De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina12/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   34

Hoofdstuk 11 De dwergenbril.



(...)

  • U heeft me niet voor niets een naam gegeven.

  • Het was slechts om je tijdelijk te kunnen onderscheiden.

  • Kent u zelf uw eigen omvang eigenlijk?

  • Ik gebruik jou om die te kunnen meten.


Via een andere route dan Karnk belandde ook Gaosar na verloop van tijd op het Torenplein. Hij was naar het imposante Huis van Onderzoek gewandeld door een brede marktstraat. Er stonden velerlei wagens en kramen, van waar uit ook veel buiteneilanders hun waren poogden te slijten. Hij zag er diverse Vuurlanders met hun toverachtige rifschelpen in de ongelofelijkste kleuren. Een kleine man van een onbekend Oosters ras had als veelbekeken handelswaar een magnetische stapel amber en hemelstenen voor zich liggen. Hij herkende plotseling ook de typische bouw en de kledij van een wapens verhandelende Tat, wiens gezicht toevalligerwijze een vage gelijkenis met Oerbash vertoonde. De man demonstreerde met een onwaarschijnlijke vaardigheid een tweesnijdend dun zwaard. Het was een heel ander strijdmiddel dan de grove bronzen klingen, die Gaosar uit Capai kende. Zulke wapens vroegen vooral brute kracht van de gebruiker, geen subtiele steek- en pareertechnieken zoals de Tat liet zien. Gaosar liet zich nieuwsgierig informeren, omdat hem dit de plek leek, waar mogelijk hun voorraad bitterzout te verkopen was. Ook zou Karnk hier wellicht zijn Kendo-amuletten aan kunnen bieden. Karnk had bovendien een grote hoeveelheid dompellood bij zich, dat hij hier zou kunnen gebruiken om lichtere en handzamere artikelen van waarde aan te schaffen. Hij nam zich voor om het met hem over deze Tat te hebben. Aan een apart soort voertuig met ongebruikelijk lage disselbomen, dat iets verderop stond, was een omheinde, dichte kraam bevestigd, die buiten bewaakt werd door twee monsterlijke wolfshonden, vastgeketend aan een bronzen ketting. Het leken Jioe-honden, maar hun poten waren sterker ontwikkeld, gebouwd op langdurig rennen. Verbaasd realiseerde Gaosar zich dat deze beesten waarschijnlijk de kar voorttrokken. Zijn nieuwsgierigheid was gewekt, ook omdat hij de aard van de handelswaar niet kon zien, maar vooral omdat de kraam bemand werd door twee buitengewoon gespierde dwergen, naar wiens ras en geboorteland hij slechts kon raden. Hij bleef tersluiks toekijken toen zich twee Shir, die de groene tuniek van het Huis van Onderhoud droegen, zich als belangstellenden meldden. De dwergen stelden vreemd genoeg de mannen voor aan de honden. Beide dieren begonnen tegen de oudste man te grommen, maar de jongere werd toegelaten. De oudere Shir wachtte gelaten buiten, tot zijn genoot met een klein bruin pakje weer naar buiten kwam. Gaosar ervoer een onbestemde maar onweerstaanbare aandrang om zich aan die ongewone test te onderwerpen. Op het moment dat hij dichterbij kwam, sprong de grootste hond naar voren, de muil openend en zijn vervaarlijke tanden ontblotend. De verschrikte Halfbakman verstevigde impulsief het rozenveld om zich heen en vreemd genoeg reageerden de honden daar goed op. Ze gromden niet, maar ze gingen ook niet meer op hun plaats liggen. De oudste dwerg, die gehuld was in een smerig manteltje van een donkerpaarse stof, keek hem met een peilende blik aan. Het verhoudingsgewijze grote hoofd zag er uit als een rimpelpompoen. Het mannetje had nauwelijks baardhaar maar zijn oogwimpers en zijn wenkbrauwen waren daarentegen heel lang. De ogen leken daardoor heel vrouwelijk en zacht, maar de borstelige, omhoog krullende wenkbrauwen benadrukten juist weer een martiale instelling. Hij sprak Gaosar aan in moeizaam Tiki met een uitzonderlijk gorgelend en nasaal accent: "Wad u wil? Iez nieks kopen, dan uw kaiken geen lood voor mai."

Gaosar bekende onverbloemd zijn nieuwsgierigheid, maar liet heel beleefd ruimte voor een eventuele aankoop, mocht het getoonde hem bevallen. De jongere dwerg, haast in een nog smeriger lila manteltje gehuld met daar overheen een besmeurd voorschoot mompelde wat en verdween met hoofd en armen in een langwerpige kist, die onderop de wagen was gemonteerd om daar onduidelijke vieze bezigheden te verrichten. Zijn compagnon wenkte de Halfbak de kraam in en liet achter hen het tentdoek weer zorgvuldig dichtvallen. Op een lange plank lagen koffers in allerlei formaten, er onder stonden vijf kisten van kostbaar bewerkt hardhout.

"Kaikers of blitzers?" vroeg de dwerg en omdat Gaosar geen idee had welke alternatieven hem hier geboden werden, mompelde hij met gespeeld zelfvertrouwen: "Kaikers!" De dwerg opende een koffer en toonde een uitvouwbaar apparaat dat een opstelling van zes in metaal gevatte edelstenen en kristallen bleek, die met twee riempjes op het hoofd bevestigd kon worden. Er zakten dan twee dikke lenzen van rozig lavaglas voor de ogen van de gebruiker. Gaosar waande zich zonder overgang ineens in een jungle-achtig landschap met opvallende heuvels, dat zich zeker dagreizen zuidelijker zou moeten bevinden. Hij gromde van verwondering, hetgeen de dwerg mogelijk als een negatief commentaar opvatte, want snel werd hem een tweede kijker opgezet. Deze keer toonde het hem hetzelfde landschap maar dan bij nacht. Deze ongedachte ervaring van buiten de tijd zijn, beangstigde hem zodanig, dat hij het rozenveld om hem heen strak en verdedigend bekrachtigde. Toen hij dat deed, begonnen de honden buiten zacht te piepen. Hij kon ze onrustig heen en weer horen lopen. De jongere dwerg stak zijn hoofd door het tentdoek en mompelde iets wat klonk als: "Rishe-collesjie". Collectie? Hij wenkte Gaosar verder de kar in, terwijl hij in zijn vette en nagenoeg onverstaanbare spreekstijl iets uitlegde. Kennelijk omdat de twee dwergen hem voor een Rishe hielden, zou hij een voorwerp uit hun speciale collectie gedemonstreerd krijgen, dat alleen voor tovenaars te koop was. Gaosar was benauwd dat zijn eenvoudige status aan het licht zou komen en tegelijkertijd gefascineerd door het nieuwe. Zijn hart ging als razend tekeer, toen de dwerg hem op een kist neerplantte en hem een groot formaat bril opzette. De bril had voor elk oog drie geslepen lenzen, elk in verschillende kleuren. Om de lenzen zat een knisperende zwarte doek gevouwen. Een heel vreemd voorgevoel beving Gaosar. Nogmaals versterkte hij het rozenveld, totdat het bijna als een statisch pantser om hem heen stond. Hij had deze oefening nog nooit eerder zo in de praktijk gebracht, maar de beklemmende situatie stuurde als vanzelf zijn visualisatie. Toch kon hij geen kwade bedoeling bij de twee kleine kooplieden voelen, maar zij veronderstelden kennis bij hem, die hij niet had. Hij begon steeds meer spijt te krijgen van zijn voorgewende tovenaarsstatus. De kracht van het gevaar, de verleiding van de uitdaging, had hem echter onherroepelijk in zijn ban.

De dwerg opende een minuscuul raamluikje in de zijkant van de kar en plaatste Gaosar er recht voor. Toen nam hij in één beweging de twee beschermende zwarte doeken weg. Onvoorbereid keek Gaosar in de hel. Een pandemonium van kleur en beweging brandde los in zijn brein. Instinctief kneep hij zijn ogen dicht en direct verdwenen de beelden. Na enige tijd was hij zoveel hersteld van de schok, dat hij een tweede poging durfde te wagen. Zijn waarneming van het stadsleven werd verruimd met een blik op de meest bizarre entiteiten die, voor het gewone oog onzichtbaar, rondspookten op het plein voor het Huis van Onderzoek. Alle menselijke wezens die hij zag, schenen omhuld te zijn door een doorschijnende cocon van een soort licht, doorschoten met de meest ongewone en uiteenlopende kleuren. Behalve de mensen krioelde het ook van wat hij maar bij gebrek aan beter 'spoken' noemde. Sommigen hadden zich met draden aan mensen verbonden, anderen hupten rond of vlogen door de lucht. Tussen hen was een niet aflatende strijd aan de gang. Hier en daar dreven losse lichaamsdelen, halve en hele herkenbare mensachtige en onherkenbare spookachtige stukken en gestalten door de lucht. De meesten leken in een vergaande staat van ontbinding te zijn en Gaosar was blij dat hij alleen maar keek en niet hoefde te ruiken. Op en in de menselijke cocons was het ook een drukte van belang. Ze zaten werkelijk afgeladen met kleine projecties van mensen en dingen, allemaal bewegend, soms verdichtend, soms uiteenspattend en dan weer plaats makend voor andere. Ogenschijnlijk waren de coconbewoners volkomen onbewust van hun bizarre, onzichtbare lasten.

`Dit is dus wat die Rishe kunnen waarnemen,' dacht Gaosar. `Voor iemand, die voldoende afstand kan nemen van zijn eigen angst zal het een schat aan informatie opleveren.'

Op datzelfde moment werd zijn gevoel zwaar beproefd toen er in de verte een gruwzame figuur naar de marktstraat toe kwam stappen. De indruk in Gaosar’s vervormde gezichtsveld was die van een boomlange, harige, broodmagere en wreed kijkende man in een oranje jas. Zijn cocon was volkomen effen grijs maar de top was violetvlammend rood met een feloranje top. Op zijn rug klemden zich drie afzichtelijke demonen vast. Ze klauwden soms naar een voorbijdrijvend dood deel en namen daar dan een walgelijk smakelijk hapje van of uit. Gaosar werd naarmate de extreme man dichterbij kwam, door een dieper wordende weerzin bevangen. Ineens draaide hij zich af, de bril nog op. Zonder waarschuwing kwam hij daardoor oog in oog te staan met de dwerg, die afwerende en geschrokken geluiden maakte. Door de bril zag Gaosar tot zijn verbijstering een heel vrouwelijk, spierwit wezen. Er was helemaal geen cocon zichtbaar. Duidelijk hadden haar handjes zes vingers. Het hoofd was buiten alle proporties groot; in het voorhoofd zat een derde oog, dat echter gesloten bleef. Hoe ongewoon ook, toch stond het wezen bepaald vriendelijk naar hem te kijken. Niettemin rukte Gaosar de bril van zijn hoofd. Dit was meer dan hij op één dag verdragen kon. De 'gewone,' mannelijke verschijning van de dwerg was in die vorm vooral boos.

"Dad nieks doen, dad nieks doen," knarste hij driftig. Gaosar drong zich volledig in de war en zenuwachtig langs het onwezen heen, hem onderweg de bril in diens aapachtige handjes frommelend. Buiten blaften de honden, maar niet naar hem. Hun haren stonden recht overeind. Er stond een onopvallende gedrongen gestalte met een donkere gevorkte baard voor de kraam met de oudste dwerg te praten. Gaosar herkende alleen de oranje jas. Het inzicht in de mogelijkheden van al deze magische en bedrieglijke vormveranderingen, waartoe de tovenarij van de Rishe in staat was, trof hem als een klappernoot een slapende zonnebader onder een palmboom. Paniek, doodsangst, drift en zelfmedelijden joegen door hem heen, tot ineens de stem van Oerbash in zijn hoofd leek te schreeuwen: `Grondlijn! Rozen!' Automatisch gehoorzaamde hij aan dit innerlijke bevel. Even hield hij zijn pas in, toen vluchtte hij de kraam uit met neergeslagen ogen en een vlugge en doelbewuste tred. De oudste dwerg en de gedrongen man spraken op schelle toon met elkaar in een Gaosar onbekende taal. Er klonk ontevredenheid in door, geklaag van beide kanten. `Ruilen doet huilen' was de gedachte die Gaosar spontaan inviel. Hij was de beide mannen al voorbij, toen hij een gevoel onderging alsof er een roodgloeiende naald in zijn achterhoofd werd gestoken met een giftige boodschap er op geschreven: `Bemoei je met je eigen zaken!'

Strompelend rende hij weg langs de rij kramen, totdat hij de laatste in de rij zag. Een zegenbrengende lucht van wafels en pannekoeken omhulde hem. Een diepe behoefte aan bestendigheid, vaste punten en moederlijke zekerheid roerde zich in al zijn ingewanden. Waar dat gevoel op honger leek, kon hij het nu in elk geval bevredigen. Pannekoeken met stroop, met honing, geitekaas en mango's, hij vrat zich vol en vol. Na een hele lange tijd van meel en vettigheid vroeg hij de corpulente Bindi, die eigenaar van de kraam was, welke tovenaar er een oranje jas droeg. De man keek achterdochtig alsof iedere volwassene dit zou moeten weten, maar hij antwoordde toch: "Alleen Rish Kerko, Eerwaardige."

Toen Gaosar vertelde dat dit zijn eerste bezoek aan het fraaie Utrag was, werd de pannekoekenbakker wat toeschietelijker.

"Rish Kerko is de voorzitter van de Rishe Raad en natuurlijk ook Hoofduitvoerder van het Huis van Oorlog," legde hij uit. Gaosar hoopte niet meer en niet minder, dan dat hij nooit meer diens pad zou hoeven kruisen. De gedachte deed de hete naald in zijn verstand weer opgloeien en dat dwong hem tot nòg een bakje gepofte kastanjes. Etenstijd naderde maar aan het afgesproken diner met Tipo en Karnk zou hij geen grote eter zijn.


Ondertussen had zijn broer in de bijkeuken van de herberg een rasgenoot getroffen, een oude kok, ene Nen Kekkonen. Kekkonen was uit Igdi afkomstig maar hij werkte al twintig jaar voor de Shir. Het was een indrukwekkend gespierde Bak met littekens op vele plaatsen en lijnen in zijn gezicht, die velerlei ervaringen en inzichten deden vermoeden. Uit de hoofdkeuken kwam lawaai van Bindi die groenten aan het snijden waren voor het op handen zijnde avondeten. Nen wees naar een kruk. Zelf bleef hij staan, alsof hij nog steeds druk aan het afwassen was. Het Shir-verschijnsel van het uitwisselen van overbodige beleefdheden was de Baks onderling onbekend. Tipo gaf de oude man enkele parsi's, waarmee hij tijd en interesse kocht.

"Oom, wat is het best betaalde werk hier in de archipel?" vroeg hij op de man af.

"Verkoop jezelf aan de laboratoria van de Doodvorsers," zei Nen koelbloedig. "Zij nemen wat jij kwijt wil en wat zij nodig hebben. Ze geven je er een mechanische ledemaat of één van hun betoverde organen voor terug. Daar ligt je risiko. Soms werkt dat korter dan je leuk vindt, soms langer. En de Shir-tovenaars kijken in je hoofd, wordt er verteld. De meeste van hun klanten hebben daar nooit last van, maar er zijn sommigen bezeten door een demon achteraf."

"Ik blijf liever mezelf. Geef een tweede antwoord, Oom."

"Er is snel een betrouwbaar en discreet iemand nodig, die voor mannebroed durft te zorgen," zei Nen, terwijl hij zijn stemvolume wat liet zakken.

"Wat is dat en wat is het risico?"

"Soms bevruchten Shir-mannen en zelfs tovenaars elkaar buiten de regels van het Mengkantoor om. Er schijnt iemand uit het Doodvorsers Genootschap in staat te zijn om zo'n ongeborene uit het lichaam te halen. Je begrijpt dat zulke praktijken absoluut onwettig zijn. Zo'n wezen moet daarna twaalf maanden zonder onderbreking in een speciale fles op het lichaam gedragen worden en op bijzondere wijze gevoed. Ze zoeken daar een Bak voor, ik weet niet waarom."

"Wat levert het op?"

"Je moet die periode in een afgelegen huis in de Fartwoestijn gaan wonen. Als je fouten maakt, vermoorden ze je. Als het kind levend uit de fles komt, krijg je van beide mannen een fortuin. En je moet direct terug naar het Oorsprongland."

"Ik ben met vrienden hier samen, mijn broer en een vriend die me lief zijn. Ik kan niet. Waarom doe je het niet zelf, Oom?"

"Ik kan niet verdragen om zo lang opgesloten te zijn," bekende Nen. "Mijn derde gezicht vreest trouwens dat de verwekker een tovenaar is. Zijn Betaalbelofte heeft misschien een dubbele bodem. Ik kan veel met mijn handen maar niet goed nadenken, dus blijf ik liever op veilige bodem, hier in de keuken."

"Ik houd niet van tovenaars. Geef een derde antwoord, Oom," zei Tipo.

"Er gaat een expeditie naar de komeetmijnen op het eiland Urda over een week," wist Nen. "Ze brengen veroordeelde wetsovertreders, die daar te werk gesteld worden. Je moet in de mijnen een dik beschermpak en een masker dragen en hen soms slaan. Je krijgt een belofte voor een jaar en je wordt uitbetaald in goud en zilver. Veel jonge en sterke Baks doen het. De Bindi houden er niet van."

"Ik ook niet. Geef een vierde antwoord, Oom."

"Ik geef een vierde antwoord, als jij eerst een paar van mijn vragen wil beantwoorden," zei Nen met een bedachtzame blik in zijn oude ogen.

"Je nieuwsgierigheid kost een parsi, Oom," zei Tipo vlug. Nen betaalde en vroeg toen: "Houd jij meer van de stammen van de Baks en Bondo dan van alle andere volkeren?"

"Ja," antwoordde Tipo, "maar ik maak drie uitzonderingen. Ik reis met een reus die van een onbekend ras is. En mijn broer is een Halfbak. En dan ken ik nog een Tat-monnik, die ik iets schuldig ben."

"Goed genoeg," zei Nen. "Nog een vraag. Zou je treuren als morgen alle Bondo-vijandige volkeren, behalve jouw uitzonderingen, worden afgeslacht en als de Oeroude Moeders van de Bondo weer zouden gaan regeren over de wereld?"

Tipo koos zijn woorden langzaam en nauwkeurig: "Nee, ik zou niet treuren. Er is wat is. Maar ik zou ook niet treuren als morgen alle Baks zouden sterven. Hoewel ik ook dan een uitzondering moet maken. En verder, ik wist niet dat er nog zo'n Oeroude Moeder in leven was."

"Zij is, zij is," zei Nen vurig. "Je antwoord is vreemd, maar je geld is goed en je ogen zijn goed. Ik geloof dat je de juiste man bent voor Benk Benko. Hij is mijn bloedbroeder, hoewel hij een Bindi is. Ga morgen met hem praten over het einde van de vijanden van de Bondo. Want dat nadert, zo is voorspeld."

"Ik heb recht op nog meer antwoorden voor mijn parsi's," onderbrak Tipo hem. "Vertel me, wat moet ik denken van de oorlog, die in het noordwesten woedt?"

"De Pirti hebben de Moeder lief en dat verdragen de Shir niet. Als de tovenaars hun verderfelijke wapens tegen hen hebben beproefd en winnen, dan komt de smaak van bloed pas echt in hun mond," snauwde Nen, terwijl hij op zijn hoede om zich heen keek. Gelukkig was er niemand anders in de buurt. Ook Tipo dempte zijn stem: "De Baks richtten zich ook naar de Moeder."

"Je angst is terecht," zei Nen. "Na de Pirti zullen de Shir hun tanden in het Ochtendland zetten. Eerst Capai, dan Igdi en Ogdi. Alleen de Moeder weet waar ze op zullen houden. Ze hebben geen soldaten en geen zwaarden nodig, ze hebben hun vreselijke vuurblaaspijpen. De Shir lopen met hun geslachtelijke lust in hun hersens en dat maakt ze slachtoffer van de machtshonger van de Rishe Raad. Iemand moet boeten voor hun schaamte en ingeperkte lijden en dus geven ze andere volkeren de schuld."

"Wat is de plaats van de Bindi, Oom Nen?" wilde Tipo weten.

"Je tijd is om, neef," zei Nen, terwijl hij zijn open hand uitstrekte. Tipo gaf hem de parsi weer terug, die hij daarvoor van Nen ontvangen had. De oude Bak keek speurend om zich heen. Op nog zachtere toon vervolgde hij: "De Baks zijn verbonden met onze broeders en zusters die op de eilanden geboren zijn, ook al hebben ze de erediensten van hun overheersers overgenomen. De Bindi hebben hun eigen geheime orakels, die hetzelfde zeggen als de Oeroude Moeders. Dappere Bindi verzamelen overal kennis van de Shir. Er zijn zelfs Bindi, die met zekere smokkelgoederen de lange reis naar de landen van de Pirti maken. De Shir kunnen zich dat niet voorstellen, zo genieten ze nog van hun hoogmoed. Maar de Baks redden hun eigen toekomst als ze de Bindi tegen de Shir helpen. Ontmoet morgenochtend Benko in de tuin. Hij is een Bindi-meester, wiens kracht je zult bewonderen. Er is grote eer te behalen voor een dappere Bak, die de zusterstrijd van de Pirti durft te ondersteunen. En eer betekent in dit geval voor jou ook goud en zilver, neef!"

Nen liep naar de deuropening en keek de hoofdkeuken in. Alle personeelsleden leken ingespannen met hun werkzaamheden bezig. Er was een Shir verschenen die de leiding op zich nam.

"Dank voor je lood, maar nu moet je verdwijnen, neef," zei Nen gehaast. "De Shir zal mij slaan, als de afwas niet klaar is."

Tipo boog op de respectmanier van Bak-krijgers en Nen Kekkonen boog terug alsof hij een gelijkwaardige tegenstander tegenover zich had. Stilletjes liep Tipo via de tuindeur de bijkeuken uit om het keukenhoofd niet op verkeerde ideeën te brengen. Zijn kop gonsde van alle denken en bovendien klopte de overdosis van de vorige avond nog bonkend na. Hij wist ineens wat hij daar aan kon doen: een middagdutje.

`Als je hoofd een tijdbom is,' had Oerbash hem eens verteld, `dan kun je met een bijna wakker, bijna slapen dutje die tijd even stil zetten.'

Het was hoog tijd voor zo'n oefening.


De drie vrienden waren meer dan blij om elkaar weer in de Herberg De Vreemdeling terug te zien. Door ieders eigen tumultueuze ervaringen waren ze ook bezorgd geweest om eventuele nare wederwaardigheden van de anderen. Ze trokken zich met ruim voedsel en nog meer drank terug op hun kamer. Geen van hun verhalen was minder schokkend dan het vorige.

"Dit is bepaald geen stad om oud in te worden," zei Gaosar.

"Jullie denken echt dat het waar is, dat van die Bindi-opstand?" vroeg Karnk.

"Het is waar, zeker, zeker!" wist Tipo. "Morgen zal ik meer horen van die Benko."

Gaosar bekeek de feiten van twee kanten: "Die Bindi stralen zeker een groot vertrouwen in een komende omwenteling uit, tenminste de Bindi uit de werkersklassen. De rijkere Bindi-burgers hebben misschien heel andere ideeën. En bovendien, die Shir-magiërs hebben kijkers en de Moeder mag weten wat nog meer voor apparaten, waarmee ze de meest ongelofelijke geheimen kunnen doorgronden. Zouden zij niets opmerken van de gevoelens van de Bindi? Ik heb geen idee hoe dat allemaal gaat aflopen, maar wij zitten ergens tussenin en we weten niet eens waar tussenin."

Hij gebaarde vragend naar Karnk: "Wat denk je, kunnen we morgenavond alledrie naar dat partijtje van die Rish Tirt?"

Karnk keek peinzend.

"Ik denk het wel," zei hij. "Wij presenteren ons gewoon als reizigers, die graag van onze ervaringen willen vertellen. Wat kan ons gebeuren? We hoeven toch geen partij te kiezen?"

Tipo woof met zijn handen als om die opmerking weg te wuiven: "Ik herinner me iets, dat ik Oerbash eens heb horen zeggen. Zoiets als `Jij denkt te kiezen maar er is al voor je gekozen.' Dat zei hij tegen Mani."

"En daarna zei hij: `Alleen de kijker is vrij, terwijl het gekozene zich ontrolt.' Ik herinner me dat ook," vulde Gaosar aan.

"Ja, ja. Dat betekent gewoon laat iedereen allemaal maar lekker z'n eigen dingetje doen," riep Karnk overmoedig. "En weet je wat ik doe? Ik ga naar bed. Lekker een beetje dromen van gemarineerde reuzenlul met veel keus uit besuikerde roomsoesjes om 'em in te steken!"

Kortom, zo kon die wel weer. Ineens werden ook de broers zich van hun vermoeidheid bewust. De intense belevenissen eisten nu een hoge tol van hun lichaam. Binnen de kortste tijd lagen ze dus alledrie plat.


Pas laat in de ochtend werden ze vlak na elkaar wakker na een nacht vol extravagante dromen. Gaosar herinnerde zich alleen een flard van een droom over de mysterieuze dwerg, waarin het onaardse wezen hem haar handen had getoond. Hij realiseerde zich plotseling dat hij de voorgaande avond een heel belangrijk detail was vergeten te vertellen: de zes vingers. Hij vertelde de droom en het verhaal en zag Karnk rillen.

"Het haar op mijn armen gaat overeind staan," zei de grote man in verwarring. "En je zegt, dat ze zonder dat je die bril op hebt gewoon vijf vingers lijken te hebben?" Hij rilde nogmaals. "Ik zal je zeggen dat die goochelaars in die massagesalon ook zo raar naar mijn zes tenen stonden te kijken. Natuurlijk! Ik ben te groot, te breed en anders. Ik vraag me werkelijk af, wat je zou zien, als je naar mij keek door die dwergenbril, Gaosar. En wat zou ik er niet voor over hebben om mezelf te zien. Wat ben ik? Wie ben ik?! Toen ik een klein jongetje was, kon ik daar lang om huilen. Wie is mijn moeder? Ik heb een navel, ja, maar waar ben ik geboren en uit wie?"

Tipo was zich haastig aan het aankleden.

"Ik ben laat," zei hij. "Ik ga die Benko opzoeken. Ik zal hem ook vragen of hij leuk werk voor jullie weet. Wat gaan jullie doen?"

Gaosar haalde zijn schouders op: "Ik wil nog wel meer van de stad zien." "Waarom zoeken jullie niet samen nog een keer die dwergen op?" suggereerde Tipo. "Karnk laat z'n tenen zien en misschien krijgt hij dan wat meer te horen. Een half antwoord is beter dan hier te zitten simpen over de vraag. Laten we elkaar hier weer ontmoeten aan het einde van de middag."

Hij stak zorgvuldig zijn werpmessen in zijn gordel en liep naar de deur.

"Er is er hier een, die altijd hetzelfde blijft," zei Karnk met grote warmte in zijn stem en hij riep Tipo achterna: "Ik hou veel van je, zwarte flepkop!" Halverwege de gang schreeuwde Tipo terug: "Ik hou ook van jullie, witte windkramen!"

In dit besef van innige jongensliefde kon de dag niet meer stuk. Grijnzend kleedden Gaosar en Karnk zich aan, vastbesloten om de dwergen nader aan de tand te voelen.

"Ik verheug me nu al op die honden," snoof Karnk. "Ik heb wat met grote honden, zoals je weet."

"Dit zijn heel bijzondere honden," zei Gaosar. "Heel wat anders dan die onbenullige Jioe-mormels, die jij een beetje stuk stond te gooien bij Lit-kaka."

"We zullen zien," antwoordde Karnk.
Tipo ontmoette in de tuin van de herberg inderdaad Benk Benko, die daar boomstammen in handzame stukken voor de keukenfornuizen stond te zagen. De man was mogelijk een veertig, vijftig maanjaren, misschien ouder, wat langer dan de gemiddelde Bindi en bovendien uitzonderlijk gespierd. Met name zijn armen leken op scheepskabels. Hij had een heel open maar ernstig gezicht, dat verfraaid werd door een zware walrussnor. Nen Kekkonen had hem verteld dat Benko afkomstig was van het meest westelijk eiland, Urda, maar dat hij zeer bereisd was. Dat bleek al uit het feit dat hij behalve Tiki vloeiend Zietse sprak, in iets mindere mate vloeiend Pai en zelfs enig Kendo. Benko droeg evenals Karnk alleen een vilmes in zijn gordel, maar hij had net een halflange stok van hardhout uit de bijkeuken gepakt, waarmee hij een serie niet mis te verstane slag-oefeningen begon. Tipo bleef even vol ontzag naar hem kijken. Suizend vloog de stok van hand naar hand, plots stoppend, draaiend, onzichtbare vijanden blokkerend en afstraffend. Slechts een pijl of de vuurblaaspijpen van de Overzichters zouden Benko kunnen stoppen. Toen Tipo zonder hem te willen storen stil de tuin in liep, hield de stokmeester op. Hij groette demonstratief. Waarschijnlijk had Nen hem al voorbereid op deze bezoeker, want in het Pai zei hij: "De zon straalt op je pad, de maan moge je troosten, Bakjongen."

Deze rituele aanspreekvorm voor een welkome gast van de stammen van Capai vestigde een sterke vertrouwdheid en Tipo boog de diepe respectbuiging van de Baks. Benko liep met hem naar een afdak achter in de tuin, waar ze uit de zon konden zitten. Er stonden nog een aantal stokken.

"Wij oefenen de dans der handen," zei Benko verklarend. "Veel Bindi-jongeren worden heel goede dansers in deze tuin. Je kunt met ons meedansen in de vroege ochtend, direct na zonsopgang."

Tipo nam liefkozend één van de gladde stokken in zijn handen en liet hem heen en weer zwiepen op de jachtwijze van de Tsjetjah. Het aanbod leek hem heel aantrekkelijk, maar hij hield een slag om de arm omdat hij niet kon overzien, hoe de avond en de komende nacht zou verlopen. Benko was weer opgestaan van de bamboebank, waarop ze aanvankelijk waren gaan zitten. Hij keek naar de stok in Tipo's handen.

"Ik zie je adem gaan, Bakjongen," zei hij weloverwogen. "Ik zie hoe je die stok vasthoudt. Ik zie hoe je je reistas draagt. Dat zijn de bewegingen van iemand, die door het Oude Volk is opgeleid. Mag ik vragen bij wie je in de leer bent geweest?"

Voor het eerst realiseerde Tipo zich, hoe hij sinds de aanvang van zijn reis met Gaosar niet alleen maar innerlijk veranderd was. Benko had uiterlijke veranderingen opgemerkt.

"Ik heb een korte tijd gereisd met een Tat-meester," zei hij met een gevoel van trots in zijn stem.

"Een Tat-meester?" vroeg Benko stomverbaasd. "Bij mijn weten zijn er op de eilanden maar een paar Tats. Kirash? Intant? Of Oerbash?"

"Die laatste is het," knikte Tipo.

"En heeft hij je Tat-bewegingen geleerd? Een Tat, die zoiets aan een Bak leert?!"

Benko moest het gegeven even stil op zich laten inwerken.

"Ik ken Oerbash van lang, lang geleden," vertelde hij nadenkend. "Toen wist hij alleen maar iets van tergen, treiteren, slaan en doodmaken. Uit verveling, denk ik. Hij vocht aan de kant van woeste stammen uit Issopar tegen Kendo en Baks uit Noord-Ogdi. Later streed hij weer aan de kant van de Kendo, simpelweg omdat hij van oorlogvoeren houdt. Een rare, lege man, maar een onberispelijke krijger. En hij noemt zich nu een Tat-meester?"

"Zijn leerlingen noemen hem een meester," corrigeerde Tipo. "Hij heeft mij in elk geval iets van de kunst van de bewegingsadem geleerd. En wie leert aan een onwetende, mag zich meester noemen, is het niet?"

Benko kon zijn verwondering maar net de baas: "Tats houden meestal hun verworvenheden voor zichzelf. Wij noemen hen het Binnenkijkersvolk. Zij stapelen gierig hun goud en hun kennis op. Ik snap niet dat hij een Bak wil onderwijzen."

"Er waren twee andere monniken bij hem, één uit Vuurland en één uit Heirgoland. Hij leert hun ook Tat-kunsten."

"Oerbash, die iets weggeeft?! Die geheime kennis deelt?"

Tipo wachtte even met een antwoord, totdat het helder in hem opwelde: "Ik herinner mij, dat ik hem hoorde zeggen: `Wat onuitgesproken blijft, sterft in de kiem. Het eeuwig verzwegene houdt op te bestaan.' Hij gaf veel van zichzelf en hij was blij dat ik het van hem wou hebben."

Tipo voelde hoe hij Oerbash met zijn volle aandacht zat te verdedigen. Benko reageerde sceptisch: "Die Tat is zo eenzaam, zo ver van zijn thuisland, dat hij met tovenaarsadvies gaat strooien om zo zijn eigen bestaan zin te geven. Anders verveelt hij zich maar... Tenminste, dat denk ik er van. Slaat hij nog steeds zo flink om zich heen?"

"Ja. Vaak," moest Tipo toegeven. "Maar hij dwong me daardoor om heel snel te worden, zodat hij me niet meer raken kon en dan lachte hij heel hard. Hij slaat niet om te kwetsen, Benk Benko."

"Ik geloof het als ik het met eigen ogen zie," zei de oudere man. "Ik heb veel Bindi-meesters gekend. Ons volk noemt zulke leraren leuningmeesters. De leuning langs de steile trap. De meeste leraren willen echter alleen hun geestelijke kinderen om zich heen verzamelen, zodat ze van hun dienstbaarheid kunnen profiteren. Maar wat als de kinderen het huis uit willen? Wat als ze de ideeën van hun meester uit de tijd gaan vinden? Omdat hun meester niet meer open staat voor de nieuwe tijden, omdat hij niet meer reist, maar zit en eet? Ach, de meeste leerlingen blijven ook zelf liever leunen op hun zittende meesters. Ze klitten bij elkaar voor hun dagelijkse aanspraak en hun oren worden doof."

"Oerbash slaat op zulk een oor," beweerde Tipo. "Hij is heel wreed voor de slapers."

Benko keek aandachtig: "Hoe graag zou ik je geloven, maar dat valt me moeilijk. Oerbash heeft zelf geen kinderen, vermoed ik. En toch wil hij zonen om zich heen. Hij zal zijn zonen weerbaar willen maken, daarom slaat hij ze. De Tat zijn net als de Shir. Niet de Moeders zijn de baas op Sarda maar de vaders. En die soldaatvaders slaan hun kroost. Maar dat is juist de reden dat alle Tats hun ouders haten en dat noemen zij onthechten. Nee, vertel mij maar niets meer, Tipo Tennen. Maar je ogen zijn goed en je handen zijn snel. En je naam is goed. Hij betekent 'Het Lichaam van de Rots', nietwaar?"

Tipo knikte. Ondanks Benko's weerstand naar Oerbash voelde hij zich enorm tot de stokmeester aangetrokken. Benko had zijn rechteroog gesloten en zat met het linker zonder knipperen naar de zwarte Bakjongen te kijken.

"Vertel me, Tipo, zijn de Bindi en de Baks broeders?" vroeg hij met een subtiele spanning in zijn stem.

"Zo goed als de Shir en de Tat broeders zijn," antwoordde Tipo heel tactisch. De stokmeester keek verrast.

"Kun je een Shir-tovenaar doden als een gifslang in je bed, Tipo Tennen?" vroeg hij, nu met beide ogen open.

"Zoals ik een giftige Bindi-tovenaar zou doden?" was Tipo's wedervraag. Benko sloot in verwarring even zijn ogen.

"Zou je het Moederrijk van de Godin dienen tot je laatste adem?" vroeg hij volhoudend door.

"De aarde is mijn moeder," zei Tipo met een heel zachte stem maar in een diepe concentratie. "De duizend ogen van mijn vader in de hemel stralen in de nacht. Mijn vaders kracht is mijn kracht. Ik ben zijn sterrenlicht. Mijn moeders eer is mijn eer, ik leef uit haar. Ik dien mijn vader en mijn moeder tot mijn laatste adem..."

Benko zat doodstil. Uit zijn gesloten linkeroog druppelde een traan.

"Is dat een Bakgedicht uit Capai?" fluisterde hij ontroerd.

"Nee, het kwam hier en nu bij me op," antwoordde Tipo langzaam en bedachtzaam. Benko boog op de respectmanier van de Bindi, de gevouwen handen openend en naar binnen kerend ter hoogte van zijn hart.

"Ik heb lang gewacht op een dichter om in het juiste gezelschap een zware reis te kunnen maken. Beloof je me geheimhouding als ik verder praat, Tipo?"

"Beloften zijn een verzinsel van de Shir, Benk Benko," zei Tipo zonder afwijzende intenties. "Voel mijn hart en kijk maar of je praten wil. Ik heb twee bloedbroeders met wie ik praten zal. Voel hun door mij. Nen Kekkonen heeft me verteld dat je een Bindi-meester bent en dat je me alles kunt vertellen over de vijanden van de Baks en de Bondo. En er zijn bovendien geheime Bindi-orakels, heb ik begrepen. Waarheen je reis gaat, ook dat wil ik wel weten. Ik ben open voor je, stokmeester."

Het was even stil. Alsof dat uiterst belangwekkend was, keken ze allebei een tijdje aandachtig naar twee kleine grijze aapjes, die elkaar op het bijkeukendak zaten te vlooien. Benko liet zijn vingerkootjes een paar keer knakken en keek toen Tipo vol in het gezicht. Hij knikte. Wat hij zag stond hem kennelijk aan.

"Je moet weten dat ik niet naar Ogdi ga, zoals ik aan mijn omgeving vertel," zei hij op zachte toon, nadat hij nog eens speurend om zich heen gekeken had, beducht op mogelijke meeluisteraars. "Ik reis naar Majeste."

"Ik ben niet verbaasd," zei Tipo toen Benko weer stil bleef. "Maar er is oorlog op Majeste, heb ik gehoord. De Pirti schijnen niet bang te zijn, hoewel in aantal de Shir en de Bindi samen hun vele malen overtreffen."

"Dat is zo," beaamde Benko. "Omdat al hun voorouders meevechten in de strijd. Toch zijn de Pirti machteloos tegen de luchtvoertuigen en de manakonda's van de Shir, als die hun van grote hoogte bombarderen met brandbommen. Speciale getemde demonen van de tovenaars kunnen bovendien de vooroudergeesten van de Pirti opeten. En bovenal, de Rishe uit het Huis van Oorlog bouwen grote vuurblaaspijpen, die zij vervormers noemen. Die toestellen zullen de schepen van de Pirti in hun geheel uit het water blazen en hun kampen vernietigen."

"Dat zal het einde van de oorlog betekenen," veronderstelde Tipo.

"De Shir willen helemaal geen einde van de oorlog," gromde Benko. "Tovenaars uit het Huis van Oorlog en van het Mengkantoor, die elkaar uit het Genootschap der Doodvorsers kennen, zijn een verbond aangegaan. Hun machtshonger is tomeloos. Ze proberen op Majeste een ongekend grote vervormersbom te maken. In één ontploffing kunnen ze daarmee half Pirtiland in brand steken. En dan? En dan?"

"Oom Nen is bang dat de Shir daarna Capai en Igdi zullen overvallen," zei Tipo.

"Precies. Ze willen de heerschappij van hun vadergod opleggen aan de hele wereld," knikte Benko.

"Ze hoeven straks alleen maar met hun bom te dreigen," begreep Tipo en een ontzettende angst overviel hem. Ineens sloop de naderende catastrofe dichterbij in de tijd, tot vlak onder zijn neus.

"Je ziet het, die conclusie vraagt niet eens nadenken," bevestigde de stokmeester.

"Hoe weet je dit allemaal?" vroeg Tipo.

"Iedere dag sterft er wel een Bindi in een mijn, als straf omdat hij werd gepakt op een plaats, waar hij niet mocht komen of voor het afluisteren van gesprekken, die niet voor hem bestemd waren," antwoordde Benko op felle, emotionele toon. "Niet zelden wordt er een dappere verraden door achterdochtige lieden uit zijn eigen volk, die belust zijn op een beloning van de Shir en die geen kwaad zien in een oorlog tegen de Pirti, omdat zij evenzeer op winst en macht uit zijn. Zo ligt de zaak."

Tipo kon het nauwelijks geloven: "Zijn er geen Shir die er anders over denken?"

"Natuurlijk! Talloze respectabele lieden staan zeer kritisch tegenover de oorlog. Maar de Doodvorsers zijn buitengewoon sluw. Hun intriges overspoelen de Rishe Raad als een plaag. Ze worden geholpen door de zucht naar meer invloed van veel ongeduldige assisten en novieten, die het een doorn in het oog is, dat de leidende uitvoerders in de Huizen stelselmatig hun leeftijd weten te verlengen en daarmee hun actieve carrière. Steeds wordt de Raad met geheime zuiveringsprocessen geconfronteerd tegen gecompromitteerde Rishe. Maar hun dubieuze handelen roept gelukkig tegenacties op. Er zijn Niss, die tegen betaling hun meesters verraden omdat ze hun dodelijke machtswellust aan het eigen lijf ondervinden. Zulk gedrag van de traditionele Niss kunnen de Rishe zich niet voorstellen. Ze denken waarschijnlijk dat de Niss onvoorwaardelijk loyaal zijn aan een eens gegeven belofte. Maar de Niss spelen het spel van de vorm, niet dat van de inhoud. En dus kunnen wij informatie kopen van de Niss. Ik vermoed zelfs dat er ook Rishe aan onze kant staan. Er is zeer geheime informatie naar de Bindi-Moeders toegelekt, zonder dat echter de bron ervan bekend werd."

"Al die informatie wordt niet voor niets verzameld, zou ik denken. Waar gaat het om?"

Benko wendde licht zijn hoofd af om naar een paar ruziënde kraaien in de tuin te kijken. Hij had al veel gezegd. Te veel? Hij zette zich over zijn ongerustheid heen: "Je vraagt veel vertrouwen van mij, Tipo Tennen. Je bent niet van mijn eigen volk, je bent hier net en je hebt een vreemd contact met die Tat gehad. Mijn mannenverstand zegt me mijn mond te houden, maar mijn vrouwengevoel wijst me de tegenovergestelde weg. Je hebt de aard van de zaak in feite natuurlijk al begrepen. De Bindi zullen zich verzetten tegen de Shir en hun zustervolk, de Pirti gaan bijstaan. Alleen zo kan de grote brand bedwongen worden."

Tipo haalde diep adem. Hier ging het inderdaad om. Hij voelde hoe er aan hem getrokken werd om zijn neutrale positie als reiziger op te geven en partij te kiezen. Maar waar was eigenlijk het vertrouwen in de kansen van zo'n opstand op gebaseerd?

"De Shir hebben de beschikking over machtige wapens," zei hij, zijn bezorgdheid hoorbaar in zijn stem. "Het is één van mijn bloedbroeders ter ore gekomen, dat de Rishe magische kijkers hebben, die voorbij de tijd kunnen waarnemen. En dat ze brillen hebben, die het binnenste van de mensen kunnen blootleggen. Hoe kunnen gewone lieden tegen zulke kennis op?"

"Je weet al heel veel, mijn vriend, voor iemand die pas sinds kort de Blauwe Eilanden bezoekt," zuchtte Benko. "Maar je hebt geen idee, hoe vaardig de verborgen Oude Moeders van de Bindi zijn. De Shir begrijpen alleen datgene wat ze met hun verstand kunnen bevatten, van de natuur der vrouwen verstaan ze niets. Ik ben ook een man, maar ik vertrouw de amulet, die een heel oude Bindi-genezer voor me gemaakt heeft. Geen Shir-tovenaar kan mijn geest zien. Ik leef in de baarmoeder van mijn magische moeder, weet je."

Tipo herkende die formulering. Overal op het oostelijke kontinent pasten Oude Moeders bezweringen toe op hun mannenkrijgers, als die de oorlog ingingen. Een krachtige formule maakte de strijders onkwetsbaar en soms zelfs onzichtbaar voor de vijand. Zoiets werd dan een moederschild genoemd of een baarmoederschild. Tipo ervoer vreemdsoortige rillingen door zijn hele lichaam. Deze man sprak een absolute waarheid, wist hij. Het was tijd voor meer waarheid.




Deel met je vrienden:
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina