De laatste Koning van Atlantis



Dovnload 1.58 Mb.
Pagina1/34
Datum20.05.2018
Grootte1.58 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

De laatste Koning van Atlantis
Door Peter den Haring
SF = SPIRITUELE FANTASY
Over de schrijver:
Peter den Haring (1946) is na zijn Nijenrode-opleiding jarenlang actief geweest in het jongerenwelzijnswerk, in de reclame en in de journalistiek. Hij woonde lang in India en in Brazilië. Hij schreef veel voor diverse New Age tijdschriften en maakt tegenwoordig de maandelijkse internetperiodiek Tijdgeest Magazine. Den Haring werkt verder als coach, Familie Opsteller, therapeut, astroloog en auralezer. Verder geeft hij workshops en lezingen. De Laatste Koning van Atlantis is zijn eerbetoon aan de lange reeks SF-schrijvers uit zijn jonge jaren met voorop Jack Vance, de koning van de schelmenroman. Liefhebbers zullen veel bekende namen als anagram herkennen.
Meer over hem op www.peterdenharing.nl. De Laatste Koning van Atlantis is in 1995 uitgegeven onder de titel De Belofte. Eerder en later verschenen van hem: Het Domino Orakel, De Keizer Die Flauwviel, De Vuurproef van Verenike, Keerpunt Cheiron, Zonder Vader Zonder Moeder alsmede Sireas en de Vluigvogel.

Inhoud


PROLOOG. 4

Hoofdstuk 1 De erfenis van de Rishe. 8

Hoofdstuk 2 De veerboot naar Bayin. 15

Hoofdstuk 3 Aankomst. 22

Hoofdstuk 4 De apenhouder. 29

Hoofdstuk 5 De Spuugdemon. 36

Hoofdstuk 6 Basho’s lessen. 43

Hoofdstuk 7 Het spoor van de slang. 50

Hoofdstuk 8 De Berseng. 58

Hoofdstuk 9 Lessen in ontlasting. 65

Hoofdstuk 10 Utrag. 73

Hoofdstuk 11 De dwergenbril. 81

Hoofdstuk 12 Het Noodlotszout. 89

Hoofdstuk 13 Het verkeerde goede woord. 97

Hoofdstuk 14 De Tegenstrever. 105

Hoofdstuk 15 De lijst van eenentwintig. 113

Hoofdstuk 16 Het orakel van Giandar. 120

Hoofdstuk 17 De Rishe Raad. 127

Hoofdstuk 18 Het zintuigentasje. 135

Hoofdstuk 19 Het Ritueel van de Doodvorsers. 142

Hoofdstuk 20 Het punt van de Schipper. 149

Hoofdstuk 21 Het laboratoriumfort. 157

Hoofdstuk 22 Stormvloed over Bardo. 164

Hoofdstuk 23 De tunnelstroom. 171

Hoofdstuk 24 De Berseng. 178

Hoofdstuk 25 Slangen op het pad. 186

Hoofdstuk 26 Langgeleden dat... 193

Hoofdstuk 27 Samenkomen. 201

Hoofdstuk 28 Thuisgebracht. 210

Hoofdstuk 29 De leeuwekuil. 218

Hoofdstuk 30 De Zonnetempel. 226

Hoofdstuk 31 Koning Katsin Oatreru. 235

Hoofdstuk 32 Merkpunt in de tijd. 243

Hoofdstuk 33 De nieuwe tijd. 251

Epiloog 258

Voetnoten 259



Lijst van personages in volgorde van optreden


Zirkontau:

Nubisfahrd:

Nur-ell-Guin:

Rish Cayobur Hayo:

Rish Palo Kerko:

Rish Nozer Eichhor:

Gaosar Ouran:

Tipo Tennen:

Karnk Bartas:

Falak Geshyo:

Nisha-cham-pohie:

Barthe-kank-oei:

Rish Uto Onsten:

Mani:


Gorba:

Oerbash (Basho):

Rish Hiss Sarlof:

Danil Ishti:

Rish Pan Tirt:

Rish Balte Bol:

Benk Benko:

Jah Suze Sugatha:

Jah Lino Siri:

Generaal Iten Horkan:

Koning Katsin Oatreru:

Koningin Aniz Vastiz:

Ushstar:

Ate Tuta:

Rish Twarth:

Ferirkerie:

Vance Jeek:

Harro Harixeni

Herbertox Fran:


Nieuwe Mengt-dwerg

Oude Mengt, gevolmachtigde der Sterrenheren

Bakvrouw, moeder van Gaosar Ouran

Hoofduitvoerder Huis van Onderzoek, vader van Gaosar

Hoofduitvoerder Huis van Oorlog

Hoofduitvoerder Huis van Onderzoek

Halfbak

Bakman, zwarte halfbroer van Gaosar



Kendo-roofkind, reuzenman

Verhalenverteller uit Ut

Bakvrouw, geheime minnares van Shir-tovenaar

Bakvrouw, nicht van Nisha

Shir-tovenaar, mijnopzichter, geliefde van Nisha

monnik uit Vuurland

monnik uit Heirgoland

Tat-leermeester uit Sarda

assistent van Palo Kerko

Tekenduider

assistent van Nozer Eichhor

assistent van Cayobur Hayo

Bindi-stokmeester

Nadir-adel, geliefde van Tirt

Nadir-adel, nicht van Sugatha

lijfwacht van de Shir-koning

Shir-koning

Shir-koningin

Beroepsmoordenaar, neef van Benko

Beroepsmoordenaar, neef van Benko

Onderuitvoerder Huis van Oorlog

illegale vroedvrouw

Zonnetempelpriester

Zonnetempelpriester

Zonnetempelpriester




PROLOOG.





  • Krijg je het hele stel op tijd te pakken?

  • Allemaal. Tenminste... Eén ervan is anders dan alle anderen. Ik moet Nubisfahrd omtrent hem extra instructies geven.

  • Wat is ons risico?

  • Onbekend. Dat is wat verontrust.

  • Weet die ene het zelf?

  • Hij is jong, maar hij begint vragen te stellen over zijn afkomst.

  • Wat is de prognose?

  • Dubieus. We hebben daar ter plaatste echter weinig betrouwbare alternatieven voorhanden.

  • Goed. Begin voorlopig met het verzamelen van de rest.

  • Kan ik Zirkontau liquideren als hij me voor de voeten loopt?

  • Hij is niet alleen. Maak je handen niet vuil. Laat Nubisfahrd dat karwei maar opknappen. En misschien bewijst Zirkontau zijn stellingen over ons nageslacht wel.

  • U zou er veel gezag door verliezen.

  • Och.

  • Niet?

  • Wel... Dat raakt me nauwelijks. In de tijd gezien had je me trouwens niet hoeven consulteren. Je hebt je besluiten al genomen, stel ik vast. Ontken je het?

  • Nee.

  • Je bent je aan het losmaken van mijn autoriteit, nietwaar?

  • U doorziet mij nog altijd.

  • Niet lang meer. Niet voor altijd.

  • Zou u weer een stoffelijke vorm willen hebben?

  • Die tijd heb ik voorbij laten gaan. Ga nu maar. Zo veel tijd heb jij niet meer.

DE PLAATS


In de voortijd was er op het schiereiland Capai een werkende vulkaan, die vanwege zijn dunne, hoge vorm en langzame erupties het 'Oudemans Deel' werd genoemd. De donkerhuidige Bak-stam, die op Capai woonde, de Tjetjah, bewerkte de afgekoelde lava tot pijlpunten, messen en bijlen, die gretig aftrek vonden in verder gelegen streken. Ook het lichtgekleurde Shir-volk van het archipelrijk van Tillant kocht de harde en messcherp slijpbare lavasteen, onder andere om het dun geslepen te gebruiken voor vensters in hun forten en laboratoria. Via de grote haven van Capai, Biss-antanna-hai (Stad gebouwd op duizend schedels) haalden de Shir met hun grote barken behalve lavasteen ook goud en koper dat noordelijker in Igdi en Ut gedolven werd. De Shir waren een wantrouwig volk en niet alleen om hun handelsbelangen veilig te stellen hadden ze veel spionnen op het vasteland. Ooit waren ze verdreven uit hun landstreek Issopar op het oostelijke deel van het continent en op hun zwerftocht langs de kust van de Meloi-zee naar het westen werden ze wreed vervolgd door Bak- en Kendo-stammen. Zonder hulp van een groepje reuzen, die buitengewone magie beheersten, zouden ze toen zeker zijn uitgeroeid door hun vervolgers. Die reuzen werden in de legenden van de Shir aangeduid als de Mengt Sterrenheren. Ze waren allen van het mannelijk geslacht en reisden in vliegende schepen, die gestationeerd waren op het eiland Sarda. Daar woonde een krijgshaftig volk, de Tat, dat weigerde om zijn vrouwen te laten samenleven met de Mengt. Met meer succes verbonden de Mengt zich daarom met Shir-vrouwen in ruil voor veel technische kennis en tovenarij. Die overeenkomst werd aangeduid als het Verbond van Ion, het Gesplitste, Dat Wat Zonder Het Andere Niet Kan Bestaan. Enkele jaren nadat de Shir zich overtuigend meester hadden gemaakt van de zeven eilanden in de grote oceaan, verdwenen de Mengt net zo geruisloos uit het zicht als ze gekomen waren. Ze hadden zo goed als al hun nakomelingen verzameld en meegenomen. Hun magische erfenis van materievervormers en het gebruik van zonne-energie bezorgde ondertussen de Shir een onaantastbare superioriteit, die echter nooit hun achterdochtige ernstigheid kon oplossen.
In het jaar dat dit verhaal een aanvang neemt, het duizendennegentigste jaar van het Verbond van Ion, werd er wel veel gezongen op Capai. Misschien is er nergens en zeker niet in Igdi of Ogdi ooit enig Bak-volk zo dol op muziek geweest als de bewoners van Capai. Zowel de mannen als de vrouwen zongen met overgave en talent. In de annalen van de Koningin van Capai stonden talloze werkliederen, liederen ter ere van de Aardemoeder maar ook opwindende paringsliedjes beschreven. Die schenen vooral thuis te horen in voorbereidende vruchtbaarheidsrituelen, maar er werd jaloers geroddeld dat de vrouwen van Capai ook uit vreugde zongen tijdens de paring.

DE MOEDER


Nur‑ell‑Guin was in dat Reigerjaar meer dan tot zingen bereid. Ze was naar het vruchtbaarheidsfeest geweest en had veel jonge jongens ontmoet, maar niemand had haar warm gemaakt, terwijl ze in de weken ervoor warm als het binnenste van de Oude Man was geweest. Haar beide zusters hadden niet anders gedaan dan met hun billen gewiebeld, gezongen en de Moeder aangeroepen. Ze hadden zich beiden wellustig met iemand afgezonderd en nu waren ze zwanger, Kath zeker van een tweetal. Dat zou veel zorgen geven, maar liever had Nur die zorgen, dan het gevoel van leegte dat ze nu had. In hun deel van de Hettevallei was zo veel voedsel dat ze moeiteloos wel tien kinderen zou kunnen grootbrengen. De broers van haar moeder waren tot helpen verplicht tot het Ezeljaar om in hun schamele onderhoud te kunnen voorzien, dus niets zou haar kunnen hinderen. Behalve dat de jongens van het grote feest haar gehinderd hadden. Lomp, lelijk, de verkeerde geur, de verkeerde soort kracht. Haar kritische blik verbaasde haar zelf nog het meest. De drie zusters hadden, in navolging van de andere meisjes en vrouwen uit de vallei zichzelf met een penisbeeldje ruim genoeg gemaakt en alle rituele offers gebracht, die nodig waren. Nur had bovendien drie nachten met de schedel van haar grootmoeder op haar buik geslapen en die overdag met de fijnste voorgekauwde offerlekkernijen gevoerd voor haar rotshol. Kath en haar andere zuster, Soetma, zouden gauw dit hol verlaten om in het hol van Birddautkelim te trekken, die was gestorven. Alle tekenen waren goed, de ruimte was groot, het eten was overal en bovendien, het was bepaald haar tijd, hadden de overgrootmoeders gezegd. Na het feest was Nur heel kwaadaardig geweest tegen Kath en Soetma, maar die zich hadden voldaan en lacherig op de buik geklopt en een veilig heenkomen gezocht voor de stenen, die Nur uit bittere afgunst naar hen toewierp. Eén van haar ooms was langs gekomen en had verschillende malen zijn zaadoffer gebracht. Telkens was hij zo echter zo onervaren en onbeheerst te werk gegaan, dat zijn offer overal terecht was gekomen behalve op de goede plaats. Nur had een akelig voorgevoel. Een vreemde pijn, alsof haar tijd al om was. Erger schrikbeeld bestond niet: geen dochters om haar te eren, geen zonen om voor haar te werken! IJspegels barre koude joegen door haar geesteslichaam, alsof de dood er al was zonder te zijn. Om maar iets te doen te hebben was ze knollen gaan zoeken in het bos. Ze had twee goede vuurstenen in haar buidel gedaan om de knollen te kunnen poffen in hete as, zodat ze minder plaats in zouden nemen in haar draagtas als ze terugging. Maar in het bos veranderde haar tijd voor altijd.

DE VADER
De Onderuitvoerder van het Shir Huis van Onderhoud, de Edelheldere Rish Cayobur Hayo, suisde met een hoge snelheid door de hemelsblauwe lucht boven de weelderige jungle van Capai. Zijn vlieggordel, zijn manakonda, stond ingeschakeld op het verharde beschermveld, dat hem zou beschermen tegen pijlen, katapultstenen en andere projectielen van inheemse jagers. Op zijn lange inspectietochten vanuit zijn basis, de stad Utrag op het eiland Bayin, bood het schild bovendien beschutting tegen onverwachte weersveranderingen. Hij waande zich volkomen veilig op zijn spionagemissie. Voor een man van vijfenzestig maanjaren was zijn lichaam in een uitzonderlijk goede conditie. Een strikt dieet en het gebruik van krachtgeladen kristallen en juwelen had daar niet weinig toe bij gedragen. Zijn getrainde tovenaarszintuigen speurden naar ongewone concentraties van mensenmenigten, die strijdmachten zouden kunnen worden, bedreigend voor de macht van zijn volk. Op zijn gemak was hij beslist niet, hoewel hij zowel door zijn Assistenten als door zijn Hoofduitvoerder als een buitengewoon gelijkmatig en evenwichtig man werd beschouwd. Er waren goede redenen voor ongerustheid. Het jaarlijkse orakel van de Zonnetempel had in mysterieuze termen gewaarschuwd voor een catastrofe, die de Koninklijke Dynastie zou bedreigen. Hayo was nauw verwant aan koning Katsin Oatreru en diens ongeluk zou ook hemzelf zwaar treffen.


Er was nog meer dat hem zorgen baarde. Binnen de vele filosofische groeperingen onder de Shir-elite kreeg een bepaald genootschap een onrustbarende aanhang. Deze Doodvorsers schenen geobsedeerd door mogelijkheden om het leven te verlengen en deden daartoe in Hayo's ogen onnatuurlijke experimenten. Vooral hooggeplaatsten hadden kennelijk al van de resultaten geprofiteerd. Tegelijk had dat echter de normale doorstroming in de topfuncties in de Huizen belemmerd. Er werd gemord onder ambitieuze Assistenten, anderen sloten zich huichelachtig bij de Doodvorsers aan in hoop te zijner tijd deelgenoot te worden in die levensverlengende geheimen. Die situatie ergerde Hayo behoorlijk. Er scheen tevens iets te broeien onder de Bindi, de oorspronkelijke bewoners van de Archipel, een lichter getint zustervolk van de Baks van het continent. De Bindi hadden zich nooit tegen de geleidelijke overheersing van de Shir verzet, maar hun op de Moedergodin gerichte religie leek aan te sturen op aanvaringen met de op de Vadergod van de Shir georiënteerde tempelregels. Shir-belastinginners waren in afgelegen streken gemolesteerd en er hadden zich onverklaarbare verdwijningen en ongelukken voorgedaan. Was Cayobur Hayo op dat moment even afgeleid door zijn zorgelijke bespiegelingen?
Voor een toeschouwer, maar die waren er niet, zou het geleken hebben alsof er rondom de gestalte van de vliegende Shir-man een dichte geelgrijze mist was ontstaan. Voor de oude, gedrongen, zwartharige man met de gevorkte baard, die in een ondergrondse jungletempel bewegingloos op een vloermat lag, gebeurde er nog veel meer. Ver van hem vandaan, hoog in de ochtendlucht, bouwden zijn geesteshanden een projectie op van een andere werkelijkheid, die niet meer van de gewone werkelijkheid te onderscheiden was. Naast hem, voor ongeoefende ogen onzichtbaar, zaten drie wonderlijke monstruositeiten, opdrachtgebonden demonen, die mee weefden aan het manipulatieve web. Beeld voor beeld bracht de tovenaar geluid, gevoel en geur over naar het waarnemingsveld van zijn slachtoffer. In de ervaring van Rish Cayobur was er een tijdsprong geweest, die hij, vreemd genoeg, niet had opgemerkt. Voor hem was het alsof hij zojuist was thuisgekomen in zijn appartement bij het Huis van Onderhoud in Utrag. Hij ontsloot de koppeling van zijn vlieggordel met de bedoeling om het apparaat aan een oplaadbeugel te hangen. Een oogwenk later was er geen huis meer, geen beugel, geen manakonda. Ten prooi aan een vreselijke ontzetting begon hij te vallen, het dichtbeboste oppervlak van Capai tegemoet. Zijn mogelijke levenseinde schokte hem minder dan het besef dat iemand de Verboden Kunst tegen hem had gebruikt. Het was een lange val.
De Onderuitvoerder kende natuurlijk de techniek achter deze lage overval, hoewel alleen als een theorie, die hem ooit tijdens zijn Rishe-opleiding was onderwezen. Iemand had hem misleid met een projectie uit zijn eigen geheugen, hem dingen laten doen in de waan dat hij zelf meester van het achterliggende motief was. Zulke dodelijke magie, gericht tegen een lid van hun eigen elite was absoluut taboe onder de Rishe van het Shir-volk. Plots realiseerde hij zich de opvallende afwezigheid van zijn Doodsweten. Niets in zijn wezen was kennelijk bereid noch voorbereid op sterven, daar en toen. Dat besef bracht al zijn energie terug. Hij schreeuwde zijn geheime naam uit en visualiseerde razendsnel horizontale ankerlijnen uit naar twee ver weg gelegen bergtoppen. Langs die lijnen probeerde hij zijn vallende lichaam zo ver mogelijk te verwijderen van de plek des onheils. Naar alle verwachting zou zijn belager immers het lichaam verticaal proberen te lokaliseren met als baken de gevallen manakonda. Hayo's manoeuvre zou in ieder geval dat zoeken aanmerkelijk bemoeilijken. Daarna breidde de tovenaar zijn aura zo ver als hij kon naar beneden uit en maakte de randen ervan zo veerkrachtig mogelijk. Daardoor begonnen talloze kleine schokken zijn val te vertragen. Een dertigtal manslengten boven de boomtoppen schoot hij een vezelankerlint af met zijn Vervormer, dat zich diep in de kroon van een zware kokospalm boorde. Vertwijfeld woeste rukken aan het touw brachten hem wederom vertragend ver uit de verticale valrichting. Ook hielp het maken van enkele opwaartse salto's. Toen was het zo ver.
Een razend geweld van brekende en zwiepende takken barstte op hem los. De tovenaar had zijn aura weer maximaal ingetrokken en verhard en het ving de ergste klappen op. Toch konden al zijn voorbereidingen hem niet tegen een allervreselijkste pijniging beschermen. In een fractie van een moment raakte namelijk zijn linkerpols klem in een gevorkte tak. De kracht van zijn omlaag bonkende lichaamsgewicht scheurde de hele arm met tuniek en al los uit het schoudergewricht. Heftig bloedend uit de slagader stortte de onfortuinlijke man daarna wat langzamer door een wirwar van lianen verder naar de grond. Twee keer leek het inmiddels bewusteloze lijf stil te liggen in de dichte begroeiing, maar dan zakte het ook daar weer door. Aan de voet van een omvangrijke wortelboom viel de man als een zak meel ineen, vier of vijf voet verwijderd van een rookloos vuur. Daarachter stond diep geschokt een jonge, donkerhuidige vrouw.
Met wijd opengesperde ogen en de handen voor de mond om een krankzinnig gegil te onderdrukken staarde Nur-ell-Guin naar de man, die uit de hemel was komen vallen. Een veel lichter gekleurde, oudere man, rijk gekleed in een groene tuniek. Al haar licht kroezende haar leek geëlektrificeerd overeind te staan. Maar dood of nog net niet, de man bloedde enorm uit de opengescheurde oksel en uit een afzichtelijke buikwond. In een volstrekte tegenstelling tot het vreselijke schouwspel dat zijn lichaam bood, stond echter het vredige gezicht van deze hemelverlater. Misschien was het zijn uitdrukking van onzegbaar vertrouwen, die Nur tot handelen bewoog? Er werd een oeroud instinct in haar wakker, dat van de genezeres. Zonder verstandelijke pauze greep ze een dikke brandende tak uit het vuur en schroeide ze in één beweging het gapende vlees van de schouderwond dicht. Ze knielde neer en duwde de uitpuilende darmen terug in de open gerafelde buikholte. Ze trok de losse flarden spier en huid over de wond heen en graaide naar plukken van het weelderige mos, dat overal onder de boom groeide. Dat zou het ergste bloeden stelpen, wist ze. Er stonden berkenbomen in de buurt zag ze. Met repen bast zou ze een mosverband kunnen maken. Pas toen dat gelukt was, nam ze de tijd om alle mogelijke gevolgen van haar impulsieve handelingen te overzien. Een gouden polsarmband; het moest een héél rijke man zijn. Ze palmde het grootste deel van het dunne maar wonderlijk sterke vezelkoord in, dat nog aan het vreemde toestel in de onbeschadigde rechterhand vast zat.

`Dat koord brengt op de markt van Tsjonghedjingo heel veel op,' dacht ze. `En de rest niet minder.'

Laarzen van zeeleeuwenhuid, een man uit het eilandenrijk, één van de Shir wist ze. Het mysterie van zijn val was te groot voor haar bevattingsvermogen, dus ze bleef bij de praktische zaken.

`Als hij doodgaat, is dit allemaal voor mij. Een geschenk van de Godin. En als ik hem in leven houd, zal hij me belonen zoals nog nooit iemand op Capai beloond is. Hij is een waarlijk geschenk.'



Nur ging naast hem zitten, wachtend op de beslissing van de Aardemoeder. Leven of sterven, beide mogelijkheden vervulden haar het grote blijdschap. Ze had alle tijd.



Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina