De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina11/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   34

Hoofdstuk 10 Utrag.

"U hebt nog niet besloten tot gewelddadig ingrijpen?" vroeg Gaosar voorzichtig. De Overzichter kneep zijn ogen tot spleetjes dicht.

"Ik bespeur een zeker veld om u heen, dat vragen over uw identiteit oproept." Uiterst behoedzaam zijn woorden kiezend antwoordde Gaosar: "U zoudt het mogelijkerwijs betreuren als u achteraf moest vaststellen, dat u een geheel verkeerde beslissing had genomen, misschien op basis van zeer vooringenomen informatie van onwetende lieden?"

De officier knikte zonder de vuurpijp terug te steken in de holster aan zijn gordel.

"U raadt mijn gedachten, Sar," sprak hij nu op zijn beurt op zijn hoede. "Uw gezelschap is nogal ongebruikelijk samengesteld. Hoewel u overduidelijk geen Pirti bent, kan ik uw afkomst en vaardigheid niet met elkaar in een logisch verband brengen, als u mij vergeeft voor de eventuele onjuistheden in mijn conclusie."

Gaosar knikte bereidwillig: "In uw functie onderzoekt u vanzelfsprekend alle mogelijke vijandige bedoelingen van zekere buitenlandse elementen in uw fraaie stad."

"Mijn positie is zonneklaar," was het nu minder gespannen antwoord van de officier. Ook zijn ondergeschikten werden gewaar dat niet direct tot geweld zou worden overgegaan. Karnk toonde de Overzichters een slijmerige glimlach.

"Wij zullen in een goed gesprek vast en zeker uw ongerustheid kunnen wegnemen," zei hij op honingzoete toon. "Voor zover dat in ons vermogen ligt, zullen wij al uw vragen beantwoorden met gepaste aandacht voor de orde-aspecten van ons gedrag."

Snel vulde Gaosar aan: "Ik zal bovendien het veld dat uw aandacht heeft gehinderd, opheffen als een bewijs van onze oprechtheid en u moge onze verontschuldigingen doorgeven aan uw opdrachtgever voor onze eh, vrijmoedigheid, die geenszins als beledigend bedoeld was."

Hij voegde de daad bij het woord en naadloos verbeterde de onderlinge verstandhouding. De officier keerde zich zelfs zijwaarts af om de op sensatie beluste toegestroomde nieuwsgierigen tot doorlopen te manen. Eén van zijn ondergeschikten assisteerde hem met porrende gebaren van de knuppel. Blij dat het directe onheil was afgewend, poogde Gaosar tot een persoonlijker contact te komen.

"Heer Officier," vroeg hij, "wij zijn niet bekend met de in Utrag gebruikelijke titulatuur. Hoe dienen wij u aan te spreken?"

De officier was weliswaar wat toeschietelijker geworden, maar hij hield nog steeds met onverminderde alertheid de vuurpijp vast.

"Ik ben Onderhoofd Asimok Isav. U kunt mij gewoon met Sar Overzichter aanspreken. Ons ambt dwingt van zichzelf al een zodanig respect af, dat wij geen afzonderlijke titel behoeven. U brengt mij meteen tot de kern van mijn bemoeienis. Wie bent u?"

"De publieke belangstelling komt ons als heel onaangenaam over. Kunnen we niet hier naar binnen gaan en iets gebruiken? Wellicht kunnen wij u iets aanbieden?" interrumpeerde Karnk. De Overzichter verstarde echter als door een dodelijk insekt gestoken: "Als u poogt ons om te kopen met een belofte, zullen wij direct van iedere toenadering afzien."

Zijn dramatische toon maakte dat de andere wachters onmiddellijk hun stokken hieven. In een instinctieve reactie veranderden zowel Karnk als Tipo hun lichaamshouding, wijzend op een demonstratieve getraindheid in het ongewapende gevecht. Gaosar schrok en maakte sussende geluiden en maakte bezwerende gebaren om zich heen: "Ho, ho, vrienden kom nu, rustig, wat ik u bidden mag. Sar Overzichter, vergeef ons, vergeef ons. Zoiets is zelfs nooit bij me opgekomen. Alstublieft, gelooft u mij. Mijn naam is Gaosar Ouran en dit is mijn halfbroer Tipo Tennen. Wij komen van Capai. Deze reus is Karnk Bartas, die uit Kendoland afkomstig is. Wij zijn slechts reizigers, die belangstellen in de cultuur van uw land. Alstublieft, welke verdere verklaringen zouden wij kunnen geven!?"

In een ontzet gebaar van onvermogen hief hij beide handen ten hemel, waardoor de mouwen van zijn jak tot over de ellebogen terugvielen. De geelwitte polsband vonkte ineens nadrukkelijk in het zonlicht. De schrik van de Overzichter toen hij omhoog keek naar de glinsterende polsband, tartte alle beschrijving. Hij sloeg de hand voor de mond en boog diep. De assistenten volgden onverwijld zijn voorbeeld.

"Ach, Hooggeborene," stamelde de man. "Ik heb uw vermomming niet doorzien. O, o, hoe kon ik het weten? Vergeeft u mij. Wij hebben uw geheim in verlegenheid gebracht. Vergeeft u ons alstublieft. Wij vervullen slechts onze opdracht. Edele Rishe, ik hoef in het geheel niet te weten wie u bent, ga uw gang, alstublieft..."

Snel onderbrak Gaosar de stroom van excuses met een tegenwoordigheid van geest, die hem zelf grotelijks verbaasde. Hij was niet minder geschokt door het onverwachte vrijgeleide dat de polsband bleek te bieden. Even flitste er een vraag betreffende zijn mysterieuze afkomst door zijn geest, maar daar was nu in het geheel geen tijd voor.

"Al goed, al goed," zei hij gehaast. "U gaat uw weg, wij de onze."

Zonder nog verder te aarzelen greep hij Karnk en Tipo ieder bij een arm en sleurde hun het bruine ontmoetingslokaal in. Er waren buiten weer wat voorbijgangers blijven staan, maar de Overzichters snauwden iedereen weg en verdwenen toen ijlings in hun rode busje. In een schemerige hoek zegen de vrienden geschokt en geschrokken neer op een warme, paarsgestoffeerde bank. Woordeloos keken ze elkaar aan. Het zojuist ondergane gevaar hield hen als zombies in een inerte betovering gevangen. Toen er een bediende op hen afkwam, stak Gaosar drie bevende vingers op in het blinde vertrouwen dat dat gebaar de meest populaire bestelling tevoorschijn zou brengen. Dat was ook zo. Binnen een oogwenk was de man terug met drie hoge kroezen schuimende kokoswijn, die zonder oponthoud nog in zijn aanwezigheid geledigd werden, zodat de ober direct teruggestuurd kon worden voor een nieuwe ronde. Net voordat ze alledrie volslagen dronken werden van de vijfde bestelling kokoswijn, regelde Gaosar logies met de ober. Toen ze laveloos raakten, droegen twee gespierde kelners hen één voor één naar een in de tuin gelegen gastenverblijf. Een goed gesternte had hen kennelijk naar een betrouwbaar etablissement gestuurd, want toen ze halverwege de middag ontwaakten uit hun roes, bleek ook al hun bagage keurig mee afgeleverd in de kamer. Hun kater werd van die opluchting niet noemenswaardig minder, maar de portier van het gastenverblijf liet op hun verzoek drie halve kroezen wijn langsbrengen met wat koningsbastpoeder en dat hielp redelijk tegen de hoofdpijn. Dit slempen was geen van de vrienden gewend, maar allengs kwamen ze wat bij hun positieven. Helaas kwam het peil van hun conversatie niet tot het gebruikelijke hoge niveau.

"Gaosar, jij galverstopte ballenbak," riep Karnk vanuit het latrinehuisje achter in de tuin. "Wat gaan we nou doen? Ik wil bij voorkeur niet opnieuw op mijn muil gaan met allerlei dingen waar ik niks van af weet. Voordat ik het in de gaten heb, staan er weer een zooitje van die gore, rooie aftuigers mijn hersens in elkaar te rammen."

"Dat zou ons heel wat stompzinnige, gevaarlijke geintjes van jou besparen," katte Gaosar terug.

"We zijn hier vreemdelingen in een vreemd land, we moeten ons eerst maar eens zorgvuldig oriënteren op de gewoonten en de zeden in deze stad," suggereerde Tipo vanaf zijn brits, het kloppende hoofd tussen zijn handen, zijn zwarte krulhaar geheel in de war. Toen Karnk terugkwam, herhaalde hij zijn idee. Karnk bleef mopperen over gevaarlijk getover en de polsband. Gaosar kreeg er genoeg van: "Ik weet weinig meer over die polsband dan jij. De Rishe dragen ze en sommige rijke Shir ook. Ze helpen fantastisch als je ziek bent of verwondingen hebt. Dat hebben we zelf bij jou kunnen vaststellen. Ik geloof niet dat het onwettig is dat ik hem draag. Verder heb ik iets geleerd van Oerbash, iets dat jullie ook kunnen leren in één dag. Dat kan je nauwelijks toveren noemen. Die Asimok Isav heeft die twee bij elkaar opgeteld en er de verkeerde conclusie uitgetrokken."

"Een zak, die Isav," zei Karnk. "Maar wat gaat-ie over ons melden aan zijn superieuren? En waarom zou een Shirtovenaar zich willen vermommen?"

Tipo was even naar het toilet gegaan en stak zijn hoofd om de deurpost. "Dat nutteloze piekeren en dat slome gepraat van jullie leidt tot niets. Ik zie dat er hier Baks in de keuken werken. Ik ga daar eens mijn licht opsteken. En als jullie dat nu ook eens deden? Ga de stad in en laten we elkaar hier op het Vlinder-uur8 ontmoeten. Tot straks."

En weg was hij. De twee overgebleven twee slikten verstandig hun resterende gedachten in en gingen zich aan de uitwerking van Tipo's realistische opdracht wijden. Er was tijd genoeg voor een flink onderzoek.


Herberg De Vreemdeling had haar innerlijke gebeuren doelmatig afgeschermd met dubbele toegangsdeuren. Ze hielden veel van het lawaai en de stank van de stad tegen en Gaosar moest weer helemaal opnieuw wennen aan de atmosfeer toen hij naar buiten ging. Een subtiel rozenveld om hem heen nam gelukkig de grootste druk weg. De omgeving indrinkend liep hij zonder specifiek doel het stadsgebeuren in. Eén van de herbergbedienden, een oudere dikbesnorde man met wollige wangkrullen, die naar de naam Spinotz luisterde, was hem welwillend van dienst geweest met een plattegrond. Evenmin als Gaosar kon Spinotz lezen of schrijven, maar zijn tekentalent en voorstellende visie was heel goed. Gaosar had van het eindproduct een kopie gemaakt en die aan Karnk meegegeven. Tipo was nergens meer te zien, maar hij zou vast wel goed voor een eigen oriëntatiesysteem gezorgd hebben.

Gaosar had eerder individuele Bindi ontmoet, maar in deze stad merkte hij ineens de schrijnende afstand op tussen de Bindi als sociale groep en de Shir. De Bindi leken veel op zijn eigen volk, de Baks, maar ze waren over het algemeen tengerder gebouwd. Hun huid was ook veel lichter bruin. Gaosar viel door zijn gemengde bloed qua huidskleur nauwelijks op tussen de Bindi, hoewel zijn kledij en in mindere mate zijn zwaardere bouw hem als een buiteneilander kenbaar maakte. Met een bijna onbehagelijke betrokkenheid zag Gaosar hoe al het zware, vuile werk door Bindi werd gedaan. Ze verzamelden het afval, veegden de trottoirs en haalden de goten leeg. Ze sprenkelden water over de stoffige terrassen en hanteerden brede parasols of exotische waaiers boven de hoofden van de rijken en hoge functionarissen, die merendeels Shir leken te zijn. Hun neergeslagen ogen en ietwat deemoedige houding zouden op een ingeboren dienstbaarheid kunnen duiden, maar hun wijze van kleden sprak een geheel andere taal. Het waren namelijk de Bindi die kleur gaven aan het stadsdecor. Hun vermiljoenen of purperen hoofddoeken droegen in oranje of blauw ontelbare geschilderde of ingeweven decoraties, bijzondere steentjes of flitsende spiegeltjes van de zeer dunne schilfertjes lavaglas. Mannen en vrouwen droegen vaak sjerpen om hun middel, die indien hun status dat toeliet met gouden of zilveren sieraden verrijkt waren. De jongere Bindi hadden meestal veelkleurige geweven petjes op hun hoofd of een krijgshaftige haarband. Sommigen waren opvallend veel eenvoudiger gekleed, maar zij onderscheidden


zich dan weer door het dragen van waardevolle banden van brons of edelmetaal rond pols, bovenarm of enkels.

Gaosar stond in een winkel een aantal schitterende regenjakken met binnen en buiten opgenaaide zakken te bewonderen. Hij vroeg de Shirwinkelier naar de metalen banden.

"Die? Die lepelmakers? O, die kopen zich zelf vrij van hun verantwoordelijkheid voor hun familie. Ze werken heel hard om genoeg te hebben voor een onbezorgde oude dag ergens op het Oostelijke continent. Ze beweren dat daar hun voorouders vandaan kwamen."

"Waarom noemen ze zich lepelmakers, Sar?" vroeg Gaosar met ineens het beeld van de blijmoedige kleine Bindipiloot in zijn hoofd. Die had zichzelf immers ook aangeduid met die term? De man begon schamper te lachen.

"Ik weet niet precies zeker hoe zij zichzelf noemen, maar wij noemen hen lepelmakers. Volgens de verhalen hoor je namelijk dat ze van al dat metaal alleen maar lepels maken in de Oostlanden. Dat gelooft toch geen mens? Waarschijnlijk maken ze er messen en zwaarden van om hun bloedverwanten daar thuis eens goed te leren wie er de baas is. Nou, hier zijn ze in ieder geval niet de baas!"

Uit zijn zelfvoldaanheid bleek helder wie hij op Bayin de baas achtte.

"Misschien hebben ze meer een strijd tegen de Shir in hun achterhoofd," opperde Gaosar terloops. Hij had de tengere mensen lang geobserveerd en zo nu en dan felle blikken waargenomen, steelse handgebaren, vlugge woorden. Het gaf hem het gevoel gekregen dat er een bepaalde verstolen verstandhouding bestond, in elk geval tussen de Bindi uit de lagere klassen, die hij op straat aan het werk zag. Het was niet iets dat broeide, meer een gemeenschappelijk geheim. Alsof ze met een grote innerlijke zekerheid wachtten op iets, op een verandering, op een rechtvaardiging van hun collectieve vernedering door de Shir? De winkelier keek plotseling onprettig verrast op.

"Denkt u dat? Denkt u dat echt?," vroeg hij onzeker. "Die gedachte is nooit eerder bij me opgekomen."

Naar buiten kijkend bevingerde hij schichtig de rollen stof en de kledingstukken in zijn uitstalling. Het was net alsof hij dat nodig had om in zijn vertrouwde superieure werkelijkheid te kunnen blijven geloven. Gaosar volgde zijn blik. De man keek naar een groepje Bindi lastdragers, dat bij elkaar stond uit te rusten van een zwaar transport van lange groentekisten. Hoe langer hij keek, des te meer was Gaosar overtuigd van de juistheid van zijn intuïtieve opmerking. Er hing weliswaar een sfeer van actieve aanvaarding van hun plaats onderaan de sociale ladder van de eilandenstructuur, maar hun dienstbaarheid had alleen voor de oppervlakkige toeschouwer iets nederigs.

"En u? U komt uit Heirgoland?" vroeg de winkelier na een pauze, zijn onzekerheid afdoend met een rillerig gebaar: een hond die regendruppels van zich afschudt.

"Nee. Ik kom ook uit het Oosten. Om precies te zijn: van Capai," zei Gaosar met een ongewilde scherpte in zijn stem. De Shir onderging even een zeer korte aanval van verlegenheid met de situatie.

"Uit het oosten, hm, ja. Dat zou ik nooit hebben kunnen denken," zei hij. "Uw gezicht... Mm, nu ja." Rap ging hij over naar zijn handel: "U heeft daar mijn mooiste waar in uw handen. Licht en handig, bestreken met was en waterdicht. Ze zijn ruim genoeg om er een bontvest onder aan te hebben in koudere tijden. U kunt uw wapens binnenin of er buiten dragen. Alstublieft, past u het."

Gaosar was het gevoelsmatig en technisch volkomen met de verkoper eens, maar besteedde lange tijd aan de onderhandeling over de prijs. De gunstige inruil van zijn oude jak en de hoge koers, die de winkelier wou geven voor één van de zilveren kettinkjes deden hem bijna besluiten, hoewel de jas nog steeds buitengewoon prijzig bleef.

"U ziet er werkelijk uit als een edelman uit Kantmorie," poogde de verkoper hem te vleien en vreemd genoeg kwam daarmee het juiste argument op tafel voor Gaosar. Op de een of andere manier kon hij zo een gedaanteverandering mogelijk maken, die hem zou afsluiten van zijn verleden en van mogelijke achtervolgers uit dat verleden. Hij herinnerde zich een flits uit een droom de afgelopen nacht: een woedende Onsten, die hem een bol van vuur naar het hoofd wilde gooien. Het was een allerakeligste nachtmerrie geweest, waarin hem steeds de tijd ontbrak om goed te kunnen overdenken, wat wijs was en wat niet. `Misschien moet ik daar vandaag of morgen toch eens beter de tijd voor nemen,' dacht hij.

Met zijn nieuwe beige jas aan als een vorstenmantel wandelde Gaosar verder over de markt. Een langharige Bindi sjerpenverkoper noodde hem met wijde gebaren uit om ook zijn producten te keuren: "Het beste, Sar, het beste van de drie werelden, Sar. Komt u toch binnen."

De man had een doorgroefd, leeftijdsloos gezicht, waaruit veel doorstane pijn sprak, maar ook een warme hartelijkheid. Gaosar aarzelde. De verkoper legde zonder aandrang een hand op zijn arm.

"Mijn winkel is befaamd in heel Utrag," zei hij. "Ente Gus is mijn naam. Vraagt u rustig naar het mooiste van het mooiste en men zal u mijn naam noemen. Het is geen toeval, dat u juist deze weg koos, Sar. Alstublieft. Gun mij de eer van uw bezoek."

Impulsief ging Gaosar het lage winkeltje binnen. Zonder een bepaald doel keek hij enige tijd rond. Gus had niet overdreven. Er hingen werkelijk de meest exotische sjerpen, hals- en hoofddoeken, neusdoeken en kettingen. Een paarse hoofddoek uit een mand onder een tafel oefende een mysterieuze aantrekkingskracht op hem uit. Er waren onbekende patronen ingeweven, die hem rillingen over zijn rug bezorgden. De Bindi keek hem vreemd aan.

"U komt toch uit Kantmorie, Sar? Dat zijn doeken uit Isshai. Men zou u er thuis wellicht om bespotten."

"Ik kom uit Capai," corrigeerde Gaosar. "Isshai? Die naam zegt mij niets."

"O, u bent een Bak? Een Halfbak dan?"

De verkoper leek hem met nieuwe ogen te bekijken, bepaald iets opgelucht.

"Ze komen uit het Oorsprongland, Sar, uit Bessisshai. Gewijd door de Oeroude Moeders, dat wordt er van gezegd."

Gaosar herkende de streeknaam. Op Capai werd het land tussen Issopar en Kendoland 'Essio Ahas' genoemd. Oeroude Moeders? `Raar,' dacht hij. `En waarom zegt deze man dat tegen mij? Tegen een Shir zou hij dit zeker niet vertellen. De Shir staan bepaald niet zo neutraal tegenover de vrouwenheerschappij in het Oorsprongland. Wat zijn hier toch rare dingen aan de hand. Waarom heeft er iemand met deze doeken zo'n onvoorstelbaar lange reis gemaakt? Als het tenminste echt waar is, wat deze kerel vertelt...'

"Kent u de tekens op de doek, Sar Gus?" vroeg hij nieuwsgierig. De sjerpverkoper keek om zich heen.

"Ik kan u naar een tekenduider brengen," zei hij op een wat samenzweerderige toon. Onverwacht was Gaosar het mysterieuze gedoe zat. De onduidelijke sfeer bracht hem helemaal af van zijn oorspronkelijke doel.

"Is de hoofddoek te koop?" vroeg hij op de man af.

"Vijf Bolts," was het verrassende antwoord, omdat Gaosar één of twee Bolts al veel had gevonden. Afdingen op deze vreemde doek kwam hem zonder helder argument, alleen gevoelsmatig als ongepast voor, terwijl hij toch het gevraagde bedrag exorbitant hoog vond. Hij zette ineens het hele verlangen met een teleurgesteld gebaar van zich af, groette en beende er met grote passen vandoor. Even keek de sjerpverkoper afgebluft, maar toen holde hij achter zijn klandizie aan.

"Sar, Sar, noem uw prijs, noem uw prijs," bedelde hij, maar Gaosar wist zich geen raad met zijn eigen gevoel en stapte in een versneld tempo verder. De Bindi had de paarse hoofddoek over zijn linkerarm hangen terwijl hij naast Gaosar, zeurend en overredend, meeliep. Bij een stalletje met versnaperingen stopte de Halfbak-man. De twee keken elkaar.

"Nou, wat betekenen die tekens?" vroeg Gaosar met een hemzelf als onwennig voorkomend bozig gevoel. De sjerpverkoper schoof de confrontatie niet meer voor zich uit. Hij wees: "De maan wast. De Oude Moeders stoken een groot vuur. Het water neemt de schuld weg en de belofte wordt vervuld."

De rillingen liepen weer over Gaosar’s rug en het haar op zijn armen en handen was overeind gaan staan. Inderdaad, dat was wat hem was opgevallen. De Bindi wachtten op het vervullen van een belofte. Hij vroeg zich af wat voor belofte dat zou zijn.

"Ik vraag u drie Bolts, Sar," zei Gus met een ernstig gezicht. "Dat is mijn uiterste prijs. Ik weet dat de doek voor u bestemd is. Neemt u hem alstublieft."

Gaosar knikte. Die waarheid kon niet ontkend worden. Hij telde de drie grote schijven dompellood af op zijn gordel en betaalde zonder verder iets te zeggen. De sjerpverkoper maakte een gracieuze buiging en liep terug naar zijn krotterige winkeltje. Achter het snoepkraampje stond een heel oude, witharige Bindi-overgrootvader. Zijn tandeloze mond grijnsde breed.

"Goed zo, goed zo. Het mooiste gekocht bij Ente Gus. Hihihi. Een goede zoon eert zijn moeder," mummelde hij. Gaosar moest zijns ondanks om zichzelf lachen en om zijn vreemde emotionele gedrag.

"Precies, oom," antwoordde hij. "Maar oneer over de prijs brengt oneer over de moeder."

De oude man schoof hem giechelend een snoepje toe: "De moeder was al in je hart, neef. Nu moet je haar voortaan ook nog rond je hoofd dragen! Hihihi. Hihihi."

Gaosar wist niet waarom hij mee lachte, maar het gaf hem een groot gevoel van bevrijding. Hij schoof een setparsi over de toonbank en de oude man stopte het schijfje lood weg, goedkeurend knikkend en dankbaar mompelend over de enorme fooi9.

`Ik maak er een duur dagje van,' dacht Gaosar maar op de een of andere manier had hij het gevoel dat het een feestdag was, er was iets te vieren. Het had iets met Nur-ell-Guin te maken, alleen hij wist niet wat.


Karnk had zich door honger en dorst laten leiden en diverse straatkramen afgewerkt. Na een wateruur proeven was hij specialist geworden op een uitgelezen kaart van lekkernijen. Sommige gerechten waren onduidelijk van structuur en herkomst en andere waren voor de gevoelige ziel wellicht iets te herkenbaar, zoals bijvoorbeeld de gekookte apehandjes. Een exquise zaligheid bleek op Karnk’s navraag een gemarineerd en op houtskool geroosterd hondegeslachtsdeel te zijn. 's Lands wijs, 's lands eer, dacht Karnk nauwelijks in de war en vlug bestelde hij er nog twee. Hij kreeg echter haast het zuur, toen hij wilde afrekenen en te horen kreeg wat de consequenties van zijn beluste gulzigheid waren. De schokkende prijs werd glimlachend door de verkoper verdedigd met het ijzeren argument, dat men terwille van deze kleine delicatesse immers een hele hond moest aansnijden. Omdat een kleine menigte van belangstellenden de conversatie vol leedvermaak volgde, betaalde Karnk met het uitgestreken gezicht van de bereisde, niet meer te prikkelen toerist. Overal trok zijn lange gestalte de aandacht. Zonder noemenswaardige concurrentie stak hij gemiddeld meer dan anderhalf hoofd boven het straatbeeld uit. Men gaapte hem nog net niet onbeleefd aan, maar
vooral kinderen schreeuwden hun verwondering uit naar nog binnenshuis vertoevende broertjes en zusjes, die dan razendsnel kwamen aangerend om deze curiositeit te aanschouwen. Eenmaal irriteerde een starend groepje boeren hem zo, dat hij stadsgids begon te spelen: "Ja, daar aan de overkant ziet u een bakkerij en hiernaast een waterplaats en kijkt u vooral niet naar mij. Precies, en als u links kijkt, ziet u rechts niets."

Het hielp niets, integendeel. Twee oude Bindi-vrouwtjes begonnen zo kakelend hysterisch te lachen, dat hun vreugde nog meer lieden aantrok, die in zo goed als onverstaanbare dialecten hun kijk-ervaringen aan elkaar gingen beschrijven. Karnk liep weer vlug verder. Rond het Panter-uur was hij aangeland op een monumentaal plein, waar een enorme, eeuwenoude toren domineerde. De bovenste verdieping was van een meer recente bouwstijl. Er zat een grote

donkere poort in, die permanent open bleef staan. Na een tijdje zag Karnk waarom. Incidenteel vlogen er mensen in en uit, die om hun middel een vlieggordel droegen. Karnk had zulke toestellen eenmaal eerder gezien op Bonewits maar alleen uit de verte.

De meeste vliegers droegen een grijsblauwe tuniek, het uniform van de werkers in het Huis van Onderzoek, werd hem uitgelegd. Soms zag hij een paarsrode tuniek van een functionaris uit het Huis van Oorlog. Groen bleek te duiden op het Huis van Onderhoud. Mannen en vrouwen, bijna zonder uitzondering Shir, droegen allen dezelfde ruime tuniekbroeken, die met al dan niet modieuze gespen aan de onderkant werden dichtgehouden. Karnk fantaseerde op zijn gemak over het uitzicht dat de wijdgerokte vrouwen uit zijn geboorteland zouden bieden in dezelfde situatie.

Onder de Shir-vrouwen zag hij heel verschillende, maar niet zelden indrukwekkende typen, zowel qua breedte en zwaarte als qua schoonheid. Met name werd zijn liefhebbersoog gevangen door een frêle jonge vrouw met roodachtig krullerig haar, wier fijnbesneden gezicht een bijzondere gevoeligheid deed vermoeden. Ze ging de toren niet binnen via de aanvliegopening onder het dak, maar ze daalde voor het gebouw af en tikte op de begane grond tegen een raam. Direct daarop ging er in de één van de kolossale hoofdpoortdeuren een laag onderdeurtje open en trad er een slanke bebaarde man naar buiten. Ook hij droeg een 'manakonda'-gordel over zijn grijsblauwe tuniek. Hij had bovendien een schitterende, luxueuze zilverblauwe cape omgeslagen. Hij keek als terloops om zich heen en boog zich naar haar toe om iets te zeggen. Tenminste, ineens viel Karnk, die het tweetal onder een rechte hoek naderde, op dat hij in die beweging ook even haar hand aanraakte. Het was het eerste gebaar van lichamelijke toenadering tussen de geslachten, dat Karnk zag, sinds zijn aankomst in Utrag. Deze opzettelijke intimiteit verbaasde hem, omdat verder in het stadse straatbeeld die voor iemand van het kontinent zo normale lijfelijkheid geheel ontbrak. Het paar moest zijn aandacht gevoeld hebben, want alsof ze betrapt waren, keken ze met gefronste wenkbrauwen opzij. Kennelijk stelden ze zijn toeristische nieuwsgierigheid in het geheel niet op prijs, want direct stegen ze op, snel in noordelijke richting verdwijnend.

Aan het eind van de middag stond Karnk diverse alternatieven voor de proefondervindelijk te radicaal gebleken kokoswijn te keuren in het lokaal van een drankverkoper. In een ooghoek zag hij ineens een zilverblauwe flits bewegen, maar toen hij omkeek, was er niemand meer te zien. Was het de man uit het Huis van Onderzoek geweest?

Hun verder steriele, anti-seksuele opstelling had de lichaamsbewustheid van de Utragse burgers in een overigens voortreffelijk alternatief geprest. In elk stratenblok was wel een voet- en handmasseur, van welke service druk gebruik gemaakt werd. Vanzelfsprekend waren er gescheiden lokaliteiten voor mannen en vrouwen. Na al dat geslenter was Karnk meer dan toe aan zoiets. Toen hij bovendien merkte, dat er aan de behandeling een voetenwasbeurt met heet water vooraf ging, kende zijn vreugde werkelijk geen grenzen meer. Luid prees hij de geneugten van de stad ten opzichte van het achterlijke platteland. Zijn kolossale gestalte paste ternauwernood in de beschikbare massagestoel, maar door het uitnemen van een leuning werd de noodzakelijke ruimte gecreëerd. Zijn vleiende uitbarsting had voor de zoveelste maal nogal wat publiek getrokken en al gauw was de massagesalon gevuld met lieden, die om een praatje verlegen zaten. Terwijl Karnk’s voeten konden weken in een trekkend sopje, woog men, geïnspireerd door de buiteneilandse commentator, de leefwijzen op het land en in de stad tegen elkaar af. Een opmerking van Karnk over de armoede op de kleinere eilanden, waarover hij had horen spreken, bracht plots een geëmotioneerde discussie op gang. Met name een magere, driftige, maar chique geklede Bindi-handelaar liet van zich horen.

"Naar wat voor klaagpraat moet ik hier luisteren?" riep hij theatraal. "Waar weinig is, wordt ook weinig belasting betaald! Men leeft in een hut, er is water, banaan en klappernoten. Wat een rust, wat een weelde. Bovendien is daar meestentijds geen belastinggaarder te zien. Hier liggen wij burgers krom voor de oorlogsinspanningen waar men daar niet eens van af weet! Mijn winsten gaan voor tweederde deel naar het Huis van Oorlog. Na het sluiten van mijn winkel werk ik tot laat aan de verantwoording van mijn cijfers. Nauwelijks hou ik het hoofd boven water. Kon ik ruilen, ik zou het doen!"

Achter in de salon werd spottend gereageerd: "Naar wat voor klaagzang moeten wij hier luisteren? Sar Foert doet zich veel ongelukkiger voor dan hij rechtens waar kan maken. Hij laat zijn drie winkels door een Niss beheren, terwijl hij hier zijn voeten laat strelen. Welzeker moet hij veel nadenken, hoe hij alle opgestapelde beloften kan innen tegen het voordeligste tarief. En wie telt wat hij aan dompellood ontvangt? De gaarders tellen ná hem vast en zeker heel wat lagere bedragen!"

Foert was rechtop in zijn voetenbad gaan staan en schreeuwde naar zijn tegenstrever: "Blaas jij je mooie glas maar voor de Doodvorsers, Kabba! Moge je eigen organen ook ooit in hun kolven en bakken terecht komen. Moge je geraas spoedig in hun laboratoria weerklinken in plaats van hier! Je insinuaties zijn schandelijk en verwarren onze gast hogelijk."

Karnk suste het gekrakeel met Het Al-omvattende gebaren. "Ik begrijp in elk geval dat u toch allen gelijkelijk onder de oorlog lijdt," zei hij verzoenend.

"Onze zorg is vooral dat de strijd niet nog verder oplaait, Eerwaardige reiziger," zei een al wat oudere man in de stoel naast hem. Het was een Shir, maar iemand, die zeer eenvoudig gekleed ging. Zijn vriendelijke gezicht werd omlijst door lange grijze wangkrullen. Op zijn verder kaalgeschoren schedel prijkte een lange kruinstaart. "Wat klein begonnen is, dreigt te ontaarden nu de massa zich gaat roeren. De Pirti zijn gestraft voor het vissen in onze wateren. Daar had het bij moeten blijven. En onze koperdelvers moeten van de grafplaatsen van de Pirti afblijven natuurlijk."

Sar Foert belichtte een andere kant van de zaak: "De Doodvorsers hadden lichamen nodig voor hun verfoeilijke experimenten, Dàt was de achtergrond! Laat u toch niet misleiden door die visserijpraatjes en dat kopergedoe, Sar Ishsti. Zou juist u niet beter weten? De Vorsers willen alle rassen onderzoeken, maar de Pirti zijn gewoon te behendig om zich te laten vangen. Daarom moest er een oorlogsekscuus worden gevonden!"

"Foert fulmineert tegen de Doodvorsers alsof hij niet van hun medicijnen tegen zijn jicht afhankelijk is," liet achterin Kabba weer van zich horen, een corpulente breedkinnige Bindi met het zware eelt op zijn handen van de professionele glasblazer. De oudere Shir onderbrak Foerts woede-aanval tegen Kabba en riep boven het tumult uit: "Uw argument snijdt hout, Sar Foert, natuurlijk! Maar het is toch ook waar, dat u daar over geen nacht wakker zoudt liggen, als de belastingdruk niet zo verhoogd was geworden?"

"Mag ik? Màg ik?" mopperde Foert. "Ik werk hard en ik verlang naar een onbezorgde toekomst. Wie niet?"

"Lekker op een arm eilandje in de zon liggen tegen de blote kont van een mooi wijf," dacht Karnk op dat moment leuk bij te kunnen dragen aan de conversatie, maar dàt was nu juist net niet de goede toon. Er viel een ijzige stilte. Twee toehoorders bij de deur draaiden zich abrupt om en verdwenen. Iemand achterin zei in verwarring: "Wat zei die lange?", waarna een gefluisterde toelichting voor een nog grotere verwarring zorgde. Stommelend stapten ook de vragensteller en de fluisteraar met rode koppen de straat op.

"Sares, vergeef mij," verontschuldigde Karnk zich haastig tegen de verstoorde gezichten om hem heen, benauwd bij het denkbeeld van een salon vol lynchbeluste stadsbewoners. "U begrijpt, ik kom uit een ander land, onze gewoontes zijn zo anders. Ik wilde beslist geen aanstoot geven, maar zo gaat dat nu eenmaal toe in Kendoland."

De aanwezigen ontspanden iets na deze toelichting. De glasblazer nam het woord: "Ik heb dat soort praat inderdaad nog nooit eerder gehoord, Eerwaardige."

"Alstublieft, noemt u me bij mijn naam, Sar Kabba. Ik heet Karnk Bartas."

"Respect, Sar Bartas," vervolgde Kabba. "Ik begrijp u wel, maar kunt u ònze geschoktheid voorstellen? U bedoelt werkelijk dat mannen en vrouwen in het openbaar ....? Ik bedoel, men zou samen ongekleed, eh... Bedoelt u echt dat..?"

"Ik aarzel te antwoorden, Sares," zei Karnk om zich heen kijkend. Er waren heel verschillende emoties af te lezen op de gezichten van de elf mannen in de salon. Toch leek een gefrustreerde nieuwsgierigheid te overheersen. "Ik ben te gast in uw stad en ik zou hier gaarne vreedzaam wat handel bedrijven om mijn verdere reizen te bekostigen. Ik heb geen enkele behoefte aan conflicten, dat begrijpt u, hoop ik."

Sar Ishsti stond op in zijn voetenbad en zei rustig: "Ik ben bereid tot een belofte van Ongestoordheid. Wie daartoe niet bereid is, moet maar verdwijnen. Ik ken niemand die zo ver oostelijk gereisd heeft en ik hoor graag van zaken, die mijn kijkveld kunnen verruimen."

Alsnog stonden er twee mannen op, een viezige Bindi, die binnensmonds verwensingen mompelde en de enige andere Shir in de zaak. Deze man had een scherpe haakneus en een zware baardgroei.

"Je praats komt je reputatie niet ten goede, Ishsti," snierde hij in het voorbijgaan. Hij keek Karnk niet eens aan. Toen de Shir naar buiten ging, trad er echter direct een nieuwe klant binnen. Verrast herkende Karnk de Shirman. Het was de breedbaardige man in de zilverblauwe cape. De andere aanwezigen groetten hem met voorzichtige beleefdheid. De eigenaar van de salon wreef netjes met de doek de zitting van de vrijgekomen stoel, schuin tegenover Karnk.

"Welkom, Hooggeboren Rishe," zei hij met een licht trillende stem. Hij was duidelijk in verlegenheid gebracht door de hoge status van zijn nieuwe bezoeker. Ishsti nam de rol van gastheer attent over. Kennelijk kende hij de Rish.

"Hoogheldere Tirt, wij namen zojuist deel aan een informatief gesprek over enkele boeiende gewoontes in Kendoland. Er is een reiziger in ons gezelschap zo u ziet: Sar Karnk Bartas."

De nieuw-aangekomene boog kort en ging zitten. De eenvoudige inrichting van de massagesalon paste waarschijnlijk nauwelijks bij zijn gezag en welstand, maar hij zelf scheen daar geen enkele hinder van te hebben.

"Ik ben Rish Tirt uit het Huis van Onderzoek en ik luister gaarne mee," zei hij eenvoudig. Karnk boog attent terug.

"Ik heb hem een belofte van Ongestoordheid gegeven, Rish Tirt," verduidelijkte Ishsti op formele toon. "De aard van eerdere voorvallen hier gaven daar aanleiding toe. Ik vrees dat daarzonder Sar Bartas te beschroomd is om vrijuit te spreken."

Karnk knikte vlijtig ter benadrukking van dit feit.

"Goed, goed," antwoordde Tirt ietwat vinnig. "Als een Tekenduider al zo'n belofte kan geven, dan kan ik dat zeker. Bij deze, Sar Bartas." Hij woof met zijn hand. "En de anderen?"

Er waren buiten Karnk en het personeel nog zes mannen in de salon overgebleven. Allen knikten. De eigenaar, die Tirt van een warm bad had voorzien en nu Ishsti's voeten onderhanden nam, zei namens alle personeel in te stemmen, hoewel diverse massage-assistenten zeer onrustig opkeken van hun werk. Hun positie gaf hun echter niet de vrijheid om hun werkterrein te verlaten. Karnk keek de kring rond: "Wat zou u precies willen weten?"

Het bleef even stil. Met nieuwe interesse beschouwde Karnk zijn buurman. De Rish had hem een Tekenduider genoemd. Met groot genoegen vertrouwde hij ondertussen zijn geweekte voeten toe aan de kundige handen van een massage-assistent. Ishsti leek Karnk’s aandacht als een aansporing op te vatten. Hij schraapte zijn keel en leidde toen zijn eerste vraag nogal omstandig in, wellicht bang om bij de omstanders de suggestie te wekken, dat een eventueel persoonlijke perverse geïnteresseerdheid hem motiveerde.

"Wij kennen verhalen over het Oostland, over ongeremde zwarte Bakvrouwen, die veelvuldig moeder zijn. Het wordt bij ons als een waarschuwing verteld, dat vrouwen eh..., dat vrouwen rond de eh..., laat ons zeggen de voortplanting, dat zij dat allemaal zelf bepalen. U weet daarvan?"

Karnk kende er zelfs de zeer specifieke details van, maar beperkte zich tot een voorzichtig antwoord, dat bovendien nog voor meerdere interpretaties toegankelijk was: "U bent juist voorgelicht. De vrouwen in Igdi en Ogdi, alsmede die in Kendoland bepalen wie hun gezel zal zijn en zij beperken zich nooit in hun lichamelijke voorkeuren. U weet, neem ik aan, dat ook op de meeste andere terreinen beslissingen door de Oude Moeders worden genomen."

Vol ongeloof hieven sommige toehoorders de handen omhoog. Slechts één van de mannen droeg een gele Verbintenissjaal, een specifiek Bindi-attribuut dat aangaf dat hij met toestemming van het Mengkantoor10 een huisgezin onderhield. Misschien was hij wel de enige buiten Karnk in het gezelschap die iets van seksualiteit afwist. Anderen zouden hooguit eens uitgenodigd kunnen zijn om hun zaad ter beschikking te stellen voor door het Mengkantoor zorgvuldig berekende inseminaties van vrouwen `in hun tijd', Shir en Bindi nadrukkelijk gescheiden. Op z'n best hadden bepaalde mannen daarmee het recht verkregen tot zogenaamde 'oom'-functies bij de opvoeding van kinderen in de familiehuizen. Waarschijnlijk woonde het merendeel van de mannen hun hele leven alleen, als ze zich dat economisch konden permitteren of in één van de grote mannenhuizen. Zo ging het althans op het platteland en bij de Bindi, wist Karnk. Misschien ging het in de steden van de archipel wel anders. Hij was er zeer benieuwd naar. Voor hem was dit gesprek even informatief als zijn bijdrage voor zijn publiek. Foert had met open mond geluisterd.

"Meent u dat er mannen gedwongen worden tot eh..., tot eh... dàt?" vroeg hij stomverbaasd. "Het zou kunnen," antwoordde Karnk met enig plezier in zijn scherpe formuleringen. "Hoewel ik niet geloof dat er ooit echte dwang aan te pas komt." En naar waarheid voegde hij er aan toe: "Het wordt doorgaans als een eer en een genoegen opgevat."

Gemompel vulde de salon. Alle masseurs hadden hun activiteit gestaakt en zaten recht overeind op hun lage krukjes.

"Hoe bestáát het?" zuchtte Kabba.
"Een genoegen nog wel..." zuchtte Tirt aangeslagen. "En de man buigt voor de vrouw? Hij is háár terwille op háár wens?!"

Karnk kon het niet nalaten om er nog een klein schepje bovenop te doen: "Ik zal het u nog sterker vertellen! In sommige streken wordt van de mannen een langdurig voorspel met de mond verwacht!"

Deze mededeling sloeg in als een ijzerkruitbom. Kabba was ontzet opgestaan en ging perplex weer zitten, maar nu in zijn voetenbad. Foert vloog brakend met een hand voor zijn mond naar de deur en verdween. Een andere klant, die uit geremdheid niet eens aan het gesprek had kunnen deelnemen, viel flauw en zeeg in de armen van de massage-assistent aan zijn voeten, die er niet veel beter aan toe was. Zweetdruppels parelden op Tirts voorhoofd en de Bindi met de gele sjaal zat diep ademend met zijn op hol gebrachte fantasie te worstelen. Alleen Sar Ishsti zat met een grote zelfbeheersing te knikken alsof hij daar al langer vermoedens over gekoesterd had. De hoofdmasseur stond met een groen gezicht en knikkende knieën op, eigenlijk nauwelijks tot spreken in staat.

"Eerwaardige, ik smeek u, verlaat mijn bedrijf," sprak hij bijna huilend. "Ik heb u ongestoordheid beloofd, maar dit is meer dan ik verdragen kan. Het zal mijn reputatie ongehoorde schade doen als men hierover praten gaat. Alstublieft, alstublieft!"

Ishsti zei heel rustig maar met een onmiskenbare dreiging tegen alle aanwezigen: "Onze belofte houdt tegelijkertijd een discretie in ten opzichte van onze gast en onze gastheer. Wie zich daar niet aan houdt, kan op mijn belofte van Vergelding rekenen. U weet dat ik daartoe de vaardigheid bezit. Ik zal mij nog afzonderlijk hierover verstaan met Foert. Sar Bartas, ik meen dat wij ons gesprek zouden moeten voortzetten bij mij thuis. Schikt u dat morgenavond?"

Impulsief knikte Karnk en het verbaasde hem eigenlijk niet dat Tirt verzocht om daarbij te mogen zijn. Er hing echter een vreemde animositeit om diens vraag heen.

"Zo, zo," reageerde Ishsti meesmuilend. "Een lid van de Rishe Raad, die het huis van een Tekenduider wil betreden? U hecht weinig waarde aan uw status, Rish Tirt..."

"Dat ziet u correct!" antwoordde Tirt. "Wie de waarheid zoekt, kan ontgoocheld en bedrogen worden, slachtoffer van onbegrip en onverschilligheid. Maar hoogmoed verdraagt zich niet met het ware zoeken, zo is u en mij geleerd. Ben ik welkom of niet?"

Even aarzelde hij, tot hem een ander idee inviel: "Beter nog, ik zal Sar Bartas te mijnent uitnodigen en u moogt hem vergezellen. Dat is waarschijnlijk comfortabeler voor ons allen en creëert geen nare vragen over uw noch over mijn positie."

De beide mannen stemden in met het voorstel. Ishsti zei Tirts huis te kunnen vinden, maar ten behoeve van Karnk tekende Tirt een plattegrondje. Ondertussen beduidde hij de masseur om zijn voeten af te drogen en zijn laarzen aan te doen. Toen hij opstond, ging ook Karnk staan om het kaartje aan te pakken. Plots week Tirt geschokt terug na een blik op de blote voeten van de reus. Hij beheerste zich niettemin ogenblikkelijk, overhandigde alsnog het papier en snelde direct daarop met een korte groet naar buiten. Ook Sar Ishsti keek nadenkend naar Karnk’s voeten. Lette de man op de enorme littekens, die de beten van de honden hadden nagelaten? Karnk ging zich bepaald onbehagelijk voelen onder die blik.

"Is er iets niet in orde?" vroeg hij onzeker, beducht op nieuwe braakaanvallen om hem heen. Ishti haastte zich om hem van het tegendeel te overtuigen: "Het is alleen dat eh..., uw afkomst eh... verbaast ons."

Karnk kon van pure frustratie geen woord uitbrengen. Het spreken over Kendoland alsof het zijn geboorteland was, had gefunctioneerd als een soort rookgordijn om zijn bittere smart over zijn werkelijke, onbekende geboorteplaats te verhullen. Onmiddellijk vond er een vergelding voor zijn gespeelde joviale progressiviteit plaats, echter op een heel ander niveau dan waar hij op voorbereid was. Dat hier iemand zat met meer kennis over zijn afkomst dan hij zelf! Het was zo pijnlijk, dat hem plotseling een sterke vluchtaandrift overviel. Om zichzelf een houding te geven begon hij zijn voeten af te drogen, waarna hij zijn laarzen aanschoot en opstond.



"Wij zullen elkaar morgen vast veel te zeggen hebben," zei hij dubbelhartig en zonder op een antwoord te wachten of nog verder te groeten dook hij onder in het stadsgewoel. Het liep al tegen het Vlinder-uur. Hij werd zich bewust van zijn intense behoefte aan de veiligheid van het gezelschap van zijn makkers achter de beslotenheid van de dubbele herbergdeuren. Op de weg terug leidde hij zijn gedachten demonstratief af met beelden van een smakelijke rupsenpasta en hondelul. Doorgaans was etenstijd voor Karnk een immer betrouwbaar moment voor het verstevigen van de innerlijke veiligheid, maar vandaag lukte het niet zo.


Deel met je vrienden:
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina