De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina10/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   34

Hoofdstuk 9 Lessen in ontlasting.



(...)

  • Had ik iets beters kunnen doen?

  • Het is maar goed dat niemand je onzekerheid hoort.

  • Nubisfahrd moet Kerko onder druk blijven zetten.

  • Jij kunt beter jezelf onder druk zetten.

  • Ik heb al twee keer mijn prognoses moeten bijstellen!

  • Ik verbaas me over het gebruik van je wil.

  • Ik verbaas me over uw verbazing.

  • Ik speel maar een beetje vandaag.

  • Ergerlijke gewoontes hebt u toch.

  • Je hoeft hier niet te komen.

  • U zou me missen!

  • Dat zou me verbazen.

  • Speelt u weer?!

  • Nee. Deze keer niet.

Na hun ontbijt ging het gezelschap in een flink tempo verder. De natuur om hen heen was heel stil. Soms weerklonken er wat vogelgeluiden, maar verder was er niet veel meer te horen dan de regelmatige cadans van hun voetstappen op de weg. Zacht ruiste er een lichte wind in de toppen van de bomen. De weg daalde nog steeds, soms slingerend door een ondiep dal en dan weer even stijgend over een rotsachtige kam. Aan hun linkerkant en achter hen rezen de gekartelde randen van het Ijzergebergte op, voor hen uit en rechts lagen wijduitgestrekte junglewouden, nu nog grijsblauwe pastelstrepen aan de horizon. Uit die richting kwam een nog koele, groene geur, het brede aromaspectrum van de tientallen boom- en struiksoorten die op de lagere en minder rotsachtige gedeelten van het eiland voor een nagenoeg ondoordringbare begroeiing zorgden. Gaosar en Tipo sloten de rij.

"Je zingt. Dat heb ik je nog nooit horen doen, Ti!"

"Het gaat ook heel goed met mij, geliefde broeder," antwoordde Tipo ineens met een zangerige falsetstem en als reactie daarop bulkten de stemmen van Mani en Gorba, die voor hen uit liepen, in een golf van blebtaal hun bekende onnadenkende commentaren. Karnk en Oerbash liepen naast elkaar voorop, weer in een druk gesprek gewikkeld. Vol verbazing zag Gaosar ineens hoe Oerbash een paar keer ter onderstreping van iets, wat hij zei, een hand op Karnk’s rug legde. Het gebaar drukte zo'n genegenheid uit, dat hij er even aan wennen moest. Hij maakte er Tipo op opmerkzaam.

"Die Tatmeester heeft vierenzestig gezichten," zei Tipo verwonderd. "Het ene moment wil je hem wurgen en het andere moment..., nou ja, zo iets dus."

Tegen het middaguur klommen ze over de Pas van Rissan, een diepe inkeping in een steile helling, die door de eerste Shir met Mengt-apparatuur was uitgehakt om een behoorlijke verbindingsweg over land mogelijk te maken tussen het noordelijke en zuidelijke deel van Bayin. Er waren diepe zaagsneden zichtbaar in het keiharde lavagesteente en de reizigers bewonderden luid de technische vaardigheden van de Shir en met name die van hun bijzondere bondgenoten. Voorbij de pas hielden ze halt in een kleine dalkom, opzij van de weg. Een ondergronds stroompje kwam hier aan de oppervlakte en in die vruchtbare omgeving groeide allerlei eetbaars. Opnieuw werd er een ongemeen smakelijke lunch toebereid.

"Dit vorstelijke eten van jullie zal ik het meeste missen," zei Gaosar als een grapje tegen Mani, terwijl hij sisai-worteltjes stond te snijden voor de soep.

"Je zal nog heel veel meer heel erg missen," antwoordde de tengere Vuurlander naast hem ernstig. "Het beste voedsel gaat niet door de maag, zegt Mani's meester altijd."

Gaosar slikte even om deze waarheid te kunnen verteren. Naast hen was Gorba bezig om de vervormer op te stellen. De pootjes werden uitgeklapt en als een traktatie vooraf legde de grote man er zes dikke, donkergele wilde maïskolven in. Op dat moment wenkte Oerbash Gorba, wijzend op iets tussen het struikgewas. Gorba ging op zijn knieën kruipend op nader onderzoek uit. Plotseling begon de vervormer een rookspoor af te geven. De maïs had er kennelijk te lang in gelegen. Oerbash, die er vlak naast stond, rukte het deksel open. Een zwarte wolk borrelde er uit en in een flitsende beweging veegde Oerbash het interieur leeg.
Tipo, die aan de andere kant zit met zijn rug naar het apparaat, kijkt verrast op, nauwelijks op tijd om de zes op hem afvliegende vuurkogels waar te nemen. Karnk en Gaosar zijn allebei getuige van wat in eerste instantie een onvoorstelbare kwaadaardigheid van de Tat lijkt. Ontzet kijken hun ogen naar Tipo, die zich echter weerlichtend snel en koprollend opzij laat vallen. Ongedeerd vliegt hij overeind, terwijl de rokende projectielen nasmeulen in het geplette gras, daar waar hij net nog zat. Daar staat hij nu, lacherig, ondeugend, tong uitstekend naar Oerbash. Die zit ook te grijnzen, heel breed te grijnzen. Gaosar voelt zijn hart bonken in zijn keel. Hij heeft geschokt Karnk’s jak vastgegrepen. Ontredderd denkt hij: `Als die man mij dat geflikt had, mijn kloten! Dat vuur was door mijn broek heengebrand, mijn pik verbrand, voordat ik ...!' De rest van de woorden verstommen in het brullende, schoonwassende vuur in zijn hoofd. Een kruitbom van inzicht explodeert: `Dàt! Die waakzaamheid. Altijd alert zijn! Dat is wat Oerbash provoceert! En Ti staat hem nu te bedanken!'

Het wonder bereikt ook Karnk. Gaosar kijkt recht in diens gezicht, dat opengebloeid is als een roos in de ochtend.

"Hee, Basho!" brult de reus uitgelaten vrolijk. "Dat dééd je er om, ouwe apenketser!"

Maar dat is toch de verkeerde reactie, want Oerbash foetert hem uit, dreigend met de stok en scheldend: "Windkraam! Pishuis! Weet jij weer alles? Zelfingenomen vreetbuil. Ga jezelf bepissen in het bos, voordat ik je op je stomme smoel sla. En bemoei je alleen met je eigen zaken, slurf!"


Karnk stapte afgebluft achteruit, het tijdloze momentum was weer voorbij. Op zijn hoede manoeuvreerde hij zich zo snel hij kon buiten Oerbash' stokbereik. Gaosar bemoeide zich ook even stilletjes met zijn eigen zaak: zijn plotsklaps begrijpen, waarom Mani en Gorba permanent in Oerbash' nabijheid wilden zijn. Waarom ze goed nadachten over hun vragen en antwoorden. Waarom ze allerlei methodes om maar niet te hoeven denken uitprobeerden. En iets van hun gemoedsrust en bovenal iets van hun vertrouwen kwam ook over hem.

Na het eten ging Gaosar met zijn voeten in het water van het beekje zitten. Eten en drinken deed hem onafgebroken zeer, maar hij wende er min of meer aan. Nu sloot hij zich met dichte ogen van alles af. Het kabbelende water langs zijn enkels nam veel van zijn onrust en zorgen mee. Tijd verstreek. Gaosar deed zijn ogen weer open, toen iemand zacht zijn elleboog aanraakte. Het was Mani, die naast hem op een grote platte steen was gaan zitten. Zonder iets te zeggen keken ze samen naar een langwerpig vergeeld blad van een struik aan de andere kant van het stroompje, dat aan een dikke spinragdraad hing. Om en om dwarrelend vormde het een reflecterend perpetuum mobile in het gouden zonlicht.

"Het lijkt wel echt goud, vind je niet, Gaosar?" vroeg Mani. Gaosar knikte alleen maar.

"Mani is een beetje nieuwsgierig naar joùw rijkdom," vervolgde de man na een korte stilte. "Jullie gezelschap lijkt nogal zwaar7. Is dat zo?"

Gaosar keek van opzij neer op het glanzende punthoofd. Mani bleef, alsof hij eigenlijk nauwelijks geïnteresseerd was in een antwoord, naar het rondtollende blad kijken.

"Ach, mijn broer en ik hebben nogal wat bitterzout gewonnen op Capai," zei Gaosar. "En we hebben kortgeleden een beetje lood eh... verdiend."

"En Karnk?"

"Ik geloof dat hij Kendo-amuletten verkoopt aan de Shir. Hij hoeft niet te bedelen in elk geval."

"Jullie willen naar Utrag, niet?"

"Ik wil pogen om daar mijn polsband te verkopen op de markt. Er is me verteld dat die daar heel veel waard is."

"Zo, zo. Deze monniken gaan niet naar Utrag."

"Wat is jullie bestemming dan, Mani?"

"Dat weet Mani niet. Maar de meester heeft gezegd: drie dagen. Dus zullen onze wegen niet veel verder samengaan."

"Het zal me spijten," zei Gaosar in alle oprechtheid. Na een stilte vroeg Mani: "Gaosar, vind je dat je iets van mijn meester geleerd hebt?"

"O, zeker wel!" antwoordde Gaosar. "Hij heeft ons verhalen verteld, die niemand kent. Een ieder van ons heeft van hem onbetaalbare dingen geleerd. Waarom vraag je dat, Mani?"

"Oerbash wil een soort schip bouwen op Bonewits. Mani spaart lood daarvoor. Er zullen veel mensen op dat schip kunnen wonen. Als jullie naar Bonewits komen, zouden jullie daar misschien ook vreugde in scheppen? Wellicht kun je Mani daarvoor wat van je rijkdom afstaan, misschien lenen?"

Gaosar keek heel zuinig.

"Het is niet zo eenvoudig om lood te verdienen op Tillant, heb ik begrepen. We zullen zelf alles hard nodig hebben."

Mani had een raadselachtige glimlach op zijn smalle gezicht gekregen.

"Herinner je je wat Oerbash heeft gezegd over het vloeien van het lood?"

Gaosar aarzelde: "Hij heeft zo veel verschillende dingen gezegd. Wat bedoel je precies, Mani?"

"De meester zegt: `De stroom van het leven is het vertrouwen in het vloeien van het hete lood, soms dun, soms dik.' En hij zegt ook: `Wat je geeft aan het begin, komt terug aan het eind.' Dat is een Wet zelfs, meent Mani."

Gaosar begon te lachten: "Mijn wet is ook simpel. Niet meer uitgeven dan je verdiend hebt. Ik vertrouw op mijn eigen handen. Vertrouwen op iets van buiten, nou, nee. Daar ben ik niet zo'n ster in."

"Stel je eens voor dat je de helft van al je lood aan Mani zou geven, voor het grote schip van Oerbash," zei de kale Vuurlander met een opgewonden blos, die ook de schedel scheen te overtrekken. "En dat je er op zou durven vertrouwen, dat het gewoon naar je terugvloeit volgens de wet van Oerbash."

"Dat zou een grote stap voor me zijn," gaf Gaosar toe. "Dan moet ik wel heel veel vertrouwen hebben in mijzelf. Maar mijn verstand zegt me dat ik het nooit terug zal krijgen. Je vraagt me dus eigenlijk om zo maar iets weg te geven. Zo maar. Ik ken jullie pas drie dagen."

"Het zou iets heel nieuws voor je zijn," suggereerde Mani. "Iets om je innerlijke angst te bestrijden dat je niet en nooit genoeg zult hebben."

"Mijn leven is heel onzeker," zuchtte Gaosar. "Wat zal de Berseng met mij doen? Wie zal er voor mij zorgen, als ik geen lood meer heb?"

"Het zijn allemaal angsten, Gaosar. Nog steeds geen vertrouwen."

Gaosar bleef lang stil. Uiteindelijk zei hij: "Ja, ik begrijp wat je bedoelt, Mani. Ik zal er met Tipo en Karnk over praten."

"Wat is dat nu voor een onzin?" vroeg Mani plotsklaps geïrriteerd. "Je stelt je beslissing uit naar de toekomst. Misschien valt er dadelijk een boom op je hoofd! Het is toch joùw lood? Je draagt het nù in je gordel. Waarom anderen naar hun mening vragen? Wees toch eens dapper. Doe eens iets alleen voor jezelf. Het gaat toch om jouw vertrouwen in de wet, toch niet om hùn vertrouwen?"

Mani's felle toon en de waarheid achter het argument troffen Gaosar.

"Ik hoor je gelijk, Mani," zei hij voorzichtig.

"Nou, raadpleeg je binnenste hart dan!" drong Mani aan. Gaosar sloot zijn ogen. Binnenin zei een stem: `Mani heeft je angst blootgelegd. Ontkracht die angst. Spring in het zwart. Oerbash heeft je onbetaalbare dingen geleerd, zei je net zelf. Nou dan? En bovendien zal de Tat je dankbaar zijn, vooral als je veel geeft...'

Daarmee was het besluit genomen. Gaosar gespte twee van zijn vier loodgordels af en gaf ze aan Mani, die er in een oogwenk mee verdween.

`De helft van mijn lood!' Het wekte een storm van waanzin en vrijheid tegelijkertijd. In het oog van die storm lag een uiterst waardevol zakje met dunne zilveren kettinkjes in Tipo's tas, waar Mani niet van wist. Over dat beeld spoelden direct nieuwe golven van onzekerheid heen, toen hij aan alle mogelijke commentaren en kritieken van Tipo en Karnk dacht. Terwijl Mani hem uitvoerig bedankte en opstond, voerde Gaosar de ene na de andere dialoog in zijn hoofd met zijn nog van deze gebeurtenis onkundige makkers. Wat zou hij zeggen, als Karnk..? Als Tipo vindt dat ... Subtiele en harde verdedigingen, handige ontwijkingen en gepareerde aanvallen wisselden elkaar in een moordende vloed af. In een tussentijds moment van rust besefte hij plotseling dat dit het ergste was. Niet de reële confrontatie straks maar dit tumult in de geest, nu. `Goed! Ik heb het begrepen!' schreeuwde hij tegen zichzelf. `En waar is waar, ik wilde er van alles en nog wat mee bewijzen! Ja! Dat is zo! Uitsloverij en bedelen om goedkeuring, precies, dat was het allemaal. Het is de angst dat ik de ware zin van het leven mis, als ik mijn angst niet leer overwinnen. De angst dat Oerbash me ondankbaar zal vinden, de angst dat Mani me laf zal vinden, de angst dat Karnk me krankzinnig zal vinden, de angst dat Tipo teleurgesteld zal zijn. En ik ben bovenal bang dat ik mijn eigen intuïtieve beslissing niet goed met woorden zal kunnen verdedigen. Ik schaam me voor mijn angst! Het is allemaal de angst voor de angst! Precies!'

Die laatste zin schreeuwde hij nog eens hardop: "De angst voor de angst!"

Karnk had het gehoord en kwam op een draf aangesneld.

"Wat is er met jou?" vroeg hij bezorgd. Gaosar verloor geen tijd: "Ik heb de helft van mijn loodgordels aan Mani gegeven voor een boot die Oerbash wil bouwen op Bonewits."

Karnk’s mond viel open.

"Jij bent gek!" kreeg hij er uit. "Zoveel?!"

Karnk’s oordeel sneed door Gaosar’s ziel.

"Zó veel!" bevestigde hij scherp.

"Klootverspiest!" vloekte Karnk. "Zó veel... De helft van alles wat je met je bloed en je tranen verdiend had..."

Toen begon hij te schaterlachen, terwijl Gaosar hem stomverbaasd aankeek. Pas na lange tijd was Karnk weer aanspreekbaar.

"Die smeerbal van een Mani, die heeft je de hèlft afgetroggeld?" hinnikte hij. "Ik lach me gek."

Gaosar kon er nog helemaal niet om lachen en gekwetst sneerde hij: "Nou en? Wat is daar nou om te lachen als een domme slijmslurf? Vind je mij zo stom dan?"

"Nee, nee, nee, helemaal niet. Je begrijpt me verkeerd," zei Karnk weer wat ernstiger. "Ik vind je alleen zo vrijgevig. Die ouwe bedelaar heeft het mij ook gevraagd maar ik heb hem niet meer dan twintig parsies gegeven!"

Gaosar was sprakeloos door de onverwachte wending van het gesprek. Ergens in zijn brein brak een strakgespannen draad en als wezenloos zat hij naar Karnk te grijnzen zonder iets te kunnen zeggen of denken.

"Zeker opgelucht, hè?" vroeg Karnk. Gaosar knikte. Karnk keek ontzettend ondeugend en zei insinuerend: "Je hebt hem vast niks van dat zilver verteld, jij slimpie. Beken het!"

Gaosar moest ietwat betrapt `ja' knikken.

"Nou dan is er niks aan de hand!" grijnsde Karnk. "Met z'n drieën zijn we nog steeds rijk. Weet je wat? We gaan dat vieren vanavond. Een eind verderop is een enorme luxueuze uitspanning. Ik ben op die hoge heuvel geklommen daarstraks en dan kun je hem zien liggen, op de viersprong, waar we de weg naar Pyrrus kruisen. Gorba is er ooit eens geweest, vertelde hij me. Ik ga ons allemaal eens waanzinnig trakteren. Daar heb ik nou es zin in. En ik wil die Tat wel eens in een beschaafde omgeving zien manoeuvreren."

Met de armen om elkaars schouders geslagen liepen ze terug naar het kampement, dat door Mani en Gorba al zo goed als opgebroken en opgeruimd was. Oerbash lag nog te slapen. Pas toen ze klaar waren, maakte Mani hem wakker. De klim naar beneden duurde nog vrij lang en het begon al te schemeren toen ze de viersprong bereikten. Met een breed, joviaal gebaar herhaalde Karnk zijn uitnodiging voor het diner, op de uitspanning wijzend. De monniken reageerden heel vreemd. Oerbash stond op een ongeïnteresseerde wijze naar de avondlucht te kijken, Gorba ging op zijn hurken zitten en bestudeerde aandachtig de steenachtige grond van het pad. Mani wees naar rechts.

"Dat is de weg naar Faz en die, die naar links is de weg naar Pyrrus. Rechtdoor is de weg naar Utrag. Brank is de aarde, Pyrrus het vuur, Faz is de lucht en jullie gaan de weg van het water, Utrag. Goeie reis."

Tot hun stomme verbazing startte Oerbash ineens met een soort snelwandelen, de weg naar Faz inslaand. Gorba volgde zijn voorbeeld, zelfs niet stoppend om afscheid te nemen. Mani stak alleen een hand op en rende achter hen aan. Het was een uiterst verwarrende situatie. Tipo schreeuwde de monniken nog een groet na, waar een grote vertwijfeling in doorklonk, maar niemand antwoordde meer. Karnk zei met een teleurgestelde klank in zijn stem: "Nou, die hebben de poet binnen en maken dat ze weg komen, voordat we spijt krijgen."

Tipo draaide zich om en zei emotioneel: "Sommige reusachtig grote mensen blijven zich toch nog altijd groter voordoen dan ze zijn."

Gaosar viel hem bij: "Gierig ventje. Wat fijn voor je dat jij nou alleen ons tweeën maar hoeft te trakteren!"

Hij haalde zijn ogen weg van de kleiner en kleiner wordende figuurtjes van de drie monniken en zette er een flinke pas in, op weg naar de lokkende lantaarns van de herberg. Toch voelde hij zich heel verlaten. Onderweg vertelde Tipo dat niemand hem om lood gevraagd had en hun verbazing nam alleen maar toe. Tipo vond de beslissing van zijn broer overigens uitstekend.

"Jij kan met wat je hebt, doen wat je wilt. Dat méén ik!" zei hij ten overvloede. "Niet veel aan die Oerbash is gewoon," mopperde Karnk. "Dus gewoon afscheid nemen is er natuurlijk ook niet bij."

In Gaosar’s achterhoofd roerde zich een gedachte: `Een Niet-Werkelijkheid en dus een Niet-Afscheid.'

Maar de diepere omvang van dat beeld ging te ver voor het moment. Daar zou een ander tijdstip voor moeten komen. In het hier en nu was Niet-Denken in zijn door deze onverwachte scheiding opgewekte tijdelijke gevoel van eenzaamheid al moeilijk genoeg.


De befaamde herberg was meer dan driehonderd maanjaren oud, wat zichtbaar was aan de vorm van oude wapenschilden boven de deuren en aan een verwarmingssysteem voor heet water, waar nog steeds een zonnepaneel en geen verdichtersconstructie voor gebruikt werd. Bij de hoofdingang stonden uiteenlopende vervoermiddelen geparkeerd. Naast ezel- en buffelkarren zagen de reizigers ook enkele luchtwagens, hetgeen er op duidde, dat hooggeplaatste Shir en misschien zelfs Rishe deze uitspanning bepaald niet te min vonden. Een rijk beschilderd bordesbord boven de ingang liet in het schrift van de Shir de naam lezen: Mah Tonald. Aan weerskanten van de naam was het wapenschild van dit vooraanstaande Shirgeslacht afgebeeld, een rode, dikke zwijnskop op een veld van groen eikeloof. Eronder stonden twee gekruiste priemachtige voorwerpen, mogelijk degens, mogelijk een braadspit. Er klonk hun het geroezemoes van een grote, etende menigte tegemoet. Onder lange luifels buiten kon men zich opfrissen en verkleden, van welke service de vrienden graag gebruik maakten. Binnen scheen er aanvankelijk geen tafel meer vrij, maar een tengere Bindibediende bracht hun na een kort wachten naar een smal tafeltje vlakbij de keuken, dat net werd afgeruimd. De lucht van exotische gerechten, zo dichtbij, deed hun watertanden en ze konden maar met moeite een keus maken uit het rijke aanbod. Karnk bezag iets pruilend de prijslijst.

"Hier worden sommige lieden uitzonderlijk rijk," miezerde hij, maar dat gevoel verdween toen het voortreffelijke voorgerecht verscheen, een dikke gevogeltesoep met gesnipperde koriander. Met verbazing en enig ontzag zagen de mannen de constante stroom van personeel in en uit de keuken vloeien. Naast de deur stond een hoge, groengelakte servieskast, die haast tot aan het plafond reikte. Hieruit pakte men voor elke gang schone borden, terwijl afwashulpen via de open achterkant en een luik in de muur nieuwe stapels aanschoven. Nieuwsgierig bekeek Karnk alle bedrijvigheid. De Shirgérant viel hem op, een lange man met lang sluik haar, die toezichthoudend vanuit een verhoogde alkoof naast de kast regelmatig hartstochtelijk diep in zijn neus peuterde. Het opgediepte resultaat draaide hij dan tot een balletje. Tot tweemaal toe zag Karnk hem dat kleinood onopvallend onder de brede buffetplank van de servieskast plakken. Bij 's mans derde toevoeging trok hij ineens zijn hand vol afschuw terug. De afstand maakte een ondubbelzinnige conclusie onmogelijk, maar de mimiek van de gérant deed Karnk vermoeden dat hij in intiem kontakt was gekomen met een nog natte sliert van een collega-peuteraar. De man keek steels om zich heen en wreef toen de rug van zijn hand schoon langs de zijkant van de buffetplank.

Al deze pikante details waren Tipo en Gaosar ontgaan, maar wel viel hun op dat Karnk zijn aanvankelijk vrij bescheiden bestelling veranderde in een veel duurder gerecht en uitbundig kostbare wijnen en extra delicatessen voor zijn tafelgenoten liet aanrukken. Gaosar vermoedde in eerste instantie slechts dat hun reuzenvriend met een fikse dinerrekening zijn gierigheid ten opzichte van Mani's gebedel wilde compenseren. Uit smakelijk eigenbelang had hij geen enkele behoefte om die neiging van zijn bloedbroeder in de weg te staan. Een toepasselijke uitspraak van Oerbash schoot hem te binnen: `Ieder zijn eigen les op zijn eigen tijd.'

Karnk bestelde na een al copieus maal als dessert nog een handhoge vruchtentaart, die op een zilveren schaal werd opgediend. Toen de bediende verdween, bukte Karnk even snel maar op een rare, steelse manier onder de tafel. Gaosar zag in een flits een kleurige punt van een neusdoek en direct was hij alert. De blik van Karnk, die van besmuikte voorpret, leek op die van een veertienjarige met een handboortje in de damestoiletten. Ineens tilde Karnk de hele schaal op, luidruchtig het product bewonderend en het etablissement prijzend om zijn uitgelezen kwaliteit. Zijn reuzengestalte en welbespraaktheid trokken de geamuseerde en instemmende aandacht van omringende eters. Sommigen hieven zelfs spontaan toastend hun wijnbeker naar hem op. Zonder waarschuwing slaakte Karnk plots een doordringende kreet van afgrijzen, terwijl hij de schaal op ooghoogte hield.

"Wat is dit!?" bulderde hij, wijzend met zijn neus. Gaosar en Tipo sprongen beducht op slang of spin overeind. Eerst keken ze naar de tafel, toen naar de schaal. Onder de rand zat een monsterlijke snotklodder geplakt. Om hun heen reikte het publiek de halzen. Overal zag men verschrikte blikken van het personeel. Nogmaals herhaalde Karnk zijn woeste vraag en direct schoten twee Bindibedienden en de lange Shirgérant toe, actief hun aanvankelijke angstige verstijving bestrijdend. De gérant dwong Karnk de schaal weer op de tafel te zetten en duwde hem terug in zijn stoel, sussende geluiden makend. Zijn geroutineerde handelwijze hielp hem weinig, want Karnk pakte een mes en schraapte in één beweging de klodder los en hield hem de Shir onder de neus.

"Waar komt dit vandaan, Sar? Dit is snot! Of niet soms?" schreeuwde hij razend, er tevens nadrukkelijk voor zorgend dat het reikhalzende publiek het getoonde ook kon zien. Een uitwaaierend gemompel trok door de herberg. De gérant zat beslist al heel lang in het vak. Hij bleef zeer kalm en zei rustig en nadrukkelijk, ook goed verstaanbaar voor de andere aanwezigen: "Edelgeboren Sares, u heeft hier buitengewoon goed gegeten. Ik heb mij zelf steeds vergewist van de kwaliteit. Uw rekening is navenant hoog. Ik zal mij over dit kleine viesje ontfermen en maar niet vragen waar het vandaan komt."

De aanvankelijk zo positief meelevende ogen van de omringende gasten keken plots heel anders. De gérant insinueerde bedrog van deze toch wat schamel geklede buiteneilandse reizigers. Ja, ja, werd er geknikt, hoe schandelijk! Tot ontzetting van zijn vrienden nam Karnk de belediging echter heel hoog op. Grommend als een beest stond hij op, bijna een hoofd boven de lange gérant uitstekend.

"Niet vragen, zegt u?" tierde hij. "Dat gaan we wèl vragen, snotkop! Ga je insinueren, dat ik niet wil betalen soms? En ga je me vertellen dat ik me bij deze smeerlapperij moet neerleggen?"

Hij greep de gérant bij de arm en deed een paar stappen in de richting van de buffetkast.

"Waar deze `viesjes' vandaan komen, vraag je. Nou, niet uit de lucht in elk geval maar hier vandaan, slurf!"

In een onverwachte, driftige beweging schuurde hij onderarm en hand van de geschokte man strak langs de hele onderkant van de buffetplank, generaties neusvocht meewrijvend. De gérant was doodsbleek geworden, het flauwvallen nabij. Op zijn geelwitte jasje waren diverse pulkballetjes blijven plakken. Karnk was door het dolle heen. Hij pakte wat van het vettige bewijsmateriaal en maakte aanstalten om de andere tafels te bezoeken. Dat voornemen bracht de gérant weer tot zijn positieven. Verder in de zaal waren er verschillende mensen opgestaan om te zien wat er zich bij de keukendeur afspeelde. Er snelde een tweede Shirgérant toe, ingeseind op alarmfase tien door één van de bedienden. Aan zijn uiterlijk te oordelen was hij een oudere broer van de pulker.

"Sares, Sares, moge u ons vergeven!" sprak de man met stemverheffing. "Deze misverstanden moeten onmiddellijk opgelost worden. Ik bid u, komt u alstublieft mee naar mijn kantoor. Alstublieft, alstublieft."

Karnk liet zich ternauwernood vermurwen, maar Tipo en Gaosar die inmiddels ook wat van de schok hersteld waren, duwden wat overredend tegen hem aan en zo verdween de optocht van het restauranttoneel. Razendsnel werd er achter hun rug afgeruimd, alle bewijs verdonkeremaand. Karnk hield echter het mes met het grote stuk neusvuil nog steeds in zijn hand, het als een jachttrofee vooruitstekend. Zijn andere hand omklemde in een ijzeren greep de besmeurde onderarm van de eerste gérant, de arme man meesleurend naar het kantoor. Daar werden stoelen aangeschoven maar de reus weigerde te gaan zitten. Er kwam gehaast en licht hijgend een zwaarlijvige, licht kalende Shirvrouw binnen, uitgedost in een wijde, okergele mantel en behangen met vonkende juwelenkettingen. Haar kleine ogen kneep ze tot spleetjes dicht. Zonder twijfel was zij de eigenaresse van de herberg.

"De Hoogwaarachtige Zahrien Tonald," stelde de tweede gérant zijn werkgeefster voor. Karnk gaf haar geen kans tot initiatief maar begon omstandig zijn beledigdheid te beschrijven, zo nu en dan aangevuld of passend afgeremd door Tipo en Gaosar, die hadden besloten om loyaal mee te spelen. Na enige tijd onderbrak de dikke vrouw Karnk op uiterst scherpe toon: "Sar, aanvaardt u mijn verontschuldigingen?"

Karnk antwoordde met precies diezelfde scherpe intonatie: "Hoogwaarachtige, wat koop ik voor uw verontschuldigingen?"

De vrouw keek hem zonder angst recht in zijn ogen en zei: "Een maaltijd van dezelfde omvang ergens anders!"

Karnk keek als wanhopig zijn gezellen aan.

"Een schamele vergoeding van onze schande," mopperde hij. "En waar vinden wij op dit uur nog vervoer? Wij hadden hier de nacht door willen brengen, maar daar peins ik onder deze omstandigheden niet meer over. Wat een schande, wat een schande!"

De eigenaresse was snel van begrip.

"Ik zal u met mijn privé-luchtwagen naar uw volgende bestemming laten vervoeren," zei ze. Zuchtend ging Karnk zitten.

"Vooruit, men moet zijn kwaadheid niet te lang bij zich houden," sprak hij gelaten. "We zijn onderweg naar Utrag en ik neem uw verontschuldigingen en uw schadevergoeding aan."
Binnen de kortste tijd zat het gezelschap hoog in de lucht, Karnk vier Bolts rijker.

"Wie geeft, zal ontvangen," sprak hij cryptisch om de tengere maar zwaar besnorde Bindiwagenbestuurder niet op verkeerde gedachten te brengen.

"De rest van de maaltijd was overigens uitstekend," zei Tipo.

"Wat kan een mens toch soms een last van verkoudheid hebben," vulde Gaosar aan. Daar moest het gesprek noodgedwongen toe beperkt blijven, hoewel dit soort gebeurtenissen nog eens zo weldadig is, als men er extra genietend over na kan babbelen...

Op advies van de piloot daalden ze dicht bij de inmiddels voor de nacht gesloten noordelijke poort van de stad Utrag. Hij wist daar een klein restaurant met een keurig passantenverblijf. De eigenaar was een ver familielid van hem en absoluut, absoluut betrouwbaar, zoals de kleine Bindi niet naliet te verzekeren. Het leek erop dat hem het welzijn van zijn passagiers werkelijk ter harte ging. Het gebouwtje lag op een lichte glooiing en bood een schitterend uitzicht op de vele nachtelijke lichtjes in de gesloten stad. Toen ze uitstapten, boog de piloot voor hen.

"Vergeef een eenvoudige lepelmaker, dat hij zich uitspreekt, o, heldergeboren Sares," zei hij met glinsterende ogen. "Maar u bent de eerste die het geslacht Mah Tonald lood uit de zak wist te kloppen. Het gehele Bindipersoneel zal uw daad met vreugde, hoop en weemoed blijven gedenken!"

Na de lange, noodgedwongen beheerste stilte in de luchtwagen was de aanvankelijke innerlijke uitgelatenheid van de drie vrienden gecondenseerd tot een warm vreugdevol gevoel van vertrouwen in de stroom van het vloeiende lood. Zonder poespas bedankte Karnk daarom de piloot en drukte hem enkele parsies in de hand.

"Alsjeblieft, deel in onze winst," zei hij breed grijnzend "en onthoudt mijn waarneming: in al het grote en sterke zit minstens één zwak plekje!"

Opgetogen herhaalde de Bindi deze magische zin.

"Mag ik uw naam weten?" vroeg hij vol bewondering.

"Welja," antwoordde de reus. "Ik ben Karnk Bartas uit Kendoland. Dacht je dan ooit nog van me te horen?"

"O absoluut, Sar Bartas," zei de kleine snor en vreemd genoeg wisten de vier mannen daar en toen ineens allemaal volkomen zeker, dat dit inderdaad een correcte voorspelling zou blijken te zijn.


Later, liggend op hun houten britsen in één van de slaapvertrekken van Ceran Dubbelgoeds Pleisterplaats, moesten ze uiteraard nog een tijdje heel hard lachen. Toen het weer stil was, probeerde Gaosar één van de oefeningen uit, die Oerbash hem geleerd had. Hij visualiseerde een verbinding van zijn stuitwervel met het binnenste van de aarde en stelde met behulp van denkbeeldige rozen om zich heen een aura-begrenzing op. Een vreemd kloppen in zijn hoofd gaf hem het idee dat deze activiteit niet ongemerkt aan de Berseng voorbij was gegaan. Tot zijn verbazing zei ook Tipo er iets van. In het donker klonk diens stem een beetje bezorgd: "Ik weet niet wat je aan het doen bent, Gaosar, maar ik voel dat je iets aan het veranderen bent hier. Wat gebeurt er?"

"Het is iets van Oerbash," antwoordde Gaosar, door Tipo's stem teruggebracht in de normale werkelijkheid. "Hij noemt het een rozenveld. Het maakt de uitstraling van je lichaam dichter, zodat er geen tovenarij van anderen in kan. En als er toch iets al in zit, kun je die gedachtenvormen er ook makkelijker uitpoetsen. Ik zet ze dan gewoon buiten mijn rozenveld. Zal ik het jullie ook leren?"

Onwillig bromde Karnk: "Ik ben doodmoe van al die uitsloverij. Ik ga slapen."

Tipo was belangstellender, maar hij had veel moeite met de onderwezen techniek. Toen het een tijdje stil bleef, informeerde Gaosar hoe het ging, maar Tipo gaf geen antwoord meer. Hij was in een droom verzeild en stilletjes ingeslapen. Gaosar ontspande ook. Voordat ze hun slaapplaatsen hadden opgezocht, had hij zich boven een latrine achter de herberg heel voorzichtig ontlast. De pijnen waren aanzienlijk minder geworden en dat had hem enorm opgelucht. Het rozenveld voelde aan als een tedere cocon om zijn kwetsbare lichaam heen. In een vredig besef van veiligheid sliep hij in.


Al heel vroeg werden ze de volgende ochtend wakker, verkwikt en vrolijk. Op de veranda serveerde Sar Dubbelgoed een ontbijt van brood met geitekaas en een zuiverende kruidenthee voor zijn gasten. Ze waren die ochtend de enigen. De stad Utrag bood van deze afstand een indrukwekkend beeld. De zon begon net op te komen en er hingen nog dichte nevelslierten boven de zwartbruine, hoge muren, die nu vermengd werden met een nog enkele tinten donkerder grijsblauw van de rook van duizend vuren, overal in de stad ontstoken ter bereiding van de diverse ontbijten. Eén gebouw torende opvallend boven de andere uit. Ze vroegen de waard ernaar.

"Daar zitte de Shirbaze op hun luie warreme vlees te prate over belastingverhoging voor kleine luie as mijn. Kenne ze die Pirti nog meer dure bomme op derlui harsens gooien. Van wat dat allegaar kos, kenne wij die Pirti allemaal tien jaar voor niks te ete geve."

"Wat moet je betalen, Ceran?" vroeg Tipo.

"De gaarders neme zo'n bietsje mijn hele kastanje-oogst mee."

Dubbelgoed wees naar de boomgaard achter de herberg, waar tientallen tamme kastanjebomen stonden. "Daarom ben ik blij met klanten as jullie. Da's lood in de hand. Dat ken een bijdehand mannetjie as ik ergens verstoppe, voordat die Shir me leeg komme hale."

"Protesteert er wel eens iemand?" wilde Gaosar weten.

"Ach, man, 'k weet niet waar jij vandaan komt, maar as je een paar stukkies van je lichaam kwijt wil aan de Rishe-snijers, dan mot je hier gaan protestrere. Me broer Hadolaris is naar het front gestuurd op Majeste begin dit jaar. Had een beetje een grote bek tege de Overzichters, die 'em kwame hale. Die hebbe 'em dus effe een handje geholpe met beslisse. Hij kreeg een klein stootje van een vuurblaaspijp. Man, ze hele huis zat onder het bloed! Protestrere, ja ja. Dan kommie d'r wel achter hoe het allemaal afloopt, hier op Bayin. Donder en bliksem! Ben je van de pot gerukt? Protestrere. Da's weinig lache meer, vooral as je Bindi ben of buiteneilanders zoas jullie."

Tijdens hun gesprek was de zon in al zijn glorie opgekomen en de eerste stralen verwarmden de mannen op de veranda. Het gekwetter van troepen geelgroene parkieten in de boomtoppen begon op sterkte te komen. Er renden twee felle eekhoorns over de weg. Boven hun hoofd vloog de eerste luchtwagen, op weg naar zijn landingsveld. De oorlog leek ongrijpbaar ver, maar ze konden de kwaadheid en de onmacht van de waard niet negeren. Zo veel als mogelijk lieten ze zich over Utrag informeren. Dankbaar en veel wijzer vertrokken ze daarna.

Op de weg was een bedrijvigheid van belang ontstaan en ook kwam er een vrij druk luchtverkeer op gang. De poort was niet ver meer lopen. Het stadsverkeer omringde hen in z'n volle heftigheid met een vreselijke herrie. Het leek wel of ieder bewegend object, lastwagen, kameel- of ezelruiter, kar of step gebruik maakte van een bel, fluit, gong of toeter, alles wat maar duidelijk kon maken dat de lawaaimaker belangrijk genoeg was om ruim baan voor te maken. Zelfs de gebogen lastdragers lieten zichzelf gelden met strengen belletjes om hun enkels. De luchtwagens boven hun hoofden waren op zich geluidloos, maar zij gaven behalve met lichtsignalen ook met sirenes van hun aanwezigheid blijk. Vlakbij de poortdeuren werd er achter hen zeer hinderlijk schril gefloten ten teken dat er iemand wilde passeren. Karren en ruiters gingen langzaam terzijde en een verwoed schelden gaf aan dat er meer haast gemaakt diende te worden. Er kwam een vijfwielig gesloten voertuig voorbij, geluidloos aangedreven door zonnepanelen op het dak. Die stilte werd ruimschoots gecompenseerd door de bestuurder op de open bok met zijn irritante mechanische fluit. Bij elk oponthoud ging hij overeind staan om met een roodaangelopen hoofd "Uit de weg schoften!" te roepen. Die frase kon hij, kennelijk na jaren gewenning, op één ademteug wel elf of twaalf maal kwijt. Diep onder de indruk schreeuwde Karnk die kreet impulsief met zijn reuzenbulderstem eens een ademhaling mee, hetgeen hem op uiterst verbaasde blikken kwam te staan, zowel van de kwade bestuurder als van andere weggebruikers. Waarschijnlijk was deze specifieke belediging strikt voorbehouden aan lieden van een bepaalde hoge stand. Karnk haalde diep adem om daarna met volle overgave "Kijk voor je, luizepoten!" te brullen. Aangezien op dat moment de file zich weer in beweging zette onder de poort door en iedereen weer voortijlde, leek het net of Karnk’s opmerking als een bevel werd opgevat. Grinnikend over dat toeval liepen de reisgenoten de stad in.

Al snel hadden ze zich aan de heersende gewoonten aangepast en konden ze hun overborrelende levensvreugde uiten door wat toegewijd gescheld als de straat weer eens versperd werd door een in- of uitladende karrevoerder. Zelfs de van nature vrij stille Tipo deed met een falsetstem zo nu en dan een duit in het zakje met wat Capaise krachttermen: "Maakt voort, pishuizen! Ruim baan, engbekken!"

Voor een moderne uitspanning hielden ze stil, hijgend van het schreeuwen en lacherig als ondeugende schooljongens.

"Heerlijk, heerlijk," zuchtte Gaosar. "Daar had ik nou net even behoefte aan."

Eindelijk hadden ze hun eerste reisdoel bereikt en de realisatie van hun verwachtingen vervulde hun met schokstoten nieuwe energie. Dit was Utrag, waar ze zoveel over gehoord hadden, het centrum van de wereld in hun ogen.

"Kom op, makkers, we gaan wat zuipen!" joelde Karnk uitgelaten, wijzend op het uitnodigende uithangbord aan de gevel, dat de Shirschrifttekens voor `Vreemdeling' droeg. Ze maakten net aanstalten om het lokaal te betreden, toen er geluidloos achter hen een felrood busje stopte. Er stoven vijf rood geüniformeerde kerels uit die geroutineerd het drietal insloten en demonstratief een hardhouten knuppel gereed hielden voor overtuigend gebruik. Daarna stapte er uit de bus een zesde man in een grijs uniform met rode insignes. Hij was gewapend met een vreemd langwerpig toestel, dat onmiddellijk associaties opwekte met de `vuurblaaspijp', waar Dubbelgoed het over gehad had. Het riep dan ook sterke gevoelens van onvoorwaardelijke medewerking op bij de drie vrienden. Gaosar was intens geschrokken door het koude douche-effect van de onverwachte bedreiging. Instinctief paste hij voor het eerst in de praktijk de bescherming van het rozenveld toe, eerst om zichzelf en toen ook om zijn makkers heen. De rode wachters leken gevoelsmatig iets terug te wijken, maar de officier liet zich niet uit het veld slaan.

"Wij kennen u niet, Sares," zei hij bedachtzaam, zich met name tot Karnk wendend, die immers door zijn lengte het meest als leider van het groepje opviel. "Maar u bent duidelijk geen eilanders en u heeft bij de Noorderpoort overheidspersoneel lastiggevallen. Aan ons Overzichters is gevraagd u te corrigeren."

De vuurpijp wees naar de grond maar niet in een nonchalante greep. Karnk ervoer echter de subtiele kracht van het rozenveld om hem heen en hervond daarmee iets van zijn vertrouwde brutaliteit.

"Hoogwaarachtige Heer Officier," zei hij alsof hij zich van geen kwaad bewust was, "wat moet ik me bij een correctie voorstellen? Ziet u, wij zijn niet uit Utrag afkomstig. We kennen uw regels en schemaatjes nog niet zo, dus als u zo goed wilt zijn om ons even op prettige wijze te informeren?"

De officier was niet onder de indruk.

"U zou normalerwijze hier veel slaag krijgen," zei hij. De vanzelfsprekendheid achter deze korte vaststelling hield een diepe dreiging in. Het was maar de vraag of de reisgenoten tijd zouden krijgen om die dreiging af te wenden.



Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina