergezellen," zei Siri meteen nadrukkelijk. "Er zijn plaatsen waar men de Nadir toelaat, die anders hermetisch voor jullie gesloten blijven. Zelfs hooggeplaatste Rishe," (ze wierp een blik op Tirt, die een hoogrode kleur kreeg) "wordt de toegang tot de koninklijke terreinen ontzegd. Het bekend maken van mijn geslachtsnaam zal iedere Overzichter tot uiterste bescheidenheid aansporen."

Tirt hief zijn armen ten hemel in een wanhopig gebaar, maar Siri gaf hem geen kans haar te onderbreken.

"Houd uw mond, Edelheldere!" beet ze hem toe. "U bent wel dapper maar ook dom. Laat mij uitpraten. Mijn familie bezit een zeer comfortabel buitenhuis dichtbij de grote tempel. Het is zo hooggelegen dat men de zee ziet. Er is water, er zijn paarden en er is gewapend personeel dat aan mij persoonlijk is toegewijd. Als geen van mijn broers zulks toevallig gebruikt, zal er ook een extra glijwagen beschikbaar zijn. Ik bied u een betere basis aan dan dat huisje van u in een woonwijk, waar de muren oren hebben!"

Niemand zei iets, durfde iets te zegen. Eindelijk verbrak Tipo hun zwijgen met een ongewone olijkheid: "Goed moedertje." Het werd gezegd op een toon van volledig vanzelfsprekend vertrouwen alsof hij het echt tegen Nur-ell-Guin had. Karnk begon loeiend als een buffel te lachen tot grote ergernis van Tirt en Siri, zij het om heel verschillende redenen. Ishsti kon makkelijker meelachen. Hij hurkte naast Tirts stoel en zei rustig: "Het ziet er naar uit dat we bondgenoten hebben, Tirt. In tijden als deze zijn zulke medestanders van het grootste belang."

"Maar stel dat vrouwe Sugatha, stel dat ..." stamelde Tirt aangeslagen. "Ik wil niet dat haar ..."

"Jij wil niet dat er bepaalde dingen aan dat juffertje beschadigd worden, waar jij namelijk nog je hele leven naar wil kijken," riep Karnk jolig. Alle aanwezige Shir keken geschokt vanwege de insinuatie en het gebrek aan vormelijk respect. Karnk sprong op en verhief in een oplopende boosheid direct zijn stem: "Ja, daar gaan we weer, hoor! Schijnheilig zeuren over dingen die volkomen vanzelfsprekend zijn. Ik ben het zat. En ik ga het heel kort houden. Luister!"

In de scherpe ochtendzon overdekte zijn kolossale schaduw de hele eettafel. Karnk liet zijn stem zakken tot een bijna dreigende, gefluisterde scherpte, die ook Tipo en Gaosar nog nooit van hem gehoord hadden.

"Luister. Ik neem jùllie mee op mijn missie. Niet andersom. Ik ga Kerko vermoorden, dat is mijn vaststaande doel. Wat jullie Shir ondertussen doen, ruzie maken of taboes bespreken, dat kan mij verder absoluut niet schelen. En ik heb helemaal geen boodschap aan jullie verstarde etiquette en liefdesgepieker. Maar ik bied aan jullie allemaal mijn vriendschap aan, zoals ik dat naar Gaosar en Tipo gedaan heb. Ik wil jullie bovendien stuk voor stuk als mijn medestanders aanvaarden. Maar ik houd niet van die titels en al die fraaie aanspreekpraatjes. Vrouwe Zus en zo, Edelhoog en nog wat. Nee. Noem mij gewoon Karnk. Hou op met Sar Bartas, Sar Ouran en Sar Tennen. Ik weet dat ik ook voor mijn makkers spreek. En zijn wij jullie voornaam waard of niet? Want als wij deze missie samen gaan ondernemen, dan moet er geen ballast tussen ons hangen."

Ishsti reageerde als eerste, terwijl hij ging staan uit zijn hurkzit: "Ik stel het op hoge prijs als jullie mij Danil noemen, Karnk, maar als je onze gezàmenlijke missie niet in gevaar wilt brengen, dan vraag ik je om dat na te laten in publiek. Bij de burgers van deze eilanden zou dat onmiddellijk groot wantrouwen wekken."

Ook Tirt stond op. Hij slikte even iets weg, voordat hij kon praten. "Mijn voornaam is Pan. Die eer verleen ik jullie zonder bedenkingen."

Het klonk als een rituele uitspraak, dacht Gaosar en dat was het waarschijnlijk ook, want daarna zei Sugatha min of meer hetzelfde: "Zonder bedenkingen verleen ik jullie de eer om mij Suze te noemen."

Siri's bruinzwarte ogen fonkelden als poolsterren. Ze keek Gaosar aan en zei zacht: "Zonder bedenkingen geef ik jullie de eer van Lino."

Iedereen ging weer zitten en alsof er niets gebeurd was, greep Karnk opgewekt opnieuw naar het brood met de gekruide geitekaas.

"Zo. Dat viel alleszins mee, lui. Daar hebben we voor niets zo tegen op gezien, niet?"

Daarna startte hij een onderhoudende monoloog over de voedingswaarde van gevulde snoek, cantharellen en eekhoorntjesbrood. Tirt gaf ondertussen bevelen aan de Niss om een grote glijwagen reisvaardig te maken, zodat ze op korte termijn konden vertrekken. Ondertussen konden Siri en Sugatha regelingen treffen met betrekking tot hun afwezigheid, zodat die geen achterdocht kon wekken. Tipo ging snel Benko van de nieuwste ontwikkelingen op de hoogte brengen. Aanvankelijk had de stokmeester een grote weerstand om eerst naar Gondar te varen, maar uiteindelijk stemde hij in met het plan.
Tirts luchtwagen was buitengewoon snel en reeds vanuit de lucht werd duidelijk dat het `buitenhuis' van Jah Siri's familie beter met de benaming `paleis' werd beschreven. Generaties weelde en oorlogsbuit hadden een omgeving van zulk een kracht en schoonheid geschapen, dat allen hun ogen uitkeken. Het paleis was opgetrokken uit gezaagde blokken rood en zwart graniet. Alle houtwerk, ramen, deuren en dakspanten, was wit geschilderd, zodat het hele gebouw zich in de koninklijke kleuren presenteerde. Binnen was er een overdaad aan rood marmer, wit ivoor en zwart ebbehout gebruikt met blauwgroen, de kleur van de Nadir, in gordijnen, meubilairbekledingen en talloze kunstvoorwerpen verwerkt. Er stond het meest schitterende aardewerk, maar ook uiteenlopende gebruiksvoorwerpen in goud, zilver, tin, koper en brons. Extreme verzamelingen wapentuig wezen op verre oorlogen, waarvan de overwinnaars met buit beladen waren teruggekeerd. Het hele paleis was in de vorm van het Shirsymbool van het viervoudige ei gebouwd. Siri liet het huispersoneel de oostelijke vleugel van het paleis voor haar gasten in gereedheid brengen. Er werd thee en luxueus gebak geserveerd in de vuurzaal van het gebouw. Er was een zeer brede haard gemetseld waar om heen hol tegelwerk gezet was. Hierin kon 's zomers heet water van een zonverwarmd dakbassin stromen. Tegelijk zou in de winter het haardvuur de tegels tot een langdurige warmte-afgifte brengen en het water verwarmen voor badfuncties in de badkamers achter de vuurzaal.

Gaosar en Tirt raakten in een hoek met elkaar in gesprek over de functies van de Rishe raad, de procedures en Tirts positie als één van de belangrijkste assistenten van Rish Balgox Wyldo, de Onderuitvoerder van het Huis van Onderzoek. Bij de meeste stemmingen kon Tirt vanwege die hoge functie een assistent machtigen om voor hem vergaderingen van de Rishe Raad bij te wonen. Het bleek dat de meeste hooggeplaatste Rishe, die buiten lllyan woonden, dat deden. De lagere goden hadden zich noodgedwongen allen in Gondar gevestigd. Alle Hoofduitvoerders van de drie huizen hadden, naast hun werkplaatsen in Utrag op Bayin een permanent kantoor in Gondar, in het paleis, waar ook de Rishe Raad vergaderde. Kerko woonde, voornamelijk sinds de relatie met de Pirti verslechterd was, het meest in de stad Bins op het eiland Urda. Eichhor en Cayobur Hayo verkozen doorgaans het stadse comfort van Gondar.

"Vertel me iets meer over Rish Hayo," drong Gaosar aan. Tirt fronste alsof hij nog steeds twijfelde aan zijn eigen vermoedens: "Als hij werkelijk je vader is... Wel, hij is al ettelijke jaren Hoofduitvoerder van het huis van Onderhoud en één van de machtigste mannen in de raad. Hij is een formidabele werker, een begaafde wettenmaker. Er zijn eigenlijk geen verhalen over hem in omloop die zijn magische vaardigheden illustreren, maar ik beschouw dat als zijn ware kracht. Hij heeft geen demonen nodig om zich in zijn positie te handhaven. Ik kan je bij hem introduceren, maar je moet met waardevolle informatie bij hem aankomen anders wijst hij je spoorslags de deur."

Gaosar deed een poging: "Zou hij geboeid zijn door een openhartig verslag van mijn bezoek aan de mijnen van Brank? Zou ik hem iets kunnen zeggen over de nieuwe Mengt?"

"Dat is allemaal heel wel mogelijk," antwoordde Tirt. "Maar waarom wil je contact met hem?"

De Halfbakman aarzelde, schutterig met zijn onplaatsbare emotie. "Ik voel een innerlijke drang, ik weet het niet. Ik zou...... Ik wil proberen om zijn vertrouwen te winnen," zei hij tenslotte. Tirt haalde zijn schouders op.

"Er is al zoveel vreemds gebeurd in deze laatste tijden, dat ik er aan ga wennen. Het moet kennelijk zo zijn. Je kunt me morgenochtend vroeg vergezellen. Er is een kans dat ik je inderdaad aan hem kan voorstellen."
De bewakers van de hoofdingang van het Raadsgebouw inspecteerden Gaosar’s kleding nauwgezet. De tien mannen waren zwaargewapende Nadir en droegen een metalen hoofdband met fazanten- en enkele adelaarsveren ten teken van hun voorname geboorte. Tirt was al doorgelopen en stond in de hal met een oude man in een grijszwarte mantel te praten. Het kwam Gaosar voor dat er een scherp onderhuids conflict tussen de twee mannen speelde, hoewel voor het oog van de wereld slechts een beleefd, informerend gesprek waar te nemen viel. Al voordat Gaosar zich weer bij hem voegde, schuifelde de donkere figuur weg door een zijdeur. Hij had opvallende puntige oren.

"Kwaad op iemand?" vroeg Gaosar. Tirt antwoordde met een volkomen glad, neutraal gezicht: "Ik haat die benige handen en die lucht, muf als oud look. Dat was Nozer Eichhor, mijn hoogste superieur, de Hoofduitvoerder van het Huis van Onderzoek."

Op het moment dat Gaosar en Tirt door een zijdeur in één van de arcades langs het amfitheater van de Raadzaal binnenkwamen, was de bijeenkomst al geruime tijd aan de gang. Aan de andere kant van de zaal stond een schrale, kale man te oreren in een geelwitte kaftan.

"De voorschouwer," lichtte Tirt Gaosar in. "Er is een beoordeling van een aspirant-Raadslid aan de gang. "Het ziet er niet goed voor hem uit."

"Lastig vindbaar is de werkelijke geroepene..." begon de Aanklager zijn verhaal, waarmee hij kennelijk zichzelf bedoelde. Hij eindigde met het scherpe standpunt, dat ene Rish Bilton van Bonewits permanent de toegang tot de Raad ontzegd diende te worden. Er werd gestemd door het opsteken van een staf, die ieder Raadslid voor zich had liggen. De vraagstelling was of er enig lid tegen het voorstel van de Voorschouwer stemde. Tirt fluisterde in Gaosar’s oor: "Zo is nu de procedure altijd. Men houdt namelijk rekening met diverse Gapers, die ook op zulke momenten even elders een zielereisje maken. Kijk maar, daar links op de tweede rij, daar vooraan, die man in de lichtblauwe tuniek en verder de hele achterste rij,"

Nu zag Gaosar ook de vreemde starheid in de aangewezen lichamen, hun weliswaar open maar toch nietsziende ogen. De anti-stemming tegen Rish Bilton was zodanig duidelijk, dat al niemand de moeite nam om zijn staf op te steken. Op dat moment werd Gaosar’s aandacht getrokken door een gestalte in een groene mantel, die aan de overkant van de zaal was binnengekomen via een deur in de zijbeuk. De man bestudeerde bij een raam met grote aandacht een schrijfrol. Hij leek wat kleiner dan de meeste andere Rishe. Zijn hoofd was grotendeels kaal, maar zijn grijze achterhoofdhaar was lang en in een staart gevlochten. Het gezicht straalde zelfs vanuit de verte een zekere melancholie uit. Gaosar ervoer en onbestemd verlangen om nader met hem kennis te maken en stootte Tirt aan.

"Wie is dat?" informeerde hij, terwijl hij licht met zijn hoofd knikte in de richting van de lezende man. Tirt sperde verbaasd zijn ogen open.

"Dat? Hoe wonderlijk!? Dat is inderdaad Rish Cayobur Hayo. Meestal laat hij zijn assistent het bijwonen van de Raadszittingen opknappen. Hij zal hem nog wat laatste instructies willen geven."

De aangewezen tovenaar liep de zaal in en sprak op de voorste rij een zware, krijgshaftig uitziende man met steile wenkbrauwen en een dikke krulsnor aan. De twee fluisterden even en de Hoofduitvoerder overhandigde zijn assistent de schrijfrol. Daarna verdween hij door een andere deur, dan waardoor hij gekomen was.

"Wat gaat hij doen?" vroeg Gaosar. "Zou ik hem nu kunnen ontmoeten?"

Tirt keek bedenkelijk.

"Hij zal naar zijn kantoor onderweg zijn in een andere vleugel van het gebouw. Hij heeft het altijd druk. Kom, dit lijkt geen slechter moment dan een ander. Als hij het niet te druk heeft, zal hij je op mijn voorspraak wel even willen aanhoren."

Opnieuw moesten ze successievelijk vijf Nadirbewakers passeren, die met brede vervormers de toegangen tot de ruimtes van het Huis van Onderhoud veilig stelden tegen indringers. Ook zij onderzochten zorgvuldig Gaosar’s kleren en voelden in zijn haar naar een eventuele wurglijn of een scheermes. Tevreden gesteld lieten ze de beide mannen door.

Rish Cayobur Hayo's werkruimte was eenvoudig ingericht, maar liet een verfijnde smaak zien in de keuze van kleuren en materialen. Op lichtgeel marmeren tegels lag een kolossaal katoenen tapijt met blauwe en groene bloem- en diermotieven. Aan het plafond hingen drie imposante kroonluchters met fonkelend lianry-licht. Het plafond zelf was van een rijk bewerkt hardhout. De spiralende krulpatronen, die de oneindige macht van Eandroguni, de Zonnegod, symboliseerden, waren zo scherp uitgehakt, dat hun driedubbele schaduwen in het lianry-licht het onmogelijk maakten om lang naar boven te kijken. Het leken wel duizenden slangen, krioelend en angstaanjagend. Gaosar besteedde maar liever weer aandacht aan zijn voeten en aan zijn gegronde relatie met de Aardemoeder.

De Hoofduitvoerder bleef achter zijn lichtkleurige, notehouten bureau zitten, terwijl Tirt Gaosar voorstelde als een Falak van Capai, wiens inzichten hij voldoende belangwekkend vond om ze te willen delen met andere Rishe. Daarna verontschuldigde Tirt zich met het argument, dat hij bij het laatste deel van de Raadszitting aanwezig wilde zijn. De Hoofduitvoerder wees Gaosar een comfortabele schommelstoel aan en na enkele inleidende beleefdheden zei hij rechtstreeks: "U bent een Halfbak. Welke van uw ouders is Shir?"

"Mijn vader," antwoordde Gaosar.

"Ik neem een veld om u heen waar. Wie heeft u ingewijd?" wilde de kale man weten. Gaosar aarzelde niet maar blufte moeiteloos: "Falak Geshyo." Daarna nam hij het gespreksinitiatief over door volstrekt naar waarheid te vertellen over zijn bezoek aan de mijnen van Brank, nadat hij was overgevaren uit Capai. "Ik zag u zojuist beneden in de Raadzaal en uw voorkomen boezemde mij direct vertrouwen in, Hoogedelheldere," zo beëindigde hij zijn betoog. "Daarom wilde ik mijn bezorgdheid met u delen, omdat deze omstandigheden mijns inziens de goede naam van uw volk aantasten."

"Wij stellen ook zelf het verval vast," beaamde de Rishe met een uitgestreken gezicht. "Ik heb mij al eerder over die zaak laten informeren. Inderdaad, Rish Onsten heeft zijn slaven gecastreerd, tja, dat is zo."

Gaosar deed er nog een schepje bovenop: "Zelfs bij sommigen heeft hij hun hoektanden af laten vijlen, omdat ze ondanks hun hand- en voetboeien hun opzichters poogden te bijten. Nu zit de Edele Rish Onsten opgescheept met wraaklustige monsters, die hij uitsluitend door middel van extreme foltering tot aktiviteit kan pressen. Hij heeft daardoor het tienvoudige aan opzichters nodig en dus moet zijn productie navenant omhoog om deze uitgave te rechtvaardigen. Hoe wreder hij foltert, hoe meer slaven kiezen voor zelfmoord. Velen laten zich door hun medegevangenen ombrengen, sommigen weigeren drinken en voedsel."

Rish Hayo leek met volle aandacht geluisterd te hebben. Hij knikte.

"U vertelt mij niet heel veel nieuws. Uw waarneming is correct, vrees ik en omdat hij recent is, ben ik er blij mee. U signaleert terecht ons incidentele feilen, want Onsten brengt ons inderdaad soms in verlegenheid."

"Niet alleen hij. Vergeeft u mij. Mag ik u zegen wat ik denk?" onderbrak Gaosar. Hayo maakte een toestemmend handgebaar.

"Verschillende Shir-tovenaars in de Raad munten uit in tactloosheid en arrogantie voor zover zij niet met hun ogen open zitten te slapen," zei Gaosar uitdagend.

"Hum. Zo. Vindt u dat? Hoe belangwekkend," mompelde Rish Hayo. "Mag ik u om een voorbeeld vragen? Niet omdat ik het niet met u eens zou zijn, maar om te toetsen wat u in ùw cultuur arrogant vindt."

Hij liep naar het glanzende wandmeubel en haalde er twee brede bruine flacons uit, ze vragend omhoog houdend: "Mantante-likeur of liever een Bainzo-bruisdrank?"

Gaosar was plotseling op zijn hoede. Zonder nadenken verstevigde hij het lichte rozenveld, maar deze mentale aktiviteit bleek direct opgemerkt te worden door Rish Hayo. Tot zijn grenzeloze verwondering las deze kennelijk iets van zijn gedachten.

"Ik neem uw zorgelijkheid waar," mompelde de oude man. "Ha! U verbergt al iets sinds u hier binnen kwam. Het was mij nog niet eerder als zo sterk opgevallen, maar nu hebt u u zelf verraden. U was beducht op een vergiftigingspoging mijnerzijds, nietwaar?"

Ontzet en woordeloos knikte Gaosar, totaal van zijn stuk gebracht nu de aanvankelijk zo succesvolle vermomming uiteen scheen te vallen. Hoe veel meer kon deze man van hem ontdekken?

"Men geraakt noch blijft zo maar in mijn positie, Falak," zei Hayo, als het ware antwoord gevend op zijn vraag. "Ik trek bovendien uw inwijding als Falak in twijfel. Maar kom, wat zal ik voor u inschenken?"

Verbluft wees Gaosar op de bruisdrank en de tovenaar vulde een zilveren beker.

"Ik heb in het geheel geen behoefte om u te vernietigen, totdat mijn nieuwsgierigheid bevredigd is," zei hij terwijl hij zijn gast de beker aanreikte. "Uw inzicht en kritiek fascineert mij. U komt hier echter met een verborgen motivatie. Toch voel ik geen doodsbedreiging van u uit gaan, integendeel. Er hangt iets vreemds om u heen, ik zal dat voorlopig maar met `zorgzaamheid' benoemen. Hoe een buitenlander zoals u zo bezorgd kan zijn voor het welzijn van een hem in zekere zin vijandelijk gezinde cultuur en zijn gezagdragers, dat is mij een intrigerend raadsel. U vermoedt toch zeker dat de Shir na een succesvolle oorlog met de Pirti het oog zullen richten op Capai en het oostelijke kontinent, niet?"

Gaosar knikte weer, nog steeds sprakeloos.

"En u zou dat willen verhinderen, als u kon nietwaar?" Hayo praatte over het onderwerp, alsof hij de angsten van Gaosar en alle andere potentiële te overheersen volkeren volkomen begreep en vergaf. "Heeft u echter wel eens kritisch stilgestaan bij factoren zoals de zuiverheid van het drinkwater op Capai?" vroeg Hayo. Zonder een antwoord af te wachten vervolgde hij: "En heeft u ooit enige aandacht aan uw vunzige en domme rioleringssysteem besteed of aan de eenzijdigheid van de voeding van de schiereilandbewoners? Is u ooit de duizelingwekkende verrijking en corruptie aan het hof van de koningin van Capai bekend geworden? Heeft u ooit de achtergronden vernomen van de voedseloproeren na de vulkaanuitbarsting in het Pauwenjaar? Weet u dat de hele elite van uw schiereiland zichzelf onmiddellijk geëvacueerd heeft naar het eiland Bres met medeneming van alle denkbare luxe? Weet u dat, dat alleen dat de oorzaak was van de toenmalige rampsituatie op Capai? En zoudt u zich mogelijk kunnen voorstellen dat Capai net als zo vele andere onderontwikkelde staten en staatjes gebaat zou zijn met een krachtig centraal gezag vanuit de Shir-administratie, ons gezondheidssysteem en ònze wetenschap?"

Rish Hayo nipte even aan zijn glas en ging zonder passie door, op zijn gemak de politieke mening van de Shir illustrerend.

"U ziet slechts de zorgelijke agressie tegen de buurlanden, maar heeft u ooit persoonlijk objectief kennis genomen van hun beestachtige, onreine levensomstandigheden? Men fokt en sterft als dieren, verknoopt in de schandelijke rituelen. Wat voor beschaving is dat, die wij dan zogenaamd onder de voet zouden lopen? Brengen wij geen hogere orde? Ik ben zo lang aan het woord geweest om u te verduidelijken hoe eenzijdig uw oordeel over ons is. Nu, antwoordt u mij eens vanuit uw innerlijke waarheid, Sar Gaosar Ouran?" Gaosar was stil. Zo weinig was er in te brengen tegen de al honderdvoudig uitgewogen ideeën van deze tovenaars.

"Uw gemeenschap maakt op mij inderdaad veel indruk," bevestigde hij toen. "Uw levenswijze is schoon en de mensen leven zeer veel langer dan wie dan ook in Igdi, Gond of op Capai, dat is waar. Maar mag ik volkomen eerlijk zijn?"

Rish Hayo wiegde toestemmend met zijn hoofd heen en weer.

"Het valt mij op, hoe afgesloten u allemaal bent," zei Gaosar met een riskant vertoon van openheid, dat hemzelf in feite overkwam als onzinnig, haast zelfs overbodig. Toch vielen de zinnen uit zijn mond, mogelijk gevoed door het ontwapenende gedrag van de tovenaar.

"Geen gevoelens, nauwelijks enige vrolijkheid, geen echt leven ervaar ik," vervolgde hij. "U schijnt zo beducht voor elkanders talent om de geest te lezen dat u u zelf omringt met een ondoordringbaar geestespantser. Zolang zijn uw emoties al afgesloten, dat ze nauwelijks nog bestaan. Alleen uw woede reageert u af op hen, die onder uw macht staan. Uw voortplantingsgebeuren is het allerkaalste dat ik me voor kan stellen. Geen warme lijn naar het hart, noch een vreugdevolle lijn naar genot. Uw volk lijkt het meest op een tuin met prachtige bloemen maar ze zijn wel dicht, zo bevreesd bent u voor de bijen."

Gaosar kon niet de indruk peilen, die zijn visie maakte op de man tegenover hem en hij pauzeerde even onzeker.

"Gaat u alstublieft door," gebaarde Rish Hayo.

Gaosar aarzelde, maar sprak toen nog een waarneming uit: "Het komt op mij over dat de Rishe die ik ontmoet, allemaal met hun hoofd in de wolken lopen. Het lijkt alsof ze zweven, al grotendeels los van de aarde. Maar ze zijn daardoor zo half, zo onaf. Ze zijn mens, maar verloochenen zo hun verbinding met de aarde. Het is alsof ze allemaal hun moeder haten. Daarom haten ze ook de Moedergod van de Bindi, denk ik."

Gaosar zag hoe Hayo de ogen sloot, de uitdrukking op zijn gezicht zou er een van pijn kunnen zijn... Het kon Gaosar niet meer weerhouden: "Iemand heeft me ooit uitgelegd dat de demonen ook hun wortels naar de aarde haten. Lijken de Rish niet op die demonen in dat opzicht?" Hij aarzelde weer. "U verbaast me toch enorm, ik geef dat toe, Hoogedelheldere. Ik had mij uw tolerantie met betrekking tot andersluidende visies en met name naar die van een buiteneilander zoals ik als heel wat beperkter voorgesteld."

Hayo had een peinzende, vreemde blik in zijn ogen, toen hij zei: "Maakt u zich geen illusies over mijn motivering. Maar u heeft klaarblijkelijk een sterke behoefte om uw gedachten vrijelijk uit te spreken, dus gaat u uw gang."

Gaosar voelde een soort knoop in zijn darmen komen. Even overviel hem een duizeligmakende lichtheid in zijn hoofd. Hij slikte het gevoel weg en zette door. De woorden bleven komen. Het was alsof hij niet eens meer nadacht.

"Dank u, dank u," zei hij, zich er van bewust zijnde hoe zijn stem was gaan trillen. Even flitste er een serie razendsnelle bedenkingen door zijn hoofd: `Waar ben ik me bezig? Waarom laat ik me zo uithoren?' Maar zijn automatische piloot scheen niet meer te stuiten. Hij dwong zijn mond tot beheersing en vervolgde kalm: "Uw eeuwenlange beschermende monopolie heeft u arrogant en zelfgenoegzaam doen worden."

Van het ene moment op het andere veranderde Hayo's gedrag. Zijn lippen persten zich tot een dunne lijn samen en ineens bracht een onverklaarbare magie een uitzonderlijk dreigend wapen in zijn hand, een gedrongen model vervormer. Zijn welwillende tolerante houding was op slag verdwenen. Waarschijnlijk was ook dat slechts een masker geweest.

"Genoeg van je beuzelpraat aangehoord, jongen," gromde hij. "Red je leven door zonder uitsluitsel opening van zaken te geven. Wie stuurt je? Twarth of Kerko zelf?"

"Mijn moeder," zei Gaosar zonder nadenken, verbluft over zijn reactie. De Rishe stak met een geschokte beweging zijn kale hoofd met de zwiepende kruinstaart vooruit, als een aasgier uithalend naar de bestorven ingewanden van een lijk.

"Wàt? Wie is je moeder?!"

"Nur-ell-Guin. Ik ben geboren in de vallei van de Hette in de vierde maand van het Hondjaar."

Gaosar’s stem piepte van de spanning. De man tegenover hem zat werkelijk doodstil, als uit één brok graniet gehouwen. Gaosar voelde hoe zijn leven aan een zijden draad hing. Iedere onwaarheid zou een verdampend vuur uit het wapen tevoorschijn kunnen brengen. Hij drukte de mouw van zijn linkerelleboog tegen zijn flank en liet toen uiterst langzaam zijn blootvallende pols uit de tuniekmouw naar voren komen. De geelwitte polsband vonkte in het lianry-kroonlicht. De ogen van de oude man bleven er kort op rusten. Toen keek hij op, recht in Gaosar’s ogen.

"Mijn polsband. Ik was er al bang voor," zei hij zachtjes. Maar de vervormer verdween niet uit zijn hand. "Geef mij een verklaring voor de zilveren rand in je pupillen, zei hij op ijzige toon. "Je sterft als je je mond houdt."

"Ik wist niet van een rand, stamelde Gaosar diep geschokt.

"Ik lees dat je niet liegt. Spreek verder. Draag je een parasiet, naar je weet?"

"Een Berseng, Hoogedelheldere," hijgde de verbijsterde jongen.

"Juist.... Hmm. Een Berseng nog wel."

Hij schakelde een knop op de vervormer om.

"Dat veld om je heen. Wie heeft je die Tat-kennis bijgebracht?"

"Oerbash."

"Oerbash? Hoe lang geleden?"

"Heel kort."

"Hier op lllyan!?" Hayo klonk, alsof nu hij op zijn beurt geschokt werd.

"Nee. Op Bayin."

"Ben je met de Berseng in aanraking gekomen, voordat je hem ontmoet hebt?"

"Nee, Hoogedelheldere. Het kwam in zekere zin door één van zijn opdrachten."

De Rishe gromde verbaasd en onthutst: "Weet de Tat van jouw afkomst?"

"Nee."


"Spreek, jongen! Leg mij zo snel mogelijk alles uit. Als ik je niet kan vertrouwen, is je dood de enige erfenis, die je uit mijn handen zult ontvangen. Hoe weet je van het geheim van je geboorte?"

"Nieuwe Mengt. De dwergen hebben me gezegd dat Kerko uw Tegenstrever is. Rish Tirt, wel... Rish Tirt is mijn vriend geworden. Hij vermoedde, dat u..."

"Snel! Aarzel niet!" beet de tovenaar hem toe.

"Rish Tirt heeft de omstandigheden van mijn verwekking, de geschiedenis van uw armverwonding en de polsband in mijn bezit met elkaar in verband gebracht. Verder weet niemand er van."

"Arghh! Lieg niet!" kreunde Hayo. "Vergis je zelfs niet!"

"Nee, o nee, vergeef me, Rish Hayo, ik dacht alleen maar aan andere Rishe. Sar Ishsti weet het ook. En mijn halfbroer. En mijn bloedbroeder uit Kendoland."

Hayo's gezicht werd wit. "Een Kendo? Het orakel sprak over een Kendo!! Aan welke beproeving onderwerp je me, jongen?"

"Rish Kerko heeft Karnk’s ouders vermoord. Hij wil hun dood wreken en ik..."

Gaosar aarzelde. `Wat wil ik?' dacht hij. Dit soort afgedwongen communicatie was niet gewoon kleur bekennen. Op deze manier wou hij eigenlijk helemaal zijn verhaal niet vertellen.

"Steekt u het wapen weg, Hoogedelheldere. U kunt mij niet onder dwang tot vertrouwen dwingen," zei hij plotseling met grote kracht. "Ik kom niets van u halen, noch heb ik u feitelijk iets te zeggen over hoe u uw staatsbestel moet inrichten. Ik heb u louter willen ontmoeten, omdat een sterk innerlijk gevoel mij hierheen heeft getrokken. Niets in mij is op uw dood uit. U kunt zonder twijfel waarnemen of ik waarheid spreek. Alstublieft, respecteert u mijn onafhankelijkheid en mijn lichamelijke integriteit!"

Het wapen verdween uit Hayo's hand. Gaosar nam nu waar dat het bliksemsnel teruggetrokken werd. Waarschijnlijk droeg de tovenaar het vervaarlijke ding in een oksel- of armholster. Er klonk een klopje op de deur. Hayo liep er heen en sprak een paar woorden in een codetaal. De persoon aan de andere kant van de deur antwoordde ook in code en daarna klopte Hayo vier keer op een speciale manier op een metalen plaatje dat in het midden van de deur bevestigd was. Toen liep hij naar zijn bureau terug.

"Je bent net op tijd met je verklaringen," zei hij. "De mannen daarbuiten controleren met intense regelmaat en toewijding mijn veiligheid. Ik heb veel vijanden en ik heb zo mijn eigen structuren opgebouwd om hen voor te zijn. Jij hebt echter kans gezien om enkele van mijn zichtbare en onzichtbare barrières te nemen. Dat schokt me. Ik vrees bovendien dat je parasiet mij zal overweldigen, als ik je zou doden. Dat ook is een onveilige gedachte voor me. Je zou Kerko's ideale wapen tegen mij kunnen zijn. Maar ik kan niet om de waarheid heen die ik in je lees. Tirt brengt je hier, één van de weinigen, die ik vertrouwen kan in het Huis van Onderzoek. Ingewijd door Oerbash ben je en ingelicht door de nieuwe Mengt... Welk een enorme kracht wordt er in jou samengebald. Ik schrik van je Kendo-bloedbroeder. Ik lees in je, dat hij degene is, die het Orakel heeft voorspeld. En dan jij zelf. Ik heb nog twee beloftes in te lossen, voordat ik vrij ben. Eén betreft jouw erfenis."

"De tweede betreft Kerko's dood," raadde Gaosar.

"Tja.. Maar eigenlijk heb ik dankzij zijn misbruik van de Kunst jou verwekt," zei Hayo heel ernstig. "Mijn ervaring in het contact met je moeder is heel uniek geweest, heel verrijkend voor mijn zienswijzen, moet ik toegeven. Daarom, wel... Soms voel ik me zelfs dankbaar naar Kerko. Wel, zo zijn mijn gevoelens naar mijn Tegenstrever in zekere zin dubbel..."

Rish Hayo's blik werd wat vaag. Verwijlde hij in het verleden, in een oerwoud in de vallei van de Tsjetjah? Zijn zoon voelde zich plotseling onbehaaglijk. Hij herkende diezelfde neiging tot dromerigheid in zichzelf, tegelijkertijd inziend hoe de twijfel in deze vader een wezenlijk krachtdadig handelen in de weg stond.

`Goed, ik heb hem ontmoet,' dacht hij. `Dit was het dan en wat nu? We hebben elkaar eigenlijk niets meer te zeggen,' Hij keek omhoog naar het plafond. Toen veranderde de wereld.


Uit de spiralende krullen boven Hayo's stoel maakte zich een vorm los, een toverinstrument, geleid door een genadeloze magie. Met een ziekmakende bons viel het kolossale, bruingele lichaam van een monsterachtige wurgslang naar beneden, omstrengelde de tovenaar met stoel en al en begon direct aan een dodelijke contractie. Alleen een gedempt geschreeuw begeleidde Hayo's verscheiden. Gaosar zat als versteend toe te kijken. Hij kreeg een hartaanval zonder een hartaanval te krijgen, stierf zonder te sterven. Hij hield op met ademen.

Nadat er een eeuwigheid was verstreken, roerde zich in hem een woordeloos iets. Beelden van vergezichten in een onnoembaar schone natuur borrelden in hem op, een gevoel van verlangen, een besef van onvoltooidheid raakte hem. En toen, toen ook dat niet voldoende was om hem tot ademen te brengen, bewoog er iets in zijn schedel, een kriebel in zijn hersenwindingen, die erger was dan de dood: de Berseng bemoeide zich met zijn gastheer. Van schrik ademde Gaosar weer in.


De wurgslang had zich ontspannen en gleed op de grond naast de stoel met een geluid van over elkaar ratelende schubben, dat de ontwaakte Gaosar over het hele bureau deed kotsen. Een zure klodder vloog op het begriploze oog van de slang, zonder het ondier maar zelfs tot knipperen te brengen. Het lichaam van Rish Cayobur Hayo was weer zichtbaar geworden en schoof met de losdraaiende windingen van het slangelijf mee naar de vloer. Ontzet maar ook tot in zijn merg verrast keek Gaosar toe, want het gezicht van de verslagen tovenaar was als dat van een pasgeborene zo ontspannen. Alsof er geen nederlaag geleden was, maar juist een vrede getekend. Gaosar keek in een intense verwarring omhoog. Nu zag hij hoe er een diep reliëf in het plafond zichtbaar was geworden. Hij besefte dat de wurgslang wellicht al bij de constructie van dit gebouw en van deze kamerbetimmering was betoverd en ingebed in het mystieke krulpatroon zonder daarin ooit op te vallen. Iets of iemand had hem wakker gemaakt. En hem heel hongerig wakker gemaakt. De brede, platte bek werd wijd opengesperd en begon zich toen langzaam over het vredige hoofd van Hayo heen te stulpen. Er sijpelden twee gedachten in Gaosar’s brein, die hem tot acceptatie en tot handelen bewogen. De eerste was: `Wat is, is' en de tweede was : `Mijn erfenis!' Hij hoefde niet meer naar zijn vaders hoofd te kijken, want dat was al in de slangemuil verdwenen. Dat scheelde bij zijn werk. Hij nam onder het toeziend oog van de slang de vervormer en het bijbehorende holster weg en daarna de manakonda-gordel, die Hayo om zijn middel droeg. Ook sloeg hij zijn vaders groene tuniekjas om. Weggaan door het Raadsgebouw was immers uitgesloten. Tirt moest zijn eigen deel maar verder bepalen. Verder hier zoeken naar de oorlogskaarten was veel te riskant. Ieder moment kon er weer een gangpatrouille verschijnen. Gaosar gespte de holster onder de tuniek vast en toen de manakonda. Er zaten twee draaibare regelaars op, wier werking hij uiterst voorzichtig uitprobeerde, tot hij subtiel vibrerend in de kamer heen en weer kon vliegen. Nog één keer keek hij om naar de verdwijnende ledematen van de man die kort zijn vader was geweest. Toen deed hij één van de grote ramen open en stapte naar buiten. Hij voelde een groot verlangen naar troost.

Direct steeg hij naar grote hoogte, een onherkenbare gestalte in voor toevallige toeschouwers vertrouwenwekkende groene kledij. Zorgvuldig ontweek hij iedere andere vlieger, later even behoedzaam landend in dicht struikgewas op een verlaten terrein achter Siri's paleis. Daar begroef hij zijn vaders jas met een wonderlijke plechtigheid, alsof hij de man zelf begroef. Toen hij trillerig opkeek, had hij de zoveelste schok van die dag gekregen. In de ruisende groene halmen van een lager gelegen speltveld14 oefende een onzichtbare kracht gedurende enkele ogenblikken een mysterieuze druk uit, zodanig opvallend tot Gaosar het glimlachende gezicht van zijn vader herkend had. De jonge man had niets beters kunnen doen dan schaapachtig terug lachen en wat onwennig wuiven.

Toen hij verfomfaaid en uitgeput het Nadir-paleis binnenkwam, werd er een enorme aandrang op hem uitgeoefend om het hele verhaal te vertellen, maar hij zei kortaf dat hij het wilde bewaren totdat ook Tirt thuis kwam. Daarna probeerde hij zonder iets te zeggen zo veel mogelijk in Siri's buurt te zijn, genietend van haar levendigheid. Haar vrouwzijn belichaamde voor hem de vervulling van het leven, nadat hij van zo nabij de dood onder ogen had gezien. Soms zag Gaosar als niemand anders keek, op een muur of in een vijver opnieuw de magische, korte glimlach gemodelleerd worden. Toen hij er eenmaal aan gewend was, gaf het een stille vreugde. Mocht zijn vader er nog in zijn doodstrijd aan getwijfeld hebben of zijn zoon schuld had aan de slangeval, dan was hem na zijn dood in elk geval de ware toedracht duidelijk geworden... Tenminste, of was het toch een ongebruikelijke zwakte in zijn Rishe-pantser, veroorzaakt door de emotionele ontmoeting met die late zoon, die hem uiteindelijk noodlottig was geworden? Gaosar moest met kracht het gepieker uit zijn aandacht bannen.

Tirt kwam pas laat 's middags terug, diepe lijnen in zijn gezicht, rode randen om zijn ogen. De opluchting in zijn ogen, toen hij Gaosar weer zag, was een monument voor ware vriendschap waard. Toen hij weer tot zijn positieven kwam, had hij onthutsende berichten. Na de ontdekking van de catastrofe hadden Hayo's lijfwachten het serpent met hun vervormers gedood. Daarna was het lichaam van de Rishe deels losgesneden uit het lijk van de slang. Toen ook andere magiërs uit het Groene Huis ondubbelzinnig vaststelden, dat hun opdrachtgever werkelijk niet meer leefde, had Hayo's opvolger, Rish Balte Bol, besloten om zijn vroegere superieur samen met het grote dier te laten cremeren. Met grote opluchting besefte Gaosar dat nu nooit iemand zou vaststellen dat Hayo's erfenis verdwenen was.

Tirt had zich buitengewoon ongerust gemaakt, omdat Hayo's lijfwachten hem ondervraagd hadden over diens laatste, spoorloos verdwenen bezoeker. Toen hij vernam, dat er een openstaand raam was aangetroffen, had hij evenals de lijfwachten verondersteld dat er een demon in het spel was geweest, die mogelijk Gaosar ontvoerd had. Omdat de wachters zelf Gaosar gefouilleerd hadden, dacht niemand aan de alternatieve mogelijkheid van het gebruik van een vlieggordel. De Raadsvergadering was halverwege onderbroken met het schokkende en gruwelijke nieuws. Zelfs de meeste Gapers waren, opgeschrikt door de consternatie, teruggekomen van weggeweest. Omdat de zo goed als voltallige Raad het onuitgesproken vermoeden koesterde, dat Rish Palo Kerko eindelijk met zijn voornaamste Tegenstrever had afgerekend, kwam er een subtiele, maar duidelijke sfeer van weerzin te hangen. Dat had Kerko doen besluiten om voor onbepaalde tijd zijn radicale voorstel met betrekking tot het conflict met de Pirti in te trekken. Wel was de protocolwijziging doorgezet en Pan Tirt was nu voortaan Edelheldere. In het Huis van Onderhoud was een zware spanning voelbaar, die uiteraard ook samenhing met de vele op gang gekomen opvolgingsprocedures, nu er ruimte aan de top was gemaakt. Daarna was het tijd voor Gaosar’s bloedstollende verhaal van de gebeurtenissen in Hayo's kantoor.



Deel met je vrienden:
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina