De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina16/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   34

Hoofdstuk 15 De lijst van eenentwintig.

Op het afgesproken uur troffen de drie vrienden de volgende ochtend Tirt in het aangeduide eethuis aan de korte kant van een kolossale markt. Tot hun verbazing zagen ze dat hij in het midden van de rokerige ruimte stond te praten in het gezelschap van twee elegante Shirvrouwen, die te oordelen naar hun kledij en kostbare palmbladwaaiers van hoge komaf moesten zijn. Gaosar en Karnk meenden beiden met een schok Vrouwe Sugatha te herkennen, de vrouw uit het Huis van Onderzoek. De andere vrouw had het bovenste deel van haar gezicht geel en purper geverfd. Ze droeg een lange zwaardschede op de rug. Het met parelmoer ingelegde heft stak schuin boven haar linkerschouder uit, klaar voor een onthoofdende slag. Op haar beide onderbenen was de schede van een mes bevestigd. Ze stond naar de indringend pratende Tirt te luisteren met haar handen in de zij. Deze houding had Gaosar nog nooit bij de Bindi gezien. Hij vermoedde dat er een taboe op rustte, omdat er een onverzettelijke macht van uit straalde, zeker bij deze soldateske Shirvrouw. Van de Bindi zou het mogelijk snel als een protest tegen het Shirgezag worden ervaren. De drie makkers hielden zich afzijdig aan de zijkant van het restaurantterras, bang om Tirt te storen en hem met hun aanwezigheid mogelijkerwijs te compromitteren. De Rishe boog zich herhaaldelijk voorover naar de vrouwen om ongehoord door anderen iets te kunnen zeggen. Gaosar merkte op dat er geen andere Shir in de eetruimte waren, maar dat met steelse blikken zo goed als alle Bindi en zelfs de Nissbedienden het opvallende drietal in de gaten hielden. Tirt was zich daar natuurlijk ook zelf van bewust. Na enige tijd van fluisterende aandrang volgden de vrouwen hem naar een andere kamer, achterin het eethuis. Na hun verdwijnen werd er druk gelachen en gepraat door de aanwezigen. Zowel de mannen als vrouwen leken geheime, mogelijk verboden erotische schandelijkheden te vermoeden in dat contact. Het geroezemoes verstomde verbaasd toen na slechts een kort verloop van tijd Tirt weer alleen verscheen en ongemakkelijk rondkeek.

"Laten we maar één voor één naar binnen gaan," stelde Karnk voor. "Er is wat raars aan de hand en hij voelt zich alsof een demon een steentje op zijn graf gelegd heeft. Ga jij eerst, Gaosar? Jij valt het minste op met je Halfbakkop."

Gaosar knikte en stapte naar binnen. Alsof hij Tirt niet kende, sprak hij de tovenaar aan, hem een zakje bitterzout tonend, alsof hij een zouthandelaar was. Tirt vertrok geen spier van zijn gezicht en wendde benauwdheid voor.

"Laat ons naar buiten gaan voor een moment, mijn goede man," sprak hij op de neerbuigende toon, die de Shir reserveerden voor hun contact met de mindere standen. Achter hem aan liep Gaosar naar het terras. Gaosar gaf Tipo met een vingersignaal `ontkennende afstand' aan, waarop zijn broer een goed gesprek aanknoopte met Karnk over het weer en over gestoofde ezelballen. Buiten gehoorsafstand van de Bindi op het terras legde Tirt de situatie uit: "Vrouwe Sugatha heeft mij vanmorgen opgezocht in het Huis van Onderzoek, vanwege haar verontrustende ervaringen gisterenavond in mijn huis. Zij is niet een vrouw om genoegen te nemen met leugens en ik kan die haar ook niet vertellen. Ik heb dus samenvattend van onze ontmoeting verteld. Ze heeft geëist dat ik haar met jullie in contact breng en sinds dat moment is ze niet meer van mijn zijde geweken. Denk je eens in! Wat men niet voor conclusies zal trekken! Een assistente die meer dan een sai in mijn gezelschap doorbrengt! Ik ben gedwongen om in de openbaarheid met haar te blijven, want als ik me ergens met haar zou afzonderen, zet ik onmiddellijk mijn carrière op het spel. Tot overmaat van ramp zijn wij op het plein haar nicht tegen gekomen."

Gaosar onderbrak hem, omdat hij dat Tiki-woord niet kende.

"Ah, haar moederzusterdochter," begreep hij.

"Nee, de dochter van haar vaders broer," legde Tirt uit. Even was er een forse cultuurbarrière, maar toen woven beide mannen het verwarrende beeld weg.

"Kort en goed," bromde de tovenaar. "Wij kwamen Jah13 Lino Siri tegen, ook zo'n verschijning die niet met zich spotten laat."

"Ik heb haar gezien," beaamde Gaosar. "Waarom draagt ze een zwaard?"

"Zij is de dochter van één der voornaamste Nadirgeneraals, de hoogste adel," legde Tirt uit. "De Nadirvrouwen vechten net zo bekwaam als de mannen. Ze kan met een vervormer omgaan en met het zwaard. En met haar scherpe mondje," voegde hij er wat zuur aan toe, terugdenkend aan haar scherpe confrontaties. "Sugatha en zij zijn zo sterk verbonden dat ze elkaars ziel lezen en daar heb ik geen verweer op, hoe ongerust het me ook maakt."

"Hoe bedoelt u, elkaars ziel lezen?" verwonderde Gaosar zich.

"Ze vermengen hun gedachten en gevoelens op de manier van vrouwen," antwoordde Tirt. "Het is niet hetzelfde als de Verboden Kunst en ze lezen geen woorden. Maar Jah Siri voelt nu de belangrijkheid van de gebeurtenissen en wijkt op haar beurt niet meer van haar nichts zijde. Nu zit ik met twee bloedhonden op mijn spoor opgescheept. Wat moet ik verklaren, als ik andere Rishe uit mijn Huis tegenkom? Laat staan als ik Kerko's assistenten tegen het lijf loop? Daar zitten een Bak en een reuzenman op het terras en hier sta ik met een Halfbak te praten. Iedereen let op mij. Ik heb een belofte moeten geven aan die duivelse vrouwen, begrijp je dat, Gaosar? Ik moet hen met jullie in contact brengen. Wat een noodlot. Wat een ontstellende risiko's spiegelen zich. We zullen de gang naar Giandar voorlopig moeten uitstellen!"

In de verte zagen ze de kleine gestalte van Sar Ishsti naderbij komen. In enkele woorden legde Tirt de moeilijke situatie uit. Ishsti bleef heel rustig en dat kalmeerde Tirt ook zienderogen. Gaosar visualiseerde in gedachte een stil zeegezicht en projecteerde dat om hen heen. Tirts ongerustheid kwam weer naar een punt van evenwicht toe.

"Mijn hart raakt u aan," zei Gaosar rustig. "Wat is, is. Spreekt u met de vrouwen een ander ontmoetingspunt af en wij zullen u dan later daar weer zien."

Tirt had al zelf zo'n besluit genomen en zei: "De achteringangen van mijn tuin zijn veilig en ongezien bereikbaar. Neemt u een huurglijwagen en laat u aan de rivierkant afzetten. Als u bij de rechter gele tuindeur wacht, zal ik die van binnenuit voor u openen. Ik kan u daar op de kortste termijn ontmoeten."

Voor de vorm nam de tovenaar het zakje bitterzout aan van Gaosar en betaalde er ook voor, een flink bedrag in dompellood dat ruimschoots het vervoer per glijwagen zou bekostigen. Gaosar moest lachen om de gelijktijdige profijtelijkheid van deze transactie. Daarna beduidde hij Tipo en Karnk met een handsignaal om hem te volgen, terwijl Tirt in het restaurant verdween. In een zijstraat hield Ishsti twee glijwagens aan. Hij en Karnk namen de ene en Gaosar en Tipo de andere. Zo konden ze onderweg elkaar van de veranderde plannen op de hoogte brengen.

De tuin van de Rishe was bepaald een lustoord. Palm- en loofbomen wisselden elkaar harmonieus af en in de boomkruinen was het een concurrerende drukte tussen eekhoorns, aapjes en vogels. Twee Nisstuinlieden waren met een niet aflatende zorg bezig met wieden en aanplantingen. De beide glijwagenchauffeurs hadden de meest toeristische (en langste) route genomen, zodat Tirt en zijn aantrekkelijke bewaaksters al aan de Spozie-drank zaten, toen de Tekenduider en de buiteneilanders de tuin in kwamen. In het midden van een groot gazon had de Rishe een schitterende parasol van palmblad laten neerzetten van een zodanige doorsnede dat de zeven mensen comfortabel in zijn verkoelende schaduw konden zitten.

"Het ontbreken van struikgewas houdt slangen en bespieders van ons weg," verklaarde de gastheer en daarna stelde hij iedereen aan elkaar voor. Vrouwe Sugatha was in haar grijsblauwe Onderzoekerstuniek met de brede broekspijpen een veel zachtere, kwetsbaarder persoonlijkheid dan haar nicht Siri. Beiden hadden donker, roodachtig en krullerig haar en een fijnbesneden, gevoelig gezicht, maar Siri had een zonverbrand en buitengewoon gespierd lichaam, dat waarschijnlijk veel aan martiale trainingen in de buitenlucht was blootgesteld. Haar neus had een opvallende kromming en haar ogen waren van een zwarte felheid, die van een vurig karakter getuigden. Onwillekeurig schatte Gaosar haar kwaliteiten in zoals hij het een potentiële tegenstander op het strijdveld zou doen. Ze was maar weinig kleiner dan hij en haar bewegingen getuigden van een onverzettelijke gegrondheid. Ze boezemde hem een subtiel gezag in op dezelfde manier waarop de Oude Moeders op Capai dat deden.

"Ik weet al veel van u, Sar Ouran," zei ze en met een zekere gereserveerdheid vervolgend: "Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ik ooit nieuwsgierig zou kunnen zijn naar zaken die een Halfbak me zou kunnen vertellen."

Voordat Gaosar kon antwoorden, viel Karnk met een vreemde emotionaliteit naar haar uit: "U ziet er niet naar uit, dat u òòit de moeite hebt genomen om naar afwijkende meningen te luisteren, Jah Siri."

De vrouw keek bijna verstoord opzij naar de enorme gestalte van Karnk, die zelfs zittend nog ruim twee hoofden boven haar uit stak. Toch scheen ze wat van haar stuk gebracht.

"Sar Bratas... Ja, ja. U heeft uw oordeel snel klaar," diende ze hem van repliek.

"Dat moet ik wel met dat soort snelle types dat niet eens voldoende in mij geïnteresseerd is om mijn naam goed te onthouden," antwoordde Karnk. "Mijn naam is Karnk Bartas en als Bartas u desalniettemin niet lukt, dan mag u meteen Karnk zeggen, zoals mijn vrienden hier doen!"

Dat `vrienden' klonk met nadruk onbestemd. Ironisch bedoeld of was het een heel subtiele uitnodiging? Tipo leek geen behoefte aan praten te hebben, maar hij kon een brede grijns niet inhouden. Gesprekken als deze zouden op Capai absoluut ondenkbaar zijn geweest. Een man, die een gezaghebbende vrouw zo op haar nummer zette! Hij genoot. Evenals Gaosar had ook hij aan de Oude Moeder Tsjorm-kalki moeten denken, toen hij kennismaakte met deze krachtige persoonlijkheid. Ook Ishsti zat zich stilletjes te vermaken.

"Graag neem ik mijn eigen onafhankelijke besluiten, Sar Bartas," benadrukte Siri. "Laten wij het nog even bij Sar Bartas houden, tot mij duidelijk is, hoe vriendschappelijk uw intenties naar mijn volk wel zijn."

Karnk begon meesmuilend te lachen en dronk in één keer het hele glas Spozie-drank leeg, dat Tirt voor hem had neergezet. Lichtelijk verbaasd over het incasseringsvermogen van Karnk’s tongpapillen schonk de gastheer het glas toch maar weer vol. Karnk leunde demonstratief wat achterover.

"Hoera," zei hij opgewekt. "Hier hebben we te maken met een gesprekspartner die haar onafhankelijke denken wil demonstreren. Hoe boeiend. Dat heeft zich nog nooit afgevraagd, hoe een Halfbak denkt, laat staan hoe een Bak denkt of een Bindi. Nee, dit wordt echt een succesmiddag, ik weet het zeker. Iemand die onafhankelijk denkt en dat voor een Shir. Zo, zo. Mooi hoor!"

Als het Karnk’s bedoeling was om Jah Siri te provoceren, dan was hij daarin meesterlijk geslaagd. De jonge vrouw was tot het uiterste geprikkeld opgesprongen en haar linkerhand verdween tussen haar tuniekknopen. Gaosar vermoedde ook daar een wapen. Toch kwam het niet tevoorschijn, hoewel haar blikken zeker zo dodelijk waren. Tirt was buitengewoon verlegen met de situatie. Deze pijnlijk vijandige botsing had hij niet voorzien. Sussend poogde hij Siri te bewegen om weer te gaan zitten. Karnk was er nog luier bij gaan zitten alsof hij bij zijn favoriete voetmasseur zat.

"Ik ken dit soort," zei hij over haar hoofd heen tegen Tirt. "Ik ben al vaker geconfronteerd geweest met krijgsvrouwen van de eilanden. Alleen mijn getrainde reflexen houden mij in leven tegen zulke zwaardvechtsters, wier enige inzicht aan hun moordlust en mannenhaat ontleend kan worden."

Er viel een diepe stilte. Allen zagen hoe Siri tegen haar reflexen streed, die er inderdaad ondubbelzinnig op gericht leken te zijn om deze belediging op directe fysieke wijze en dodelijk te wreken. Karnk scheen de boomkruinen te bestuderen, maar Gaosar voelde een fluïdum van totale alertheid om hem heen hangen. Hij zag ineens met eigen ogen wat de Falak Geshyo bedoeld had, toen hij op de veerboot over Karnk’s Nisstraining had gesproken. Siri merkte het ook op. Ze keek plotseling met een veranderende intentie naar Karnk’s gezicht, die haar recht en onbevreesd in de ogen keek.

"Adem maar uit," zei hij onverwacht heel vriendelijk. Ze deed het en Gaosar werd even een flits gewaar van een intens verdriet, dat op het punt van doorbreken stond. "Ik groet u met respect, Jah Lino Siri," zei Karnk langzaam en formeel. "Overweegt u om me Karnk te noemen."

Siri ademde een paar keer diep in en uit en masseerde haar handen. Vrouwe Sugatha had de confrontatie met ongeloof en ontzetting gevolgd.

"Waarom gedraagt u zich zo ongepast en agressief naar mijn nicht, Sar Bartas?" vroeg ze met wijd opengesperde ogen. Karnk neeg licht met zijn hoofd en antwoordde: "Omdat uw gerespecteerde nicht mij anders mogelijkerwijs later in ons gesprek had trachten te vermoorden. Ze is een wat opvliegerig type. Ik voel mij meer op mijn gemak als ik die confrontatie maar alvast achter de rug heb."

De waarheid achter die opmerking trof iedereen, ook het lijdend voorwerp ervan.

"Het zij zo," gaf Siri toe. "Mijn Nadiropvoeding is wellicht wat eenzijdig gericht geweest op het gelijk van mijn klasse."

"Precies!" riep Karnk lakoniek uit. "En helaas wordt uw onafhankelijke denken verstard door uw vrees voor de hiërarchie in uw befaamde geslacht en tegelijkertijd bent u slachtoffer van al uw burgerlijke normen op het gebied van de omgang tussen de geslachten."

Nu was het Sugatha's beurt om geprikkeld te raken.

"Wat heeft dat er nu mee te maken?" vroeg ze verontwaardigd. Tirt, die dit allemaal al eens had meegemaakt de vorige avond maar toen met hemzelf als slachtoffer, zonk ten prooi aan een gevoel van onafwendbare melancholie onderuit in zijn stoel. Tipo en Gaosar zaten daarentegen vol bewondering op het puntje van de hunne te luisteren naar deze meester op de woorddegen, steeds weer in staat om aan de ander diens diepste eigen waarheden te ontrukken.

"Ik zal het nog maar eens allereenvoudigst uitleggen," zei Karnk. Hij stond op en liep een rondje om de parasol heen. Buiten gehoorsafstand maar binnen het zicht van zijn meester stond een Nissbediende, klaar om op ieder teken van zijn meester te reageren. Karnk woof plagerig naar de kleine geelhuidige man, maar die woof niet terug.

"Jullie Shir-vrouwen leiden het liefdeleven van een mossel: immobiel openstaan voor een toevallig rondvliegende kwak zaad," beschuldigde Karnk de twee vrouwen. Nu sprong Sugatha razend op.

"U moogt me uw perverse praat besparen. Een normaal mens hoeft daar niet naar te luisteren," riep ze vinnig. Karnk bleef haar verder voeren: "Normaal?! Wat een fictie. Normaal? Dat is de geestesziekte van de gemiddelde mens, die vooral veiligheid nodig heeft, die de kudde volgt. De normale is verslaafd aan de goedkeuring van zijn omgeving. Een fatale worsteling met een wurgslang!"

Sugatha keek geschokt een andere kant op, maar Siri vroeg om meer: "Vindt u onze ingehouden levenswijze een vorm van sterven??"

"Ha! U heeft me begrepen!" donderde Karnk. "Natuurlijk! Jullie ontsnappen aan het echte leven. Hoe kan de omhoog bruisende sapstroom in de boom anders dan uitbarsten in zijn knoppen? Hoe kunnen de knoppen anders dan openspatten in hun bloesemorkaan? De Shir zoeken iets hogers, beweren ze. Best, toon mij hun eindproduct. Als de boom zijn zaad veredeld ziet, als hij zijn vrucht tot over de einder ziet wortelschieten in het nieuwe, in het onbekende avontuur, ja, dan leeft die boom. Hij heeft zijn rol ten volle vervuld. Maar welk avontuur beleven jullie? Léven jullie eigenlijk wel? Jullie passen je aan een keurslijf van normen aan. Rebelleer toch eens! Ik kan niet geloven dat jullie vrede kunnen hebben met al die bijziende visies om je heen."

"Spreekt u uit een eigen ervaring van anders handelen, tegen de massa in, zoals u dat noemt?" vroeg Siri. Sugatha zat nog steeds demonstratief naar de vogels in de boomkruinen te staren.

"Sar Bartas heeft zich met geweld onttrokken aan zijn voorbestemming als Kendo-roofkind voor een Moederput-ritueel," vermeldde Tirt en dat feit maakte inderdaad de verwachte diepe indruk.

"Liever levend afgezeken alleen, dan een dood en hooggewaardeerd offer," voegde Karnk er aan toe. "Ik zal u zeggen wat ik heb waargenomen op mijn reis naar hier, maar overigens niet minder in het Oorsprongland of waar dan ook. De strategie van de priesters, de tovenaars en de Oude Moeders is overal gelijk. Zij berust voornamelijk op het alert inspelen op allerlei schuldgevoelens. Er worden zogenaamd zondige gedachten voorondersteld bij het volk en die worden in het openbaar veroordeeld. Want de mens die zich schuldig voelt, verzwakt zichzelf en ziet dan om naar leiders."

Tirt had een hoogrode kleur gekregen. Hij kon niet op zijn stoel blijven zitten. Onrustig stond hij op, liep rond en kwam weer terug. Hij zette een voet op de stoelzitting en pakte met zijn handen de rugleuning beet. Gaosar zag hoe wit zijn knokkels waren. De tovenaar kuchte en zei met een stem, waar de machteloze woede in doorklonk: "Karnk, wat je zegt, raakt kwellend aan het nieuws dat mij deze ochtend bereikt heeft. De leiders van ons volk lopen op schandelijk wijze aan de leiband van de Voorzitter van de Rishe Raad. Mijn nieuws is dat Kerko vanmorgen alle reservisten van het Overzichterskorps gemobiliseerd heeft. Zo omzeilt hij het inzetten van soldaten, die slechts onder een koninklijk bevel kunnen vechten. Hij gaat de Raadsleden voor de keus stellen: volledige loyale samenwerking bij alle activiteiten van het Huis van Oorlog tegen de Pirti of volkomen isolatie voor de afvalligen. Over drie dagen wil hij ons allen dwingen om kleur te bekennen."

"Toetst u dat ultimatum eens," suggereerde Gaosar. "Waar is de middenweg die uw voorouders zo benadrukten? Is niet matigheid en rechtlijnigheid de juiste samengang? Ik vrees dat Kerko schande aantrekt."

"U durft veel te zeggen," zei Jah Siri. "Maar ik beken ook mijn onzekerheid. Er gebeuren veel dingen, die tegen mijn gevoelens indruisen."

"Er is inderdaad nòg een vreemd Raadsvoorstel aangekondigd," vulde Sugatha aan. "Er schijnt ook sinds deze ochtend in de Huizen een lijst te circuleren van enkele lagergeplaatste Rishe-assistenten, die na een protocolwijzing de titel van Edelheldere zullen mogen gaan voeren op het niveau van de Onderuitvoerders."

"Vleierij, omkoperij van sleutelfiguren," zei Tirt. "Zo komt het op mij over. De meeste van deze ruggegraatlozen zullen reageren met slaafse dankbaarheid en goedkoop enthoesiasme. Ze laten zich met titels en toelagen eren en daarmee wordt het verlangen in anderen gezaaid, die op dezelfde wijze beloond hopen te worden voor hun loyaliteit. Geestlozen, die zichzelf superieur achten boven het gewone volk, ja, boven hun eigen volk èn boven de Bindi, de Baks en vanzelf ver boven de Pirti. Oh, wat een opluchting is dit. Hè, dat ik eindelijk mijn drift en wantrouwen en ongerustheid eens kan delen met jullie zonder bang te hoeven zijn voor verraad!"

Jah Siri zat haar keel te schrapen en licht te hoesten.

"Keelpijn? " vroeg Karnk. Ze knikte.

"Balpraat!" donderde Karnk’s stem plotsklaps. De Niss aan de gazonrand sprong verschrikt op. "Uw weggeslikte protest, dát hindert u!" riep Karnk. "Wat is uw standpunt eigenlijk? Lijdzaam wachten? Wachten op een wonder? Onderzoekt u toch eens uw innerlijke twijfels tot in hun diepste kern. U denkt vrij te zijn maar u bent geestelijk de lijfeigene van een paar handige Rishe en priesters."

Sugatha leek geprikkeld: "Kent u die zuiltekst op Katatnia `De dienaar zal heersen'? Wij stellen onze werkkracht en vaardigheid geheel in dienst van onze gemeenschap. En bovendien, een ieder is voorbeschikt voor de positie, die hij of zij inneemt, zo is ons geleerd."

Karnk haalde weer compassieloos uit: "Wat een angst! U bedoelt dat u geen kritiek op hogergeplaatsten durft te hebben. En u ontwijkt dat met een beroep op uw egoloze overgave? Maar zo kunt u ook geen medeverantwoordelijkheid dragen voor het totaal van uw cultuur. En daarmee versterft het geheel in een doodse verwurging. Kerko is niet perfect en almachtig! Ofwel hij is niet te goeder trouw en dan provoceert uw kritiek hem tot het tonen van zijn ware gezicht naar u. Dat scheelt enorm want daarmee kunt u zich terugtrekken van een dubieuze meester. Misschien is hij wel te goeder trouw en dan zal hij uw informatie als voeding beschouwen en u passend belonen."

"Ik heb geen enkele illusie omtrent de ware inborst van de Voorzitter van onze Rishe Raad," antwoordde Siri. "Hij is op macht uit onder het voorwendsel dat hij de technische verworvenheden van de Shir-beschaving beschikbaar wil stellen aan de ons omringende volkeren. En velen bezien het voorwendsel als het wezenlijke motief. Zelfs mijn vader heeft zich lang te goeder trouw laten misleiden. Maar mijn vraag is in hoeverre kan de oorlog schadelijk zijn voor ons volk? Daar ligt mijn zorg."

"Voor uw gevoel dient u misschien de patriarch van uw familie," bracht Gaosar in het midden. "Maar als het kleinste kind uit uw familie door dat zelfde handelen zou omkomen, zou dan niet het geheel van de toekomst van uw familie geschaad worden? Is dat offer dan goed te praten?"

Er viel een diepe stilte. Opnieuw nam Gaosar het woord. "Mijn broer en ik komen van Capai. Ons volk, de Tsjetjah, heeft lang in een betrekkelijke vrede geleefd. Tipo heeft zelfs nooit een vijand in een oorlog hoeven doden. Ik wel. Eenmaal ben ik gedwongen geweest om te doden in een klein maar ernstig conflict met een naburige stam. Ik twijfelde toen niet aan mijn recht om te doden. Wie ons volk zou aanvallen, haar of hem zou mijn mes wachten. Zeker. Maar zou er een andere weg mogelijk zijn, dan wilde ik daar graag een offer voor brengen."

Karnk was uit zijn luie, liggende houding overeind gekomen en bromde: "Schitterend gesproken, o geliefde vriend. Ik ben heel anders dan jij, maar ik wilde soms dat ik zo kon kijken als jij nu doet. Mijn handen zitten los, dat weten jullie. Mijn Tegenstrever mag zich gelukkig prijzen als ik de moeite neem om hem te waarschuwen. Aan mijn handen kleeft het bloed van velen en ik voel mij daar niet in het minst door bezwaard. Toch verlang ik ook naar andere tijden. Met jullie vriendschap is er voor mij onverwacht een grote verandering opgetreden wat dat betreft."

Ter uitleg wendde hij zich tot de twee vrouwen en zei: "Deze mannen redden mijn leven, terwijl ze mij hadden kunnen vermoorden om me te kunnen beroven. Ik heb dat nog nooit openlijk uitgesproken, maar ik zal het nu doen. Ik volg hen om hen te dienen uit vreugde over hun keus. Tot aan dat moment was zulk een manier van doen mij onbekend. Ik ben opgevoed bij de Kendo, die om hun onderlinge wreedheid bekend staan. Hun strijd is immer zonder genade. Ook bij hun eigen dood staan ze nooit stil. Juist om die doodsverachting zijn ze gevreesd. Maar mijn opvoeding heeft toch nooit volledig een Kendo van mij gemaakt. Jah Siri, ik begrijp ten volle dat het geslacht van strijders zich nooit in u zal verloochenen, maar is uw strijd de juiste? De Pirti hebben uw volk nauwelijks iets misdaan en de Baks noch de Vuurlanders vragen om een overheersing van de kant van de Shir. Zij vereren bovendien de Moeder en waarom hen niet daarin gelaten?"

De beide vrouwen keken elkaar aan. Ze bewogen zich allebei ietwat onzeker en onrustig, maar het was duidelijk dat ze overwogen om iets belangrijks te zeggen. Sugatha haalde een paar keer diep adem, maar juist op het moment dat ze haar mond opende, weerklonk er een tweetonig signaal dat de Niss aan de gazonrand in snelle actie bracht, het grote huis in. Tirt was ongerust in zijn richting gelopen. Binnen zeer korte tijd was hij terug met twee geelachtige rollen in zijn hand. Zijn gezicht was grauw.

"Er was een ijlbode aan mijn deur met deze boodschappen. Eén is zeker uit het Huis van Oorlog. Ik voorvoel een vreselijke pijn."

Karnk liep op de tovenaar af en omvatte troostend met een reuzenarm 's mans schouders. Tirt was te verward om nog te schrikken van dit bewijs van meelevende intimiteit, maar het had wel een schokeffect op de twee mooie vrouwen in hun fijngeweven kledij in de luxueuze stoelen. Siri en Sugatha leken perplex door Karnk’s gebaar. Siri had zich naar haar nicht overgebogen en begon met een zorgelijk gezicht in haar oor te fluisteren. Onbewust van de verandering in hun gedrag stond Tirt beangst naar het dokument in zijn hand te kijken alsof het een gifslang was. Tipo was de reactie van de twee vrouwen opgevallen en hij had snel de juiste conclusie getrokken.

"Hee, vriend Karnk," zei hij. "Wees niet te lijfelijk want daar kunnen de gasten van onze gastheer niet tegen."

Er viel de zoveelste stilte, maar nu van een verhevigde ijzigheid, omdat ook Tirt zich plotseling realiseerde wat er verondersteld werd over zijn mogelijke liefdeleven met één van deze buiteneilanders. Plotsklaps maakte echter zijn aanvankelijke angst plaats voor een tomeloze woede.

"Ik ben het zat!" bulderde hij ineens tegen de twee verschrikte vrouwen. "Ik kan deze fluisterpraat en jullie blikken niet meer verdragen. Hou op, hou op! Ik haat die bevooroordeelde benepenheid van jullie! Luister nu voor eens en voor altijd! Deze man is een vriend, begrijpen jullie dat woord? Een dierbare! Deze man is mij liever dan dat gruwzame zooitje kwartels in mijn Genootschap en in mijn eigen Huis. En waarom?? Omdat hij aan mijzelf mijn ontzettend ingeslepen gedragspatronen heeft onthuld met zijn woorden en zijn daden. Hij troost mij! Ja! Dat doet hij! Hier in mijn hand houd ik mogelijk mijn doodvonnis, ik voorvoel de ergste verschrikkingen en inderdaad! Hij troost mij met een steunende arm, omdat ik mijn bewustzijn dreig te verliezen van angst! En wat doet gij? Gij die voorwendt mij toegenegen te zijn? Gij miespelt in elkanders oor over mogelijk mannenbroed en wat gij nog meer voor vunze zware kwakpraat uitslaat. Ik ben het zat. Ik kan niet meer!"

In die tomeloze uitbarsting van woede en verdriet stroomden ineens hem de tranen over de wangen en zijn gestalte kromp ineen alsof hij hevige innerlijke pijnen leed. Het leek of de gehele tuin een verandering onderging met alle mensen er in. In een oogwenk stond de Niss vlakbij hen, een vervormer in zijn trillende handen, onzeker van de situatie, maar bereid om iedereen te doden die zijn meester op zijn eigen terrein zo tot lijden bracht. Aan de rand van het gazon waren twee andere Niss-bedienden verschenen met tuingereedschap in hun handen, dat gevoeglijk eveneens als dodelijk wapentuig beschouwd mocht worden. Zeer voelbaar was ook de tuin ineens een tovenaarsproduct. De bomen en struiken leken zich naar hun schepper toe te keren in ontzetting, bloemen verwelkten spontaan en dieren verstarden in hun bewegingen. Siri en Sugatha stonden elkaar omklemmend achter de tafel, het meubilair tussen hen en de exploderende Tirt in. Karnk had zich in een positie van opperste alertheid naast Tirt opgesteld, vooral om het groepje tegen druk van buitenaf te beschermen. Gaosar had bliksemsnel een rozenveld opgetrokken dat hij nu voorzichtig probeerde uit te breiden naar de anderen. Alleen Tipo bleef zich zelf. Heel rustig kwam hij overeind uit zijn stoel en schonk op de tafel een glas Spoziedrank in, dat hij de kermende Tirt aanbood.

"Hoogheldere, drinkt u iets," zei hij op een zodanig intense en niettemin rustbrengende toon, dat Tirt opkeek.

"Wat is, dat is," merkte Tipo op en die oeroude boodschap boorde een ver verborgen reflex in de tovenaar aan. Hij haalde diep adem en ging rechtop staan. Toen hij de verontruste Niss zag, gebaarde hij hen tot kalmte en tot terugtrekking. Hij nam een slok Spoziedrank en keek de naast hem staande Karnk aan. Diens vervaarlijke gestalte ademde nog steeds een sfeer van toegewijde bescherming uit en dat bracht een hernieuwde tranenstroom bij Tirt op gang. Nu kon hij echter zijn lichaam beter beheersen en zelfs slaagde hij er in om door zijn tranen heen te praten. Hij richtte zich tot de twee benauwd kijkende vrouwen, die nog steeds een veilige afstand naar hem hielden.

"Beziet mij maar, gij adel van de Shir! Nog nooit heeft men een Rishe zien huilen, nee, ik weet het. Wie na zijn vijftiende jaar nog zulke tekenen van onbeheerstheid vertoont, mag de Verheven School niet afmaken. Ach, welk een armoede! Ja, woede, dát is toegestaan! De tomeloze drift van de Rishe is spreekwoordelijk. Maar bezie mij eens. Dít is ook hèt! Begrijp je, Siri? Begrijp je mij, Sugatha? En voel je het niet bij je zelf? Altijd dat verdriet, tranen, dicht onder de oppervlakte van het ziedende meer van je instinctieve weerzin tegen al die beperkingen? Ah, de voorspelbare sleur, de uitzichtloze herhaling van wreedheid, de rituele, doodse handelingen... Hoe graag zoudt gij niet eens in willen gaan op iets onverwachts! Onopzettelijke, natuurlijke impulsieve gebeurtenissen ervaren; vanuit uw intuïtieve onschuld kunnen vertrouwen..."

Tirt wees met een wijds armgebaar zijn drie vrienden aan: "Hier! Bezie hen, gij adel van de Shir. Dit zijn buiteneilanders. Onbeschaafde wilden, zoals gij ze binnenskamers noemt. Maar zonder hun voorbeeld had ik de voosheid van onze beschaving nooit werkelijk tot mij door laten dringen. Gij heeft me gevraagd om hen aan u voor te stellen. Wel, u heeft hen nu ontmoet. En als u nog steeds gebonden blijft aan uw vooroordelen, verlaat dan mijn terrein en praat en praat. Praat tegen al uw andere beklemde, normale relaties. Vertel ze van Rish Tirt die schreit als een kind en vreemde vrienden heeft. Hier! Hier! Dit dokument maakt me al niet bang meer. Mij is het liefste geworden de vrijheid die ik nu ervaar, dat ik mij onbevreesd naar jullie allen uit, dàt! Dat is mij zelfs mijn leven waard. Alstublieft, ik zal het u voorlezen!"

Driftig rukte hij het Rishe-zegel los dat de gele rol uit het Huis van Oorlog bijeen hield. Zijn ogen vlogen over het geschrevene en ondanks zijn aangekondigde dapperheid werd hij doodsbleek.

"O, welk een uitzinnige, genadeloze provocatie! Mij op de lijst van de Eenentwintig zetten!" kreunde hij. "Geen middel laat Kerko onbeproefd om mij te dwingen om mijn ware gezicht te tonen. Luister naar het naijverig gelach van diegenen, die jaloers op mij zijn... Hoe weinig doorzien ze de kwelling die ik onderga. En hoor! Mijn geestesoor hoort ook slinks leedvermaak van andere opstandige geesten, die zichzelf handiger en doelmatiger gemaskeerd hebben voor Kerko's indringende wantrouwige blikken."

"Vergeef mij mijn onbekendheid met uw gewoontes," merkte Gaosar op, voelend hoe alle ogen op hem gericht werden. Met name Jah Siri keek hem met een doordringende, uittestende blik aan. "Is aan u niet simpelweg een onverplichtende eer toegekend?"

"Hoe weinig bent u bekend met de slinkse intriges van mijn klasse, Sar Ouran," zuchtte Tirt klagelijk. "Begrijpt u hoe Kerko hiermede juist de Onderuitvoerders in de Huizen onder druk zet? Indirect wordt hun status verlaagd als hun naaste assistenten dezelfde titel mogen gaan voeren. `U bent zeer vervangbaar,' dat is de ware boodschap. Het is zeker dat Rish Hayo als hoogste gezagsdrager in het Huis van Onderhoud niet zal ingaan op Kerko's absurde eis. Hoewel Rish Eichhor een slecht en pervers karakter heeft, kent hij ook zijn eer. Het blijft daarom nog zeer de vraag, welke positie hij gaat innemen als er over het voorstel gestemd wordt... Maar wat als hun directe plaatsvervangers zich wel gedwongen voelen om voor Kerko's opstelling te kiezen? Zo goed als alle assistenten in de drie Huizen, die voorname posities innemen, zijn met een doortrapt eenvoudige protocolwijziging onevenredig vereerd en tegelijk gecompromitteerd. Die wijziging wordt straks voorgelezen in de Raad en de traditie vereist een rituele dankbetuiging van de onderscheiden assistenten aan de Voorzitter van de Raad. Direct daarna zal Kerko zijn voorstel voor een loyaliteitsverklaring aan het Huis van Oorlog in stemming brengen. Hij geeft met de ene hand en neemt met de andere alles en meer terug. Wie zal er in verzet komen?"

"Nou, u in de eerste plaats, geachte Edelheldere," zei Karnk rechtstreeks. "U staat onmiddellijk op en geeft een stemverklaring, die de anderen tot voorbeeld strekt en die een paar van die Gapers, waar u zo'n hekel aan hebt, meteen eventjes wakker schudt. Heel eenvoudig."

Ze zagen allemaal hoe het zweet Tirt uitbrak. De man zeeg neer in een rotanstoel. Hij plukte aan zijn baard en wreef zijn bezwete slapen. Vrouwe Sugatha stond aarzelend op en kwam naast hem staan. Zo te zien kon ze maar ternauwernood haar trillende handen in bedwang houden, handen die in feite niets liever leken te willen dan Tirt troostend en steunend aanraken. Ineens nam Ishsti het initiatief.

"Misschien moeten we naar binnen gaan, ook uit het gezicht van uw personeel, Rish Tirt. De situatie vraagt om meer openheid van ons allen, dan waarschijnlijk de toekijkende Niss kunnen verwerken."

Op Sugatha's gezicht tekenden zich velerlei verschillende gevoelens af: angst, verwondering, vreugde en mededogen. Daarna was er een vredigheid verschenen, die alleen voortgekomen kon zijn uit een volledige acceptatie. Ze liep op Tirt toe, die met gesloten ogen stond te trillen op zijn benen. Ze nam hem voorzichtig bij een arm en fluisterde: "Kom, Pan Tirt, laten we naar binnengaan. Ik wil je eer bewijzen voor je verheven dapperheid en dat kan niet hier onder het oog van de overwereld."

Ze keek half over haar schouder naar Siri, die zonder bedenkingen knikte en Tirts andere arm pakte. Als een blinde in een droom liet Tirt zich over het gazon naar zijn schitterende huis leiden. Terwijl ze zwijgend naar binnengingen, ervoeren ze allemaal een soort familiaire eenheid, een nog onuitgesproken vriendschapsverband, waar zowel Sugatha als Siri moeiteloos in waren opgenomen. Het gaf hun een groot vertrouwen.


Karnk beende vooruit en instrueerde de bezorgde Niss. Diens toewijding raakte hem. Een paar maal ontmoetten hun ogen elkaar, toen ze in dezelfde kamer waar ze de dag tevoren met Ishsti waren uitgenodigd, snel wat orde schepten en een vuur aanmaakten. De Niss keek hem vragend aan.

"Je meester heeft een goed bericht en een kwaad bericht gekregen," zei Karnk, een poging doende om een bevredigende uitleg te geven aan de wel zeer ongewone gebeurtenissen. "Er wordt tovenarij op hem toegepast, die hij alleen kan weerstaan met hulp van vele toegewijden. Jij draagt hem een goed hart toe, zie ik."

De Niss knikte sprakeloos.

"Ik ben Karnk Bartas. Vertel mij jouw naam," zei de roodharige reus, die bijna anderhalf keer zo lang was als de kleine, tengere Niss. De geelhuidige man boog en antwoordde bijna onverstaanbaar: "Mijn naam is Zenshi, meester."

Karnk herhaalde de naam: "Zenshi? Goed. Het is van groot belang dat geen buitenstaander weet krijgt van de gebeurtenissen in de tuin en hierbinnen. Kun je dat de tuinlieden aan het verstand brengen?"

Zenshi knikte.

"Leg hen maar uit dat loslippigheid en het tekort schieten van hun begrip zou kunnen betekenen, dat hun dienstverband zeer kort gaat duren," vervolgde Karnk en weer knikte Zenshi.

"Hee, ik mag jou graag, Zenshi," liet Karnk onverwacht zijn gevoel blijken. De kleine Niss boog bijna dubbel, zijn gevouwen handen voor zijn borst.

"De meester geeft meer dan de leerling in zich op kan nemen," fluisterde hij. "Zenshi's eerbied reikt tot in de Verheven Hemel."

Karnk keek wat verbaasd op bij het horen van die vertrouwde formulering: "Zenshi? Was jij ooit een leerling van de Eerbiedwaardige Meester Hui Saraha?"

De Niss boog weer op het horen van die naam.

"Vele lijnen komen bij elkaar," mompelde Karnk meer tegen zichzelf, toen hij terugdacht aan het jaar, dat hij had doorgebracht aan de zijde van de formidabele Niss-tovenaar. "Ik ook," zei hij en de Niss boog voor de vijfde keer.

"Ik weet het, meester," bevestigde hij. Karnk raakte in een lichte verwarring, omdat de bediende hem opnieuw niet met het gebruikelijke en meer gepaste `Sar' aansprak.

"Waarom noem je mij meester, Zenshi?" vroeg hij.



"De meester wordt meester door de erkenning van de leerling, zoals de leerling leerling wordt door de erkenning van zijn meester, meester," citeerde Zenshi een uitspraak van Hui Saraha en daarna liep hij buigend achteruit om zich aan zijn zojuist ontvangen opdracht te gaan wijden. Karnk liep in gedachten verzonken de kamer weer in. `Vele lijnen, vele tijden komen bijeen,' moest hij maar steeds denken.




Deel met je vrienden:
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina