De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina17/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   34

Hoofdstuk 16 Het orakel van Giandar.





  • We hadden minder moeite met zijn vader.

  • De geest van Zanzer Nebukad stuurt niettemin sommige handelingen van zijn zoon, die zich tegen het belang van de Mengt richten.

  • Via dat Koningsorakel zeker?

  • Ja. Heel ergerlijk.

  • Wat ga je er aan doen?

  • Bent u werkelijk nieuwsgierig?

  • Wil je de waarheid weten?

  • Die weet ik al.

  • Dat denk je maar.


Als iemand van de nieuwe 'familie' gezien had wat er zich op dat moment afspeelde op het mijnterrein van Brank, in de villa van Rish Uto Onsten, dan had men vast minder vertrouwen in de goede afloop gehad. In het weelderige woonvertrek had zich een woeste woordenwisseling afgespeeld. Er was lijfelijk geweld gebruikt want er lag een gebroken stoel op het schitterende vloertapijt en weggespatte druppels bloed bezoedelden het fijne patroon van witte en roze flamingo's. Nu stonden er twee mannen met getrokken wapens tegenover elkaar. Kerko's assistent Rish Hiss Sarlof had zich met zijn rug naar de gangdeur geposteerd. De linkerkant van zijn gezicht was paarsrood gezwollen en er liep nog steeds bloed uit zijn oor. Zijn tegenstander had hem in een moordende slag tegen de grond geslagen, maar kennelijk geen rekening gehouden met Sarlofs mentale krachten, die hem weer op de been hadden gebracht. In zijn hand hield de assistent een dunne zilveren staf, waarin in een kunstige zetting twaalf diamanten rond een groot kristal waren geplaatst. Dreigend wees de staf naar de zware berengestalte van Onsten. Diens puntige oren leken nog verder plat te zijn gaan liggen, als van een tijger, die op het punt staat om zijn prooi te bespringen. Hij had een soortgelijke staf op Sarlof gericht, de dikke vingers knepen met witgespannen knokkels in het handvat. Hij keek razend, zo kwaad dat er schuim in zijn mondhoeken stond. Twee krachtvelden waren op elkaar gebotst en geen van de mannen zou een stap terug doen, voordat de ander vernietigd was. In het geblakerde portaal van de binnendeur lag het dode lichaam van een pezige Karres-officier, waarschijnlijk het hoofd van Onstens lijfwacht. De gehele linkerkant van zijn lichaam was verzengd door een schot uit het vervormerspistool van een rijzige man in het indrukwekkende rode statieuniform van een Hoofdoverzichter. Het zag er naar uit dat het dodelijke schot een nauwelijks geslaagde noodweerreactie was geweest op een zwaardaanval van de lijfwacht, want de vuurblaaspijp lag met de afgehakte hand, die het wapen ooit had vastgehouden, half onder de dode benen van de lijfwacht. Kennelijk had de Karresofficier de Overzichter bij een arrestatie-opdracht willen hinderen. Zijn zwaar toegetakelde slachtoffer in wie de Hoofdoverzichter Mui Itward viel te herkennen, lag bloedend uit een monsterlijke buikwond gedeeltelijk in de aangrenzende kamer. Itward deed een doodsverachtende poging om met de bloedende stomp van zijn rechterarm tegelijk zijn darmen terug in zijn opengereten tuniek te stoppen en tevens zo de bloedpompende polswond in de stof van zijn uniform af te dichten. Zijn linkerhand was in een onvoorstelbare tegenwoordigheid van geest en een niet aflatende plichtsbetrachting moordend vastgeklemd om de keel van zijn arrestante, een jonge Bakvrouw, inderdaad Nisha-cham-pohie. Ze trachtte met twee handen de wurgende hand van de Overzichter weg te krijgen, maar diens naderende sterven bezielde dat lichaamsdeel met een bovenmenselijke kracht, alsof alle resterende energie in die witte vingers vloeide. Een gierend fluiten gaf aan dat het meisje nog steeds ademde.

"Je loopjongen sterft eerder dan mijn bijzit," grauwde Onsten. "Daarna gooit ze haar mes in je keel."

Zijn brede, vertrokken dierengezicht toonde een uitdrukking van onverhulde bijtlust. Rish Sarlof zweette overvloedig. Het droop in zijn nek en langs zijn voorhoofd in de vlasbaard en in de parmantige snor, welks punten steeds lager gingen hangen, zwaar van de zweetdruppels. Zijn armetierige, dunne lijf presenteerde echter tegenover de woeste worstelaar Onsten een onderschatte, onverzettelijke magie. Geen van de opponenten scheen een beweging te durven maken. Uit de kristallen in hun tovenaarsstaven pulseerde een net niet onzichtbaar licht, gericht op het hart van de ander. Lang stonden ze daar, terwijl hun ledematen erger en erger gingen trillen.

"Je hebt al iedere wet van de Rishe overtreden door mij te bedreigen, maar bovendien heb je me een dag voor je deur laten wachten, Onsten," hijgde Sarlof. "Alleen al daarom zal ik je wreder martelen, dan je hier ooit je slaven gemarteld hebt. En je zwarte bijzit zal ik levend laten villen voor je ogen, voordat je sterft op de Oceaanplank. Voordat zij sterft, zal ik haar jouw testikels laten opvreten, terwijl ze nog aan je vieze beestenlijf hangen. Je apen uit je kelder zal ik levend koken, zodat je lang van hun gegil kunt genieten."

"Jij verheugt je op de verkeerde toekomst, Sarlof," siste Onsten. "Je eindigt namelijk diep onder de grond in de mijn. Ik zal ieder spoor van jullie aanwezigheid hier uitwissen. Laat Kerko zich maar afvragen wat er gebeurd is. Hij mag vermoeden wat hij wil. Binnen mijn gebied heers ik. Jij sterft nog eerder dan die rooie rat bij de deur."

Plotseling scheen zich het licht uit zijn staf te bundelen tot een rode streep, die recht in het lichaam van Sarlof doorstootte. Sarlof stierf. Misschien moest hij nog even denken aan Kerko's belofte dat zijn dood gruwelijk gewroken zou worden? Terwijl zijn schrale lijf in elkaar zakte, liet hij zijn staf los. Het magische gerei viel echter niet naar de grond, maar bleef wijzen! Het kristal maakte zich los uit de metalen zetting en gloeide op met een oranjewit vuur. Onsten begon verschrikkelijk te gillen. Zijn oogbollen werden gekookt in zijn oogkassen. Dampsliertjes stegen omhoog langs zijn voorhoofd. Hij greep er naar, maar moest direct zijn verbrandende handen terugtrekken. De ogen kleurden donkergroen en popten toen sissend naar buiten, stuiterend op het roze en witte tapijt. Pas toen viel het kristal ook, eindelijk weer onbezield tussen de onschuld van de stille flamingo's. Het gegil gaf Nisha toegang tot een geheel nieuw reservoir van levenskracht. Ineens stootte ze haar paarsaangelopen hoofd naar voren, recht op Itwards neus. De Overzichter kon waarschijnlijk niet eens nog meer pijn voelen dan hij al had, maar Nisha's beweging verbrak de statisch geblokkeerde energie in zijn hand. Terwijl het meisje haar hoofd weer terugrukte, gleden de vingers los langs haar keel. Ze rolde opzij, maar meer kracht had ze niet. Itwards hand krampte nog enkele malen open en dicht, zoekend langs de grond, maar zijn ogen waren al blind geworden, starend in de kristallen vitrine van de hel, die deze dood voor hem geworden was...


Veel later lagen Onsten en Nisha naast elkaar op het fraaie bed in Onstens werkvertrek, waar ze hem naar toe gesleept had, toen ze weer was bijgekomen. De corpulente man schokte en bibberde. Slechts met onregelmatige tussenpozen hervond hij even zijn heldere bewustzijn. Nisha lag ongecontroleerd te jammeren, maar hield daar geschrokken mee op, toen Onsten haar totale aandacht opeiste door hard aan haar lange, zwarte krullen te trekken. Hij kon nog alleen maar fluisteren, alsof het vuur in zijn ogen ook zijn mondholte verschroeid had.

"Luister vrouw," hijgde hij. "Ik ga sterven. Die rat heeft me toch nog te pakken genomen. Er waart één van zijn vuurdemonen in mijn bloed. Luister! Onder mijn bureau is een luik. Verspil geen tijd aan het slot. Breek de vloer met een bijl open. Neem alle kostbaarheden, die je vindt. Zoek niet verder. Alle andere deuren zijn met vernietigende magie verzegeld. En daarna ga je ..."

Verder kon hij niet komen. Kreunend en koortsig wentelde hij zich weer enige tijd om en om, tot hij in Nisha's armen weer voor een kort moment tot rust kwam.

"Nisha, Nisha," bracht hij droevig uit. "Mijn pronkpop, mijn oogappeltje. Wat moet er van je worden?"

Zijn bezorgdheid voor haar lot brak haar tijdelijke evenwicht weer in duizend stukken. Tranen stroomden opnieuw over haar wangen en weeklagend riep ze zijn naam keer op keer, totdat hij weer aan haar haar trok.

"Stil, stil," fluisterde hij. "Wees stil en luister. Vlucht naar Gondar. In die grote stad zal niemand je zoeken. Verander je uiterlijk zoveel je kan. De Niss zullen je signalement verraden aan Kerko, maar hij zal alleen naar je zoeken in de havens. Hij verwacht dat je vlucht naar Capai."

Weer overviel hem een koortsaanval, maar deze duurde heel kort.

"O nee, duifje, duifje," kreunde hij. "Ga niet naar Gondar. Zoek Benk Benko in Utrag, de stokmeester. Vraag de Bindiventers op straat naar hem. Toon hem mijn staf en doe een beroep op een belofte, die hij me schuldig is. Hij kan je beter verbergen voor Kerko's ogen dan wie ook. Duifje, laat dadelijk Pottaschke alle hout naar binnen brengen. Hij zal zijn rare vermoedens hebben maar je gehoorzamen. Steek dan mijn domein aan vier zijden in de brand als mijn lichaam gestorven is. Mijn eigen demonen zullen voor de rest zorgen. En luister.."

De zin kon hij niet afmaken. Pijnscheuten teisterden zijn kolossale berenlijf. Nisha lag huilend over hem heen.

"Vadertje, o vadertje, o, hoe je lijden moet. Ik wreek je dood, ik wreek je dood, o Uto, Uto, Uto."

Onsten leek te reageren op haar smeekbeden en sperde zijn mond open om er de laatste woorden uit te kunnen persen.

"Geen belofte, nee! Nisha. Kerko zal je villen! Ai, ai, ai. O, dit vuur. Het verzengt mijn bloed. Wreek onze liefde. Geef Sarlofs kristal aan de Pirti-tovenaars, samen met zijn kruinstaart. Zijn ziel zal gevangen zijn en Kerko tergen, die hem op deze missie gestuurd heeft. En luister vrouw!"

Met een ongelofelijk vertoon van discipline ging de oudere man half overeind zitten. "Luister. Mijn geest zal je vergezellen tot je veilig bent."

Zijn woorden waren nauwelijks meer verstaanbaar. Nisha hield haar rechteroor vlakbij zijn rochelende mond. Bloed drupte uit zijn verwonde oogkassen op haar haar.

"Zoek een man, die net zo van je houdt als ik van je gehouden heb," verstond ze. Daarna begon Onsten zo te gillen, dat ze van het bed af moest gaan. Radeloos stond ze te kijken naar de gepijnigde tovenaar. Ineens pakte ze een mes uit haar gordel. Ze knielde neer op het bed naast de gillende Onsten en stak in één beweging haar mes in zijn hart, terwijl ze zijn schreeuwende hoofd tegen haar borst klemde. Het grote lichaam was al lange tijd koud, voordat ze opstond. Buiten scheen de zon. Toen de vlammen uit het dak van de villa sloegen, was Nisha al op weg naar Utrag op de rug van een felle ezelhengst. Ze hoorde overal het vreugdevolle gejoel van de slaven, maar daarboven uit klonk iets anders. Een zo schril, hoog gillen, dat het haast geen mens kon zijn. Dat was het ook niet. Sarlof maakte inderdaad een deel van zijn vloek waar. De apen werden gekookt in het verdampende water van de keldervijver. Maar Nisha's herinneringen aan Rish Uto Onsten werden gelukkig niet gekleurd door enig vermoeden over diens vroegere ondergrondse bestiale tijdverdrijven, simpelweg omdat ze zich dat nooit had kunnen voorstellen.
De ochtendzon kwam Tirts ontvangstkamer in de bovenste kubus binnen door schitterend vlakgeslepen vensters van lavaglas. De werking van prismabuigingen in het glas vulde de ruimte met de meest wonderbaarlijke kleuren en lichtvalfenomenen. De drie vrienden hadden ondanks dat allen de ervaring van even teruggaan in de tijd, alsof het geen ochtend meer was, maar nacht. Alsof ze nog net aan de rog en de notenwijn hadden gezeten, vol, overvol met ingrijpende gevoelens van beproefde vriendschappen en geopenbaarde geheimen. Aan Sugatha was de ruimte kennelijk bekend, maar Jah Siri liep even keurend heen en weer, oog hebbend voor de bijzondere kleden en kussens op de grond, soms een exotisch kunstvoorwerp oppakkend, wegend en voelend.

"Uw hoge functie legt u geen windeieren, Edelheldere," zei ze tegen Tirt, een licht spottende nadruk op Tirts net verworven eervolle aanspreektitel. De Rishe was nog niet in de stemming om er om te kunnen lachen, maar hij had zich eindelijk wat kunnen ontspannen. Om de beurt keek hij Vrouwe Sugatha en Jah Siri aan op het punt iets te zeggen, maar Siri was hem voor: "Mijn geslacht heeft zich duizend jaar onderscheiden en staande gehouden door een juiste dosis achterdocht. Ik geef u echter het voordeel van de twijfel op dit moment, hoewel uw intieme belangstelling voor mijn nicht mij zeer verontrust. Mocht u haar schande aandoen, dan zult u in mij een verklaard tegenstreefster vinden, dodelijker dan één van die onzichtbare speelgoedjes van Rish Kerko."

"Aha, aha, mag ik die uitspraak eens even omkeren?" mengde Karnk zich in het gesprek. Tot een ieders verwondering wachtte hij keurig op Jah Siri's antwoord. Haar krachtige mond neigde even naar een bitse reactie, maar wederom hield ze haar scherpheid in: "Als u denkt, dat dat iets zal verhelderen...? Ik houd u niet tegen."

"Als Rish Tirt haar de allerhoogste eer bewijst, zult u dan zijn verklaard Medestandster worden?" informeerde Karnk.

"Ik vermoed een dubbele bedoeling achter uw woorden," zei Siri op haar hoede. Karnk leek echter geenszins te willen spotten: "Mijn bloedbroeders Gaosar Ouran en Tipo Tennen hebben zich evenals ik zelf achter de doelen van Rish Tirt opgesteld. Zijn weg is de onze, zo goed als hij mijn weg de zijne gemaakt heeft. Hij vraagt nu in feite langs een subtiele omweg of u hem steunt. Omdat wij ons als zijn medestanders beschouwen, is uw opstelling naar hem ook voor ons van het grootste belang. Ik zal volstrekt onomwonden spreken. Of u zet uw bedenkingen over zijn bijzondere gevoelens voor Vrouwe Sugatha opzij, of u zult mij als uw tegenstrever tegenover u vinden. U kunt ook mijn toewijding en liefde winnen als u aan hen hun liefde toestaat."

Zowel de dreiging als het verlangen in Karnk’s woorden was voor alle aanwezigen schokkend. Sugatha was als een muisje in elkaar gedoken, toen Karnk onverhuld haar relatie naar Tirt als liefde etiketteerde. Jah Siri was als door een wesp gestoken weggesprongen naar de andere kant van de kubuskamer. Ze rilde en klappertandde, een vuurrode blos steeg op in haar hals. Velerlei antwoordden vochten om ruimte in haar trillende mond, maar tot spreken kon ze niet komen. Gaosar was voorzichtiger met zijn gevoelens: "De bijzondere omstandigheden laten ons weinig vrijblijvendheid toe, Hooggeboren Jah Siri. Liever had ik als een belangstellend, neutraal reiziger de blauwe eilanden willen bezoeken. Ik had graag genoegen genomen met de gewone avontuurlijke nieuwsgierigheid waarmee ik Capai verliet. Maar ik heb gisteren aan Sar Ishsti en Rish Tirt kleur bekend, zoals ik dat nu aan u zal doen."

Hij richtte zich rechtstreeks tot Vrouwe Sugatha en zei: "Vrouwe, ik beloof u dat ik uw gevoelens voor Rish Tirt met mijn eigen hart zal beschermen."

Sugatha viel bijna flauw en verbleekte tot een dodelijke teint. Siri schoot op haar toe en ondersteunde haar.

"Ik kan niet anders uitspreken dan mijn werkelijke gedachten," zei Gaosar verontschuldigend. Siri keek op. Haar ogen fonkelden als een zwart vuur, het vuur van een diamant, die opglanst in een mijngang.

"Zulke dapperheid heb ik nog zelfs niet meegemaakt van de garde des konings," zei ze met een hese stem. "Sar Ouran, u hebt mijn respect verdiend. Van uw genoten kan ik niet de juiste hoogte krijgen. Maar u staat voor hen in, stel ik vast. Ik geef u op mijn beurt een belofte van Uitgesteld Oordeel. Daarin ligt ook mijn opstelling naar Rish Tirt in vervat, die uw medestander is. Verder kan ik niet gaan binnen de eer van mijn geslacht."

Gaosar blikte niet begrijpend naar Tirt en Ishsti. Tirt was te emotioneel om te antwoorden, maar de Tekenduider legde de situatie uit: "Jah Siri staat aan onze kant, totdat wij haar vertrouwen schenden of de wetten van de koning, waar haar familie aan gebonden is."

Sugatha en Tirt zaten elkaar zwijgend aan te kijken. Karnk verbrak de precaire stilte door nieuwsgierig naar de andere gele rol te wijzen.

"Nou hebben we het slechte nieuws gehad, misschien zit daar wat beters in. Een uitnodiging voor een feest of voor een gezellig toneelstuk."

Tirt leek blij met de afleiding en maakte het zegel los.

"Dit komt van mijn assistent in het Huis van Onderhoud."

Zijn ogen vlogen over de regels: "Luister! Het orakel van Giandar heeft zich in de nachtelijke uren uitgesproken over de toekomst van de koning! Luister! `Aarde en water, vuur en lucht zullen wisselen. Zo sterft het oude. Het vuur in de ordening zal de mist rond 's Konings eer doen verdampen. Het juiste gezelschap zal de kern bewaren, waarvan uit het nieuwe leven kan.' Welk een implicaties!"

Als geagiteerde kalkoenen barstten alle aanwezigen uit in een chaotisch gesprek. Siri was het meest opgewonden, omdat het orakel zich had uitgesproken over de positie van koning Katsin Oatreru. Langs de vrouwelijke lijn waren de meeste Nadirgeslachten altijd verbonden geweest met het Koningshuis en de mysterieuze slaap van de Koning had een diepe wond geslagen in hun gevoelens. Maar speciaal Siri's grootvader, Generaal Iten Horkan, bijgenaamd Stormvogel Horkan, had na het bekend worden van de geheimzinnige omstandigheden rond 's Konings lot een dure eed gezworen, waarmee hij aangaf met zijn hele familie in te staan voor de eer van de slapende monarch. Als onderbevelhebber van de koninklijke troepen had hij Oatreru's hele vormalige lijfwacht verbannen naar afgelegen Tillantse koloniën, de helft naar Tyr, de andere helft naar Missan. Naar zijn mening was toch een onzorgvuldigheid van één van die vijfhonderdnegentig elitesoldaten die het uitgestrekte terrein van het prachtige koningspaleis in Gondar bewaakten, er de oorzaak van geweest dat de koning in de nacht slachtoffer had kunnen worden van een aanslag door een demon of sluipmoordenaar. Toen Oatreru namelijk in de vroege ochtend niet meer gewekt bleek te kunnen worden, had de koninklijke lijfarts bij de vorst een lichte voetverwonding vastgesteld, alsof de slaper in een intense noodweer van zich afgeschopt had. Er was meer vreemds. De favoriete hengst van de koning was gezadeld en krankzinnig in de stallen aangetroffen. Generaal Horkan had als hoogste in rang alle verantwoordelijkheid voor zijn slapende opperbevelhebber op zich genomen. Hij had een bed voor zichzelf naast het bed van de ongelukkige laten plaatsen en een onbekend soort en aantal technische en magische voorzieningen rond Oatreru's slaapvertrek laten aanbrengen door hem persoonlijk toegewijde tovenaars en bouwkundigen. Zo hoopte hij een tweede en mogelijk wèl dodelijke aanslag te verhinderen. Sinds zeven jaar had hij dat gedeelte van het paleis niet meer verlaten, bijgestaan en soms even afgelost door twee van zijn zonen, die met hun vrouwen eveneens daar waren komen wonen. Zij voedden de slapende koning met een voedzame drank, die eerst door één van hen geproefd werd. Ze verbrandden ook persoonlijk al zijn uitwerpselen, nagels en haren op een paleisbalkon in een sinister ritueel om het onmogelijk te maken dat specifieke demonen via zulke objecten greep zouden kunnen krijgen op het lichamelijke omhulsel van de slapende vorst.

Iedere eventuele verandering ten goede in het lot van de koning raakte Siri dus zeer persoonlijk, omdat het haar grootvader, ooms en tantes weer terug in haar familie zou brengen.

"Een mist die wordt verdampt," mompelde ze een paar keer. "En wordt dan 's Konings eer weer recht gedaan?"

"Het orakel zei `vuur in de ordening', nou, daar heb ik direct een jofel plaatje van een mooie fik bij," zei Karnk. "De ordening. Wat is nou de orde van de Shir? Wat is dat anders dan het Mengkantoor? Al die lijstjes met namen, al die afstammingsdossiers met aantekeningetjes over de verwachte, leuke toverkunstjes van bepaalde nakomelingetjes, dat is toch precies waar jullie hele orde op stoelt? Dat orakel durft gewoon niet rechtstreeks te zeggen, dat daar de fik in moet, maar dat lijkt mij wel de eenvoudigste oplossing. Of weet iemand wat spannenders?"

Noch Tipo noch Gaosar of Karnk durfden op dat moment iets te zeggen over het orakel van de Zeer Oude Bindi-moeder aan Benko, de stokmeester, hoewel ook in haar uitspraken over het `juiste gezelschap' werd gerept en over een vuur. Maar de Moeder had over een vuur op Majeste gesproken... Het gezelschap besloot opnieuw even wat frisse lucht in de tuin te halen.
`Kan Tirt de Tijdkijker zijn, waar Benko op wacht?' vroeg Tipo zich af, toen hij naast de eveneens in gedachten verzonken Ishsti op een bank was gaan zitten. `Nee, een oude Tijdkijker, dat was het. Zou het dan deze Ishsti zijn? Wat is een Tijdkijker?'

Hij besloot er Ishsti rechtstreeks naar te vragen. De oude man keek hem verbijsterd aan.

"Jullie drieën houden onbehagelijk veel voor ons verborgen," zei hij toen licht onzeker. "Maar weinigen weten van mijn stillere vermogens. Hoe weet jij dat!?"

"Ik weet zelf niet wat ik weet, Sar Ishsti. Bènt u een tijdkijker?"

Ishsti kneep zijn ogen even samen. "Dit zijn geen dagen voor wantrouwen," zei hij op een bepaald moment, meer tegen zichzelf dan tegen Tipo en hij vervolgde: "Soms overvallen mij beelden uit andere tijden, andere levens. Het zijn hulpmiddelen om zich herhalende patronen in het heden te kunnen herkennen. Dit is het talent, waar het Mengkantoor al generaties naar zoekt. Als zijn bewindvoerders hier iets van vermoeden, zou ik in het geheim gegijzeld kunnen worden voor het afstaan van wat mij nog aan zaad rest... Nu al word ik soms door bepaalde Rishe onder druk gezet om mijn toekomstweten als Tekenduider voor hun eigen voordeel te benutten. Begrijp je mijn positie!? Vooruit nu, ik heb recht op je uitleg. Wie heeft je daar over verteld?"

Tipo aarzelde. Door kort te fluiten als een geschrokken havik trok hij Gaosar’s aandacht. Tipo stelde zijn broer van de ontwikkeling op de hoogte. Gaosar kon geen bezwaar voelen en ineens nam Tipo een besluit: "Ik kan u later vandaag aan hem voorstellen."

Ishsti schudde zijn hoofd: "Wacht. Ik heb geen enkele behoefte aan contact met een Rishe, die van mijn verborgen kunnen op de hoogte is."

"Het is geen Rishe."

Ishsti kromp ineen alsof een ijzeren vuist zijn darmen samenkneep.

"O nee?! Wat wordt mij aangedaan?!"

Vlug zei Tipo: "Het is een Bindi-stokmeester, Benk Benko."

Ishsti hijgde van verbazing, zodanig dat Tirt, die dichtbij hen stond het opmerkte en zich omdraaide.

"Wat is er aan de hand?" vroeg hij ongerust. Tipo nam hen met een kort verslag in vertrouwen over Benko's missie. Hun verbazing kende geen grenzen. Tirt kreeg plotsklaps haast, omdat hij aandacht moest gaan besteden aan diverse dringende zaken in het Huis van Onderzoek. Tipo sprak met Ishsti af om hem rond het Pauwenuur in de gelagkamer van Hotel De Vreemdeling te ontmoeten. Samen wilden ze daarna Benko opzoeken. Gaosar voelde zich te moe en emotioneel al te veel overladen om zelfs maar te overwegen om mee te gaan. In een andere hoek van de tuin stond Karnk met de nichten over eten te praten. Het drietal werd op de hoogte gesteld en daarna ging het gezelschap uit elkaar. Ze zouden in de vroege avond gezamenlijk dineren bij Tirt om elkaar van nieuwe ontwikkelingen op de hoogte te kunnen houden.
In een nauwe straat, vlak achter Herberg De Vreemdeling, stond op dat moment meester Benko voor een klein, rokerig huisje. Hij had een tas in zijn hand. De forsgebouwde man had even steels om zich heen gekeken, toen hij naar binnenging en zorgvuldig de deur gesloten. Onder een dunne deken lag op een slaapmat een stille gedaante, maar in de schaduw van de stof glinsterde het oogwit van felle ogen. Nisha's ogen. De stokmeester ging op een kruk zitten, de zak tussen zijn gespierde benen.

"De Overzichters zijn inderdaad op zoek naar een Bakvrouw," zei hij zonder inleiding. Hij opende de tas en toonde twee schildpaddoosjes. "Ik heb hier kleurstof voor je haar en een zalf voor je huid. En andere kleren. Zolang je niet veel praat, zullen de mensen je voor een oude vrouw van Karres houden."

"Hoe kom ik ooit thuis? Is er een beloning uitgeloofd?"

Nisha's stem was schor. Onderweg van Brank naar Utrag had ze waarschijnlijk niet of nauwelijks geslapen.

"Ik vrees van wel. Ze willen je graag hebben. Je hebt geluk dat je Kernish tegen het lijf liep. Hij zal niet verraden dat hij je hierheen gebracht heeft. Ik zal mijn neven die ander, die mango-verkoper, laten opzoeken. Die man zal graag vergeten dat jij hem naar mij gevraagd hebt, als hij ziet dat ze stokdansers zijn. Hoe je terug naar Capai komt? Ik kan een boot voor je kopen met een bemanning. Je hebt goud genoeg. Maar ik vrees het Huis van Oorlog. Ze zullen zieners op je spoor zetten. En jij alleen op zee in een boot...? Ik geef je geen schijn van kans. Ik ben beschermd door mijn amulet, maar jij?"

"Uto is bij me," snauwde Nisha, haar hoofd met een driftige trots opheffend van onder de deken. Als een directe bevestiging van dat feit verschoof er een lepel op de tafel. Benko keek er stil naar.

"Hij wil je eerst gebruiken voor zijn wraak, vrees ik. Als je iets anders doet, dan wat hij je gevraagd heeft, dan vrees ik evenzeer voor je lot als wanneer je in Kerko's handen valt."

"Ik wil niet naar Pirtiland."

"Verzoek Uto niet vrouw! Ik heb hem heel lang gekend. Hij was niet aan zijn eigen leven gehecht en dat van een ander telt in het geheel niet voor hem. Om onnaspeurlijke redenen heeft hij twee maal mijn leven gered, misschien alleen om mij nu aan mijn wederdienst te kunnen herinneren. Het lot van zijn eigen volk kan hem niets schelen, waarom zou hij om jou geven?"

"Ik heb hem alles gegeven wat een vrouw te geven heeft!"

Nisha's ogen spuwden vuur, maar de oudere man liet zich niet van zijn stuk brengen.

"Begin met zachter te praten," zei hij. "Als je tenminste niet onmiddellijk onheil over jezelf wilt afroepen."

Nisha fluisterde nu, maar met even vurige intensiteit.

"Ik heb met mijn eigen mes zijn lijden bekort. Dat telt wel voor hem!" Opnieuw schoof de lepel krassend over de tafel, maar of dat een bevestigend of ontstemd teken was, viel er niet uit op te maken.

"Vraag hem of hij je naar Capai terug laat varen, voordat je zijn kristal aan de Pirti hebt afgeleverd," zei Benko. Nog voor hij was uitgesproken, stuiterde de lepel zo hard heen en weer op de tafel, dat hij op de grond viel.

"Ik geloof niet dat je veel kans op een rustige reis maakt," twijfelde de stokmeester.

"Uto! Laat me alsjeblieft teruggaan!" hijgde Nisha, maar de lepel sprong op en vloog gevoelig tegen haar voeten aan. Ze gaf een kreet van schrik en pijn. Benko keek weinig opgewekt.

"Ik ga naar Majeste. Hij zal wel willen dat ik je meeneem."

De lepel begon blij te klepperen op de grond.

"En hij zal me hinderen als ik het niet doe."

Klepperdeklepperdeklepklepklep.

"Maar mijn opdracht dan? Ik zoek een Tijdkijker, geen wilde Bakfeeks!"

De lepel begon wonderbaarlijk plots te zweven in de lucht, totdat de punt naar Nisha's hoofd wees. Er kwam een peinzende uitdrukking op het brede gezicht met de grote walrussnor.

"Nisha? Maak jij gedichten?" vroeg hij, alsof hij zelf nauwelijks in zijn eigen gedachten kon geloven. Nisha knikte, verrast door zijn vreemde vraag.

"Mijn moeder heeft me ooit beloofd aan de jongste zoon van de Koningin van Capai," zei ze met een zekere trots. "Omdat ik zingen kan en de woordkunst beheers. Waarom vraag je dat, Oom?"

"Ach, zo maar," zuchtte Tir. "Het ziet er naar uit, dat ik een tijdje geleden misschien iets een beetje verkeerd verstaan heb. Ik zal je meenemen naar Majeste. Heel misschien zul jij de juiste vrouw op de juiste plaats blijken te zijn..."

De lepel viel weer terug naar de tafel en kletterde kort maar duidelijk instemmend. De stokmeester stond op.

"Ik moet weg. Iemand heeft laten weten, dat hij me wil spreken. Ik zal je straks eten brengen. Knip ondertussen je haar en poog het te verven."


De ontmoeting tussen Benko en Sar Ishsti was heel kort. Ishsti keek zonder iets te zeggen lang naar de stokmeester en de stokmeester keek zonder eenmaal met zijn ogen te knipperen lang terug.

"U bent de Tijdkijker, zie ik," zei Benko toen. Ishsti vroeg alleen maar: "Waar gaat de reis heen, stokmeester?"

"Uiteindelijk naar een laboratorium op Majeste," was het antwoord.

"Ik zal er zijn als je vertrekt," zei Ishsti zonder enig blijk van nieuwsgierigheid. Tipo bedacht dat de kleine tovenaar waarschijnlijk thuis al uitgebreid zijn doos met Tekenduidersgereedschap gebruikt zou hebben.

"Tipo gaat ook mee," vulde Ishsti aan. Eigenlijk had Tipo nog geen echt besluit genomen, maar niets in hem kon zich meer verzetten tegen de gebeurtenissen. Oerbash zou zeggen: `Je denkt dat je kiezen kunt, maar je lichaam heeft al gekozen.' Of iets dergelijks. Oerbash had heel veel gezegd eigenlijk, dacht Tipo.

Eenmaal terug bracht Tipo Gaosar en Karnk op de hoogte van zijn ingrijpende besluit om mee te gaan op de sabotagemissie van de Bindi op de hoogte gesteld. Het kwam hard aan. Op slag was dit geen avontuurlijk ontdekkingsreisje meer, maar werd duidelijk dat ze zich verbonden hadden met een kleine en kwetsbare partij in een overweldigend groot conflict. Argumenten om zijn keus te verdedigen hoefde Tipo niet op tafel te leggen. Gaosar en Karnk voelden direct de onafwendbaarheid van de gebeurtenissen, toen Tipo nogmaals aan hen de tekst van het orakel van de Bindi-moeder had geciteerd. Ze voelden zich allemaal onbehagelijk en nerveus. Ze besloten daarom na hun lunch de rest van de middag zoet te brengen met een dutje. Hoewel hij heel moe was kon Tipo toch niet meteen in slaap komen. Hij woelde, voordat hij de slaap kon vatten. En toen droomde hij van een zomerland, waar geen tijd was en waar hij kon doen wat hij wou. Onder andere allerlei dingen met Nisha. Hij onthield het als een akelige droom, want een stem bleef hem zeggen, dat juist dat dromen waren.


Toen Tipo later de herbergkamer uitkwam voor een dringend latrinebezoek, sprak een norse man met vettig haar en een dito afhangende snor hem aan. Hij had kennelijk al enige tijd op de gang zitten wachten.

"Ushstar, neef van meester Benko," stelde hij zich voor. Hij vroeg Tipo en diens vrienden om hem te volgen naar een huisje vlak achter de herberg, waar Benk Benko op hen wachtte. Toen Karnk en Gaosar hem voor de eerste keer ontmoetten, dwong de gecenterde verschijning van de oudere man hen een onmiddellijk en intuïtief respect af. De stokmeester maakte een bijzonder soort buiging, toen Ushstar hen bij het huisje afleverde. Het gebaar was hun op zich niet bekend, maar er sprak een mengeling van zelfverzekerdheid en toewijding uit. Het nam hen moeiteloos voor `Oom' Benko in. In het huis waren nog twee mensen aanwezig, die zouden meegaan op de reis naar Majeste. Op een kruk in de verste hoek van de kamer zat een bewegingloze, gesluierde vrouw, die Benko achteloos als zijn zustersdochter voorstelde, zonder haar naam te noemen. Gaosar ervoer een nare huivering en het ergerde hem dat ze niet opkeek. Ze leek zelf ook niet op haar gemak. De sluier verborg niet haar hele gezicht maar toonde deels een gevlekte, pukkelige huid die onfris aandeed. Haar haar was kortgeknipt, zwaar ingevet en met zilververf gekleurd op de manier van de parelmoer verhandelende vrouwen, die soms van Karres naar Bayin kwamen. Gaosar zag ook Tipo rillen. Er overviel hem een onbestemde golf van een mysterieus medelijden met zijn halfbroer en hij wist dat het bepaald geen pleziertochtje voor de jongen zou worden.

Een slechts iets minder norse man dan Ushstar werd voorgesteld als diens oudere broer Ate Tuta. Hij bracht met moeite een groetend gegrom voort.

"Het is ook geen prater, maar zingen kan hij wel," verontschuldigde Benko zijn tweede neef. "Goed dat jullie er zijn. Gisterenavond laat heeft de Tekenduider ons nog bezocht. Na wat hij me verteld heeft, kan ik niet anders dan ook jullie, Karnk en Gaosar, in vertrouwen nemen. Ishsti vermoedt dat er alleen op het eiland Gondar oorlogskaarten van Majeste liggen. In ieder geval in het Huis van Oorlog en in het koninklijk paleis, maar die plaatsen zijn uitzonderlijk goed beschermd. Ishsti wees ons op het Mengkantoor. Een inbraak daar is minder moeilijk. Kerko's onderuitvoerder Rish Twarth heeft er als vertegenwoordiger van het Huis van Oorlog een beheerderskantoor, evenals Rish Bol namens het Huis van onderhoud. De hoofdbeheerder van het Mengkantoor is Rish Eichhor, de hoge baas van het Huis van Onderzoek. Die Eichhor en Twarth schijnen twee handen op één buik, allebei bovendien lid van die Doodvorsersclub. Die zitten vast regelmatig met hun neus in die kaarten. Hun kantoor moest ons doelwit maar worden."

"Er is misschien een andere mogelijkheid," opperde Gaosar bedachtzaam. "Ik heb misschien een contact op hoog niveau in het Huis van Onderhoud."

Hij begon haast te stotteren, toen hij zichzelf zo voor het eerst over de man hoorde praten, die waarschijnlijk zijn vader was: "Ik eh, kijk, ik heb nog niet precies een plan, maar ik zou daar eerst eens een bezoek kunnen afleggen om, nou ja, om eens om me heen te kijken naar die kaarten."

"Dat ken nog heel lang dure," bromde Ushstar en zijn broer viel hem bij: "Ik hou helemaal niet van wachte. We wachte al veels te lang."

"We motte gewoon nu snel afreize naar Majeste," drong Ushstar aan. "Daar krijg ik vast wel iemand aan het prate. Daar ben ik heel goed in."

Daar twijfelde niemand aan.

"Niemand die ik ken is in de afgelopen jaren op Majeste geweest," zei Benko voorzichtig. "De kust is verraderlijk en het zit vol met speciale bewakingsbataljons Overzichters. Dus zonder kaarten waar hun positie en sterkte op staat, is onze missie zeer riskant. Bovendien waar is dat speciale laboratorium precies? Wie weet zijn er wel tien van die werkplaatsen. Waar maken de Rishe hun bom? Zonder kaarten zou ik ook gaan, maar ik wil nog drie dagen wachten. Daarna zullen we uitvaren met onze bark. Ik wil eerst naar Akaxoi aan de noordkust van Illyan, daarna naar Majeste. Tenminste, er is iets anders eerst nodig. We zullen een omweggetje moeten maken naar ...eh, Pirtiland."

De mannen keken verrast op, maar naar bijzonderheden vragen leek op dat moment ongepast.

"We moeten afspreken op Bonewits, bij de boot van Oerbash," zei Gaosar impulsief fel tegen zijn broer. "Als alles goed gaat..."

Hij realiseerde zich hoe hij plotseling verlangde naar het eind van deze missie. Er zat een drukkend gevoel in zijn hoofd. `Waar bemoeien wij ons toch allemaal mee?' dacht hij met een lichte paniek. Bonewits was ver weg, heel ver weg.
Toen ze in gedachten verzonken terugliepen naar herberg De Vreemdeling, zei Karnk met een zucht: "ik benijd je niet, kleine broeder Tipo. Benko is inderdaad een schitterende man, maar zijn neven zijn van het nare soort moordenaars."

"Is er ook een prettig soort?" vroeg Gaosar.

"Je hebt er ook beleefde types bij," legde Karnk uit. "Enne, dat vrouwspersoontje, dat doet me ergens aan iemand denken, die ik ook niet mag."

"Ze doet mij denken aan iemand die ik heel graag mag," antwoordde Tipo. Direct wist Gaosar ook wie. Nisha!

"Gobboeme!" vloekte Karnk in verwarring. "Jongen! Daar zat ik aan te denken. Nisha. Wat haal jij je nou op je nek?!"

"Ik weet het niet zeker."

Karnk gromde bezorgd: "Nou ja, wat wil je. Wil je terug naar dat huis om het uit te zoeken?"

"Nee!" zei Tipo heel beslist. "Als het zo is, dan ontdek ik het zeker op de boot. Het verandert niets aan mijn plannen. Wat is, is. Maak jij je maar bezorgd om je eigen plannen. Ik heb je zien denken, Bartas. Zo langzamerhand ken ik je heel goed. Jij wilt het Mengkantoor in de fik steken, nietwaar?"

Karnk keek zuur op.

"Praat vooral lekker hardop," zei hij ineens schichtig om zich heen kijkend. "Laten we naar binnen gaan."


In hun kamer in de herberg gaf Karnk bijzonderheden.

"Gondar, kijk, ik ken die stad een beetje. Da's hun hoofdstad vanwege het koninklijk paleis en vanwege de Zonnetempel van de Rishe. Het gebouw waar de Rishe Raad vergadert, ligt noordelijk van de haven. In een buitenwijk staat ergens de toren van het Mengkantoor. Nou, luister. Die Tirt moet vandaag of morgen een vergadering van de Rishe Raad bijwonen vanwege zijn nieuwe eretiteltje. Die gaat daar natuurlijk heen in zo'n dure luchtwagen. En wij reizen met hem mee! Wat denk je, Tipo? Ga met ons mee. Spreek met Benko ergens af in de haven van Gondar. Dat ligt voor zijn boot op de route naar Majeste. Als wij aan die kaarten komen, mooi. En anders is Benko hier toch sneller weg, dan hij van plan was. Hij zal toch wel liever daar wachten dan hier, denk ik."

Het plan viel goed, maar hoe gespannen ze waren, merkten ze alledrie aan hun droge keel, toen ze op de afgesproken tijd aan Tirts tuintafel aanschoven.



Deel met je vrienden:
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina