De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina14/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   34

Hoofdstuk 13 Het verkeerde goede woord.

"Uw probleem komt uitsluitend uit de zinnen voort, Pan Tirt," snierde de vrouwenstem. "Daar gaat bij u kennelijk geen inleidende culturele confrontatie van enig niveau aan vooraf."

De man, die antwoord gaf, was zo goed als zeker hun gastheer, die kennelijk werd opgehouden door minder zakelijke dan wel gevoelsmatige bemoeienissen.

"Vrouwe, ontkent u mijn waarde toch niet zo meedogenloos," smeekte zijn stem. "Het is slechts uw schoonheid, die een verlangen in mij oproept om u totaal te mogen kennen. Mijn eigen angstige zelfvoldaanheid heb ik reeds lang geleden afgezet tegen de geestelijke rijkdom, die het u ontmoeten mij heeft gebracht. Ik gevoel mij werkelijk rijker en gelukkiger, naarmate ik meer schoonheid in u ontdek."

"Wulpse praat, Rish Tirt, misleid mij niet!" antwoordde de vrouw gedecideerd. "Uw lichaamstaal verraadt u. U wilt mij paaien met een belofte, ik hoor u, ik hoor u heel juist. U wilt zodoende de zekerheid verwerven dat u althans voor één iemand onvervangbaar bent. En dat noemt u geluk?"

Tirt moest wel aan een diepe wanhoop ten prooi zijn, want in zijn stem meende Gaosar en nauw verholen verdriet te bespeuren: "Vrouwe Sugatha, hoe wreed bent u. Hoe ongeëvenaard wreed. En wat een schoonheid ervaar ik tevens in uw wreedheid."

De vrouw liet een rinkelend gelach horen: "Pan Tirt! U geniet gewoon van mijn afwijzing! Ha! Weer een vrouw, die u, na uw moeder, niet geeft, wat u wilt! Welk een bekende voldoening!"

Tirt raakte nu in vuur en vlam: "Uw oordeel grift een onuitwisbaar pijnlijk merkteken in mijn ziel, vrouwe!"

Ondanks zijn passie was de vrouw niet te vermurwen: "Uw opflakkerende tederheid is niet meer dan een versluierde vorm van uw lust. Dat heeft met die zogenaamde liefde van u niets te maken!"

"En wat weet u daar dan allemaal wèl van?!" schreeuwde Tirt ineens razend en zichzelf vergetend. "Wat weet iemand in dit godvergeten rijk van liefde? Wie praat u na? Is mijn hunkering niet genoeg? Ik houd er geen Bindi-slavinnen op na, ik zonder mij niet af met obscene machinerie, maar ik heb iets in mijn lichaamsbewustzijn ontdekt, dat de Ouden van ons ras zeker met meer eerbied tegemoet traden dan de bestofte krankzinnigen, die deze era met hun onthechting manipuleren!"

"Wel, wel. U doet voorkomen of u terug wilt naar die tijden van verwilderd, dierlijk lustleven. Wijst u werkelijk het hogere geestelijke streven van uw hooggeboren afkomst af, Rish Tirt?"

"Ik beoefen sinds mijn twaalfde jaar toegewijd alle riten van zuiverheid. Ik ben met alle geheime oefeningen bekend, zeker Vrouwe. Wie uit mijn geslacht en wie in mijn positie niet? Maar dankzij deze positie heb ik ook toegang tot velerlei antieke bronnen, die een heel andere kijk op de relatie tussen de twee geslachten tonen. Het machtstreven van slechts enkele generaties verdorven hogepriesters heeft al deze kennis tot verboden bestempeld. U bent zelf zo uitmuntend opgeleid en ingewijd. Heeft u zelf nooit onderzoek in de kelders van het Huis van Onderzoek gedaan? Ah! Uw blik verraadt u! Daarom, ik vermoed dat ook u veel beter weet dan u naar buiten durft te tonen. Ik spreek mij naar u uit in vreesloze oprechtheid. Het aanraken van uw handen heeft in mij iets wakker gemaakt, dat slechts de dichter kan omschrijven!"

"Ach kom," klonk de vrouwenstem weer cynisch. "Uw voortplantingsorgaan roert zich ondanks dat alles, dat is al. Weest u eens oprecht, als u tenminste werkelijk mijn respect wilt verwerven naast mijn bewondering voor uw wetenschappelijke prestaties in het Huis van Onderzoek. Heeft u niet een vergelijkbare aandrift in de buurt van Vrouwe Solde?"

Gaosar onderdrukte de sterke aandrang om op te houden met deze absurde bespionering van de hem nog onbekende gastheer. Zijn verstand kon echter niet op tegen zijn toenemende gevoelsmatige betrokkenheid bij het conflict van de twee mensen in de kubuskamer.

"Nu kom, heer Tirt, wat is uw zelfonderzoek waard?" vervolgde de vrouw.

"U bewerkstelligt slechts dat mijn bewondering voor u zich verdiept," zuchtte de aangesprokene. "Uw inzicht is fenomenaal. Maar waarheid is mij liever dan de vleiendste leugen, ik kan het niet anders zeggen. Goed, goed, ik heb mij aangesteld en me belachelijk gedragen in het contact met de dame die u noemt. En inderdaad, mocht zij in haar tijd geweest zijn, tja, dan had ik niet geaarzeld. En al schreeuwt alles en iedereen in het gebouw van het Mengkantoor `nee' tegen mijn natuurlijke aandrang, ik beken hem hier en nu aan u. Precies vrouwe, ik wil mijn zaad niet ingevroren zien en wellicht ooit geïnsemineerd door de één of andere geobsedeerde medicus, die denkt dat zijn vernuftige combinatie‑onderzoek tot mystieke perfectie leiden zal. Ik wil recht doen aan een diep gevoel van binnenuit en vooruit, noemt ù dat maar lust. Vooruit, haalt u mijn emoties maar onderuit. Doet u maar. Maar laat mij eens een tegenbeschuldiging lanceren: waarom komt u eigenlijk hier en bovendien waarom op dit tijdstip?"

Tirts stem had een felle klank gekregen, gedreven door Vrouwe Sugatha's aanvallen. "De formele aanleiding voor uw onverwachte bezoek lijkt mij eigenlijk niet zo urgent. Had u werkelijk niet kunnen wachten? U had uw inzicht in de werking van gerbo-pasta op het beendergestel toch ook morgen op kantoor met mij kunnen delen, niet?"
Na deze insinuatie bleef Tirts gesprekspartner op haar beurt lang stil. Gaosar stond ademloos te luisteren, gefascineerd door de als terloops geopenbaarde geheimen. Hij deed doodstil weer enkele passen terug en gebaarde met een tot stilte manende vinger over zijn lippen naar Karnk, die binnen verlekkerd aan zijn tweede mix stond te lebberen. Direct was ook Tipo op zijn hoede. Hij liep naar de binnentrap om op tijd te kunnen waarschuwen voor eventuele stoornissen. Karnk liep nieuwsgierig mee naar buiten. Gaosar wees naar het balkon van de tweede kubus. Karnk gaf hem een steuntje, zodat hij zich omhoog kon trekken, zich vasthoudend aan de spijlen van het balkonhek. Een ongekend vreemd gevoel had hem bevangen, overweldigd, zo was hij meegesleept door de messcherpe conversatie. Vanuit zijn nieuwe gezichtspunt kon hij schuin omhoogkijkend net het fijnbesneden profiel van de vrouw zien. Als door een magneet aangetrokken bleef Gaosar op Karnk’s brede schouders staan toekijken, zijn vingers om de spijlen klemmend. Heel sterk ervoer hij zichzelf in de intense emoties van Tirt. Een deel van het gesprek was hem inmiddels ontgaan, want de toon van de Rishe bleek geheel veranderd.

"Ik versta uw duizend bedenkingen tegen dit gevoel van verwantschap," hoorde Gaosar Tirt zacht zeggen. "Niemand op onze eilanden spreekt deze gedachten nog openlijk uit. Misschien durft men elders in meer afgelegen streken vrijmoediger te zijn, maar sinds het ongeval van koning Oatreru verdelgt de macht van de Doodvorsers hier helemaal ieder vertoon van eigen nadenken. Men leeft in schijn en discipline. Elk vertoon van opstandigheid van de Bindi wordt gestraft met transport naar de komeetmijnen. Men bedreigt de lagere Shirkasten met de ijzermijnen van Brank en hogere Shir en Rishe, die voor een andere visie uitkomen, laat men verhongeren op de Oceaanplank. Maar niettemin, wat is onze schitterende afkomst waard als wij onze voorouders verloochenen en hun inzichten te schande maken? Kan ik anders? Overigens meen ik niet alleen te staan. Rish Hayo oreert in de Raad met inzicht en kracht tegen de macht van de Doodvorsers. Hij verdient echter bredere steun. Hoe kan hij anders iets uitrichten tegen de ambities van de koperhandelaars en die orgaandieven? Vrouwe, spreek ik waarheid of niet?"

Het was weer even stil. Sugatha antwoordde niet. Ze had zich afgewend en Gaosar kon haar gezicht niet meer zien. Hij voelde Karnk’s eveneens volledig geconcentreerde aandacht onder zich. Opnieuw nam Tirt het woord: "Vrouwe! Waarheid of niet? Ik heb mijn gevoel en standpunt onverhuld tentoongesteld. Wanneer u ooit in de Raad hiervan getuigt, zal dat mijn dood zijn. Maar hoe kan ik anders? Wat uw antwoord ook zal zijn, ik ervaar u met een diepe zielsverwantschap, hoe u ook moge handelen. Maar bezie mij met ogen van echtheid, hoor mijn gevoelsgeladen woorden!"
Tirts stem was heel hees geworden. Vrouwe Sugatha was dichter naar de balkondeuren toegelopen, Gaosar kon nu veel meer van haar zien. Hij was schielijk wat verder weggedoken, schuilend achter de bladeren van de klimplant die langs de kubusmuren omhoog groeide. Zijn hoofd voelde aan als een wolk, wazig, zweverig. De woorden van Tirt hadden diep in hemzelf weerklonken, zijn eigen verlangens krachtig weerspiegelend. Plotseling verscheen de bebaarde Rishe met een verkrampt en angstig gelaat in zijn gezichtsveld, zichzelf in wangen en armen knijpend. Hij staarde doodsbenauwd naar Sugatha, roepend: "De Kunst! Ik voel de Verboden Kunst! We zijn ontdekt!"

Met een op direct doodsgevaar gespitste tegenwoordigheid van geest liet Gaosar zich naar beneden vallen, langs Karnk’s lijf. Met een schok hervond hij zijn eigen geest, die vèrgaand versmolten was met die van Tirt. De herkenning was een brug geworden. De grootste schok was echter niet alleen het feit dat de man het gevoeld had, maar ook dat hij het de Verboden Kunst genoemd had. Die onthulling deed Gaosar beven over zijn gehele lichaam. Op hetzelfde ogenblik werd hem ook duidelijk dat hij totaal en onvergefelijk onoplettend vergeten was om een rozenveld te installeren. Direct herstelde hij zich.

`Naam en tijd!' schreeuwde zijn eigen stem in zijn hoofd en toen hij dat bevel had opgevolgd, kwam er weer rust. Zijn allereerste reactie was vluchten geweest, maar Karnk had sneller dan hij de onverstandigheid van zo'n paniek ingezien. De reus had Gaosar weer naar binnen gesleept, op een sofa gesmeten en razendsnel de terrasdeuren gesloten. Tipo stond nog steeds met twee jaden ballen in zijn handen, klaar om ze als dodelijke projectielen te gebruiken. In dat moment van versteende pauze was er geen geluid meer te horen. Het was of de tijd even stil stond.
De bevroren handelingsonbekwaamheid van alle betrokkenen werd pas verbroken toen er aan de voordeur een gong werd aangeslagen. Dit bracht de Niss‑bediende weer op het toneel, die buigend Sar Ishsti binnenliet. De Tekenduider was gekleed in een onopvallende, grijze mantel van een zeer licht linnen met een kunstig ingeweven patroon van zwarte abstracte ornamenten. Als uit een betovering gewekt en in feite gered uit de precaire situatie bogen ook de anderen. Karnk stelde met een doodrustige stem zijn reisgenoten aan de oudere man voor. Er klonken verschillende subtiele belletjes op diverse plaatsen in de villa. De Niss keek ongerust op. Kennelijk betrof het een alarmsignaal. Als een speer vloog hij de binnentrap op, maar kort daarna kwamen meester en knecht de trap weer af, beiden met een niet te verbergen frustratiefrons op hun voorhoofd. Ergens anders in het huis werd een deur geopend en weer hard dichtgeslagen. Waarschijnlijk verliet vrouwe Sugatha het pand via een andere uitgang. Tirt keek met grote onrust naar de hem onbekende Tipo en Gaosar. Noch van een Bak noch van een Halfbak kon hij zich echter magische vaardigheden voorstellen en dus focuste zijn angst zich op Karnk. Sar Ishsti zat er echter zo ontspannen bij, dat de kleine man kennelijk niets bijzonders had waargenomen en dat stelde Tirt weer iets meer op zijn gemak. Karnk acteerde als de meditatieve onschuld zelve en introduceerde op vlotte toon Tipo en Gaosar als zijn reisgezellen van het eerste uur, "wier ervaringen u ook zeker zullen boeien."

Gaosar moest zich buitengewoon beheersen om zich niet te verraden door zijn versnelde hartslag of zijn trillende knieën. Uit angst voor ontdekking durfde hij zich bovendien geen krachtig rozenveld te permitteren. Hij hield angstvallig zijn beiden voeten goed op de vloer en poogde zo gelijkmatig mogelijk adem te halen. Het laatste waar ze behoefte aan hadden, waren uiteraard eventuele dramatische repercussiemaatregelen van een geschrokken tovenaar.


Gelukkig kwam er welkome afleiding van Ishsti, die peilend naar Tirt had zitten kijken.

"Voelt u zich niet wel, Rish Tirt?" vroeg hij op de man af. Tirt knikte kort, zichzelf wat stijfjes in de hand nemend.

"Dank voor uw bezorgdheid Sar Ishsti. Ik bespeurde echter juist voor uw komst enige zorgwekkende onwettige en mogelijk criminele activiteit op mijn terrein, maar mijn personeel treedt daar nu onmiddellijk tegenop."

Geluiden bracht hun aandacht naar de tuin waar twee Niss met een klein maar drastisch uitziend vervormersapparaat de struiken afzochten.

"Die onverlaten zullen niet ver komen," zei Karnk meelevend hypocriet. Dat was zo te zien ook Tirts conclusie en met een wapperend handgebaar woof hij zijn zorgelijke gedachten weg. Hij wees op de binnentrap: "Komt u verder?"

Ze gingen echter niet de trap op, maar de deur ernaast in, die toegang gaf tot een overdekte kooi aan de buitenzijkant van de parterrekubus. Toen iedereen binnen was, zei Tirt: "Weest u niet bevreesd, dit is een veilig verplaatstoestel."

Hij drukte een hendel naar boven en direct begon de kooi schuin omhoog te bewegen. Zelfs voor Sar Ishsti bleek dit een nieuwe ervaring.

"De wetenschappelijke vooruitgang kent geen grenzen," zuchtte hij bewonderend. "U heeft een verdichter langs een schuinte kunnen ontwikkelen, Hoogheldere? Hoe knap! Het Huis van Onderzoek verricht de één na de andere ongelofelijke prestatie in de laatste tijd."

Tirt keek bepaald zelfvoldaan en zei op wat gedragen toon: "Het is een prototype van één van mijn eigen vindingen. De Rishe Raad heeft sinds de oorlog ons budget verdriedubbeld en dat geeft ons nieuwe mogelijkheden, die ver voorbij die ouderwetse magie gaan."
Ze hadden inmiddels de allerhoogste kubus bereikt en betraden door een transparante deur een weelderig gemeubileerd ontvangstvertrek. Zowel de wanden als de vloeren waren bekleed met prachtige tapijten en overal lagen grote, zachte kussens, die de bezoekers een uitzonderlijk luxueus lig‑ en zitcomfort boden. Tussen de kussens in stonden kleine kastjes met dranken, versnaperingen, bestek en servies. Tirt nodigde iedereen uit, daarvan vrijelijk en naar believen gebruik te maken. Nog voor hij uitgesproken was, had Karnk al kleverige vingers van de gedroogde vijgen en dadels en een natte mond van de overheerlijke notenwijn, die in fraaie kristallen karafjes beschikbaar stond te zijn. Terwijl hij ging zitten, reageerde Ishsti op Tirts laatste opmerking in de lift.

"Het gewone volk beziet u nog steeds niet anders dan als magiërs, Rish Tirt."

"Men begrijpt naar men verstand heeft," antwoordde Tirt. "Al die kleingeestigen geloven pas in het Goddelijke Principe als zij een wonder zien."

"En u zelf, Sar Ishsti?" vroeg Karnk. "U bent aan mij tijdens onze eerste ontmoeting in de massagesalon bekend gemaakt als een Tekenduider. Wat moet ik mij daarbij voorstellen?"

"Ik mag u er aan herinneren dat ik als zodanig door de Hoogheldere Rish Tirt werd bestempeld," antwoordde Ishsti met een mysterieuze nadruk op de volledige titel van Tirt.

"Ach Sar Ishsti," kwam Tirt tussenbeide. "Verloochent u uw broodwinning niet?"

"Dat doe ik geenszins, Hoogheldere en ik zal uw gasten verder ook naar behoren informeren," bevestigde de kleine man. Hij nam enkele slokken van de notenwijn en vervolgde: "Sares, mogelijk kent u in uw oorsprongland de zegswijze `Zo groot boven, zo klein beneden, zo groot beneden, zo klein boven,' mogelijk in termen die hier op lijken?"

De vrienden knikten. Op Capai werd dit beeld gebruikt om welgestelde en hooghartige lieden te herinneren aan de nederigheid van hun sterfelijke wezen na de dood.

"Goed, probeert u mij te volgen. De wijzen van het grote ras hebben daarmede aangegeven dat uit het allerkleinste fenomeen op deze stoffelijke wereld tevens het allergrootste gebeuren in de sterrennacht valt af te lezen. Het is één van mijn vaardigheden om middels de ligging van zaden van planten die ons voeden, op een bepaalde wijze geworpen in een speciale doos, aanwijzingen te lezen omtrent verdergaande verschijnselen. Er zijn veel Bindi, maar even regelmatig ook Shir, die mijn advies vragen voor zaken die verleden of toekomst aangaan. Dat is doorgaans vanuit benepen motieven. Er zijn echter ook Rishe, die me raadplegen over zwaardere onderwerpen. En in die situaties word ik bepaald niet als Tekenduider aangesproken."

Bij die laatste zin kwam er een heel warme lach op zijn gegroefde gezicht, terwijl hij zijn donkere ogen op Tirt gericht hield. Het kaalgeschoren hoofd met de lange wangkrullen schokte lichtjes, naar het leek van een ingehouden binnensmonds lachen. De lange grijze kruinstaart trilde mee. Het was plezierig om te zien hoe Tirt hierdoor ontdooide.

"Goed, goed. Al goed, Heer Grootstreper," zei hij met een zachte klank in zijn stem. "Soms moet ik aan mijn betere momenten herinnerd worden om mijn slechtere te kunnen verdragen."

"Ik vergeef u graag, Hoogheldere," knorde Ishsti tevreden. "Ik heb eenmaal uw zachtmoedigheid ervaren en u de mijne. Wat zouden we nog ruziën, terwijl we al zolang beter weten?"


Tirt leunde met enig instemmend gebrom achterover en keek aandachtig naar zijn buitenlandse gasten. "U heeft ons ook wat specifieke antwoorden beloofd, Sar Bartas," zei hij. "Graag zou ik de desbetreffende vragen stellen."

Karnk boog licht het hoofd en antwoordde met een wedervraag: "Zou u wellicht eerst wat van onze grote nieuwsgierigheid willen bevredigen? Wat is dat Genootschap der Incarnatoren, waar men over spreekt? En wat zijn die Doodvorsers?"

"U gaat van het standpunt uit `Voor wat, hoort wat', begrijp ik," bromde Tirt. "En waarom ook niet? Laat ik u het volgende zeggen. Naast mijn werkzaamheden in het Huis van Onderzoek ben ik zelf lid van het Genootschap der Incarnatoren. U zult al begrepen hebben dat de Shir het graag op ondergeschikte punten oneens plegen te zijn over de praktische uitwerking van religieuze kennis. Zo onderscheide men diverse hoofdstromen. In tegenstelling tot de Bindi, wier vroegste culturen de maanmoeder aanbaden, werken de Shir met de vooronderstelling dat het goddelijke Principe van onze zonnevader, zich openbaart via de concrete werkelijkheid van het stoffelijke lichaam. De Incarnatoren beschouwen het lichaam zelfs als een goddelijke tempel, dat moogt u als een dogma noteren. Daartoe dient het lichaam absoluut zuiver te blijven en evenzeer de geest vrij van lagere aandriften. Het lagere kan slechts het hogere dienen. Door te scheppen bouwt de mens zijn verwantschap tot het Goddelijke zodanig uit, dat er een naadloze eenheid ontstaat. Ook de meeste ontwikkelde Bindi hangen deze visie aan en bijna alle werkelijk gerespecteerde Rishe in de Raad behoren tot het Genootschap der Incarnatoren."

Ishsti kuchte en onderbrak: "Mijn verontschuldiging, Rish Tirt, maar u creëert een misverstand. Men zou uit uw woorden kunnen opmaken, dat de macht in de Raad door dat aantal wordt bepaald, terwijl het juist de minderheid van het Genootschap der Doodvorsers blijkt te zijn, die steeds zijn stempel op alle besluitvorming drukt."

Tirt keek zuinig, maar opnieuw stak Karnk zijn hand op en vroeg om nadere uitleg over de relatie tussen Incarnatoren en Doodvorsers. Tipo en Gaosar gingen verzitten en ontspanden iets. Nu kon de informatie van de dwergen getoetst worden. Tirt vervolgde met een nauw merkbare tegenzin: "Inderdaad weet de voorzitter van de Raad, de Hoogedelheldere Kerko, uiterst capabel de meerderheid steeds naar zijn hand te zetten. Hij heeft een scherp verstand en een niet minder scherpe tong."

"Bovendien is hij Eerste Plaatsbepaler in het Genootschap der Doodvorsers sinds Rish Vierbofalt een mysterieus ongeval is overkomen met een Vlert tijdens een boottochtje," vulde de kleine man op insinuerende toon aan.

"Zeker, zeker, dat opmerkelijke toeval is niemand ontgaan," zei Tirt geïrriteerd.

"Uw bezoekers dienen verder te begrijpen dat Rish Kerko nog meer machtige functies in één persoon verenigd," vulde Ishsti onverstoord aan. "Hij is Hoofduitvoerder van het Huis van Oorlog sinds Rish Kensinkto in een allertoevalligst hard visgraatje is gestikt. En hij is plaatsvervangend onderpresident van het Mengkantoor geworden door een paar strategische veranderingen in de anciënniteitsregelingen van dat Mengkantoor."

"Hij heeft een vèrgaande ambitie, die ons helaas niet eerder duidelijk is geworden, dan nadat de Raad hem als voorzitter heeft verkozen uit de voordracht die traditioneel in het Wolfsjaar gedaan moest worden door het Huis van Oorlog."

"Juist! En vanaf dat jaar zijn de Shir meer en meer betrokken bij gewelddadigheden, die nu werkelijk tot een beangstigend grote oorlog zouden kunnen leiden," zei Ishsti fel, meer alsof hij Tirt ergens van wilde overtuigen dan simpelweg ter informatie aan de drie reizigers.

"Maar wat is nu verschillend qua visie tussen u en de Doodvorsers?" hield Karnk aan.

"Ach, hun Aanname is die van het lichaam als de deur naar God, zoals men dat dogma omschrijft. Men plaatst de Goddelijkheid in een omlijnde beperktheid, namelijk in de onsterfelijke en alles beheersende macht van de Dood en denkt hem door toewijding en brandoffers te dienen. Daarvoor verwacht men een beloning uit zijn vlammende handen te ontvangen, namelijk die van de onsterfelijkheid van het stoffelijke lichaam. Ook zij volgen vanzelfsprekend de spreuken van de Sterrenheer. Daaraan ontlenen zij de gedachte dat in het kleinste onderdeel van het lichaam de ware aard van het levensprincipe te vinden is. In hun laboratoria, die steeds nauwer samenwerken met het Mengkantoor, stapelen zij detail na detail op om zo ooit het gehele bouwsel te kunnen reconstrueren. Zij experimenteren met de dood, gedreven door hun angst ervoor. Daar ligt de kern van ons meningsverschil. Wij Incarnatoren geloven in een onstoffelijke verheffing van ons bewustzijn, maar dat menen wij te kunnen verdienen door spirituele werkzaamheden in het stoflichaam. Dat is onze sterkste Aanname."

"En precies daar ligt uw zwakheid in de Raad," sprak Ishsti tegen. "De Incarnatoren zijn hopeloos verdeeld over wat spiritueel is. Een voorname groep zijn wat wij Uittreders noemen. Deze Rishe verlaten op willekeurige momenten hun lichaam om middels zielereizen dat, wat zij voor God aanzien, te ontmoeten in de ruimte tussen de sterren."

"Ja, ja! Anderen noemen dat gewoon een dutje doen!" riep Tirt kwaad. Het was duidelijk dat hij niets op had met deze lieden. Ishsti gebaarde hem tot enige stilte en vervolgde: "In de volksmond worden zij met 'Gapers' aangeduid. Zij staan zich er op voor dat zij volstrekt meditatief leven en dat zij vrijwillig alle aardse begeerten offeren. Deze Uittreders achten feitelijk iedere betrokkenheid bij het wereldse welbevinden een minderwaardige tijdverspilling maar helaas zij zijn nog niet zo onthecht dat zij durven te leven van aalmoezen van de bevolking. Daarom geven zij natuurlijk hun Raadszetel en de daaraan verbonden ruime Raadsvergoeding niet op."

"Al zijn ze op zijn minst de helft van iedere vergadering vast in slaap!" raasde Tirt.

"Ik begrijp dat Rish Kerko op die momenten in stemming brengt wat hem uitkomt," merkte Karnk op.

"Precies!" snoof Tirt verontwaardigd. "Voor een buiteneilander bent u snel van begrip!"

"Ah, u beschrijft exact mijn probleem sinds mijn geboorte," antwoordde Karnk gevat.

"Juist ja. Dat was mijn oorspronkelijke vraag: uw geboorte," zei Tirt ineens weer bij de tijd. "Uw afkomst intrigeert ons buitengewoon. Mogen wij nu naar bijzonderheden informeren?"
Karnk moest even een flinke dosis moed bijeenschrapen om voor het eerst de visie van de dwergen naar buiten te durven brengen. Toch durfde hij nog niet te reppen van Kerko's positie in het geheel. Hij schraapte zijn keel en zei: "Naar verluidt was mijn vader een Kartankoning en een reus. Mijn moeder was ook uit Kartan afkomstig. Op jeugdige leeftijd ben ik weggehaald bij mijn ouders door Kendo kinderrovers. Ik ben dus in Kendoland opgevoed en mijn leven lang voorbereid op het offer in het Gieshe‑moederput ritueel."

"Het putritueel!" riep Tirt in opperste verwondering. "Hoe is dat mogelijk? En een reuzenkoning, die op het vreemde eiland Kartan geheerst zou hebben? Hoe weinig weten wij toch van die streken! En de Gieshe‑put! Zeker, wij kennen dat ritueel. Hoe bizar! Geen bron heeft echter ooit gewag gemaakt van een overlevende van dat ritueel."

Karnk vertelde opnieuw het verhaal van zijn ontsnapping. Tipo, die het voor het eerst hoorde, zat met een rode kleur van de spanning te luisteren. Ook Tirt en Ishsti bloosden herhaaldelijk, maar vooral bij de passages die zij als seksueel geladen ervoeren. Tirt slikte een kennelijk overmatige speekselproductie weg en gaf een helder verband aan: "De Kendo zijn gevaarlijk op macht belust. Het is een volk dat wij al vanouds vrezen... U meldt dat er tientallen offers werden gebracht en elk jaar. Vreemd. Er is ook wel in het verleden mannelijk Rishe‑nageslacht van de eilanden geroofd. Maar nooit hoorden wij van zulke omvangrijke offers. Ik herinner mij ineens een verhaal van een verspieder. Vele jaren geleden is aan de Kendo middels een orakel een grootscheepse verandering aangezegd. Misschien hebben ze die verandering willen tegenhouden door een wijziging in de frequentie van hun putoffers. En toen..."

Plotseling stokte zijn stem. Toen zei hij: "Ineens herinner ik mij een ander gerucht uit die tijd. Er zou een enorme slachtpartij zijn geweest onder de Kendo Moeders. Kendoland heeft daarna enige jaren in een volstrekte chaos geleefd. Moet ik dáár uw hand in zien, Sar Bartas?" vroeg hij met een plotseling inzicht en toenemend ontzag.

"Ik was wat emotioneel op dat moment," verontschuldigde Karnk zich. "En de meeste aanwezigen hebben in een bepaalde verstandsverbijstering overigens zichzelf en anderen om het leven gebracht. En verder, tja, ik heb natuurlijk nogal wat van hun heilige amuletten meegenomen. Er was geen geschikt moment om die eerst keurig af te doen."
"Ja, ja, ja," mompelde Tirt nadenkend. In zich zelf gekeerd praatte hij door, even niet meer ten volle de afkomst van zijn andere gasten realiserend. "Dit verklaart in een zekere zin, waarom de Bakmoeders zich het laatste jaar steeds vijandiger opstellen naar ons volk. Ze vrezen de Kendo in het oosten niet meer en dus kunnen ze hun grijpgrage handen naar het westen uitstrekken."

Karnk oogde tersluiks naar Tipo, die alleen van zijn ongerustheid blijk gaf door eenmaal snel met zijn oogbollen naar boven te draaien. Vanwege hun behoefte aan wisseling van onderwerp stelde Karnk snel een heel andere vraag: "Moeten wij overigens Sar Ishsti volgens uw omgangsregels eveneens met Heer Grootstreper aanspreken? In mijn onschuld zou ik niet nog meer onbeleefdheden willen poneren dan ik al herhaaldelijk heb gedaan. Ik ben een vreemdeling in een vreemd land en de meeste van uw gevoeligheden zijn mij volstrekt onbekend."

Tirt ging iets overeind zitten in een waardiger houding.

"Weest u absoluut gerust, Sar Bartas," zei hij. "Ik ben meer dan vereerd met u kennis te maken en uw informatie is voor de Raad en mij persoonlijk buitengewoon waardevol. Ik geef u en uw vrienden bij deze een belofte van Persoonlijke Rust. Dat garandeert u hier een volkomen ongestoord verblijf, zolang u zich aan de gebruikelijke wetten van gastvrijheid houdt. Sar Ishsti, ook?"

Ishsti ging rechtop zitten en zei spontaan volgzaam: "Rekent u eveneens op mijn belofte van Persoonlijke Rust."

"Ik kan u moeilijk minder volwassenheid betonen dan waartoe mijn hoge functie mij dagelijks verplicht," vervolgde Tirt op hoogdravende toon.


Gaosar zag noch hoorde geen ogenblik de kwetsbare en geëmotioneerde man aan het woord, die hij eerder op de avond had afgeluisterd. `Wat een perfect masker,' dacht hij. `Maar wie ben ik eigenlijk? Wat is het geheim van mijn afkomst, dat de dwergen aangeduid hebben? Mijn vader zou een Rishe zijn, net als deze man hier. En bovendien, de dwergen noemden mijn vader één van Kerko's Tegenstrevers. Zou Tirt Kerko haten?' Er was weinig van te merken, maar hij realiseerde zich opnieuw wat een vaardige toneelspeler deze onderzoeker was. Met een lichte schok kwam hij weer terug in het gesprek. Tirt had opschepperig iets gezegd over zelfbeheersing en evenwichtigheid. Hij ging door met: "Te beledigen ben ik bepaald niet meer, Sar Bartas. Sar Ishsti overstijgt op dat gebied zelfs ruim mijn verworvenheden. Dat is namelijk de betekenis van zijn eretitel, die overigens slechts facultatief als eerbewijs aangehaald hoeft te worden. Hij heeft in dit leven al vele beloften ingelost, weggestreept op de Goddelijke Plank van Oorzaken11."

Karnk zuchtte diep en keek ineens op met die speciale blik in zijn ogen, die Gaosar zo goed van hem kende: er was weer een ongeremde ondeugendheid op komst. Ook Tipo ging al intuïtief bezorgd overeind zitten maar Karnk was al gestart in de afdaling.

"Zo, zo, dus ik kan mij ongestoord uitspreken? U bent niet te beledigen?" vroeg hij nadrukkelijk en Tirt en Ishsti groeven instemmend knikkend hun eigen graf.

"Zo, zo, wat leuk om zulke zekerheden te horen. Dus dan kan ik gewoon mijn kleine, gore, geile rotmopjes blijven maken? Geintjes maken naar serieuze apenlullen zoals jullie, waar ik altijd zelf zo lekker om kan lachen!"

En hup, daar brak zijn vette bulderlach al over de aanwezigen los als een orkaan. Karnk had zich achterover vallend aan het lot overgegeven, maar Gaosar was direct de bizarre lichamelijke verstijving van beide tovenaars opgevallen. Toen het woord `apenlullen' viel, waren ze tot zijn grote schrik in een trance geraakt, alsof ze zich alleen op die manier van het plegen van geweld konden weerhouden na die klaarblijkelijke belediging. Gaosar realiseerde zich dat de Shir onderling een zwaar tellend formeel verbod kenden om elkaar het leven te benemen. Vlug poogde hij de pijnlijke situatie nog wat te redden: "Hoogheldere Rishe, alstublieft, het woord `apenlullen' is in onze taal niets meer dan een speels bedoeld spotwoord."

Zijn interventie leek hun geestesschok alleen maar te verhevigen. Karnk was uitgelachen en zat vrij wazig naar het effect van zijn ongeintje te kijken.


Gaosar was met een gevoel van machteloze onrust opgestaan. Achter zijn ogen speelden zich zorgelijke beelden af. `Hoe komen we hier weer probleemloos weg? Hoe omzeilen we de Niss, hoe bedienen we de lift...?'
Tipo stond ook op en liep rustig naar de beide geblokkeerde tovenaars toe. Hij knielde tussen hen in en legde zijn handen op hun respectievelijke schouders. Opnieuw verstijfden de mannen, zo mogelijk nog verder ineenkrimpend, alsof de aanraking van iemand van het zwarte ras nog een dieper taboe aanboorde. Hun belofte van Persoonlijke Rust had echter zo'n kracht, dat de betrokkenen kennelijk liever de dood verkozen dan het breken van die eed. Tipo beval met een brandende geladenheid: "Haal adem!" Hij boorde zijn vingers in hun schouders en bonkte plotseling niet al te zachtzinnig hun voorhoofden tegen elkaar.

"Ademhalen! Nu!" schreeuwde hij nog eens. Dat bleek het werkelijke toverwoord. Tipo deed snel drie, vier stappen achteruit en vol verbazing zagen de vrienden de beide Shir‑tovenaars terug komen van weggeweest. Ze wreven hun roodopgloeiende voorhoofden en zaten diep te ademen. Het meest wonderbaarlijke moest nog komen, want onverwachts begon Ishsti te schaterlachen, hoewel er tegelijkertijd en ononderbroken stroom tranen uit zijn oude, omrimpelde ogen vloeide. Karnk had zich het minst zorgen gemaakt over de situatie, wetend hoe een eenmaal gedane belofte dit volk in zijn macht kon hebben. Door Ishsti aangestoken lag hij weldra weer te bulderen, over de grond tussen de kussens rollend van plezier. In een groots vertoon van zelfoverwinning raakte Tirt eveneens door het gelach om hem heen ontdooid. Hij begon met een geknepen, hoog gegiechel maar verloor langzaam zijn verlegenheid en uiteindelijk golfde zijn diepe buiklach de kamer in. Gaosar en Tipo keken elkaar aan. Hun gevoel was te omvangrijk voor gelach. Er was bij hen een hartvullende ontroering teweeggebracht. Met groot ontzag keek Gaosar vooral naar de huilende en lachende Tekenduider. Hun ogen ontmoetten elkaar en er ontstond een brug van samensmelten. Ishsti's gezicht werd heel vredig.


"Mijn belofte heeft me bijna gedood," zei hij even later zacht. "Ik heb mijn belofte echter niet gebroken en toch heb ik deze beledigingen en deze aanrakingen overleefd. Ik ben u gedrieën heel dankbaar. U heeft mij de kwalijke macht van de krachtige restanten van mijn opvoeding en opleiding laten zien."

Hij stond wankel op en ging dicht naast Tirt zitten. De Rishe knikte alleen maar. Tipo en Tirt keken elkaar aan en ook daar ontstond een wezenlijke band. Gaosar schopte een paar keer tegen de dikke achterste van Karnk, die eindelijk ophield met lachen.

Zonder spreken zaten de vijf mannen lang zwijgend naast elkaar. Gaosar projecteerde een heel zacht rozenveld om hen heen om te vermijden dat de Niss‑bediende hun zou storen. Ishsti en Tirt werden zich van het veld bewust. Ze keken hem aan, de eerste met ontzag en verwondering en de tweede met een steeds dieper wordend begrijpen. Zonder iets te zeggen sloot de één na de ander de ogen. Zo ging er veel tijd voorbij, maar de vijf waren buiten de tijd.
Gaosar deed zijn ogen open en zag Tirt bezig met het aanleggen van een houtvuur in de gemetselde vuurplaats achter in de kamer. De avond was kil geworden. Het geluid van de woest oplaaiende vlammen wekte ook de drie andere mannen uit hun meditatie. Tirt wendde zich naar Gaosar, die was opgestaan en op het vuur toeliep: "Hoe verbazingwekkend dat mannen van uw volk een rustritueel kennen."

Gaosar aarzelde even en zei toen: "Dit is ons niet op Capai aangeleerd. Op weg hierheen hebben wij een Tat-monnik ontmoet, die ons hierin heeft ingewijd."

Tirt trok diepe rimpels in zijn voorhoofd.

"Dat is een heel vreemd teken. Een Tat, die iets aan een Bak leert?" Hij bleef piekerend kijken. "Ik moet u een scherpe vraag stellen, Sar Ouran. Er ligt een ongerustheid in mijn geest, die mijn openheid naar u hindert. Ik voel steeds iets ongebruikelijks in uw uitstraling. Bent u door die Tat opgeleid in wat wij de Verboden Kunst noemen? Ontspan u," zei hij Gaosar snel geruststellend, toen hij diens onwillekeurige angstige reactie op zijn gezicht zag. "Let wel, mijn belofte van ongestoordheid blijft staan, zelfs als uw antwoord mij schokt!"


Gaosar had deze vraag toch al voorvoeld. In hem roerde zich een sterk verlangen naar het delen van zijn ideeën met deze oprechte man. Tegelijkertijd was hij zich bewust van zijn angst om met een ongeremde eerlijkheid een onaanvaardbaar risico op te roepen. Hij bleef hier een buiteneilander, een vreemde. Hoe makkelijk zou men hem voor een spion van een verre Oude Bakmoeder uit Igdi of Ogdi kunnen houden! Er verscheen hem een visioen voor ogen van een kring woedende Shirtovenaars, die hem genadeloos veroordelen zouden. In een opwelling van moed woof hij het beeld weg, met één van Oerbash favoriete motto's in gedachten: `Angst sluit, vertrouwen opent.' Zijn aanvankelijke aarzeling zette zich impulsief om in snelheid en hij flapte het er uit: "Rish Tirt, ik heb uw conversatie met Vrouwe Sugatha gehoord."

Tirts gezicht boven de zware zwarte baard trok wit weg en zijn handen grepen zich klauwend vast in het zitkussen. Direct werd Gaosar een keihard fluïdum rond de tovenaar gewaar. De man trok instinctief een pantsering op, sterker en dreigender dan hij zich ooit een rozenveld kon voorstellen.

"Vergeef me, Rish Tirt, vergeef mij," hijgde Gaosar nog haastiger. "Ik beloof u, ik zal uw liefde voor haar met mijn eigen hart beschermen. Ik beloof het u."

Deze zin trof Tirt vol. Evenredig aan zijn eerdere ongeloof en angst beantwoordde hij deze ingrijpende belofte met een grote golf van warmte. Gaosar raakte er zo ontroerd door dat er tranen in zijn ogen kwamen. Tirt keek er stomverbaasd naar.

"Wat bent u een vreemde man, Sar Ouran. Ik zie werkelijk tranen?! En toch bent u zo duidelijk een man... Is dat wellicht een Halfbak-fenomeen?"
Terwijl de tovenaar sprak, voelde Gaosar hoe fragiel zijn eigen vermogens waren in vergelijking met de immense magische kracht van deze Rishe. Tegelijkertijd was het zonneklaar hoe ver Tirt afstond van een vrije uiting van velerlei gevoelens. Juist deze strikt mentale reactie was daar het duidelijkste voorbeeld van. De Rishe gebruikte onmiddellijk zijn wetenschappelijke, intellectuele interesse om geen verantwoording te hoeven nemen voor zowel zijn eerste angst voor verraad als voor de intuïtieve opwelling van warmte, die daar op gevolgd was. Gaosar wist er nauwelijks raad mee. Hij realiseerde zich echter voor het eerst, hoe zijn fysieke gemengdbloedigheid hem ook tot een invoelen van beide culturen kon brengen. Ergens voelde hij een soort psychische brug in zijn geest tussen de donkere Baks en de lichte Shir maar de tijd voor onthulling ervan van nog niet rijp.



Deel met je vrienden:
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina