De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina13/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   34

Hoofdstuk 12 Het Noodlotszout.

"Ik voel je waarheid, grote oom Benko," zei Tipo, een respectvolle Pai-aanspreekvorm gebruikend. Dat scheen de laatste reserves van de stokmeester weg te nemen.

"Er is een Zeer Oude Moeder op het eiland Illyan, neef Tipo," zei hij met een grote vertrouwelijkheid. "Zij is het orakel voor ons volk. Ze staat in nauw contact met een Oeroude Moeder, die ergens in Ogdi moet wonen. Oude profetieën worden aan ons bekend gemaakt. Weet je wat een Mankettiato-vrouw is?"

Tipo schudde ontkennend zijn hoofd.

"Dat zijn de medicijnmeesteresen van de Bindi," legde Benko uit. "Koppelaarsters, vergifkensters, vroedvrouwen maar ook heilige zieneressen. Ze leven ver buiten de dorpen, omdat de Shir hun verdenken van het levendig houden van de oeroude aanbiddingsrituelen ten gunste van de Tweede God. Als er zich de kans voordoet, vervolgen de Overzichters deze vrouwen genadeloos. Op hun laatste geheime bijeenkomst is een buitenissig orakel gesteld. De kern ervan luidt `Het Juiste Gezelschap Zal Het Vuur en Het Water Scheiden, De Lucht Verlichten en De Aardemoeder Redden.' Alle verdere formuleringen zijn even mysterieus, zodat iedere betrokkene de juistheid van zijn of haar houding vele malen moet overwegen. De Ogdi-Moeder van de Bondo heeft vele boodschappers uitgestuurd met mogelijk tegenstrijdige opdrachten. Ik heb begrepen dat er vele gezelschappen op reis zijn gegaan, maar ik vrees dat maar één gezelschap het juiste zal zijn. Het kan zelfs zo zijn dat er verschillende doelen zijn aangewezen. Dat zal de Shir in grote onzekerheid brengen, maar onze eigen onzekerheid is daardoor niet minder. Wat is mijn eigenlijke opdracht? Ik weet het niet eens. De Zeer Oude Moeder heeft mij gezegd, dat slechts een klein deel van de orakeltekst voor mijn oren bestemd was. Ik moet op het grote geheel vertrouwen, ook op dat wat ik niet gehoord heb."

"Ik ben je oor, grote oom Benko," fluisterde Tipo, terwijl een oncontroleerbare emotie bezit van hem nam. In de stem van de stokmeester had hij een verre klank bespeurd, die hem vreemd genoeg aan zijn eigen moeder, Nur-ell-Guin, had herinnerd. Benko keek hem aan.

"Het is mij vreemd te moede," zei de gespierde stokvechter. "Iets dwingt mij om al mijn kaarten op tafel te leggen. In een nacht van geheim bloed en offers heeft de Zeer Oude Moeder voor mij georakeld en nu zou ik jou zo maar al die geheiligde woorden moeten overbrengen? Hoe aarzel ik."

Hij sloot zijn ogen en zweeg. Toen leek het of hij in een lichte trance ging. Met een hoge tenor reciteerde hij: "Jij bent uit het vlees van je moeder, uit de geest van je vader, maar... maar..."

Zijn stem stokte. Tipo had zijn ogen ook gesloten en ten prooi aan een onbeschrijfelijke verwarring maakte hij impulsief de zin af: "Maar noch het Bewegen noch het Niet-Bewegen brengt de werkelijke geboorte."

"Tzat! Tzat!" schreeuwde Benko totaal verrast opspringend, terwijl hij de beide onderarmen en handen vlak voor zijn gezicht tegen elkaar liet klappen in een oeroud gebaar van bescherming en ontzetting. Twee, drie ademhalingen stond hij bewegingloos, toen verscheen er een diepe gloed op zijn gezicht en een heel fijne glimlach.

"Jij hebt haar ontmoet," fluisterde hij met een diep ontzag. Tipo was minstens even verbaasd.

"Nee," zei hij. "Ik herinnerde me dat Oerbash dat tegen me zei."

Benko ging twee keer zitten en weer staan. En toen weer zitten. "Ik weet niet meer wat ik zeggen moet, laat staan wat ik moet denken. De Tat! Kan het iets anders betekenen dan dat hij de Zeer Oude Moeder heeft ontmoet?"

"Misschien heeft hij in Ogdi gereisd," veronderstelde Tipo. "Hij spreekt Zietse. Wie weet is hij een boodschapper van de Oeroude Moeder?"

"De Tat? Alles in mij verzet zich tegen die gedachte," mompelde Benko. Onthutst en stil zaten ze een tijdje naast elkaar. Toen zei Benko opgewonden: "Ik kan niets anders doen dan je deelgenoot maken. Luister naar me. Hoor het hele orakel aan. Dit was de boodschap van de Moeder voor mij: `De Bindi-stok verzamelt de twee moordenaars uit zijn geslacht, hij vraagt de oude Tijdkijker en de verre broeder-dichter, die de juiste vrouw op de juiste plaats is. Voor de vijf is de juiste tijd geen tijd, maar hun vuur op Majeste behoedt de Pirti voor de tijdloosheid. De stroom vloeit uit de buik van de Moeder in haar tijd. De vijf groeten de Vader, die vriend is. De broeders zullen sterven, maar de zusters baren hen opnieuw.' Zo heb ik het gehoord en zo hoor jij het nu, neef Tipo."

Benko hield zijn stem terug en keek gebiologeerd naar Tipo, wiens gezicht een strak masker was geworden. Het leek plots of alle vogels in de omgeving tegelijkertijd hun eigen specifieke geluid wilden demonstreren. De kakofonie was zo magisch, dat beide mannen hun adem inhielden. De vogels onderstreepten het moment en Tipo wist dat het zijn moment was. De ziel had zich opengesteld voor het Grote, de geest had de keuze gemaakt, het lichaam kon niet anders dan volgen. Ze bleven heel lang in een haast gewijde stilte zitten, totdat de vogels hun gewone ritme hervonden hadden.

"Ik heb een vreselijke pijn in mij gevoeld, oom Benko," bekende de jongen. "Je sprak over de verre dichter, die de juiste vrouw op de juiste plaats is. Ik begrijp het niet, maar mijn pijn en mijn trillende gemoed hoort de waarheid buiten de woorden. Ben ik degene, die je gezelschap compleet maakt?" Benko schudde zijn hoofd: "Nee, de vierde. Mijn twee bloedneven zijn de beste stokdansers van de eilanden van Tillant. Ik weet nagenoeg zeker dat ze lid van het geheime Sicarii-gilde zijn, de beroepsmoordenaars, maar daar vragen de Bindi onderling niet naar. Ik weet nu dat de vijfde alleen maar een tovenaar kan zijn. Ik begrijp daar niets van, maar de tijd dringt. Nu jij er bent, zal hij snel komen."

Benko kuchte een paar keer, alsof er een brok in zijn keel zat. "Ik ben heel erg opgelucht, nu ik je ontmoet heb, neef. Pas toen ik de Zeer Oude Moeder ontmoette en de vele Mankettiato-vrouwen om haar heen zag, werd ik me bewust van de omvang van het onheil dat ons bedreigt. Tot aan die dag, ik beken het jou, tot aan die dag was ik tevreden met mijn kennis van het verleden van de Bindi en met mijn meesterschap op de stok. Mijn jonge dansers adoreren mij en enkelen hebben mij in de stilte van de nacht hun zusters gebracht. Die bewondering was heel belangrijk voor mij. Dat is nu allemaal weggevallen. Ik voel hoe mijn lot ligt uitgetekend. Maar wie bedoelt de Moeder met `de broeders, die zullen sterven'? Ik weet het niet, maar ik ga liever vandaag op weg dan morgen. Al maanden bereid ik deze expeditie voor naar Majeste, maar mij ontbreken de geheime oorlogskaarten, waarop de laboratoria van de Doodvorsers zijn aangegeven. Ergens daar worden de vervormerbommen gefabriceerd, maar het hele eiland is een oorlogsvesting geworden. Alleen de voornaamste Uitvoerders van de Huizen kennen alle feiten, tenminste, misschien is het zelfs zo, dat het Huis van Oorlog gegevens achterhoudt voor de andere Huizen. Wie weet wat de Rishe Raad te horen krijgt? Alle tovenaars zijn gevoelig voor verdraaiingen van de werkelijkheid, maar dat schijnt nog iets anders te zijn dan het kunnen onderscheiden van de zuivere waarheid. Hoe kom ik aan de juiste kaarten? Ik moet simpelweg maar geduldig wachten op de Tijdkijker, die het orakel aanduidt."

"Ik hoor je, Benk Benko," bevestigde Tipo. "Ik zal met mijn bloedbroeders spreken. Zij zijn vandaag op zoek gegaan naar twee vreemde dwergen, die zaken doen met de Rishe. Misschien komen zij zaken te weten die ons verder kunnen helpen."

"De Moeder behoede je voor de tijdloosheid," groette de stokmeester ten afscheid, maar Tipo kon zich bij dat gevaar nog niet veel voorstellen.


De ochtend was voor Karnk en Gaosar vet en warm begonnen, want direct toen ze buiten kwamen, was Karnk dwangmatig begonnen aan het slurpend, smakkend en kwijlend vorm geven aan zijn smikkelmanie. Gaosar moest er om lachen, maar liet zich niettemin enthoesiast meeslepen en deskundig adviseren tijdens hun lopend ontbijt langs de talloze stalletjes op straat. Karnk scheen er niet zo'n last van te hebben, maar Gaosar had zich opnieuw overvallen gevoeld door de meedogenloze herrie en het stadsstof. Gelukkig lieten zijn zintuigen zich snel afstompen. Met name enkele peperbroodjes, gevuld met gekruide aubergines, knoflook en paprika verlegden zijn gevoeligheden. Naast smakelijke mosselgerechtjes of gefrituurde oogvisjes wees Karnk hem ook herhaaldelijk op andere stadse geneugten, met name op mooie en fantasierijk geklede meisjes en vrouwen. Wandelend in het straattumult van kleuren, geuren, klanken, bewegingen en emoties had Gaosar opnieuw een subtiel rozenveld om zich heen ingesteld. Hij realiseerde zich hoe hij steeds meer begon te genieten van die ervaring van vredige buitengeslotenheid. Als hij naar Karnk keek en luisterde had hij zelfs aanvallen van trotse zelfingenomenheid met betrekking tot zijn innerlijke waardigheid. Hoe onbelangrijk zijn al die driften eigenlijk, dacht hij en hij vroeg zich weer af of dit nu de mystieke, rijpe gemoedsgesteldheid was, waar de oude ooms in de mannenhuizen op Capai over konden praten. Op dat moment stootte Karnk hem lichtjes met een elleboog aan en knikte verlekkerd naar opzij.

"Bij de kut van de Moeder, kijk wat een tepels!" fluisterde de reus hem in het oor. Onopvallend en tevreden onthecht wendde Gaosar ook zijn hoofd. Er stond een Bindi meisje met een brede mand aan haar arm fruit en groenten te keuren. Ze had een werkelijk vorstelijk figuur, ronde weelderige billen en strakke, volle borsten met ronde, zware tepels die als enorme knopen uit haar jurk puilden. Het viel onmiddellijk op hoe geforceerd de mannen in de omgeving niet naar haar keken. Haar rechterhand omvatte wegend een dikke komkommer. Ineens betrapte Gaosar zichzelf in een als een donderwolk vol schaamte op hem afstormende reflectie. Het gebaar had zulke doodgewoon geile associaties bij hem teweeggebracht, dat hij opeens een kloppend, zwellend kruis gekregen had. Met een rode kop verontschuldigde hij zich bij Karnk over zijn eerdere hoogmoedigheid en quasi-onthechtheid. Karnk sloeg hem lachend op de rug.



"Wat dènk jij toch veel, Gaosar! En wat kan jij toch veel dingen bedenken om je voor te schamen. Houd toch op. Je bent gewoon een man en dat is een vrouw. Je bent wat je bent. Dat is het."

Gaosar haalde diep adem. De stem van Oerbash galmde in zijn hoofd: `Je bent waar je bent en wat je bent. Niet verder, niet meer. Dit ben jij. Geen schaamte, geen drift, geen zelfverwijt, geen angst. Alles is goed. Zo hebben de Grote Moeder en de Grote Vader het gewild. Ontspan. Heb jezelf lief. Ademen. Ademen. Grondingsstaart diep de Aarde in. Rozen om je heen. Alles is goed.' Hij realiseerde zich hoe zeer de lessen van de oude Tat zowel hemzelf als Karnk doordrongen hadden en hoe ze hem hielpen om zijn in feite onzinnige sentimentaliteit te overstijgen. Er was zo'n specifieke vertrouwelijkheid ontstaan dat Karnk zich ineens naar zijn vriend overboog en zacht zei: "Ik zal je ook wat vertellen, Gaosar. Over mijn jeugd in Kendoland. Dat meisje lijkt namelijk vreselijk op een priesteres, die ik daar es gekend heb. Ik heb daar heel gemengde herinneringen aan. Zeg maar heel slecht en ook heel goed. Weet je, er is jarenlang op me ingepraat over mijn eervolle bestemming, hoe goed ik was, hoe groot, hoe prachtig ik de Zeer Oude Moeders zou dienen, hoe ik en ik speciaal de stammen van de Kendo groot zou maken, enzovoorts enzovoorts. Ik heb zonen en dochters verwekt bij priesteressen, die ik maar nauwelijks mocht leren kennen. Zij zullen nooit weten wie hun vader was, maar zij kennen tenminste hun moeder, begrijp je? Innerlijk was ik altijd boos, omdat ik steeds maar weer voelde, hoe al die priesteressen me onwetend probeerden te houden over mijn werkelijke afkomst. Al hun gepraat was op een onwezenlijke toekomst gericht, het verleden werd duister voor me gehouden. Ik kan me niets meer herinneren van mijn eerste vier levensjaren. Waar heb ik die doorgebracht, voordat ze me wegroofden? Misschien had ik mezelf wèl domweg laten offeren in de Gieshe-Moederput, als ik mijn wortels beter gekend had? Ik was immers zo vertrouwd geraakt met de eer van dat Noodlot, dat ik zelfs nooit aan rebellie gedàcht heb. Tijdens het ritueel riepen die honderden vrouwen alsmaar 'Gieshe, Gieshe' en ineens besefte ik dat Gieshe een ritueel woord voor Moeder was. En in plaats van hun verlangen te delen om terug in de Moeder te gaan, dacht ik `Even ho, ik ben nu geen weerloos, hulpeloos kind meer, dat je maar zo bij zijn moeder kunt wèghalen! Dit is mijn moeder niet. Mijn moeder is ergens anders en niemand kan me tegenhouden om haar te zoeken.' Ik stond naakt op een smalle plank, die naar het midden van de Gieshe-put leidde. Overal op mijn lijf waren de meest geheiligde amuletten van de Kendomoeders bevestigd. Die hogepriesteres duwde met zo'n heilige penisspeer een beetje tegen mijn billen om te maken dat ik vooruit zou lopen. Weet je, ze hadden mij verdoofd met wat de Kendo bartaskruid noemen, maar het was plotsklaps of dat me vleugels gaf in plaats van willoze voeten. Ik keek om naar die vrouw. Ik keek naar haar lijf. Eigenlijk begreep ik mezelf nòg niet. Ik voelde alleen maar een ontzettend verlangen om haar te neuken, begrijp je? Ze bleef me maar prikken met die speer. Het deed me zeer en ja, tja, toen drong het tot me door dat ze me dood wou hebben. In een flits snapte ik dat de Kendo-vrouwen zichzelf haten om hun verslaving aan mannen en dat ze daarom elk jaar mannenoffers plegen. Juist mannen die hun het meeste genot gegeven hebben. Juist die! En ik wist dat ik voor mijn leven wou kiezen, niet voor de dood. Ik wilde geen boete doen voor hun schuldige geweten. Ik rukte in een opwelling aan de speer, die zij krampachtig probeerde vast te houden en daardoor stortte zij zijwaarts in de put. Ze bleef gillen. Die put is zo diep, dat ik haar niet eens de bodem heb horen raken."

"Hoe komt het dat die priesteressen je niet levend aan stukken gescheurd hebben?" vroeg Gaosar gefascineerd.

"Ik hield die heilige penisspeer voor me uit alsof het een vuurblaaspijp van de Overzichters was en ik rende door hun hysterische rijen naar het oerwoud. De meesten zijn gestorven zonder dat ik hen zelfs maar aangeraakt heb. Gewoon omdat hun brein het niet aankon. Ze verwachtten een schuldverlossend offer, geen amok. Zoiets is daar nog nooit gebeurd, begrijp je, in geen eeuwen. Nog nooit is er een vrouw in de Moederput gestorven, snap je? Hun ritueel is voorgoed ontkracht en ik geloof dat alle kracht van alle geofferde mannen toen in mij gevaren is. Ik heb tientallen priesteressen gedood met die speer, tot hij in een lichaam bleef steken. Daarna heb ik ze met de hoofden tegen elkaar doodgeslagen, er eentje aan de voeten rondgezwaaid tot ik de weg vrij had. Er waren vrouwen die elkaar wurgden daar, weet je? Ze werden gek. Want nog steeds hoorde iedereen de hogepriesteres gillen, ontelbare echo's, die niet ophielden. Alleen daardoor kon ik ontsnappen. En om mijzelf voor altijd aan die kracht te herinneren noem ik mezelf Bartas."

"Je naam blijft bij tot je dood," zei Gaosar. "En wat daarna komt, dat weten we geen van beiden."

"Maar deze kracht blijft van mij, naam of naamloos," gromde Karnk. "Nou, kom op, genoeg verhalen vol bloed. Daar is het plein. Welke straat moeten we hebben?"

Gaosar wees. De karren en kramen stonden niet op dezelfde plaats als de dag ervoor, dus toen ze aan het begin van de marktrij de Tat zagen staan, nam Karnk de gelegenheid direct te baat om veel van zijn lood in te wisselen voor de fenomenale handelswaar van de wapenhandelaar. Hij kocht twee schitterende sabels, waarvan de uiteinden tweezijdig scherp geslepen waren. De schedes waren ingelegd met zilver en parelmoer. Deze wapens zouden overal ter wereld hun waarde behouden, wisten ze. Gaosar dacht aan wat Falak Geshyo eens gezegd had, hoe lang geleden leek dat niet! Hoe Karnk getraind was door een Niss-tovenaar in een vechtkunst zonder wapens.

"Denk je dat je die sabels ooit zult gebruiken?" vroeg hij.

"Nee, en daarom geef ik de mooiste aan jou," antwoordde Karnk met zo'n verbluffende directheid, dat Gaosar naar adem stond te snakken.

"Ik heb mijn bloed met het jouwe vermengd," zei de reus met felle, glinsterende ogen. "En ik heb je bedankt voor het redden van mijn leven. Maar ik zocht al die tijd naar iets passend om je te belonen voor je vriendschap. Dus, pak aan."

Gaosar’s gezicht straalde, maar Karnk wendde zich quasi onverschillig af om bij een oude vrouw nog een water- en stofdichte doos te kopen en voor een fortuin aan kruiden, geneeskrachtige zalven en ook wat koningsbast.

"Als je polsband niet werkt tegen die onhebbelijke gewoontes van dat wezen, die Berseng, nou dan heb ik onderweg nog wel wat voor je," zei hij. Een andere koopman ruilde met graagte het gedroogde Zai-gif, dat Gaosar nog steeds in zijn buidel bewaarde, voor een tweetal met meesterhand bewerkte dunne zilveren armbanden.

Zoekend naar de dwergenkar liepen ze de hele marktstraat door, maar zonder resultaat. Een enorme teleurstelling golfde door hen heen. In een opwelling stapte Gaosar de pannekoekenkraam in en informeerde naar de verdwenen dwergen.

"Die hebben een hele kwaaie Rish Kerko op bezoek gehad en daarna hebben ze haastig hun handel ingepakt," zei de wafelbakker. Hij wist ook waarheen. "Ze gingen links langs het Huis van Onderzoek dus ze zullen wel naar de Noordpoort gegaan zijn. Nou, ik zou ook heel veel afstand tussen mezelf en een pissige Kerko willen hebben."

Karnk gaf de man een paar parsi's en dat en de uitdrukking van tomeloze teleurstelling op Karnk’s gezicht deden de wafelbakker een praktische oplossing aanreiken. Incidenteel hadden ze in de stad al kleine groene, dichte wagens zien rijden, meestal voortgetrokken door twee felle ezelhengsten maar soms voortbewogen door een mysterieuze, onzichtbare Shir-aandrijving. Boven op het dak zat dan een grijs zonnepaneel bevestigd. Hoe de energie-overbrenging tot stand kwam, was niet te raden. Een ezelwagen zou waarschijnlijk niet veel sneller zijn dan de wolfshonden van de dwergen, maar de andere, 'glijwagens' werden ze genoemd, zeker wel. Ze bleken met chauffeur te huur en de wafelbakker wees hun het verhuurkantoor. In een oogwenk waren de mannen op weg naar de Noordpoort, weer terug op de weg naar Brank. Hun aanvankelijk sombere stemming schoot omhoog toen ze na ruim een wateruur inderdaad de dwergenkar met hun grotere snelheid passeerden. Karnk frommelde de chauffeur wat lood in de handen en beval hem de glijwagen iets van de weg af te parkeren en daar te wachten. Ze sprongen naar buiten en renden een stuk terug, met opgeheven armen de dwergenkar tot stoppen dwingend. De ingespannen honden blaften en gromden als razend, maar kwamen tot rust, toen Gaosar een krachtig rozenveld installeerde. Er viel een bizarre stilte. De twee dwergen op de bok van de kar keken volstrekt uitdrukkingsloos naar beneden. Gaosar wist niet direct de juiste toon te vinden, maar Karnk was door een niet te stoppen aandrift bevangen. Hij rukte één van zijn laarzen uit en hief zijn zestenige reuzenvoet naar de dwergengezichten op. Geen van de twee kleine kereltjes vertrok ook maar een spier, maar de oudste trok aan de teugels van het hondenspan en reed de kar van de weg af, totdat hij door rotsen en struikgewas aan het gezicht onttrokken was. Gaosar en Karnk volgden met kloppende harten. De dwergen spanden snel de honden uit en gaf hun een bevel in een fluitende en knorrende taal. De dieren verdwenen aan weerszijden van de kar in het struikgewas. Een betere bewaking zou moeilijk te vinden zijn, dacht Gaosar. De dwergen hadden middels een ingenieuze constructie de karwanden opengeklapt en uitgevouwen, zodat er een beschutte, afgesloten kamer ontstond, volgepakt met tassen en koffers, maar ruimte genoeg biedend. Ze hurkten op de vloer en gebaarden hun gasten hetzelfde te doen. In de nabijheid van de dwergen was Karnk werkelijk een monstrum, meer dan driemaal zo lang. De oudste dwerg knikte naar Karnk, terwijl hij een serie snelle en onbegrijpelijke hand- en vingergebaren maakte. Karnk haalde in de war gebracht zijn schouders op, hetgeen de dwerg zichtbaar teleurstelde.

"Ik kom voor de bril," vatte Karnk rechtstreeks en eerlijk zijn motief samen en hij illustreerde dat met tot kokers gebogen vingers voor zijn ogen. De dwergen overlegden langdurig in hun eigen taal, ze leken bezorgd en geprikkeld. Ineens ving Gaosar een paar keer het woord Palo op. Palo Kerko? Bij ingeving zei hij fel: "Ik haat die Kerko net zo erg als u!"

Toen hij het zei, kwam al zijn weerzin weer boven. De dwerg zei iets dat op een toverspreuk leek. Daarop ontsnapte het walgelijke beeld van de wrede demonenbezitter aan Gaosar’s tijdelijke psychische begrenzing van het rozenveld en leek de hele kamer te vullen. De Halfbak sprong overeind en ging buiten staan braken.

De jongste dwerg had uit een koffer een korte kijker met gekleurde lenzen gepakt en keek er enige tijd doorheen, beurtelings naar Karnk binnen en Gaosar buiten.

"Goed, waarheid spreken dieze vriend," zei hij. "Bril niet nodig. Iez pratentijd. Praten begrijpen."


Gaosar veegde zijn kin schoon met wat gras en zette zorgvuldig een nieuw rozenveld op, tijd nemend om het beeld van de gruwzame tovenaar er uit te poetsen. Hij hurkte binnen neer en het ingewikkeldste gesprek dat hij ooit had gevoerd, nam een aanvang. Misverstanden, onduidelijke woorden, verkeerd uitgesproken klanken en herhalingen wisselden elkaar af, maar na een tijdje wenden de vier wat aan elkaars spreekwijze. Honderd vragen werden gesteld en heel wat minder antwoorden gegeven, maar die logen er dan ook niet om. De dwergen bevestigden een vaag verhaal dat de vrienden kenden over de Godenleer van de Niss. In oude tijden waren er wezens met sterschepen van andere werelden in de ruimte gekomen. In verhouding tot de inheemse rassen op de aarde hadden ze een veel grotere lengte gehad, zes vingers en zes tenen. Hun kleiner gebouwde dienaren waren de voorouders van de Niss geweest. Evenals hun dienaren hadden de reuzen, zij het op veel kleinere schaal, zich vermengd met de plaatselijke bevolking. Soms vertoonden zich enkele specifieke genenkenmerken weer bij verre nazaten. Omdat Karnk èn de enorme lengte had èn zes tenen, vermoedden de dwergen een beschermde, vrij rechtlijnige afkomst van het sterrenvolk bij hem. Karnk wilde de naam van de reuzen weten. De dwergen aarzelden. Toen zei de jongste: "De Grotens naam iez Mengt. Oude Mengt."

Gaosar voelde een subtiel verband: "U tweeën zijt ook Mengt, nietwaar?"

De mannetjes knikten: "Nieuwe Mengt."

Karnk deed een poging tot begrip: "Jullie kijken hier hoe het met jullie achterlijke familie gaat? Nou, met mij gaat het weer goed, sinds ik besloot om me niet te laten offeren in de Gieshe-moederput," zei hij met een grote felheid. Zijn emotie deed de jongste dwerg weer naar het lenzensysteem grijpen. Vanachter de kijkerglazen mompelde hij:"Ah! Ene Kendo-roofkind. Verkopende door Kerko. Versnijdente eerst de reuzenmankoning en de Kartan-moeder in Vorsers-laboratoor."

Karnk kreeg een paarsrode kleur terwijl het zweet hem uitbrak. Vol ingehouden razernij piepte hij: "Die? Die tovenaar waar Gaosar het over heeft? Die heeft mijn moeder aan stukken gesneden?"

"Vaderman ook want denkvijand. Tegenstrevender," beweerde de dwerg. Hij richtte de kijker op Gaosar. "Nog ene ding. Jij iez Rishe-bloed bij Capai-Bakvrouw, niet iez? Dieze vaderman iez ook de van Kerko Tegenstrevender. Jij die kennen?"


Gaosar voelde al het bloed uit zijn hoofd wegtrekken, op het punt om flauw te vallen. De dwergen zeiden nog veel meer over het onderwerp, maar zowel Gaosar als Karnk waren door zulke enorme emoties overmand dat ze niet meer de moeite konden opbrengen om alle moeilijk verstaanbare woorden te ontrafelen. Ze luisterden niet meer en zaten verdwaasd uit hun ogen te kijken. Plotseling klapten de dwergen gelijktijdig in hun handen en dat schokeffect confronteerde hen weer met de werkelijkheid.

"Jij en jij nu luisteren. Nieuwe Mengt willen verkopen nieks kijkers aan Kerko. Kerko plegen Verbiedende Konst."

"De Verboden Kunst?" begreep Gaosar.

"Kunst, ja. Mengt vervluchten naar Heirgoland. Jij twee man hebben drie vriend, ja?"

Verwonderd bevestigden de vrienden dat.

"U bedoelt Tipo Tennen, mijn bloedbroeder?" vroeg Gaosar.

"Zo iez, zo iez," piepte de oudste dwerg en toen vervolgde hij op een speciale zangerige toon, alsof hij een oeroude rituele zang aanhief: "De drie vernigtigen de ene."

De jongere dwerg viel hem bij en samen zongen ze het opnieuw: "De drie vernigtigen de ene! De drie vernigtigen de ene."


Het werd Gaosar bang te moede. Iets heel groots daalde over hen heen, een onafwendbaar lot. Er kwam een vreemde smaak in zijn mond, die hij krampachtig probeerde weg te slikken. Toen hij naar Karnk keek, zag hij de halfopen mond van de grote man raar bewegen, de tong wrijvend over de tanden om een mysterieuze aanslag weg te krijgen.

"Dat iez de Noodlotszout," zei de oudste dwerg. "Iez daar proeven tot Kerko dood en de nieuwe brug worden gemaken."

Karnk sprong geëmotioneerd overeind, vreselijk zijn hoofd stotend tegen het dak en half terugzinkend op zijn hurken.

"Wat splitsen jullie me nou in de maag? Wat moet ik nou ineens allemaal gaan doen? Die Kerko afmaken? Dat is de hoogste van dat hele zooitje Rishe hier. Ja, ik ben wel razend maar niet gek!"

De dwerg gebaarde dat hij weer gewoon moest gaan zitten: "Jij en jij nieks alleen. Vele levens komen samen. Vele strijders komen samen. Moeders, vaders. Iedermans eigen deel doen. Onze deel hier nou klaar. Jouw schreeuwen iez jammer van adem. Mooi adem."

Karnk bleef een tijdje stil. Gaosar was al stil. Toen zei Karnk rustig: "Nou ja, wat is, dat is, nietwaar?"

De dwergen keken allebei zeer verrast op.

"Wat iez, iez!" herhaalden ze in koor. "Dat iez Oude Mengt!? Van wie jij horen?"

"Wij hebben met een Tat-meester gereisd," legde Gaosar snel uit. "Een zwervende monnik, die Oerbash heet."

"Ah! Ah! De Tat is hier!?" riepen de dwergen unisono in vervoering. "Waar hij reizen?"

"Hij wil naar Bonewits," antwoordde Karnk. "Een schip bouwen."

Diepe zuchten. De jongste dwerg keek alsof er een enorme last van zijn schouders werd genomen. De oudste zei plechtig: "Vele levens komen samen. Tijd van de grote werk. Iez Hier en Nu tijd."

Karnk hoorde ook een bekende uitdrukking: "Precies, lui! Hier En Nu zijn, geen vrees, alleen dat wat echt is, telt!"

Zijn opgewektheid bewerkstelligde bij de dwergen een uitzinnige demonstratie van geluid en uitdrukking, die mogelijk als bewondering of opluchting was bedoeld, maar die voldoende hinnikend was om zelfs lachen te kunnen zijn. Het was genoeg om Karnk aan het schateren te krijgen en dat haalde ook Gaosar uit zijn aanval van gedeprimeerde serieusheid. Karnk klapte in zijn handen en bulderde onbezorgd: "Hallo, hallo. Hier ziet u een onbevreesd kind van een reuzenkoning! Dat zei je toch, kleine rimpelkop? En dat is echt, wat ik ben? En mijn moeder is dood? Ik ben een wees. Mooi, dan hoef ik ook niet meer verder te zoeken. Eigenlijk ben ik niet zo'n zoekerig type. Ik ben meer voor de vlotte actie. En weet je wat? Ik ben eigenlijk helemaal geen bangig type. En weet je wat? Wat kan het mij ook verblotekonten!! Ik ga die Kerko-menseneter zijn eigen stront voeren! Afgesproken, pikkies?"

De mannetjes versterkten hun gehinnik, totdat de oudste over de grond tolde. De ander riep in vervoering: "Oude Mengt, Oude Mengt!" en nog natrillend liep hij naar de lade onder de bok van de kar, waar hij een loden doosje uithaalde. Hij scheen er onzichtbare sloten af te halen en daarna verscheen er, zonder dat de deksel waarneembaar open was geweest, een klein leren kokertje in de lucht boven het doosje. Uit het kokertje tilde de dwerg twee rode zakjes, die hij beurtelings in zijn brede handjes woog. Hij nam een kennelijk moeilijke beslissing en hield het zakje in zijn linkerhand voor Gaosar’s neus, met zijn grote hoofd knikkend naar Karnk.

"Gaan samen, jij en jij?" vroeg hij met grote aandrang.


Gaosar liet een laatste bolwerk van angst los. Korte gedachten flitsten door zijn bewustzijn. `Ik ben Gaosar Ouran. Altijd. Zo lang dit leven duurt. Wat gedaan moet worden, dient gedaan. Alleen angst houdt me van mijn diepste zelf af. Ik houd van Gaosar Ouran, ook al heeft hij geen moedernaam meer, als zijn lichaam sterft.' Hij boog zijn hoofd naar de dwerg. Hij was ontroerd en geschokt door de intensiteit van zijn eigen stem toen hij antwoord gaf.

"Ja! Karnk en ik gaan samen. Mijn geliefde broer Tipo zal zich zeker met ons doel verenigen."

Terwijl hij het zakje aanpakte, zei de dwerg: "Luisteren dan goed. De Kerko iez op de rechterpad van de werelddood. Jij en de reus iez op de linkerpad van de wereldliefde. De middenpad iez Oude Mengt. Nieuwe Mengt spelen. Kennen geen pad. Jullie besluiten mooi en dan Nieuwe Mengt lachen maken. Daarom Oude Mengt-belofte losmaken. Kerko nieks geloven en alles beloven. Geen afstand. Geen lachen. Daarom Kerko vernigtigen. Kunnen alleen met een onbestaander. Onder te houden, ja?"

Gaosar en Karnk hingen bijna aan de lippen van de dwerg. Onthouden konden ze het gesprokene wel, maar begrijpen nauwelijks.

"Dieze zakje hebben demonenoog," vervolgde de dwerg. "Voor kijken in onbestaander wereld. Tijd komen, jij en jij weten wat doen. Nou jij en jij gaan. Nieuwe Mengt buigt."
De oude dwerg krabbelde ook overeind en ging naast zijn verwant staan. Ze maakten een diepe buiging met de buitenkanten van hun handen tegen elkaar aan ter hoogte van hun hart, de opgestoken duimen wijzend naar hun voorhoofd. Impulsief imiteerden de bloedbroeders deze ongebruikelijke beweging tot grote opgetogenheid van de dwergen. Weer klonk het bizarre gehinnik. Karnk en Gaosar liepen naar buiten, terwijl de dwergen ineens met een vliegende haast de wandpanelen van de kraam inklapten en de teruggefloten honden inspanden. Nog voor Gaosar en Karnk weer op de weg waren, ratelde de kraamwagen hen al voorbij op weg naar het noorden. Naar de haven van Zolui? Of hadden ze een andere bestemming? De metgezellen keken om zich heen. Het scheen een eeuwigheid geleden dat ze hier geweest waren. De zon scheen, vogels floten en apen kwetterden in de bomen, de lucht van kruidmos waaide naar hen toe op een lichte bries. Soms kwamen er op de weg voertuigen voorbij. Boven hen vloog een groot transporttoestel in de azuurblauwe lucht. Op weg naar de oorlog? Dit was de gewone wereld.

`Een gewone wereld met een ongewone schoonheid,' dacht Gaosar. `Wij beleven een buitengewoon avontuur in een buitengewoon paradijs!' Hij keek met heel andere ogen, rook met een andere neus. Ook Karnk stond snuivend en luisterend naast hem, handenwrijvend en grijnzend. Alles was nieuw. Een gevoel van net geboren zijn was hun overkomen en daarmee een besef van grote aanvaarding van het nieuwe. Er was een heel licht zoute smaak in hun mond achtergebleven. Een vanzelfsprekend iets, gewoon.


Toen ze later die middag het verhaal aan Tipo verteld hadden, begon Karnk ineens te huilen, schor en met gierende uithalen. Een diepe pijn uit zijn verkrampte ingewanden werd aangeraakt en openbaarde zich. Gaosar hoefde niet om uitleg te vragen. Karnk’s verdriet vibreerde om hem heen en in hem, naar die uithoek in zijn geest, waar hij zijn eigen jongensverdriet naar toe verbannen had. De donkere plek waar dode ouders hun schaduwleven leven, gestorven zonder volledig gekend te zijn. Voor het onnoembaar kostbare geschenk van het leven en hun grote offer om dat kleine en zo kwetsbare wezen in leven te houden zou nooit meer een volwassen en passend Dank gezegd kunnen worden. Die koestering zonder motief, die bloedverwante liefde, die diepste eigenheid, het had allemaal plaats gemaakt voor een nooit meer op te heffen alleen‑zijn. Karnk’s zoeken naar zijn verloren ouders was ten einde, zelfs dat kleine sprankje hoop was uitgedoofd. Pas nu kwam achter zijn aanvankelijke drift en eeuwig op een aanstichter gerichte wraaklust zijn kleuterpijn tevoorschijn. Weggegraaid zonder afscheid, zonder uitleg, nooit getroost verlies, Karnk’s tranen bleven stromen en Gaosar kon de zijne met geen mogelijkheid tegenhouden. Tipo wist niet wat hij zag. Karnk kende hij niet anders dan als een altijd opgewekte metgezel en zijn broer had hij evenmin vaak zien huilen. Even bleef hij besluiteloos staan kijken, toen gaf hij vorm aan de meest grondende oplossing. Hij rende naar de herbergkeuken en kwam terug met een grote, witte wijnkruik met de beroemde kokoswijn en drie van heet vet druipende patrijsbouten. Toen hij er mee in de deuropening verscheen, keken Karnk en Gaosar hem met zulk een innige liefde aan, dat hij er verlegen van werd. Ze wreven hun behuilde gezichten droog en haalden een paar keer diep adem.

"O, zevenvoudige hemel, jongen, jongen, dit is nou precies wat ik nodig heb," zuchtte Karnk met volle, vette mond. "Dit is toch dat spul waar je zo dronken van wordt?"

Tipo knikte, verheugd dat hun stemming weer was omgeslagen.

"Ach, tot nu toe werd je steeds de volgende ochtend weer wakker," grinnikte hij. Karnk werkte zich op de houten brits, terwijl hij zich bleef volproppen. "Ik zou het liefst hier voor altijd blijven liggen, beetje zuipen, beetje eten."

"Slim. Moet je doen," adviseerde Gaosar. "Hoe minder je beweegt, hoe minder je verslijt."

Ze moesten lachen en daarmee klaarde de lucht weer helemaal op. Ze aten nog wat gestoofde aubergines en bestelden nog een pot thee. Met het oog op het komende bezoek aan het huis van de voorname Rishe leek dat wijzer dan bezwijken voor de verleidelijke en lacherige sfeer van de kokoswijn. Plots herinnerde Karnk zich iets. Hij graaide onder zijn jas naar de tweede Tat‑sabel, die hij in Tipo's handen duwde.

"Hier! Omdat je me niet bestolen hebt, toen je dat kon. En vanwege al dat sjouwen met die draagbaar... Ik weet dat je dol bent op mooie krijgskunstjes!" bralde hij stoer over Tipo's verlegenheid heen. "Hup! Omhangen! Je wordt er een heel sjiek ventje door, zeg."

Tipo had er geen woorden voor. Gaosar wel.

"Gewoon. Wat iez, iez," zei hij, het accent van de dwergen imiterend. "Alles iez altijd heel gewoon. Alles iez Hier En Nu Tijd."
De zon was nog niet helemaal onder, toen ze verwachtingsvol de zwoele avondlucht in stapten. In het oosten was een lichte maan aan de donker wordende hemel verschenen.

"Onze tong moet bedacht zijn op ieder verkeerd woord," waarschuwde Gaosar met enige ongerustheid. "Zij mogen niets van de Bindi‑opstand van ons horen, noch iets over de dwergen of over het Orakel van de Bindi‑Moeder."

"Maar ondertussen willen wij wel van alles van hen weten," zei Karnk. "Ik kan jullie aanraden om je nergens over te verbazen. Die Tekenduider, die Ishsti, dat is een heel aparte man en veel ruimdenkender dan je zou verwachten van een Shir. Hij gedraagt zich trouwens als een Rishe, ik vraag me af, hoe dat zit. En die Tirt. Ik ben er zeker van dat hij die vrouw voor het Huis van Onderzoek aanraakte. Dat is hier toch op zijn minst heel ongebruikelijk. Ik vermoed dat ze het meest belangstellen in het seksleven van de Bakvolkeren. En ze willen weten wat een reus op de eilanden doet en hoe die in Kendoland terecht kwam en wie weet wat nog meer."

"Ik laat het slimme vragen stellen maar aan jullie over," zei Tipo bedachtzaam. "Ik weet niet eens wat ik zou willen weten. Ik denk aan mijn gestorven moeder en ik denk aan Nisha."

"Ja, ja, dat weten we, broeder pikhoofd," spotte Karnk. Op dat moment rochelde er een voorbijganger met zulk een overgave zo veel slijm op, dat ze wel moesten omkijken. Met een fluitend en kletterend geluid spoog de man zijn volle mond leeg tegen een muur.

"Nou, zó compenseren die lui dus hier hun orgasme‑verbod," zei Karnk zacht en die opmerking was onderweg naar Tirts huis weer goed voor heel veel lacherige variaties op dat zelfde thema.


Zonder problemen vonden ze het op Tirts plattegrond aangeduide optrekje. Het bleek weinig minder dan een paleis te zijn. Zes kubusvormige verdiepingen stonden in een wonderbaarlijk driehoekig evenwicht op elkaar gestapeld, door binnen‑ en buitentrappen met elkaar verbonden. Ze werden op het hoogste dak gekroond door een reusachtige piramide. In de grandioze tuin stonden in een cirkel vijf open huisjes van bamboe, ook met piramidevormige daken. Achter in de tuin ontsprong een natuurlijke bron, welks water een weelderige variëteit aan bloemen, struiken en bomen leven schonk. De mannen waren iets vroeger dan afgesproken aangekomen en met groot ontzag bekeken ze in het schemerlicht de kunstige tuinaanleg en de geniale constructie van het huis. Voor het plaatsen van de kubussen moest er een groot hijstoestel gebruikt zijn, hetgeen een aanwijzing gaf voor de welvarendheid van de bewoner. Toen ze de tuin inliepen, kwam er een geelhuidige Nissbediende met zwart vlokkig haar en een streepdunne zwarte snor op hen af. Rish Tirt liet zich verontschuldigen. Hij had elders in het huis nog wat dringende zaken af te handelen, maar zou snel beneden komen. Sar Ishsti, de Tekenduider, was ook nog niet gearriveerd. De drie mannen liepen wat rond in de luxueuze zeshoekige, geelgetegelde ontvangstruimte, waar diverse fraaie antieke kamerschermen verschillende gebruiksfuncties afbakenden. Karnk vond een kleine bar en liet zich door de Niss de `specialiteit van het huis' mixen. Voor de anderen serveerde de verder zwijgzame bediende een frisse thee met zoete versnaperingen, waarna hij zich in een achterliggend vertrek terugtrok. Tipo ontdekte een bijzondere collectie bollen van jade, die perfect in de handpalmen pasten en onweerstaanbaar tot wat handspiertraining uitnodigden. Openstaande deuren gaven toegang tot een luisterrijk en naar kamperfoelie geurend tuinterras.

Gaosar besloot nog wat van de wassende maan te gaan genieten. Terwijl hij naar buiten stapte, woeien hem op de lichte, zoete avondbries gedempte maar duidelijk opgewonden stemmen tegemoet. Ze kwamen klaarblijkelijk van een kamer in de boven hem uit torende kubus. Onwillekeurig deed hij een paar passen naar voren langs de terrasmuur, totdat hij vlak onder de bewuste kamer stond. Een scherpe vrouwenstem prikkelde zijn onbescheiden nieuwsgierigheid. Toen het enige tijd stil bleef, voelde hij een zeer ongewone spanning oplopen.




Deel met je vrienden:
1   ...   9   10   11   12   13   14   15   16   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina