Cursussen Beroep



Dovnload 148.6 Kb.
Datum21.09.2018
Grootte148.6 Kb.



Cursussen Beroep
In de onderwijseenheden van de leerlijn beroep leert u alles op het terrein van de zogenaamde generieke kennisbasis. In deze kennisbasis is vastgelegd wat een tweedegraads docent theoretisch zou moeten weten en kunnen toepassen in zijn dagelijks pedagogisch-didactisch handelen. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld zaken als leertheorie, verschillende didactische modellen, de ontwikkeling van de puber/adolescent en pedagogisch omgaan met de grote diversiteit aan leerlingen die het beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs rijk is. Er zijn op dit moment twee routes in de beroepslijn: AVO-profilering en BO-profilering. Deeltijdstudenten van de vakgroepen GZW en Omgangskunde volgen de BO-profilering, de overige studenten op dit moment nog in alle gevallen de AVO-profilering. De AVO-profilering bestaat uit de modules beroep 1, 2, 3a, 3b, 4, 5, 6 en 7, de BO-profilering uit de modules beroep 1, 2, 3a, 3b, 4 en docent in het beroepsgerichte onderwijs.



Omschrijving:

Beroep 1: Lesgeven in het VO / Beroepsonderwijs

De belangrijkste taak van een docent is lesgeven in een schoolorganisatie. Om een les/onderwijsactiviteit goed te laten verlopen is het van belang dat deze goed voorbereid en uitgevoerd wordt. Ter afsluiting van de les is het van belang dat er geëvalueerd wordt welke leerresultaten er zijn behaald. In deze cursus maakt de student kennis met de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van een les. Ook wordt er ingegaan op de rollen van de docent en begeleiden van het leerproces bij de leerlingen. Er wordt kennisgemaakt met de (mogelijk) toekomstige werkvelden; het voortgezet onderwijs en het beroepsgericht onderwijs. De student krijgt training in vaardigheden die nodig zijn om een les goed te laten verlopen. Daarnaast wordt in deze module gestart met de ontwikkeling van het onderzoekend vermogen van studenten. De student verwerft basale informatievaardigheden en leert observeren met een bestaand observatie-instrument. Aan het einde van de cursus zal formatief getoetst worden of de student het taalniveau 3F beheerst. Tijdens de cursus wordt gebruik gemaakt van de blended leeromgeving: dit wordt vormgegeven door middel van werkcolleges, samenwerken binnen leerteams en de HUbl site. Informatie over de inhoud van de cursus, de materialen en de werkwijze is te vinden op de HUbl site.


De student:

  1. beschrijft vanuit zijn rol als toekomstig docent, zijn visie op het begeleiden van het leerproces van zijn toekomstige leerlingen,

  2. onderzoekt zijn (mogelijk) toekomstige werkveld en onderkent zijn pedagogisch/didactische taken binnen

het VO en Beroepsonderwijs,

  1. verwerkt de verschillende onderdelen van het model didactische analyse (beginsituatie, leerdoelen,

leerstof, leeractiviteiten, leermiddelen en evaluatie) in een lesplan en verantwoordt alle gemaakte keuzes

vanuit de verplichte literatuur,



  1. voert een les(onderdeel) uit waarbij hij de uitgangspunten van effectief klassenmanagement toepast,

  2. voert een les(onderdeel) uit waarbij de uitgangspunten van directe instructie worden toegepast,

  3. voert op de gevraagde methodische en kritische wijze een eenvoudig observatieonderzoek uit, met behulp van het ICALT-instrument,

  4. schrijft een uiteenzettende, informatieve tekst waarin verschillende bronnen op een synthetiserende manier gebruikt zijn, met een goede en logische samenhang, een adequate woordkeuze en een goede

afstemming op het publiek.
Toetsing

Het taalvaardigheidsdoel wordt formatief getoetst, wat wil zeggen dat door middel van feedback de student zicht krijgt op het eigen niveau van schrijven. Hierop wordt verder gereflecteerd binnen Studie en Werk 1A. Indien de schrijfvaardigheid minder is dan het 3F niveau waarmee een HAVO-leerling instroomt, wordt van de student verwacht een plan te maken om de schrijfvaardigheid dusdanig te verbeteren dat aan het einde van de

propedeuse het 3F niveau wel bereikt is.
De overige doelen van de cursus worden getoetst door middel van een dossier. Het dossier bestaat uit:

a) Een inleiding waarin de student vanuit zijn rol als toekomstig docent, zijn visie op het begeleiden van het leerproces van zijn toekomstige leerlingen beschrijft en zijn (mogelijk) toekomstige werkveld onderzoekt.

b) Een lesplan, aangevuld met toelichting en onderbouwing van de gemaakte keuzes.

c) Een terugblik op de gegeven les en de leerwinst, inclusief feedback aan de hand van het observatieonderzoek en verantwoord vanuit de literatuur.


Boeken

Slooter, M. (2009). De vijf rollen van de leraar. Amersfoort: CPS.

Van der Donk, C., & Van Lanen, B. (2016). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho.

Geerts, W., & Van Kralingen, R. (2016). Handboek voor leraren. Bussum: Coutinho.






Beroep 2: De leerling

Om als docent goed om te kunnen gaan met een groep leerlingen is het belangrijk te weten wie de leerlingen zijn die je lesgeeft, hoe je het gedrag van je leerlingen zou kunnen verklaren en welke groepsprocessen er spelen in de klas. In deze module leert de student over de ontwikkeling van de mens tijdens de adolescentie (10-22 jaar).



In deze periode ontwikkelt iemand zijn vermogen om emoties en impulsen te controleren, verwerft autonomie ten opzichte van ouders en leeftijdsgenoten, is er een toenemend inlevingsvermogen in de ander en een toenemend gevoel van verantwoordelijkheid voor zichzelf en anderen. Kortom, iemand verwerft zich in deze periode een eigen identiteit. We besteden aandacht aan diverse aspecten van adolescentieontwikkeling. Wat gebeurt er biologisch en psychoseksueel? Wat speelt er op cognitief vlak? Hoe verloopt de psycho-sociale en morele ontwikkeling? Welke rol spelen het gezin, leeftijdsgenoten, de maatschappelijke en culturele context waarin een jongere groot wordt? Welke invloed heeft de klas als groep op het gedrag van de leerling? De student leert in deze module de belangrijkste theorieën en modellen op deze gebieden kennen. In de module hebben we ook oog voor de wijze waarop een docent om kan gaan met de diversiteit tussen leerlingen. De eigen inbreng van de docent is van belang: op welke wijze kan hij aansluiten bij de ontwikkeling van zijn leerlingen? Hoe kan hij anticiperen op het gedrag van adolescenten in de groep? Van belang is dat je als student zelf ook oefent met het contact met de adolescent als leerling. Hoe zorg je voor openheid en veiligheid tijdens een gesprek, en welke rollen neem je daarbij in?
De student:

  1. geeft vanuit diverse actuele bronnen (film, literatuur, onderzoeksgegevens, etc.) een beeld van de diversiteit in gedrag van adolescenten in de vorm van een adolescentenportret,

  2. verklaart verschillen in gedrag van adolescenten middels ecologische systemen, zoals benoemd in de theorie van Bronfenbrenner,

  3. analyseert gedrag van adolescenten aan de hand van de belangrijkste kennis en theorieën rondom de cognitieve, morele, seksuele, biologische en persoonlijkheids- dan wel identiteitsontwikkeling,

  4. omschrijft hoe docenten in hun handelen rekening kunnen houden met of aan kunnen sluiten bij verschillende aspecten van de ontwikkeling van de adolescent,

  5. verklaart gedrag van adolescenten in de klas aan de hand van theorieën over groepsontwikkeling,

  6. geeft onderbouwde aanbevelingen hoe als docent te anticiperen op gedrag van adolescenten in en als groep,

  7. draagt zorg voor veiligheid in een individueel gesprek met een adolescent door passende vaardigheden adequaat in te zetten,

  8. bevordert openheid in een gesprek met een adolescent door passende vaardigheden adequaat in te zetten,

  9. herkent egoposities, zoals benoemd in de transactionele analyse, in de eigen interactie met een leerling,

  10. voert op de gevraagde methodische wijze een eenvoudig onderzoek uit naar de belevingswereld van jongeren in het onderwijs, zet hierbij de dataverzamelingsmethode interviewen in,

  11. schrijft een uiteenzettende, informatieve tekst met een goede en logische samenhang, een adequate

woordkeuze, een goede afstemming op publiek en met slecht incidentele fouten op het vlak van taalverzorging (3F).
Toetsing

Het taalvaardigheidsdoel 11 wordt in deze cursus formatief getoetst. De student oefent met de schrijfvaardigheid en krijgt feedback op de aangegeven voorbeelden. Aan het einde van studiejaar 1 wordt dit leerdoel summatief getoetst bij beroep 3a.

De overige doelen worden getoetst met twee producten: een adolescenten portret en een onderzoeksverslag.
Boeken

Van der Wal, J. & De Wilde, J. (2011). Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding. Bussum: Coutinho.

Van der Donk, C., & Van Lanen, B. (2016). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho.

Geerts, W., & Van Kralingen, R. (2016). Handboek voor leraren. Bussum: Coutinho.






Beroep 3a: leerprocessen

In beroep 3a staat de lerende leerling centraal. Hoe leren mensen en in het bijzonder pubers? waar moet je als docent nou rekening mee houden als het gaat om wat we weten over de werking van het geheugen, het puberbrein, leerprocessen, leren leren en motiveren van pubers? Dit is een module waarin je veel theoretische dingen leert die later van belang zijn bij het lesgeven. Deze theorie proberen we in deze oriënterende fase van je studie concreet te maken door met je te kijken naar jouw visie op leren, jouw manieren van leren (metacognitie) en dat wat jouw motiveert in een onderwijssituatie en voor het beroep van leraar. Daarnaast kijk je door middel van een klein onderzoekje op je eigen leerwerkplek hoe gemotiveerd leerlingen en hoe motiverend hun leeromgeving op dit moment is. Je ontwerpt voor deze leerlingen vervolgens een leeractiviteit die leerlingen meer zou kunnen motiveren. Hierin laat je zien de geleerde theorie toe te kunnen passen. Daarnaast oefen je in de bijeenkomsten hoe je zó kunt communiceren met leerlingen dat ze gemotiveerd raken op het moment dat ze dat niet zijn.


De student:

  1. Beschrijft de verschillende leeropvattingen, leersoorten en kennisniveaus en herkent deze in praktijkvoorbeelden,

  2. formuleert zijn eigen opvatting over leren en onderbouwt deze vanuit literatuur en praktijkervaringen,

  3. herkent in casuïstiek de kenmerken van de behavioristische, cognitivistische, constructivistische en handelingspsychologische leertheorieën,

  4. legt uit vanuit casuïstiek hoe een docent in het pedagogisch-didactisch handelen rekening kan houden met de wijze waarop het geheugen werkt en welke rol de ontwikkeling van de executieve functies speelt in het leerproces van adolescenten,

  5. beschrijft verschillen tussen leerlingen van verschillende schoolniveaus en/of binnen een klas op het gebied van leervaardigheden (metacognitie), leerstijlen en leeraanpak

  6. reflecteert op de eigen leervaardigheid, leerstijl en leeraanpak,

  7. beschrijft in een specifieke praktijkcasus hoe een docent in het handelen tegemoet komt aan basisbehoeften van leerlingen: autonomie, competentie en relatie,

  8. benoemt verschillen tussen autonomieondersteunend en controlerend leraarsgedrag en laat autonomieondersteunend gedrag zien binnen een oefensituatie,

  9. weet zijn eigen leerwerkplek adequaat te typeren in termen van de controlerende, motiverende, veeleisende of permissieve leeromgeving met behulp van de bestudeerde literatuur,

  10. voert op de gevraagde methodische en kritische wijze een eenvoudig vragenlijstonderzoek uit naar de motivatie van een klas leerlingen op de leerwerkplek,

  11. schrijft een uiteenzettende, informatieve tekst met een goede en logische samenhang, een adequate woordkeuze, een goede afstemming op publiek en met slecht incidentele fouten op het vlak van taalverzorging (3F).



Toetsing

De cursus wordt afgesloten met een kennistoets en een dossier.

Het dossier bestaat uit het ontwerp van de motiverende leeractiviteit dat verantwoord wordt vanuit theorie, het onderzoeksverslag en een reflectie op de eigen aanpak van leren.
Boeken

Ros, A., Castelijns, J., & Van Loon, A. (2014). Gemotiveerd leren en lesgeven. De kracht van intrinsieke



motivatie. Bussum: Coutinho.

Van der Veen, T. & Van der Wal, J. (2016). Van leertheorie naar onderwijspraktijk. Groningen: Noordhoff.

Van der Donk, C., & Van Lanen, B. (2016). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho.





Beroep 3b: Ontwerpen van onderwijs

Eén van je kerntaken als docent is het lesgeven in je eigen vak. Om dat goed te kunnen, is er meer nodig dan de inhoud zelf begrijpen en goed kunnen uitleggen. Je moet als docent een les zo vorm geven dat er leerprocessen bij leerlingen op gang komen. De vraag die centraal staat in deze module isin de eerste plaats wat leerlingen in een les zouden moeten doen om iets te leren en pas in de tweede plaats wat jij als docent moet doen om dat op gang te brengen. Deze manier van denken, is ook de kern van het didactische concept op basis waarvan we binnen Instituut Archimedes ons eigen onderwijs voor jou proberen vorm te geven. In beroep 3b leer je dat concept beter kennen en ga je van daaruit zelf een les ontwerpen. We gebruiken hiervoor het curriculaire spinnenweb van SLO als basis. Dat spinnenweb helpt je om vanuit een eigen geformuleerde visie een goede lesopzet te maken met een heldere lijn van leerdoelen via leeractiviteiten naar toetsing. Het effectief gebruiken van ICT-tools heeft in deze module daarbij een belangrijke plaats. Je maakt een lesontwerp in een gesimuleerde omgeving, wat wil zeggen dat je werkt vanuit een gegeven, specifieke casus. Je werkt in beroep 3b samen met andere studenten in een ontwerpteam. Je leert hiermee samenwerken en tegelijkertijd de principes die samenwerkend leren tot een succes kunnen maken. Je oefent met het geven en ontvangen van feedback op gemaakte opdrachten en leert om bij samenwerken niet alleen taken te verdelen maar anderen actief te betrekken bij jouw leerproces (en vice versa). Gezamenlijk schrijven jullie een visie, voeren analyses en onderzoek uit en ontwerpen het gevraagde eindproduct. In de module is er niet alleen aandacht voor hoe je les er op papier uit zou moeten zien. Als docent interacteer je tijdens een les regelmatig met een groep leerlingen. In de bijeenkomsten oefenen we met diverse technieken die je kunnen helpen om leerlingen actief te betrekken bij de les tijdens het geven van een instructie.


De student:

  1. Onderkent het belang van diep en effectief leren en het recht doen aan verschillen tussen leerlingen. Dit uit zich in een lesontwerp waarin gebruikt gemaakt wordt van differentiërende, activerende werkvormen om leerlingen uit te dagen actief, zelfsturend deel te nemen aan hun leerproces en het effectief inzetten van relevante ICT-tools.

  2. Formuleert een visie (hart van curriculaire spinnenweb) als basis voor het lesontwerp. Deze visie geeft een goed beeld van hoe de student rekening wil houden met de trends in het eigen vak, de context (niveau en kenmerken van leerlingen) waarin lesgegeven wordt en het onderwijsconcept van de school.

  3. Beschrijft, in samenwerking met anderen, de visie, op een goed samenhangende en leesbare wijze waarbij argumenten voor en tegen duidelijk weergegeven zijn en de gegeven mening goed onderbouwd is. De visie heeft een lay-out en paragraafindeling die de tekst begrijpelijk maakt, is qua taalverzorging vrijwel foutloos en goed afgestemd op de beoogde lezer (collega's).

  4. Formuleert adequate leerdoelen, leeractiviteiten en toetsing (draden curriculaire spinnenweb) passend bij de gemaakte analyses en geformuleerde visie.

  5. Doorloopt het proces van ontwerpen en het opleveren van opdrachten binnen een ontwerpteam. Geeft adequate en constructieve feedback op persoonlijke bijdragen van individuele teamleden, neemt verantwoordelijkheid voor individuele en groepsbijdragen, managet als team het proces om het zo gezamenlijk tot een goed einde te brengen.

  6. Oefent instructievaardigheden in een gesimuleerde context.

  7. Voert, in samenwerking met anderen, op de gevraagde methodische en kritische wijze een eenvoudig beschrijvend onderzoek uit naar misconcepties van leerlingen.


Toetsing

Deze cursus heeft twee toetsen: een vaardighedendossier en een opdracht.

Het vaardighedendossier bestaat uit activiteiten (bijvoorbeeld peerfeedback, oefenen met instructietechnieken) die je tijdens de bijeenkomsten uitvoert. Deze activiteiten worden, wanneer je ze actief betrokken hebt uitgevoerd, afgetekend. Het dossier moet uiteindelijk voldaan zijn om de module te behalen. Voor deeltijdstudenten die kiezen voor BL2 of LOT bestaat het vaardighedendossier uit een reeks opdrachtjes waarmee aangetoond wordt dat dezelfde activiteiten in een leerteam of de eigen onderwijspraktijk al eens uitgevoerd zijn. Ook wanneer je in een bijeenkomst waarin een vaardigheid uit et dossier aan bod komt niet aanwezig bent, krijg je zo’n vervangende opdracht waarmee je aantoont de activiteit in eigen tijd te hebben uitgevoerd. De cursus wordt afgesloten met een opdracht gemaakt in een ontwerpteam. Het dossier bestaat uit jullie geformuleerde visie, uitgevoerde onderzoek en analyses, het lesontwerp, de verantwoording hiervan en reflectie op de samenwerking.
Boeken

Lemov, D. (2016). Teach like a champion. 49 technieken om leerlingen te laten excelleren. Meppel: Ten Brink.

Van Slobbe, P., & Van Ast, M. (2016). Kleppen dicht!Effectief leren met ICT. Huizen: Pica.

Van der Donk, C., & Van Lanen, B. (2016). Praktijkonderzoek in de school. Bussum: Coutinho.






Beroep 4: de leraar als pedagoog

Waarom is ooit school uitgevonden? Komen leerlingen daar puur om hun diploma te halen en moet jij dan als docent zorgen dat ze de eindtermen van jouw vak behalen of ligt je taak breder? Vanuit de maatschappij krijgt het onderwijs verschillende opdrachten. Naast het kwalificeren van leerlingen voor een beroep of vervolgopleiding heeft onderwijs ook de opdracht om leerlingen persoonlijk te vormen (bildung) en goed voor te bereiden op kunnen participeren in de maatschappij (burgerschapsvorming). In beroep 4: de leraar als pedagoog kijken we naar jouw rol als pedagoog. Dat gaat van je dagelijkse handelen in de klas om te zorgen voor een goed klassenklimaat (orde houden) tot jouw opvattingen over de rol als pedagoog. Om professioneel pedagogisch te kunnen handelen in de klas, is het belangrijk dat een docent weet hoe de eigen persoonlijke opvoeding en het eigen referentiekader dit pedagogisch handelen beïnvloedt. In deze cursus ontwikkel je daarom een visie op pedagogisch handelen in de klas door vanuit verschillende perspectieven te kijken naar de eigen opvoeding, het eigen referentiekader en keuzes die er zijn ten aanzien van pedagogisch handelen. Je leert hoe pedagogisch handelen tijd-, cultuur- en plaats bepaald is, bekijkt ethische kwesties in je eigen beroepspraktijk en leert welke aspecten opvoeden in de klas zelf heeft. We oefenen concreet met de vaardigheden die nodig zijn om orde te houden in een groep leerlingen en te zorgen voor de benodigde sociale veiligheid. Dit alles om te zorgen dat leerlingen uiteindelijk goed kunnen leren en ontwikkelen.


De student:

  1. Onderkent het belang van zijn of haar rol als pedagoog op het vlak van een veilige en gestructureerde leeromgeving, persoonsvorming en burgerschapsvorming. Geeft aan wat naast de eigen persoon, het eigen vak hierbij voor toegevoegde waarde heeft.

  2. Beargumenteert de pedagogische opdracht van de leraar in het AVO/BO. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de aangeboden literatuur, de actuele maatschappelijke ontwikkelingen, de analyse van eigen opvoeding m.b.v. o.a. de transactionele analyse, eigen levensovertuiging, waarden en normen.

  3. Relateert de eigen opvattingen over opvoeden expliciet aan de diverse pedagogen en hun benaderingen die in de cursus aan bod komen.

  4. Oefent met het tot stand brengen van een veilig pedagogisch klimaat (orde houden).

  5. Benoemt pedagogisch gedrag dat helpt om een veilig pedagogisch klimaat en krachtige leeromgeving tot stand te brengen en relateert dit aan de eigen pedagogische opvattingen.

  6. Verantwoordt een keuze die gemaakt moet worden in een ethisch en/of moreel dilemma, zoals zich dat voor kan doen in de praktijk van een docent, laat hierbij een adequate morele redenatie zien.

  7. Betoogt op een adequate manier. Wat wil zeggen dat er in de toetsopdrachten sprake is van goede samenhangende en leesbare teksten waarin standpunten worden onderbouwd met argumenten voor en tegen en er sprake is van ondergeschikte punten. Gegeven argumenten worden onderbouwd met theorie, feiten, ervaringen en waar nodig concrete verwijzing naar passende bronnen.


Toetsing

De cursus wordt afgerond met twee deeltoetsen:

1. formatieve kennis- en vaardighedentoets

2. schrijfopdracht

De formatieve kennis- en vaardighedentoets is een toets die bestaat uit verschillende onderdelen die je kunt doen tijdens de bijeenkomsten:


  • kennistoetsje over het boek ethiek en historische pedagogiek (materiaal op HUbl)

  • oefeningen op het vlak van orde houden

  • oefeningen op het vlak van moreel redeneren

  • oefeningen op het vlak van het opzetten van een argumentatiestructuur

Het kennistoetsje moet je voldoende halen en kun je op meerdere aangegeven momenten tijdens de cursus doen. De oefeningen worden gedaan in de bijeenkomsten en afgetekend door je docent wanneer je actief hebt deelgenomen. Dit moet allemaal voldaan zijn om uiteindelijke de cursus af te ronden. Je krijgt geen verdere beoordeling of cijfer. Voor studenten die kiezen voor BL2, LOT of om andere redenen niet bij de betreffende bijeenkomsten aanwezig zijn, geldt dat ze zelf het bewijs leveren dat ze de oefeningen in eigen tijd, binnen een leerteam of op hun leerwerkplek uitgevoerd hebben (bijvoorbeeld d.m.v. video-opname). De cursus wordt afgesloten met een schrijfopdracht op basis van casuïstiek. Je krijgt een casus voorgelegd met daarin een lastige praktijksituatie. Je beschrijft hoe jij zou handelen en onderbouwt dit vanuit een beargumenteerde visie op jouw rol als pedagoog.
Boeken

Teitler, P. (2013). Lessen in orde. Bussum: Coutinho.

Van Dalen, W. (2012). Ethiek: de basis. Morele competenties voor professionals. Groningen: Noordhoff Uitgevers.





Beroep 5: Leren omgaan met verschillen

De regering (Wet op Passend onderwijs, 2012) heeft bepaald dat elk samenwerkingsverband, elk school, iedere docent passend onderwijs moet aanbieden. In deze cursus leert de student, in dat kader, om te gaan met verschillen in leren en gedrag in de onderwijsberoepspraktijk. Passend onderwijs richt zich vooral op dat wat nodig is, om zowel op schoolniveau als op klasniveau, om te leren gaan met verschillen. Handelingsgericht werken kan hierbij een aanpak zijn.

Omdat de eigen opvattingen over leerlingen in het algemeen en leerlingen met leer- en gedragsproblemen in het bijzonder, bepalend zijn voor het handelen van de docent wordt in de cursus uitgebreid aandacht besteed aan deze eigen opvattingen. Aan de hand van de methode Professional in de Spiegel (Touw, 2009) wordt gekeken naar zogenaamde ‘constructen’. Studenten krijgen een beeld van het eigen denken over leerlingen en van de wijze waarop dit van invloed kan zijn op de interactie tussen de docent en de leerling. Immers, gedragsproblemen zijn interactieproblemen (Overveld van, 2011) In de cursus beroep 6 komt dit thema terug als het gaat om culturele en seksuele diversiteit van leerlingen. Als het gaat om diversiteit wordt in deze cursus vooral gekeken naar de thema’s leren en gedrag. De student leert de specifieke onderwijsbehoeften die leerlingen hebben op basis van leerstoornissen (dyslexie/dyscalculie), hoogbegaafdheid of gedragsproblemen/gedragsstoornissen. Om les te kunnen geven in een klas met een diversiteit aan leerlingen is kunnen differentiëren onontbeerlijk. In deze cursus leert de student de basiskennis en -vaardigheden op het gebied van differentiëren. De cursus heeft als ideale uitkomst dat de student een goed onderbouwde visie kan formuleren op passend onderwijs en laat zien te weten welke consequenties die visie heeft op het eigen pedagogische (begeleiden van ontwikkeling) en didactische (differentiëren in de les) omgaan met verschillen tussen leerlingen op het gebied van leren en gedrag.

De student:



  1. Benoemt de (wettelijke) verantwoordelijkheden van scholen met betrekkingen tot leerlingen met leer- en/of gedragsstoornissen en omschrijft hoe de zorgstructuur op zijn (leer/werk)-school wordt vormgegeven op basis van de HGW uitgangspunten.

  2. Beargumenteert de eigen positie ten opzichte van passend onderwijs en welke consequenties dit heeft voor het professioneel handelen ten aanzien van het begeleiden van leerlingen.

  3. Beschrijft de samenhang tussen persoonlijke overtuigingen (constructen) ten aanzien van leerlingen en in het bijzonder van leerlingen met speciale behoeften en het uiteindelijke eigen denken en professionele handelen.

  4. Herkent en benoemt de symptomen en kenmerken bij leerlingen op het gebied van de belangrijkste leer- en gedragsproblemen.

  5. Herkent en benoemt de mogelijke ondersteuning die school kan bieden in het geval van leer- en gedragsproblemen.

  6. Ontwerpt en verzorgt een les waarin begeleiden van leerlingen en differentiëren in de les herkenbaar zijn afgestemd op de groep met daarin leerlingen met een speciale onderwijsbehoeften en beargumenteerd vanuit de theorie de keuzes die gemaakt zijn.

  7. Schrijft een dossier dat qua tekst en samenhang geschreven is op gevorderde niveau 4F.


Toetsing

Deze cursus wordt afgesloten met de volgende deeltoetsen:

1. Schriftelijk tentamen

2. Dossier

Het dossier omvat een visie op passend onderwijs, een ontwikkelingsperspectiefplan en de opzet van een les met speciale aandacht voor differentiatie.
Boeken

Berben, M., & Van Teeseling, M. (2015). Differentiëren is te leren. Omgaan met verschillen in het voortgezet onderwijs. Amersfoort: CPS.

Van der Wolf, K., & Van Beukering, T. (2009). Gedragsproblemen op scholen. Leuven / Den Haag: Acco. (In deze cursus hoofdstuk 1 t/m 4 en 8)

Van Overveld, K. (2014). Groepsplan gedrag in het voortgezet onderwijs. Planmatig



werken aan Passend Onderwijs. Huizen: Pica.




Beroep 6: Diversiteit, cultuur en onderwijzen

De diversiteit in de samenleving stelt iedere dag weer nieuwe vragen aan het onderwijs en vooral aan de docent. Scholen hebben de taak de leerlingen bewust bekwaam op te leiden zodat zij straks deel kunnen nemen aan die bestaande pluriforme samenleving. De zoektocht naar een juiste aanpak is groot en professionaliteit op het terrein van diversiteit is binnen het onderwijs nog niet vanzelfsprekend.

Tijdens deze cursus maakt de student kennis met verschillende aspecten binnen het domein diversiteit. De belangrijkste uitdagingen die onze pluriforme maatschappij met zich meebrengt voor het onderwijsveld komen aan de orde en de student wordt uitgedaagd om na te denken over de eigen attitude ten aanzien van diversiteit en wat adequaat pedagogisch-didactisch handelen in deze kan bijdragen aan het opleiden van leerlingen.
De student:


  1. Ontwerpt vanuit caleidoscopisch denken over diversiteit een profiel van een docent die expert en inspirator is op het gebied van omgaan met diversiteit in de beroepspraktijk van het voortgezet onderwijs, koppelt hieraan zijn eigen professionele ontwikkeling en reflecteert op de eigen ontwikkeling.

  2. Analyseert welke invloed zijn eigen socialisatieproces heeft op zijn waarden, normen en constructen en vergelijkt deze vanuit een transculturele houding met die van diverse andere personen en begrijpt door van perspectief te wisselen de zienswijze van de ander.

  3. Ontwerpt lessen en lesmateriaal waarin hij gelijkwaardige kansen creëert voor alle leerlingen om zich te ontwikkelen en legt uit hoe hij zijn interactie bewust inzet om bij te dragen aan de ontwikkeling van alle leerlingen.

  4. Past verschillende dialogische technieken toe om leerlingen te leren omgaan met diversiteit en voert interculturele gesprekken.

  5. Beargumenteert een visie op burgerschapsvorming. Beschrijft in aansluiting hierop hoe leerlingen worden voorbereid op hun rol in de pluriforme samenleving en welke rol diversiteit en gemeenschappelijke waarden hierin hebben.


Toetsing

De cursus wordt afgelopen met de volgende deeltoetsen:

1. Schriftelijk tentamen

2. Dossier met opdrachten


Boeken

Loeffen, T. & Tichelaar, H. (2013). Retourtje inzicht. Bussum: Coutinho.

Van der Heijde, H., Kampman, L., & Bruin, K. (2016). Culturele diversiteit in de klas. Bussum: Coutinho.





Beroep 7: de leraar als mentor

Docenten hebben in het onderwijs naast hun lesgevende taak vaak een taak als mentor. Als mentor ben je spil in de leerlingbegeleiding. In individuele gesprekken en in mentorlessen begeleid je leerlingen bij het leren leren, het maken van studiekeuzes en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast behoort het bevorderen van het groepsproces tot je verantwoordelijkheden en ben je de belangrijkste schakel tussen leerling, collega’s en ouders.

In deze cursus ontwikkel je visie en vaardigheden om als mentor in het voortgezet onderwijs te functioneren. Hierbij wordt specifiek aandacht besteed aan gespreksvaardigheden en aan het werken aan sociale veiligheid in een klas. Dit vraagt naast de vaardigheden die je nodig hebt om je vak te kunnen geven om aanvullende begeleidingsvaardigheden. En omdat begeleiden als professioneel handelen niet los kan worden gezien van de persoon die de begeleiding uitvoert, betekent dit dat het begeleiden van leerlingen je ook confronteert met jezelf.

Je leert daarom in deze cursus niet alleen wat taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een mentor zijn en welke gespreksvaardigheden je hierbij gebruikt, maar je onderzoekt ook vragen als: wat is mijn bijdrage in de begeleiding? Wat doet de leerling met mij? Hoe reageer ik daar op? Word ik persoonlijk door de leerling geraakt? En hoe dan? En hoe beïnvloedt dit mijn begeleidende houding tijdens leerlingbegeleiding? Persoonlijke en professionele ontwikkeling gaan in deze cursus hand in hand.


De student:

  1. Analyseert de rol van mentor en plaatst de begeleiding van leerprocessen, ondersteuning bij studiekeuzeprocessen en hulp bij sociaal-emotionele problemen in de context van een school.

  2. Voert een gesprek waarin hij verschillende gespreksinterventies op de vier gespreksniveaus inzet, passend bij het doel van het gesprek en zijn gesprekspartner.

  3. Onderscheidt groepsdynamische processen in een klas en ontwerpt een mentorles waarin het

groepsproces positief wordt gestimuleerd.

  1. Legt uit hoe de mentor een veilige leef- en werksfeer creëert waarmee de sociaal-emotionele, morele en autonome ontwikkeling van leerlingen wordt bevorderd en ingespeeld wordt op hun psychologische basisbehoeften.

  2. Geeft vorm aan leerprocessen gericht op het aanleren van studievaardigheden, keuzevaardigheden of levensvaardigheden.

  3. Analyseert hoe hij gebruik kan maken van zijn eigen kwaliteiten en mogelijke rollen in de samenwerking met anderen.

  4. Reflecteert met behulp van gedragspsychologische kennis van concepten als transactionele analyse, projectie en overdracht op zijn gedrag in interactie met leerlingen en beschrijft mogelijkheden om zijn professionele handelen te verbeteren.

  5. Beargumenteert wat belangrijk is in het mentoraat en kan dit onderbouwen met waarden, normen en professionele opvattingen.

  6. Verantwoordt de professionele opvattingen, werkwijzen, grenzen en benaderingen van de mentor aan leerlingen, ouders van leerlingen, collega’s en andere belanghebbenden.

  7. Schrijft een verantwoording van een lesopzet waarbij de tekst qua samenhang en afstemming op het publiek geschreven is op gevorderd 4F niveau.


Toetsing

De cursus wordt afgerond met een dossier met daarin een sterkte-zwakte analyse van de leerlingbegeleiding op de eigen werkplek en een opzet voor een mentorles.


Boeken

Groothuis, M., & Verkuyl, H. (2014)1. Mentor in het voortgezet onderwijs. Gids voor een aanpak met visie.

Amsterdam: Uitgeverij Boom Nelissen.

Tressel, J. (2012). De beroepsbekwame mentor. Het ontwikkelen van begeleidingskundige professionaliteit. Den Haag: Boom Lemma uitgevers.






Docent in het beroepsgerichte onderwijs

In het eerste deel van de cursus leer je het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs kennen. Je oriënteert je op de meest recente ontwikkelingen ten aanzien van de domeinen en de kwalificatiestructuur en op kernconcepten van het leren in een beroepsgericht traject. Je verdiept je in de meervoudige taak van een docent in het (v)mbo en wat dit betekent voor de professionele identiteit van de docent beroepsgericht onderwijs.  Daarnaast leer je vorm te geven aan leerprocessen in het (v)mbo, waarbij je rekening houdt met de specifieke leeruitkomsten van het beroepsonderwijs, de beroepen waartoe je leerlingen en studenten opleidt, de verschillende settingen waarin leren plaatsvindt (schoolse – en werkplek gerelateerde leeromgevingen).

In het tweede en derde deel van de cursus leer je de vmbo-leerlingen en mbo-studenten kennen waar je als docent beroepsonderwijs mee te maken krijgt. Thema’s als orde houden, groepsdynamica en manieren van leren komen aan bod en je verdiept je in het omgaan met de grote diversiteit aan talenten en achtergronden van de leerlingen en studenten. Ook besteden we aandacht aan het begeleiden van leerlingen en studenten richting functioneren in de maatschappij en het beroep. Hierbij gaat het om thema’s als burgerschapsvorming en (studie)loopbaanbegeleiding en het begeleiden van sociaal-emotionele ontwikkeling. Omdat dit een complexe taak van een docent beroepsonderwijs is, is een belangrijk onderdeel hierbij de vaardigheidstraining op het gebied van communicatie en het beïnvloeden van groepsprocessen in de context van het beroepsgerichte onderwijs. En omdat begeleiden niet los kan worden gezien van de persoon die de begeleiding uitvoert, betekent dit dat het begeleiden van leerlingen of studenten je ook confronteert met jezelf. Je leert daarom in dit deel niet alleen wat taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van een mentor of studieloopbaanbegeleider zijn en welke gespreksvaardigheden je hierbij gebruikt, maar je onderzoekt ook vragen als: Wat is mijn bijdrage in de begeleiding? Wat doet de leerling of student met mij? Hoe reageer ik daar op? Word ik persoonlijk door de leerling of student geraakt? En hoe dan? En hoe beïnvloedt dit mijn begeleidende houding?

Tot slot gaan we in op handelingsgericht werken en passend ondderwijs en wordt een aantal veelvoorkomende gedrags- en leerproblemen behandeld. Persoonlijke en professionele ontwikkeling gaan daarom in deze cursus hand in hand. De cursus kenmerkt zich verder door een wisselwerking tussen theorie en praktijk. Verdieping in theoretische kennis wordt toegepast in praktijkopdrachten in het (v)mbo en vanuit de praktijkervaringen ontwikkel je je eigen visie ten aanzien van het docentschap in het beroepsonderwijs.


Toetsing

De toetsing bestaat uit twee deelopdrachten.


Boeken

Pameijer, N., Van Beukering, T., Van der Wulp, M., & Zandbergen, A. (2012). Handelingsgericht werken in het voortgezet onderwijs. Leusden: Acco.

Teitler, P. (2015). Lessen in orde in het mbo. Handboek voor de onderwijspraktijk. Bussum: Coutinho.

Berben, M., & Teeseling, van M. (2015). Differentiëren is te leren. Omgaan met verschillen in het voortgezet onderwijs. Amersfoort: CPS.



Horeweg, A (2015). Gedragsproblemen in de klas in het voortgezet onderwijs. Houten: LannooCampus.



1 Let op, in de studiegids staat jaartal 2012, dit is een fout. We gebruiken de nieuwste druk uit 2014.


Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina