De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina15/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   34

Hoofdstuk 14 De Tegenstrever.





  • Er was een tijd dat we rekening moesten houden met de tijd.

  • Jouw geestelijke gezondheid was toen beslist niet beter.

  • Ik was me niet van mijn haat bewust, dat is hooguit het verschil.

  • Alleen in het verleden gefrustreerde ambitie zoekt naar toekomst.

  • U moet en zult het laatste woord hebben, nietwaar?

  • Wie vragen stelt, krijgt antwoorden.

  • Ik ga al weg.

Gaosar zocht naar Tipo's blik, onbewust steun vragend.

"Mijn broer ervaart makkelijk zijn eigen gevoelens in die van anderen," verklaarde Tipo ongevraagd. "Dat is al zo sinds we kinderen waren. Zijn medeleven kan echter zijn eigen lichaam pijn doen, daarom beschermt hij zich tegenwoordig met iets, dat hij een rozenveld noemt. Ik kan dat van hem voelen. Misschien is dat hetgeen u gemerkt hebt?"

Tirts mond viel open van verbazing: "U tweeën beschrijft zaken, die bij ons een zeer nadrukkelijk beschermd onderdeel van de Rishe-opleiding vormen. Nog nooit heb ik van zo'n natuurlijke ontwikkeling gehoord!"

Ishsti was dichterbij de haard gaan zitten. Hij moest met wat stemverheffing praten om boven het geraas van de vlammen uit te komen.

"Hoogheldere, uw klasse is het hele gebeuren gaan bekijken met oogkleppen," poneerde hij. "U en onze gezamenlijke leermeesters zien de Kunsten slechts als aan te leren wetenschappen. U heeft zich daarmee afgesneden van het gewone volk, zonder dat u echter zo de Kunst heeft kunnen monopoliseren. U wilt niets anders zien en daarom ziet u niets anders."

"Ik voel de kracht van uw waarneming, Heer Grootstreper," zei Tirt met voelbaar ontzag. "Onze angst voor het misbruik van de Kunsten is zo groot, omdat het tot onze schande inderdaad sporadisch binnen onze eigen kring voorkomt. Dat heeft mogelijk veroorzaakt, dat we met argusogen alleen op onze eigen afgestudeerde magiërs letten."

Ishsti vulde weer aan, uitleggend naar Tirts gasten: "Die achterdocht heeft men eenzijdig bestreden met uitzonderlijk krachtige rituelen en daaraan verbonden eden en beloften. Daar is in feite het hele beloftenstelsel van de Shir uit voortgevloeid. Op het breken van zulke heilige beloften staat de gruwelijke marteling van de Oceaanplank. Ondanks dat doen sommige lieden ongestraft hun eden te niet met hun Verboden Kunsten..."

"Staat uw positie u toe om aan ons buitenstaanders iets uit te leggen over die verboden, Rish Tirt?" vroeg Karnk.

"Ik heb reeds door de gebeurtenissen van deze avond bijkans al mijn vitale normen moeten herzien, Sar Bartas," antwoordde Tirt. Hij begon onwennig te glimlachen. "Ik heb zulke onbekende gevoelens te verwerken, dat ik mijzelf nauwelijks meer herken. Ben ik werkelijk de eedgebonden, hoogheldere Rish Pan Tirt? Is dit waarnemende lichaam nog steeds die voorname onderassistent van het Huis van Onderzoek? Nimmer eerder heb ik zelfs zo twijfelend over mijzelf gesproken in het bijzijn van enige collega, laat staan in het bijzijn van een buiteneilander. Heer Grootstreper, u bent mij op dit moment tot grote steun. Ik stel in mijn binnenste een groot gevoel van erkentelijkheid naar u vast. U bent de enige hooggeboren Shir, die vrijwillig afstand heeft gedaan van alle privileges die aan de Rishe-opleiding zijn verbonden. Pas op dit moment voel ik voor het eerst de omvang van uw eretitel, hoe geringschattend ik daarover ook eerder gedaan heb."

Ishsti zat vergenoegd te glimlachen. Hij maakte wuivende gebaren, die blijdschap en vergeving leken uit te drukken. Karnk zat ondertussen flink te proppen. Hij had een schotel met gebakken en daarna gedroogde rogvleugels ontdekt en deed zich zonder schaamte tegoed aan deze lekkernij. Zijn karaf met notenwijn was al weer leeg en met stilzwijgende toestemming van Gaosar had hij diens halfvolle karaf leeg gegoten in zijn eigen drinkbeker. Met volle mond onderbrak hij nu Tirt: "Maar hoe zit het nu met al dat verboden gedoe, Rish Tirt?'

"Er zijn Shir-magiërs geweest, die konden versmelten met iemands geest op een zodanige wijze, dat de ander gemanipuleerd kon worden buiten diens eigen wil. De ander zal zo'n magische invloed kritiekloos als 'eigen' ervaren. Zeer geoefende Rishe zullen doorgaans dit binnendringen in hun geest opmerken, maar zelfs bekwame aspiranten kunnen nog slachtoffer worden van zulke kwaadaardigheid."

"Rish Tirt, wat moet ik denken van een tovenaar, die een boodschap in mijn geest zendt, vergezeld van pijn?" vroeg Gaosar.

"Zulke praktijken worden onder de Rishe als zeer onwelvoeglijk beschouwd," antwoordde Tirt scherp. "Men straft soms zo personeel, maar zelfs dat kan ik mij niet van enig lid van mijn Genootschap voorstellen. U stelt een specifieke vraag, Sar Ouran. Mag ik naar de achterliggende ervaring informeren?"

Gaosar aarzelde. Kon hij deze Rishe iets vertellen over de vermoedens van de dwergen? Over de dood van Karnk’s ouders in de laboratoria van Kerko? Zou Tirt iets weten over Kerko's Tegenstrever, over de man, die mogelijk zijn vader zou kunnen zijn? Zou hij open kaart durven spelen?

Gaosar dwong zichzelf voorbij zijn angsten. Hij gooide een niettemin voorzichtig balletje op: "Rish Kerko heeft mij op zo'n manier laten weten dat hij mijn gedachten over zijn dispuut met een dwergenkoopman niet op prijs stelde."

Tirt en Ishsti keken elkaar snel aan. Een verbaasde blik? Bezorgdheid? Tirt stond op en liep een paar keer de kamer door. Zijn gezicht stond peinzend, antwoorden wegend in zijn brein. Ishsti zat neutraal naar het vuur te kijken. Tirt schraapte ineens zijn keel.

"Het is verwonderlijk hoe u drieën in die korte tijd van uw verblijf hier reeds een aantal essentiële contacten heeft gelegd... U heeft de Nieuwe Mengt ontmoet. Tja. Uit hoofde van mijn functie ken ik hun en hun koopwaar goed. Zo zo. En u ontmoette dáár Rish Kerko, zegt u? Hoe buitengewoon. En Kerko reageerde op uw inmenging? Ik sta versteld. Hij moet u voor een collega gehouden hebben. Hoe kon u dàt bewerkstelligen? Ik vraag mij steeds meer af."

Nadenkend ging hij weer zitten en schonk zichzelf een vruchtenwijn in.

"Sar Bartas trok inderdaad mijn aandacht, niet andersom," vervolgde hij. "Maar zijn ontmoeting met Sar Ishsti mag ik toch als toeval beschouwen, terwijl ik op basis van navraag in die salon belandde..."

Keelgeschraap van Ishsti onderbrak hem.

"Zoals zo vaak neigt u weer naar een onderschatting van mijn vaardigheden, Rish Tirt," protesteerde de oude Tekenduider. "Zou u willen aannemen, dat mijn innerlijke oog mij daar bracht?! Wij zijn beiden op de hoogte van de recente teksten van het Orakel van Gondar met betrekking tot ingrijpende veranderingen in onze maatschappij. Natuurlijk heeft u ook kennisgenomen van de buitenissige orakeltekst, waarin van een Kendo-offer gesproken wordt. Allerwegen wordt gelet op Kendo-reizigers, maar als zodanig valt Sar Bartas niet te herkennen. Niettemin, uw en mijn intuïtieve nieuwsgierigheid waren, naar nu gebleken is, terecht."

"Goed," gaf Tirt toe. "Maar letten wij op de verdere omstandigheden! Slechts eens per jaar zien wij hier Nieuwe Mengt en net op dàt moment ontmoet Sar Ouran uitgerekend daar Rish Kerko, een uitzonderlijk hooggeplaatste, die niet meer dan eens per maangang12 zijn laboratorium op Illyan verlaat voor een bezoek aan Bayin. Veel draden komen hier samen, dunkt mij. Zeker ligt daar een bijzondere bedoeling achter."

Karnk gebaarde met zijn vette vingers nog vol rog de twee Shir-magiërs tot een tempoverlaging: "Sares, Sares, u gaat mij veel te hard. U roept bij mij steeds meer vragen op, die onbeantwoord blijven. Ik zou heel graag weten wat er door dat orakel mogelijk over mij gezegd is."

"En ik zou willen weten, waarom eerder vanavond u beiden zo geschokt raakte, toen mijn bloedbroeder zogenaamd grappig zijn ongepaste beledigingen presenteerde," bracht Gaosar in. Hij was nog niet uitgesproken of Karnk protesteerde grijnzend: "Wàt grapje? Beledigen is mijn tweede natuur! En wat ik daarin nog niet wist, wel dat heb ik mooi van Oerbash kunnen leren! Die respecteert niemand die nog te beledigen is, zegt-ie!"

Op het horen van de naam Oerbash rezen de twee magiërs recht overeind uit de kussens.

"Les van Oerbash?!" riepen ze bijna unisono.

"Bij de naam van de Moeder, zeg ik weer wat verkeerds?" vroeg Karnk lichtelijk ongerust. Ishsti woof met bezwerende gebaren alle mogelijke bezorgdheid weg.

"Nee, nee, nee," zei hij. "Het is alleen dat wij werkelijk stomverbaasd staan. Ik begrijp ineens dat hij de Tat is, waar u eerder over sprak. Is hij hier op Bayin? Hoe buitengewoon..."

Tirt nam over: "Oerbash is voor ons een beruchte maar tegelijkertijd befaamde persoonlijkheid. Hij is de enige niet-Shir, die ooit de voltallige Rishe Raad heeft mogen toespreken en daar gruwen de meeste Rishe nu nog van. Zijn kennis van het verleden van de vele volkeren van deze wereld is fenomenaal. Waarschijnlijk heeft hij verder gereisd dan enige Shir ooit. Op onverklaarbare wijze schijnt hij bovendien toegang tot de slapende Koning in het paleis in Gondar te hebben gehad. 's Konings lijfwachten hebben hem daar gezien zonder de gelegenheid te krijgen om hem aan te houden. Dit is een mysterie, waar alleen de hogere medewerkers der Huizen van weten. Onze duiders hebben gepoogd om zijn bestemming te lezen, maar hij weet zich onvoorspelbaar te houden. Zijn verzamelende én zijn vernietigende kracht houden hem vooralsnog in evenwicht, maar de Shir vrezen zijn Tat-magie, die eveneens van de Mengt afkomstig is. Hij heeft in de Raad beweerd dat de mens boven de Vadergod is uitgegroeid, zoals een kind zijn ouders. Welk een provocatie!"

"Hij heeft in elk geval u en mij aan het denken gezet met zijn provocaties, Rish Tirt," verdedigde Ishsti. "De Tat heeft terecht gepleit voor versnelde experimenten met onze inzichtsbekwaamheid. Ik herinner u er aan dat hij het was, die gezegd heeft: `U ziet alleen wat u wilt zien!' En onderschrijven wij dat nu niet? En met wij bedoel ik: u en ik. Wij zien toch hoe velerlei eertijds schitterende mystieke monopolies nu ondergaan in benepen machtconflicten? Is er geen levensnoodzaak voor ons volk om verder te zien, dan onze ingeslepen kijkwijzen? Hebben deze drie mannen dat niet vanavond onweerlegbaar aan u en mij duidelijk gemaakt?"

Tirt scheen ten prooi aan zeer tegenstrijdige gevoelens. Hij ging alsmaar verzitten in de kussens, pakte een beker op om die echter meteen weer neer te zetten. Daarna verschoof hij opvallend zenuwachtig zijn rugkussen en rommelde enige tijd besluiteloos rond in zijn schotel met snacks op het tafeltje naast zich. Op vlakke toon zei hij uiteindelijk: "Ik heb u nog nooit eerder die waanzinnige Tat horen verdedigen, Heer Grootstreper..."

"Dat klopt," zei de kleine man. "Noch u noch enige andere Rishe stonden erg open voor zo'n dispuut, is het niet? Men creëert nog steeds niet veel meer dan wat eigen fantasietjes in de materie en dat noemt u dan magie. Wel ja. Vele Rishe hebben zo hun eigen statusstrelende en opgewaardeerde ontmoetingen met allerhande astrale verdichtsels, die aan elkeen zijn eigen fraaie Godsbeelden oplevert. Men doet neerbuigend over het lichaam en verheiligt de geest, die tot zulke mooie creaties in staat is. En daarna bestrijden de Genootschappen en de Huizen elkaar op leven en dood om het eigen gelijk bevestigd te krijgen. Want dat wilt u toch alleen maar weten? Of zoekt u werkelijk naar de samenhangende zin van alle manifestatie?"

"Deze avond heeft voor mij een ongekende glans van tolerantie," antwoordde Tirt langzaam. "En daarom durft u mij natuurlijk ook uit te dagen, Sar Ishsti. Goed, goed, ik geef dat alles toe. Uw beschrijving van het conflict tussen de Genootschappen is onprettig correct. Maar ik wil onze gasten ook niet de andere kant van het verhaal onthouden. Ziet u, bijna alle Shir-tradities stoelen allereerst op de noodzaak om het gewone volk in toom te houden. Immers, het begeren kent geen eind. Dat leert ons de Zuil van Katatnia. De massa neigt er toe om slechts te leven voor de lust, men gelooft alleen de zinnen. Voor het lagere volk moet alles tastbaar en proefbaar zijn. Bindi of Shir, zij kopen niets voor een abstract, oneindig Godsbeeld in hun geest. Men heeft een dwingende behoefte aan beperkende rituelen. De Godheid moet een naam en een woonplaats hebben en een moraal. Anders is er geen rem. Andere volkeren hebben middels hun ondergang deze les aan de zieners onder de Rishe geleerd. Wij hebben in andere culturen die zwakheden gadegeslagen, hun eetfestijnen en drankgelagen, alsmede hun onverbindende genotsstreven. Dat bedreigt immers iedere spirituele structuur?"

"Kom, kom, Rish Tirt," zei Karnk pinnig. "Zoiets klinkt voor mij nog alleen maar als zenuwachtige controledrift op het terrein waar jullie zelf onzeker zijn, namelijk op het terrein van eh.... nou ja, laat ik zeggen, eh, van dattum."

Hij maakte een obsceen vingergebaar en begon weer ondeugend te kijken: "Ja, ik zeg het maar voorzichtig want dadelijk liggen jullie weer stijf als een stok in een aanval van frustratie."

Tirt reageerde nu echt op de grens van beledigdheid en snibde: "Sar Bartas, het is mijn overtuiging dat de vleselijke lust als aanleiding tot geboorte en dood beheerst dient te worden. Ons enige streven is er op gericht om boven de lijfelijke verschrikking van de wedergeboorte uit te stijgen. Een hoger ideaal kan ik mij niet voorstellen."

Voor het eerst liet Tipo zich horen: "Voor jullie blijft het ook een verschrikking. Maar het is alleen jullie angst voor pijn, gewoon angst voor de dood, angst voor die demonen en spoken die jullie zelf hebben opgeroepen. Daarom durven jullie geen liefde aan. Al die mystieke wonderen waar jullie het over hebben, dat getover, al dat verheven gepraat, dat is alleen een beetje angstige eigenliefde. Zo hoeven jullie je nooit eens echt in te leven in wat een ander mens voelt. En zo kom je er ook niet achter wat een ander misschien es nodig heeft. En daarom geef je weinig of niks. En krijg je dus ook weinig of niks. Natuurlijk is zo je leven een verschrikking! Natuurlijk. Jullie zijn al bang voor een naderende scheiding nog voordat er sprake is van enige echte ontmoeting. Ik heb op Capai met een paar vrouwen geslapen, die mij daartoe uitgenodigd hebben. En dat heeft mij ook veel liefde gebracht! Vrouwen van mijn ras zijn gelukkig heel wat speelser dan die koele, onderdrukte wezens die jullie hier vrouwen noemen..."

Het was een hele tijd stil. Gaosar dacht aan Nisha. Helder zag hij plotseling hoe nu Tipo beproefd werd in zijn liefde voor haar. Ook hij zou de andere kant moeten gaan leren accepteren. De fase van het vanzelfsprekende ontvangen van moederliefde was voorbij. Nu zou de kracht van zijn geven getoetst worden. `Ik ben zijn broer,' dacht hij. `Ik kom uit diezelfde vallei. Waarom word ik daar niet op dezelfde manier in getest? Komt die beproeving nog? Of is iedereen altijd en overal uniek en ongelijk?' Er bleven vele vragen door zijn hoofd spoken. Hij zag de ongemakkelijkheid van de beide Shir. Het idee van slapen met een vrouw als een vreugde wilde er nauwelijks bij hen in, maar Tipo's ervaring had intens in zijn woorden doorgestraald.

"Eén van de credo's van mijn Genootschap is, dat in de mystiek de laatste pijn die van de totale Alleenheid is," probeerde Tirt nog zwakjes, maar Tipo begon zonder oordeel zachtjes te lachen.

"Kom nou toch, hoogheldere Rishe. Probeer eerst die liefde eens uit, zou ik zeggen. U neemt maar alles klakkeloos aan uit uw dikke Sterreboeken en u gelooft wat uw leermeesters zeggen. Maar wat zegt uw eigen ondervinding? Passen die oude ideeën nog wel in deze tijden? U bent gewoon bang voor het toekomstige verlies van dat waar u verslaafd aan denkt te worden, maar uit welke eigen zekerheid komt dat nu eigenlijk voort? Ik zal u weer iets persoonlijks zeggen. Ik heb geliefden gehad op Capai, die mijn vriendinnen voor altijd geworden zijn. Wat zou het dat de dood ons tijdelijk scheidt? Oerbash heb ik eens horen zeggen dat de dood niet de laatste deur is. Ik kan mij niet voorstellen dat mijn vriendschap sterft als mijn lichaam sterft. Wat stelt ùw geloof eigenlijk voor? Want het enige wat ik hoor, is angst voor de dood en voor de leegte na de dood."

"Mooi gesproken!" riep Karnk enthoesiast. "En zo veel! En dat voor iemand die zelden wat zegt! Nou luitjes? Heeft-ie gelijk of niet? En nu voor de dag met een antwoord op Gaosar z'n vraag. Hoe zit dat met die apen, waar jullie net zo van schijnen te schrikken als van de liefde?"

Ishsti en Tirt raakten klaarblijkelijk al wat aan de permanente prikkeling van hun conditioneringen te wennen, want ze sloten alleen even ontzet de ogen. Ishsti was de dapperste deze keer.

"Uw ongenadigheid doet mij vanavond veel onaangename dingen onder ogen zien, Sar Bartas," fluisterde hij bijna. "Misschien hebt u er inmiddels wat meer begrip voor dat het praten over het natuurlijke voortplantingsproces, laat staan het zien ervan, voor bewogen Godszoekers, zoals wij onszelf zien, soms onplezierig confronterend is?'

"Ah, mij stimuleert dat doorgaans verrukkelijk," bulderlachte Karnk zoals gebruikelijk zonder enige vertoon van schaamte. "Maar ik snap de bedoeling. Ja, ja, als die mannen en vrouwen alsmaar zo van elkaar gescheiden worden gehouden, ja dan krijg je dat, he? Dan ga je plat voor een chimpanseetiet, dan krijg je een rooie kop van een paar lekkere blote billetjes van zo'n meisjesbaviaantje. Ik snap het. En dan is het plaatje van zo'n keiharde rooie apenlul natuurlijk het ergste van het ergste. Ja, ja."

Karnk babbelde maar door op een luchtige toon, net alsof hem de mentale en fysieke oorlog in het wezen van zijn overvoerde gesprekspartners geheel ontging. Uiteindelijk hief Tirt smekend zijn handen op: "Genoeg, genoeg. Alstublieft, niet meer! Ik zie het, ik zie het. Het is vreselijk, maar gunt u mij als ik u bidden mag even rust om het te verwerken!"

De twee geteisterde tovenaars zaten hijgend en bibberend hun huiswerk te doen. Toen zei Gaosar verwonderd: "Moet ik aannemen dat u nog nimmer een vrouw zonder kleren hebt aanschouwd?'

"Inderdaad, nee," bekende Tirt. "De Doodvorsers uiteraard wel evenals de selecte groep van onze medici. Overigens behoren al onze doktoren zo goed als zonder uitzondering tot dat Genootschap. Er kleven meerdere taboes aan het onderwerp dat u heeft aangesneden. Er zijn in ons verleden schandalige verwekkingen van Shir bij de grote apen tot stand gebracht in een poging om ons van een plooibaar soort bedienden te voorzien. Hoewel de overovergrootvader van onze koning dat ooit ondubbelzinnig verboden heeft, zijn er nog steeds lieden, die apen als huisdieren houden. U beseft wat een onbeschrijfelijke schande uit ontdekking hiervan voortvloeit? Dat is erger dan bepaalde contacten tussen mannen of vrouwen onderling. En bovendien er bestaan specifieke apenziekten, die na verloop van tijd herkenbare symptomen opleveren bij de taboeschenner. Zo komt er wel eens iets onverwacht naar buiten, maar ik kan u zeggen dat meer betrokkenen zullen kiezen voor de zekerheid van het scheermes in de eigen badkamer. En eh, apen..., eh apending blijft zo ongeveer het meest precaire scheldwoord dat de Shir kennen."

Gaosar had bij dit verhaal misschien maar tweemaal met zijn ogen geknipperd. Hij nam zich voor om nog meer op zijn hoede te zijn voor de angstige wraak van Rish Onsten. Om afleiding verlegen zocht hij naar een ander onderwerp. "En uw doktoren? Hoe moet ik dat zien?'

"Er zijn voor de geslachten ook afzonderlijk mannelijke en vrouwelijke medici," legde Ishti uit. "De wrijving ligt echter in de structuur van het Mengkantoor. De Hoofduitvoerder van het Huis van Onderzoek, Rish Nozer Eichhor, Tirts hoogste superieur dus, is namelijk tevens traditioneel beheerder van de genenbanken van het Hoofd-Mengkantoor in Gondar. Samen met vertegenwoordigers van de andere Huizen, Rish Twarth voor het Huis van Oorlog en Rish Bol van het Huis van Onderhoud, wordt er jaarlijks door hem een geboorteplanning gemaakt aan de hand van dossiers van alle geslachtsrijpe Shir- en Bindi-burgers. Zo komt er een inseminatiebeleid tot stand dat tot doel heeft om de sterkste en meest magisch vaardige genen te verbinden. Vrouwen die in hun tijd komen, zoals wij dat noemen, kunnen zich ter bevruchting tot Rish Eichhor wenden."

"Precies! En daar slaat dan de perversie en de corruptie toe," brieste Tirt ineens. "Mijn eigen ingevroren zaad heeft een hoge classificatie en er zouden zeker hier wat van mijn nakomelingen moeten rondlopen, maar ik zie vooral de puntoren van Eichhor op diverse kinderhoofdjes. Dat monster creëert zich zelf keer op keer en zijn reproductiemachtswellust is door zijn dubbelfunctie oncontroleerbaar geworden. Bovendien, ik weet van bepaalde Shirvrouwen, die zeker nog niet aan hun beurt toe waren en die desalniettemin vlotjes een moeder-classificatie kregen. En daar ligt zeker geen kunstmatige zaadinbreng aan ten grondslag, meen ik zo. De smeerbuil!"

"Aha, oho, een jaloers iemand hier!" giechelde Karnk provocerend.

"Ik? Jaloers? Op dat kleine zwarte ratje, dat zich met al die minderwaardige geslachtelijkheid afgeeft?'

"Precies, Rish Tirt. Jaloers! Op hem!" stelde Karnk vast. "U zou dat ook wel eens mee willen maken. En als Rish Eichhor en zijn Onderuitvoerder iets zou overkomen en u tot die positie opschuift, dan zou u voor diezelfde verleiding ook bezwijken."

"Zeker als het Vrouwe Sugatha zou betreffen," voegde Gaosar er scherp aan toe. Zijn bewondering voor Tirt en Ishsti nam met het moment toe. De dapperheid waarmee zij deze extreme zelfonthullingen doorstonden, vroeg om een ondubbelzinnig medeleven en hulp in de vorm van prikkelende suggesties. Karnk was daarin de perfecte meester, maar ook Gaosar’s aanvulling was aardig raak geweest. Tirt gaf een schreeuw en keerde zich ontzet af, het rode gezicht naar het vuur. Ishsti fluisterde: "U hebt alsmaar gelijk, Sares, al protesteert ook iedere cel in mijn lichaam tegen uw argumenten..."

"Waarom steken jullie die hele Menghap niet in de brand?" riep Karnk tegen Tirts bewegingloze rug. "In één keer weg met al die dossiers, in één keer al dat bevroren zaad ontdooid en onschadelijk gemaakt. Dan kunnen jullie tenminste voorlopig even terug naar het proces van natuurlijke teeltkeus. En dan kan ik me tenminste zelf ook es even gewoon amuseren hier. Want daar had ik me eigenlijk iets heel veel leukers bij voorgesteld voordat ik hier voet aan land zette. Enne, Tirt, als je eenmaal de smaak van zo'n roze mosseltje op je tong geproefd hebt, dan laat het je niet meer los, hoor!"

Weer gaf Tirt een schreeuw, nu zo hard dat het een rennende, zeer ongeruste Niss naar boven bracht, met een vervormer in zijn hand klaar om zijn meester te ontzetten. Maar Tirt wilde helemaal niet ontzet worden. Hij gebaarde de Niss terug, de trap af en zei met dichte ogen: "U bent gevieren mijn getuige. Ik voel hoe wij, de Shir en ik in het bijzonder, onze aardse wortels verloochenen. Ik voel aan de pijn in mijn ingewanden hoe ik me zelf misleid heb. Uw woorden raken bronnen in mijn lichaam en ziel, die werkelijk zijn. Sinds mijn negende zonnejaar ben ik opgevoed in een zucht naar waarheid, in een verlangen naar het samensmelten met het goddelijke vaderbeginsel. En met deze idealen heb ik een lager instinct pogen te elimineren. Maar als u met drie woorden weer al die gevoelens in hun volle kracht kunt opwekken, dan, dan..."

Tirt sloeg in een wanhopig gebaar de handen voor zijn gezicht.

"Nou dan betekent dat, dat je een heel gewoon mens bent, Tirt jongen," maakte Karnk oneerbiedig de zin af. "Net als wij. En net als die ouwe krullewang hier. Want die zal zich ook nog best iets intiems kunnen voorstellen op z'n ouwe dag."

Ishsti knikte. "Dit conflict werd vroeger aan ons voorgesteld als dat tussen de immorele genotzoeker en de perfecte heilige. Maar dankzij u durf ik nu mijn al langer bestaande twijfel aan die visie in deze openbaarheid te brengen. Ik realiseer mij dat de één onvolmaakt is zonder de ander. Er is geen perfectie zonder genieten, voor de heilige is immers alles heilig? Nog nooit heb ik zo het goede en het kwade in een zo onlosmakelijke verstrengeling met elkaar gezien. Ik heb uw tranen gezien, Sar Ouran, laat mij toe u mijn vriend Gaosar te noemen. Ik geloof dat ik dat ook zou kunnen toelaten, ook al bevind ik mij in gezelschap. Weet u, sinds de aanvang van onze opleiding op ons negende zonnejaar hebben wij Rishe niet meer gehuild. Ik weet dat er een woord is voor zulke gevoelens als die van u en ik kèn het niet eens meer..."

"Ontroering," zei Gaosar.

"Ja, dat is het," bevestigde Tirt. "Alles roert zich in mij. Beelden uit mijn schooljaren overspoelen mij. Wij zongen gedichten in de Oude Taal, waarvan sommige strofen mij vreselijk verwarden. Nu weet ik weer waarom."

Hij ging staan en droeg op beverige toon voor: "Hoe onwaardig de mens, hoe ver de Beminde. O, Goddelijke, hoe onvindbaar zijt gij. Wanneer ga ik in tot u? Wanneer is mijn lijden ten einde?"

Hij pauzeerde even. "Ken jij het nog, Danil Ishsti?"

Bij het horen van zijn tweede naam keek Ishsti getroffen op.

"Vijftien jaren telde ik toen," vervolgde Tirt. "En ik droomde van die ene, ene regel: `Wanneer ga ik in tot u?' Ik voelde mij ontzettend schuldig, omdat ik mij in mijn dromen het goddelijke als vrouwelijk voorstelde. Ik vreesde dat mijn demonische begeleiders mij poogden te bedriegen maar een heel enkele maal vreesde ik nog sterker, dat mijn leraren mij poogden te bedriegen. Nu in mijn volwassenheid moogt u getuige zijn van mijn keus. Ik wil Vrouwe Sugatha mijn liefde geven, ik wil door haar ontvangen worden. Ik wil bij haar ingaan! En ik ben zelfs bereid om daarvoor al dit demonische goddelijke op te geven!" De laatste zin schreeuwde hij uit op het gevaar af de Niss opnieuw tot beschermende actie te brengen. Ishsti ging naast hem staan, heel dichtbij, nog net niet het taboe doorbrekend dat de Rishe onderling van aanraking weerhield.

"Vriend Pan," zei hij met een innige zachtmoedigheid en met opzet Tirts tweede naam gebruikend. "Ik bewonder je diep om je moed."

"Moed?" schorde Tirt. "Man, ik sterf haast van angst als ik de consequenties overweeg van mijn verlangens."

"Aha! Gevaarlijk leven, dat is pas leven!" gooide Karnk er blijmoedig als altijd tussendoor. "Dat is één van de wat pittiger motto's van Oerbash en daar kunnen jullie veel van leren. Nou, hoe zit het nu met dat Orakel? Noemt het mijn naam?"

Ishsti wees op Tirt: "De letterlijke tekst is alleen aan de hooggeplaatste Rishe van de drie Huizen bekend gemaakt. Tirt, kun je er over praten?'

"Ik heb al zo veel indiscreties op mijn geweten vandaag, dat deze er ook nog wel bij kan," zei Tirt hoofdschuddend. "Luister, Bartas, tenminste, ik ga je Karnk noemen om je volslagen gebrek aan respect passend te belonen, luister. Het Orakel was een Koningsorakel, dat wat ten behoeve en in naam van de slapende koning ieder jaar tijdens de zonnewende wordt uitgesproken voor de Koning, de drie Hoofduitvoerders van de Huizen en de zeven priesters uit de Zonnetempel. Er is mij niet alles van bekend gemaakt. Dit is het mysterieuze stuk dat mogelijk op jou slaat: `Het Kendo-offer verhoogt de glanzende, maar offert de belofte van Ion. De schande van het grote mensenoffer vernedert de geëerde en verlaagt de hoogmoedige offeraars.' Er zijn direct vele interpretaties in omloop gekomen, dat zul je begrijpen..."

Karnk keek voor zijn doen ongebruikelijk ernstig. Langzaam formuleerde hij zijn gedachten: "De Kendo bedreven inderdaad een tomeloze schande met hun mannenoffers. Maar ik was inderdaad de eerste van de 'grote mensen', die ze offerden..."

Hij keek ineens op, toen Tirt fluitend inademde, op zijn gezicht een mengeling van intense gevoelens. "Wat is er? Toch niet weer iets fouts gezegd?'

"Nee, nee," fluisterde Tirt. "Ik begrijp iets nu. Grote mensen, daar worden reuzen mee bedoeld! Weet je, de duiders hebben steeds gedacht, dat het om grote aantallen mensen ging. Bovendien eh... ik herinner mij plotseling één van de erenamen van de eerste Shirkoning, Posidsai. Die luidt: Glanzende Zoon van de Grote Mensen. Dat zou betekenen, dat eh, tja, eh... Nu ja."

"Jij durft je vermoedens toch niet uit te spreken," interrumpeerde Ishsti. "Laat mij dat maar doen, Tirt. Vrienden, Ik vermoed dat het Orakel er op wijst dat Karnk onze koning zou kunnen helpen! Luister eens naar mijn gedachtengang. Tirt, zou men de vreemde slaap van de Koning niet als een offer mogen beschouwen?'

"Die gedachte is inderdaad bij me opgekomen..." fluisterde Tirt. Ishsti ging stap voor stap verder: "Het orakelwoord zou namelijk ook onze geëerde Koning kunnen beschrijven. Is zijn slaap of wat het dan ook is geen vernedering? Is Tillant niet het machtigste koninkrijk in de wereld, die ons bekend is? Hoe oneervol is het niet dat de koning van dit rijk slaapt!"

"Ik volg u, Heer Grootstreper...," zuchtte Tirt als met grote tegenzin. "Beschouwen wij Kerko en zijn Doodvorsers niet als zeer hoogmoedig?'

"Dat woord is gebruikt door bepaalde kritische Rishe, ik geef het toe."

"Precies. Daarom circuleert onder de Tekenduiders de uitleg, dat het orakel bedoelt, dat de schandalige praktijken van de Doodvorsers onze koning vernederen. Maar de 'Geëerde', dat zou inderdaad ook kunnen slaan op de Moedergodin aan wie onze reuzenvriend geofferd had moeten worden. In dat geval zou het mensenbloed haar juist vernederd hebben in plaats van geëerd! Dat kan ik mij trouwens zeker voorstellen."

"En ik ben dan dat zogenaamde Kendo-offer, denken jullie?" vroeg Karnk opgewonden.

"De mysterieuze omstandigheden rond je contacten hier in aanmerking genomen kan ik niet eens meer twijfelen!" zei Ishsti met grote stelligheid. "En dus zou jij onze koning, de Glanzende, kunnen helpen. Wat anders betekent het woord `verhogen'? Weinig Rishe nemen aan dat de slaap van de Koning een natuurlijke oorzaak heeft. Sommigen vragen zich zelfs af òf hij wel slaapt. Volgens de Shirtradities is het recht op de oorlog uitsluitend een zaak van de Koning. Feitelijk kan alleen hij het leger van Tillant tot volledige mobilisatie oproepen. Alleen hij kan de strijdwagens aanvoeren. Sommigen trekken daarom de wettigheid van de oorlog tegen de Pirti in twijfel. Kerko spreekt op slinkse wijze alleen over grensproblemen, niet over oorlog. Er zijn diverse aanslagen gepleegd op Oatreru's leven. Zou daarmee de belofte van Ion van de Mengt niet worden geschonden? Onze geliefde koning zelf is zonder nageslacht sinds de tweelingprinsen in het land van de Gonds gesneuveld zijn. Hij was ontroostbaar, zo sprak men in het paleis. Maar daarna is hij in slaap gevallen, tenminste als wij de priesters mogen geloven. Slaapt de koning nu bijna zeven jaar? Waarom slaapt hij niet met de koningin? Zij is nog vruchtbaar genoeg. Is dat niet zijn eerste taak? Om het koningschap over de archipel veilig te stellen?!"

"En ons wachten is dan nu op Karnk?" riep Tirt uiterst zenuwachtig opeens. "Die moet onze geëerde koning Oatreru verhogen volgens het orakel?!"

"Daar is die man wel aan toe, zou ik denken," zei Karnk. "En dan ga ik die onzin van al die gestoorde beloften van jullie ook eens een beetje opschudden. Waarom niet? Daar ben ik precies de juiste man voor. En nog één van de grote mensen ook. Ik zit goed. Zulke profijtelijke orakels hoor ik graag. En als die klus geklaard is, ga ik in de koninklijke familie eens iets lekker vruchtbaars voor mezelf uitzoeken, als je begrijpt wat ik bedoel?"

"Volkomen. Ik begrijp je volkomen, Karnk," zei Ishsti plechtig, terwijl hij opstond. "Ik sta voor mij eigen waarneming. Daar hoef ik mijn Tekenduidersgereedschap niet eens voor uit te pakken. Ik heb besloten om positie te kiezen. Karnk Bartas, ik zal je bestemming steunen, ik belo.."

"Nee, nee! Stop!" schreeuwde Karnk plots opgewonden opspringend. "Jij gaat mij niks, helemaal niks beloven. Jij gaat lekker doen wat je leuk vindt, zonder dat dat iets met mij te maken heeft. Ja? Snap je me? Heb ik je niet al duidelijk genoeg gemaakt, hoe al jullie gebeloof je wurgt in je verstand en in je gevoel? Hoor je me?! Al die beloften zijn alleen maar op anderen gericht. Beloof maar es gewoon wat aan je zelf. Ja, doe je dat? Zolang jij nog een hartaanval krijgt van het woord apenlul... Kijk, kijk. Voel het knipperen van je ogen. Precies. Wij begrijpen elkaar, krullewang!"

"Ik heb je ook begrepen, Karnk Bartas," zei Tirt, die eveneens was opgestaan. "Ik tril over heel mijn lijf en leden, maar ook ik voel de waarheid van dit moment. Ik ga je eveneens steunen in je opdracht."

"Al goed lui," grijnsde Karnk. "Nou Gaosar, Tipo. Ik heb ineens een opdracht. Zo zit je je lekker te ontspannen met notenwijn en rog en zo moet ik ineens die koning Oatreru gaan opporren. Wel ja."

Hij was even stil. Toen zei hij, ineens met een driftige trek om zijn mond: "Kijk, weten jullie wat ik namelijk toch al de hele tijd van plan was? Ik wou die Kerko eens even lekker wreed mishandelen. Die heeft namelijk mijn vader en mijn moeder in zijn laboratorium uit elkaar gehaald, zo heb ik me laten vertellen door die twee dwergen. En ondertussen zal ik wel kijken of ik even bij die koning van jullie langs kan."

Tirt en Ishsti hadden elkaar geschrokken aangekeken, bij het verhaal over het laboratorium. Tirt moest eerst even zijn keel schrapen, voordat hij kon zeggen wat hij op zijn hart had: "Er gaan geruchten over Kerko's experimenten. Hij creëert zelf levende wezens, die hem dienstbaar zijn, zo wordt beweerd in kringen van het Huis van Oorlog. Laat ik vrijuit spreken: vele integere Rishe beschouwen Rish Palo Kerko als hun geheimste Tegenstrever. Ik ben één van hen."

Zonder nadenken opende Gaosar zijn mond en deze zin flapte er uit: "Mijn vader is ook één van hen."

Daarna begon hij over zijn hele lichaam te bibberen. Het zag er zo zorgwekkend uit, dat Tipo naast hem ging zitten en een liefdevolle arm om hem sloeg. Pas toen kwam hij wat tot bedaren.

"Ook met deze vriend is meer aan de hand, dan men aanvankelijk kan zien," zei Ishsti met een tedere klank in zijn bedaagde stem. "Wij hadden al een vermoeden over je geboorte, Gaosar. Wees niet bevreesd om je geheimen met ons te delen. Je bent door een Rishe verwekt bij een Bakvrouw, nietwaar?" Gaosar knikte.

"Dat zal een heel bijzondere ervaring geweest zijn voor de betrokkene," zei Tirt.

"Onze moeder vertelde daar ooit een verhaal over," wist Tipo. "Ze noemde hem de vogelman, omdat hij uit de lucht kwam. Hij droeg kostbare edelstenen onder zijn geslacht."

"Tss, tss, tss. Tento-stenen!"

De beide tovenaars sisten van verbazing.

"Eén van de hooggeborenen?!" verwonderde Tirt zich hardop.

"De geheime werking van Tento-stenen is exclusief voorbehouden aan leden van de tien geslachten uit het huis van de koning," legde Ishsti uit. "Gaosar, ken je de naam van je vader niet?"

"Nur-ell-Guin heeft er niet naar gevraagd omdat ze er geen belang in stelde," antwoordde Gaosar. "Hij is na korte tijd vertrokken. Nadat hij genezen was."

"Hij was ziek?" vroeg Tirt.

"Hij viel uit de lucht en een boomtak rukte zijn arm af."

"Tss! Het kan niet anders of je spreekt over Rish Cayobur Hayo!!" bracht Tirt er in opperste verwarring uit. Gaosar ontblootte zijn linkerpols en toonde de geelwitte polsband.

"Geen twijfel!" zuchtte Tirt. "Zulke machinerieën komen uit het Huis van Onderhoud. Ai, ai, ai.... Hayo heeft wettig vrouwelijk nageslacht, maar geen zonen... Hoe precair!"

"Geldt voor die eh, ...Coyoboer dat gedoe met dat Mengkantoor niet?" vroeg Karnk. Ishsti legde uit dat de tien geslachten van de koningsfamilie formeel buiten die regelingen vielen. Ook de krijgersklasse van de Shir, de hoge adel, verwierp bij de oprichting van het Mengkantoor onder hoongelach het idee van zulke wetenschappelijke selectiemethodes. Deze Nadir-geslachten gingen altijd al uitsluitend onderling verbintenissen aan. Zo was het Mengkantoor vooral een beheersingsinstrument van de Rishe naar de lagergeboren Shir en de Bindi geworden. Daarna kwamen er nauwelijks meer verbindingen tussen Shir en Bindi voor.

"Er zullen zeker bepaalde personen in verlegenheid gebracht worden, als Gaosar zijn afkomst bekend maakt," mompelde Tirt tegen Ishsti en de twee mannen keken elkaar met een onverwachte aarzeling aan. Tipo ving een geheimzinnige blik op. `Ze zeggen toch niet alles wat ze weten,' realiseerde hij zich op dat moment, maar ook dat het niet het goede moment voor een nog scherpere vraag was. Hij nam zich voor om meer uit te vissen over die Rish Cayobur.

"Zoiets ben ik helemaal niet van plan," had Gaosar gezegd. "Ik wou alleen maar... Ik had voor jullie niet..."

"Je wil gewoon alleen maar even weten wie je vader was!" vatte Karnk simpel samen. "En dat was eigenlijk heel belangrijk voor je, daarom bibber je nu nog. En verder houden wij allemaal onze mond erover. Maar wat wèl telt, is dat die dwergen Gaosar’s vader beschreven als Kerko's Tegenstrever. En het is dus ook jouw speciale vijand, begrijp ik, Tirt?'

"Dat is ontegenzeggelijk waar," bevestigde Tirt. "Al vrees ik nimmer hem en zijn afschuwelijke demonenbende te kunnen overwinnen."

"Je klaagt nodeloos en tegen beter weten in, Tirt!" mopperde Ishsti. "Of je Tegenstrever nu een menselijke gedaante heeft aangenomen of een demonische, wat maakt dat uit? De ene is makkelijker zichtbaar dan de andere, maar beiden zijn ze voelbaar. En niet de Tegenstrever is de werkelijke vijand. In feite is juist hij behulpzaam bij het ontwikkelen van je eigen kracht. Daar zijn we het toch over eens?"

Tirt knikte, wuivend met zijn handen, aangevend dat het bekende kost was, misschien zichzelf inderdaad al schamend voor zijn zwakke moment. Het leek of niemand behoefte had aan meer vragen en meer antwoorden. Toen zei Tirt: "Vrienden, ik ben zo geschokt door de snelheid, waarmee mijn leven verandert, dat jullie zullen kunnen begrijpen dat ik behoefte heb aan rust. Ik wil ook een vaster ankerpunt voor onze samenwerking. Daarom stel ik jullie voor dat wij morgenochtend gezamenlijk het Orakel van Giandar raadplegen. De inwoners van Bayin doen zulks met enige regelmaat. De hoogste klassen zullen meestal naar Illyan reizen om daar het Hoofdorakel in de tempel van Gondar te horen. Voor die reis voel ik nu niets. Bovendien heb ik niet de minste behoefte om op dit moment binnen het Huis van Onderzoek op te vallen met afwijkend gedrag, zoals jullie kunnen begrijpen. Ik vertrouw het Orakel in Giandar, waarmee ik mij eerder verstaan heb. Kunnen jullie met dit voorstel instemmen?"

Iedereen knikte. Tirt haalde een paar keer diep adem en vervolgde toen: "Veel is er gebeurd vandaag. Mijn leven is ingrijpend veranderd. Ik ben diep verrijkt door jullie vriendschap, wat de prijs daar ook voor moge zijn."

De mannen stonden allemaal op. Gaosar had de neiging om Ishsti en Tirt te omhelzen, zoals dat onder bevriende mannen op Capai de gewoonte was, maar hij hield zich in en beperkte zich tot de speciale respectbuiging voor Oude Moeders, een vreemd gebaar, maar nog het meest toepasselijk. Hij zag hoe Tipo en Karnk zijn voorbeeld volgden, blij met dit alternatief. De vijf spraken af dat ze elkaar de volgende dag vroeg, op het Uur van de Valk, weer zouden ontmoeten in een kleine herberg aan een wat afgelegen marktplein. Tirt beschreef hoe ze er moesten komen. Vandaar zouden ze vervoer kunnen regelen naar het kleine gehucht Giandar, dat niet ver van Utrag verwijderd lag.

De stilte van de nacht was iedereen zeer welkom, toen ze weer buiten stonden. Ishsti verdween met een warme groet de andere kant op en de drie vrienden liepen zwijgend terug naar hun onderkomen. Er was al zoveel gezegd dat er tijdelijk niets bij hoefde. Het was alsof ze door een lege eeuwigheid wandelden. Alleen de opkomende zon herinnerde hun aan de tijd.



Deel met je vrienden:
1   ...   11   12   13   14   15   16   17   18   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina