Conceptnota



Dovnload 0.82 Mb.
Datum20.05.2018
Grootte0.82 Mb.


Conceptnota

Cultuurgevoelige ouderenzorg in Brussel.

Woonzorgoverleg 2010

Sophie Demeere – Kenniscentrum Woonzorg Brussel

Kathleen Van Den Daele – Brusselse Welzijns- en gezondheidsRaad/OVALLO

in samenwerking met Brusselse Welzijns-en gezondheidsRaad/ BOD / BROG, Brussels Overleg Thuiszorg en het Seniorencentrum

Conceptnota

Cultuurgevoelige ouderenzorg in Brussel.

Inhoudsopgave





Inhoudsopgave 1

1. Situering 2

2. Zorg en ouderen met een andere culturele achtergrond 2

3. Voorstel: Implementatie van cultuurgevoelige ouderenzorg 4

3.1 Ontmoetingsruimte 5

3.2 Thuiszorg 6

3.3 Kleinschalig wonen binnen een woonzorgcentrum 7

4. Besluit 8




1. Situering


Het Brussels Observatorium van Welzijn en Gezondheid geeft aan dat exacte cijfers met betrekking tot de evolutie van het aandeel ouderen met een andere culturele achtergrond1 in het Brusselse gewest zeer moeilijk te bepalen is. Men weet niet op welke manier migratie zal evolueren en verschillende scenario’s zijn mogelijk. Wat men wel met zekerheid weet is dat senioren met een andere culturele achtergrond minimaal een derde uitmaken van de gehele groep ouderen in het Brusselse hoofdstedelijke gewest. Bovendien verwacht het Observatorium vanaf 2021 een aanzienlijke stijging van de groep ouderen in Brussel. Dit heeft onvermijdelijk een impact op de manier waarop zorg wordt georganiseerd. Het Woonzorgoverleg2 wil zich vanuit de woonzorggedachte buigen over de vraag hoe cultuurgevoelige ouderenzorg in Brussel kan worden geïmplementeerd. Dit document wil een aanzet bieden om te werken aan kwaliteitsvolle zorg voor ouderen met een andere culturele achtergrond.
De nota heeft voornamelijk een triggerfunctie en wil het beleid, organisaties en basiswerkers uitnodigen om na te denken over dit gegeven en een initiatief te nemen naar deze doelgroep toe. De nota wil hen aanzetten om concrete projecten en experimenten op te zetten. Daarbij wordt zowel de eerstelijnszorg als de residentiële zorg betrokken, en worden ook linken gelegd naar de sector met personen met een handicap.

De conceptnota zal worden afgetoetst bij verschillende minderhedenfora en andere relevante partners, waarna hij zal worden bijgestuurd. De opvolging en evaluatie van de pilootprojecten en de bruikbare werkvormen zullen eveneens worden verwerkt, wat de basis zal vormen voor een publicatie die medio 2012 zal worden uitgegeven en kan dienen als inspiratie voor bestaande organisaties en initiatieven aangaande de omgang met ouderen met een andere culturele achtergrond.



2. Zorg en ouderen met een andere culturele achtergrond


Iedereen wordt ouder, maar niet iedereen beleeft dit op dezelfde manier. Het verouderingsproces gaat bij ouderen gepaard met vergelijkbare fundamentele behoeften maar de invulling wordt bepaald door de manier waarop mensen betekenis geven aan hun leven en aan het ouder worden (Baars 2006). De betekenisgeving is cultureel bepaald. Religie, opvoeding, familierelaties en migratiegeschiedenis spelen hierbij een rol. Ouder worden is een biologisch proces dat iedereen ondergaat, waardoor er naast verschillen ook gelijkenissen zijn tussen allochtonen en autochtone ouderen. Beiden willen ze bijvoorbeeld zo lang mogelijk zelfstandig wonen en verkiezen ze mantelzorg (Nitsche en Suijker 2003).
Ouderen van de eerste generatie zijn opgegroeid in hun land van herkomst en bouwden er een beeld van zorg op. Ouders zorgen voor hun kinderen en kinderen zorgen vervolgens voor hun ouders wanneer zij niet meer in staat zijn om dit zelf te doen. Er wordt dus sterk beroep gedaan op mantelzorg. In sommige culturen deze vorm van wederkerige hulp is voor de omgeving een maatstaf om na te gaan of kinderen al dan niet een goede opvoeding genoten. Het niet verlenen van zorg door de kinderen wordt dan door de omgeving negatief beoordeeld, waardoor ze binnen de eigen gemeenschap vaak het onderwerp van gesprek zijn. Dit leidt tot schaamte wat de stap naar formele zorg bemoeilijkt (Baas 2008, Movisie 2010, Yerden 2000). Singelenberg (2010) stelt dat de wensen van de eerste generatie allochtone oudere lijken op die van autochtone oudere in Nederland in de jaren 1950. Zij wilden ook zo lang mogelijk thuis wonen en rekenden op hun sociaal netwerk voor hulp.
De informele zorg is voor ouderen met een andere culturele achtergrond belangrijk. Deze zorg vertoont steeds meer barsten door de veranderende perceptie van zorg, de socio-economische situatie en de afbrokkeling van het sociaal netwerk. Ouderen beseffen dat de omstan­digheden veranderd zijn (Warnes, Friedrich, Kellaher en Torres 2004). Er worden hogere eisen gesteld aan gezin en werk, waardoor het niet meer zo vanzelfsprekend is om alle zorgtaken op te nemen. Ook is het model van informele zorg niet berekend op langdurige zorg (Talloen 2008). Jongeren die opgroeiden met de invloed van het westers en het huiselijk referentiekader, proberen de zorg voor hun ouders te vertalen naar de huidige situatie. Hierdoor komt de informele zorg onder druk te staan en moet er gezocht worden naar alternatieven waarmee beide partijen zich kunnen verzoenen. Deze evolutie zorgt ervoor dat de wederkerig­heidgedachte bij sommige ouderen langzaam afbrokkelt (Movisie 2010). Het gevolg hiervan is dat ouderen en hun mantelzorgers meer en meer genoodzaakt zijn beroep te doen op de formele zorg- en dienstverlening. Deze dienstverlening is echter vaak onbekend en niet op maat van een gediversifieerd doelpubliek.
Het idee dat leeft bij sommige organisaties en gezinnen met een andere culturele achtergrond dat integrale familiezorg volstaat is een mythe. Het onderwerp formele zorg bevindt zich vaak nog in de taboesfeer. Ook de gedachtegang bij de voorzieningen van geen vraag, geen aanbod is een mythe (Talloen 2008). Om beide mythes te doorbreken moeten de traditionele zorg en de formele zorg de handen in elkaar slaan en systematisch nagaan hoe zij met elkaar verzoend kunnen worden. Ouderen dienen op een positieve manier kennis te maken met en gesensibiliseerd te worden over de bestaande diensten. De diensten dienen geïnformeerd en gesensibiliseerd te worden aangaande de gewoonten en behoeften van ouderen, om vervolgens deze informatie te integreren in hun werking.
Een aantal drempels, zoals taal, non-verbale communicatie en nabijheid, bemoeilijken de stap naar het reguliere aanbod. Sommige ouderen verstaan de informatie over thuiszorg niet of voelen zich niet thuis in een woonzorgcentrum (Yerden en Van Koutrik 2010). Daarom is het wenselijk eerst doelgroepgerichte initiatieven uit te bouwen gelinkt aan bestaande organisaties. Op termijn kan deze samenwerking uitgroeien tot een multiculturele voorziening waar iedereen zich thuis voelt. De reden hiervoor is dat inbedding in de eigen cultuur kan leiden tot een versterking van de sociale netwerken. Putnam (2000) stelt dat mensen zich eerst veilig moeten voelen in de eigen groep (bonding) voordat zij de stap naar buiten kunnen zetten (bridging). Om deze reden lijkt het aangeraden om eerst een doelgroepgerichte benadering te hanteren binnen bestaande voorzieningen waarbij de ouderen zich veilig voelen in eigen groep. Daarna kan het bridging sociaal kapitaal aangesproken worden naar andere groepen toe (Cook 2010). Een inclusief beleid geeft meer mogelijkheden om verschillende partijen naar elkaar toe te laten groeien. Een evenwichtsoefening maken tussen inclusieve en categoriale3 maatregelen binnen één organisatie, is aangewezen (Talloen 2008).
Er dient langs beide kanten uitwisseling te ontstaan, zodat iedereen elkaar beter kent. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we terug in een onderzoek van Yerden (2000) bij Turkse ouderen. Bij Turkse ouderen leefde het idee dat ouderen in een woonzorgcentrum zielig zijn, weggestopt en vergeten door hun kinderen. Door een bezoek aan een woonzorgcentrum in de buurt werd dit beeld bij verschillende ouderen gerelativeerd.

3. Voorstel: Implementatie van cultuurgevoelige ouderenzorg


Uit het voorgaande blijkt de toenemende noodzaak aan cultuurgevoelige ouderenzorg. Het Woonzorgoverleg gelooft in de complementariteit van informele en formele zorg. Het wil aan de hand van deze conceptnota een aanzet geven om van start te gaan met een doelgroepspecifieke methode van werken. Dit wil niet zeggen dat we een zogenaamde receptenbenadering willen uitwerken, maar wel een pleidooi willen houden voor cultuurgevoelige ouderenzorg. Ook willen we aandacht besteden aan de valkuil van overculturaliseren en onderschrijven we de relationele en situationele component in de manier van werken.
Zich baserend op het woonzorgdecreet, op de ontwikkeling van de woonzorgzones en vertrekkend vanuit de gelijkenissen en verschillen tussen ouderen, wil het een concreet voorstel doen met betrekking tot de implementatie van cultuurgevoelige ouderenzorg. En dit binnen ontmoetingsruimten, thuiszorg en residentiële ouderenzorg. Naast een degelijke uitwerking van elk van deze elementen, dienen zij ook te streven naar samenwerking. Bovendien tracht dit voorstel het welbevinden, active aging en het sociaal kapitaal van ouderen te versterken.
Ouderen kunnen een actieve rol spelen in de maatschappij als ze aangesproken worden op hun capaciteiten en competenties. Aangepaste voorzieningen kunnen ervoor zorgen dat ouderen deelnemen aan het gemeenschapsleven en zo hun sociale netwerken vergroten. Het ontwikkelen van ruimten waar ze heen kunnen gaan, verhoogt de participatie aan de samenleving en het persoonlijk en algemeen welbevinden. Woon- en zorgbehoeften ontstaan enkel wanneer de draagkracht4 en draaglast5 niet in evenwicht zijn. De draaglast is dan groter dan de draagkracht. Wanneer dit broos evenwicht verstoord is, hebben ouderen nood aan hulpbronnen om het evenwicht herstellen. Naast mantelzorg, zou de ontmoetingsruimte, de thuiszorg en het kleinschalig wonen in een woonzorgcentrum eveneens als hulpbron geactiveerd kunnen worden. Op deze manier kunnen ouderen sneller anticiperen op de moeilijkheden waarvoor ze staan (de Gruijter, Tierolf en de Meere 2008).
Eén van de belangrijkste punten waar er bij de ontwikkeling van de ontmoetingsruimte, specifieke thuiszorg en kleinschalig wonen in een woonzorgcentrum, rekening moet gehouden worden is de manier van communiceren met ouderen en hun familie. Muller ontwikkelde twee formules die gebruikt kunnen worden als handvatten bij (multiculturele) communicatie: 3 x T en 3 x G. De drie T’s staan voor: Toenadering (stap op de doelgroep af), Toerusting (inzicht in de interculturele communicatie) en Toegankelijkheid (niet alleen materieel, maar ook cultureel). De drie G’s zijn de voorwaarden om tot erkenning te komen, namelijk Gezien, Gehoord en Gewaardeerd worden. Op deze manier worden ouderen erkend om wie ze zijn en moeten ze hun culturele identiteit niet verloochenen (Witter 2007).

3.1 Ontmoetingsruimte


Door de afbrokkeling van de wederkerigheidsrelaties6 benadrukken we het belang van een lokale ontmoetingsplaats voor de versterking van het sociaal kapitaal en het tegengaan van eenzaamheid en isolement. Deze plaatsen zijn bronnen voor sociaal contact met een potentie voor het ontwikkelen van wederkerige hulp, die ouderen kan helpen om zo lang als mogelijk thuis te blijven wonen.
De Vos (1999) geeft aan dat een sterke kring van wederkerigheidsrelaties bevorderend werkt voor het sociaal welzijn van het individu. Hij stelt bovendien dat juist op lokale ontmoetingsplekken zulke relaties een goede kans hebben om tot stand te komen. “Ontmoetingsplekken bieden namelijk gelegenheid tot contact en dit is van grote invloed op het ontstaan en de vorm van sociale netwerken” (Blau & Schwartz 1984). Volgens Uchino, Cacioppo en Kiecolt-Glaser (1996) zou een sterk sociaal netwerk zelfs een positieve invloed hebben op de menselijke gezondheid en het welbevinden.
Het thema van eenzaamheid geldt evenzeer voor ouderen met een andere culturele achtergrond. Eenzaamheid wordt gecreëerd doordat de gerealiseerde sociale contacten niet overeen komen met hun gewenste sociale contacten (Tiikkainen, Heikkinen en Leskinen 2004). De kinderen zijn het huis uit en wonen niet in de buurt, het verlies van een levenspartner, een slechte gezondheid, een verminderende mobiliteit, het niet beheersen van een van de nationale talen als communicatiemiddel met de directe omgeving, zijn een aantal voorbeelden die leiden tot eenzaamheid. Bijvoorbeeld sommige ouderen die nog bij hun kinderen inwonen ervaren eenzaamheid (Albers C. en Pirard A.M. 2007). De kinderen en schoonkinderen zijn het grootste gedeelte van de dag buitenshuis. Kleinkinderen zitten dan weer op school of bij vriendjes. Bovendien verloopt de communicatie tussen 1ste generatie-ouderen en hun kleinkinderen niet altijd probleemloos. Kleinkinderen beheersen de taal van hun grootouders zeer gering of zelfs totaal niet meer. Beiden zijn opgevoed met een ander referentiekader, wat leidt tot andere wereldbeelden. Het is duidelijk dat zelfs ouderen die in intergenerationeel verband wonen, geconfronteerd kunnen worden met eenzaamheid.
Uit onderzoek blijkt dat er nood is aan een eigen ontmoetingsplaats voor ouderen met een andere culturele achtergrond. Een plaats waar de eigen leefgroep centraal staat, gemeenschappelijke bekommernissen bespreekbaar zijn en gelijkgestemden elkaar vinden doorheen activiteiten en ontmoeting (Yerden, Benaissa en Koutrik 2006; Dossogne en Nejjar 2007).
Het welslagen van dit voorstel wordt in grote mate bepaald door de gradatie van toegankelijkheid. Naast actieve openheid en flexibiliteit vormen toeleiding, nabijheid, bekendmaking, sensibilisering en participatie sleutelwoorden voor het drempelverlagend werken en de realisatie van een toegankelijke voorziening. Voor bestaande voorzieningen is het echter niet evident om al deze elementen te integreren in het eigen kwaliteitsbeleid en er blijvend actief aan te werken. Het is duidelijk dat er nood zal zijn aan een brugfunctie.
Deze ontmoetingsruimte zet prioritair in op ouderen met een andere culturele achtergrond. Door binnen je eigen werking en strategische doelstellingen te voorzien in een aangepaste onthaalfunctie, een participatief beleid en een doorgedreven sensibilisering bereik je de vooropgestelde doelgroep. Door de brug te vormen tussen doelgroep en aanbod werkt zij actief aan de toegankelijkheid en bekendmaking van de voorziening. Dit moet steeds gepaard gaan met toegankelijkheid van informatie en communicatie.
Concreet gaan we de dialoog aan met de lokale dienstencentra en andere plaatsen waar een ontmoetingsruimte voor ouderen gerealiseerd kan worden. Op termijn zou er een werking ontwikkeld worden waar ouderen met een andere culturele achtergrond een ontmoetingsplaats hebben naast autochtone ouderen. Deze ontmoetingsplaats hoeft geen fysiek afgebakende ruimte te zijn, maar wel een plaats waaraan ze zich psychologisch kunnen binden. Met andere woorden één ruimte waar verschillende culturen met elk hun eigen invulling van vrijetijdsbeleving gebruik van kunnen maken. Dit is een goed alternatief, geënt op een wijkgerichte werking, waar ouderen met een andere culturele achtergrond een plaats vinden om naar toe te gaan.

3.2 Thuiszorg


Ouderen met een andere culturele achtergrond zijn vaak niet op de hoogte van de mogelijkheden die thuiszorg te bieden heeft. Thuiszorg kan ervoor zorgen dat ze langer zelfstandig kunnen blijven wonen in hun vertrouwde omgeving en laat ruimte voor mantelzorg. Deze thuiszorg komt niet in de plaats van de familiezorg, maar is er een aanvulling op. De thuiszorgorganisaties moeten zich ook specifiek richten op deze doelgroep en aandacht spenderen aan cultureel gevoelige zorg. Ze dienen zich beter bekend te maken in de wijk en zorg op maat te verlenen. Bijvoorbeeld Turkse ouderen willen gewassen worden met veel water en niet enkel met een washandje (Yerden en Van Koutrik 2010). Deze cultuurspecifieke zorg kan enkel geleverd worden wanneer er gevraagd wordt naar de noden en geluisterd wordt naar de behoeften van de ouderen en mantelzorgers.
Gezondheidsinstellingen kunnen hier eveneens een belangrijke rol in spelen. Allochtone ouderen gaan gemiddeld vaker dan autochtone ouderen naar de spoedgevallen. Daarbuiten maken ze weinig gebruik van het formele zorgaanbod (Bolzman, Fibbi en Vial 2002). De reden hiervoor is een andere manier van uiting van hun klachten. De gezondheidswerkers kunnen een grote bijdrage leveren tot de bekendmaking van thuiszorg. Ze kunnen ouderen doorverwijzen naar of meegaan tot bij de bestaande thuiszorgorganisaties. Op deze manier kunnen ouderen meer vertrouwen krijgen in de bestaande diensten en kan de meerwaarde en complementariteit van de thuiszorg geopenbaard worden. Eveneens kan er door deskundigen voorlichting en scholing gegeven worden aan het werkveld omtrent de verschillende culturele achtergronden (Warnes e.a. 2004). Er dient ook aandacht te gaan naar de manier van communiceren met de oudere en de mantelzorger. Door te communiceren kunnen de zorgverleners nagaan hoe ouderen de zorg ervaren en zo effectiever zorg verlenen, wat zowel de patiënt als de werker ten goede komt (de Graaff, van Hasselt en Francke 2005; Yerden 2000; Manthorpe, Iliffe, Moriarty, Cornes, Clough, Bright, Rapaport, Oprsi 2009).
Concreet vatten we de dialoog aan met de bestaande thuiszorgorganisaties, om hen warm te maken en aan te zetten voor een cultuurspecifieke werking.

3.3 Kleinschalig wonen binnen een woonzorgcentrum


Veel ouderen met een andere culturele achtergrond hebben het idee dat Belgen hun ouderen ‘opbergen’ in verzorgingstehuizen; dat ze niet meer voor hen willen zorgen. Dit negatieve beeld wordt on­der meer gevormd door de intramurale verzorging in het land van herkomst. In hun land van herkomst wonen in de verzorgingstehuizen meestal ouderen die heel arm zijn of geen familie hebben die voor hen zorgt. De opna­me hier in een woonzorgcentra ervaart men als een schande. Er is weinig begrip voor kinderen die hun ouders in een woonzorgcentrum onderbrengen, tenzij het om medische reden echt niet anders kan. Medische hulp wordt wel aanvaard en ook groepswonen wordt minder negatief beoordeeld.
Groepswonen is een alternatieve woonvorm, waarbij mantelzorg kan verleend worden en de traditionele rollen intact worden gehouden. Deze mantelzorgers kunnen een actieve rol vervullen in het woonzorgcentrum waardoor een win-win situatie ontstaat; mantelzorgers worden gedeeltelijk ontlast van hun taak en het centrum krijgt er hulp bij. Tevens hebben ouderen in deze woonvorm de gelegenheid om samen te wonen op basis van gedeelde taal-, cultuur- en eetgewoontes, waardoor ze elkaar kunnen ondersteunen en helpen. Doordat bij het verouderingsproces het verleden steeds belangrijker wordt, hebben deze ouderen veel aan ouderen van dezelfde cultuur. Ze spreken dezelfde taal en hebben dezelfde geschiedenis meegemaakt. Dit zorgt voor herkenning op hun oude dag, wat een vorm van geborgenheid met zich meebrengt (Penninx; de Jong 2006).
Kleinschalig wonen kan ervoor zorgen dat de zorg vanuit het woonzorgcentrum gegeven wordt en gelijktijdig de geborgenheid van een eigen woning. Het gaat hierbij niet zo zeer om het gebouw maar wel om de omgeving. Een contactrijke omgeving waar ouderen niet geïsoleerd zijn en zich thuis voelen. Ouderen met een andere culturele achtergrond hebben andere gewoonten en interesses. Hierdoor kan een kleinschalige manier van wonen met gelijkgestemde ouderen beter aansluiten bij hun leefwereld.
Dit kleinschalig wonen zou het best voorafgegaan worden door een activerend onderzoek. Met andere woorden een methode om in kaart te brengen wie de ouderen zijn, hoe ze hun wijk zien en welke wensen en behoeften ze hebben over het kleinschalig wonen. Ouderen worden bij deze methodiek niet gezien als passieve individuen, maar hebben een actieve rol. Ze dienen zelf hun wensen te ventileren en mee te helpen om informatie te verzamelen. Tevens geeft dit de mogelijkheid om met cultuurspecifieke wensen rekening te houden en bepaalde gewoonten of behoeften bespreekbaar te maken. Het zorgt er ook voor dat ouderen zich met de plaats kunnen binden en ze een deel van hun persoonlijke identiteit kan worden. Ouderen zullen niet onmiddellijk geneigd zijn om in woonzorgcentra te wonen. Wie dit wenst te bereiken, moet vindplaatsgericht, vraaggericht, informatieverstrekkend en laagdrempelig werken.
Naast de indeling, inrichting, uitstraling en sfeer, moet er een divers personeelsbeleid gevoerd worden dat multicultureel ingesteld is. Het dient een afspiegeling te zijn van de bewoners, waardoor er gecommuniceerd kan worden en de ouderen erkenning krijgen. Tevens dienen ze het vermogen te hebben om zich in te leven in de doelgroep, te luisteren en kennis en informatie aan elkaar uit te wisselen. Ook de activiteiten dienen op maat van de bewoners georganiseerd te worden. Er moet met andere woorden rekening gehouden worden met onder andere communicatie, recreatie, religie, voeding, personeel en familie.
Alternatieven voor het kleinschalig wonen: gestippeld wonen7 in een woonzorgcentrum, waarbij er eveneens een specifieke ruimte is voor allochtone ouderen op maat van hun leefwereld

(Movisie 2010, Baas N. 2008, de Jong 2006, Berdai, S. 2005).


Concreet gaan we op zoek naar een woonzorgcentrum dat bereid is kleinschalig wonen voor ouderen met een andere culturele achtergrond te integreren in zijn werking. Dit kan in een deel van het woonzorgcentrum, zodat er op termijn een wisselwerking tussen de verschillende ouderen kan ontstaan.

4. Besluit


Het Woonzorgoverleg gelooft niet in één statisch model. Wil men in Brussel succesvol zijn dan moet men de nodige flexibiliteit en openheid aan de dag leggen en zich durven aanpassen aan tendensen, evoluties en de specifieke eigenheid van deze grootstad. In een eerste fase wil het Woonzorgoverleg niet alleen op zoek gaan naar kandidaat-initiatiefnemers, maar evenzeer deze nota aftoetsen bij relevante partners en in het bijzonder bij de doelgroep. Elk Brussels project, dat bovendien innovatief is heeft nood aan een brede gedragenheid. Het Woonzorgoverleg zal voor de uitdaging komen te staan om samen met de kandidaat-initiatiefnemers en de doelgroep vorm te geven aan dit concept en van cultuurgevoelige ouderenzorg een succesvol verhaal te maken!
Bibliografie

Albers C. en Pirard A.M. (2007). Seminarie: de vergrijzingsproblematiek bij allochtonen: de uitdagingen in kaart gebracht. Brussel, Koning Boudewijnstichting, 10p.

Baas N. (2008). Dementie; ook onder allochtone ouderen. Richtlijnen voor bereikbaarheid van allochtone doelgroepen voor zorg- en welzijnsinstellingen. Stichting Zet.

Baars J. (2006). Het nieuwe ouder worden? Paradoxen en perspectieven van leven in de tijd. Amsterdam: SWP uitgeverij.

Berdai S. (2005). Vergrijzing… een kleurrijk gegeven! Brussel: De Brusselse Welzijns- en GezondheidsRaad vzw.

Blau, P.M. en J.E. Schwartz (1984). Croscutting Social Circles: testing a Macrostructural Theory of Intergroup relations. Orlando: Academic press, 1984.

Bolzman C., Fibbi R. en Vial M. (2002). La situation des personnes âgées immigrées en Europe. Un nouveau défi pour le travail social. Geraadpleegd op 15 februari 2010, op http://www.aforts.com/colloques_ouvrages/colloques/actes/interventions/bolzman_claudio.doc.
Cook J. (2010). Exploring older woman’s citizenship: understanding the impact of migration in later life. Aging and society 30, 253 – 273.

de Graaff F.M., van Hasselt T.J en Francke A.I. (2005). Thuiszorg voor terminale Turkse en Marokkaanse patiënten. Ervaringen, opvattingen van naasten en professionals. Nivel.

de Gruiter M. Tierolf B., de Meere F. (2008). Toekomstige woonbehoefte van oudere migranten in Eindhoven. Verwey-Jonker instituut.

de Jong, E. (2006). Bijzondere woonvormen in gewone woningen. Woongroepen van Allochtone ouderen in Rotterdam. Steunpunt wonen in Rotterdam.

Dossogne I. en Nejjar K. (2007). Paroles sur… la diversité dans les maisons de repos. Brussel: Service Education permanente Question Santé asbl.

Manthorpe G., Iliffe S., Moriarty J., Cornes M., Clough R., Bright L., et al. (2009). ‘We are not blaming anyone, but if we don’t know about amenities, we cannot seek them out’: black and minority older people’s views on the quality of local health and personal social services in England. Aging and society 29, 93 – 113.


Movisie geraadpleegd op 22 februari 2010 op http://www.movisie.nl/
Nitsche B. en Suijker F. (2003). Allochtone ouderen en wonen. Geraadpleegd op 11 februari 2010 op http://www.vilans.nl/Site_Webwinkel/docs/PDF/AllochtoneOuderenEnWonenNw.pdf (Niwz).

Putnam R.D. (2000). Bowling alone: the collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.

Penninx K. (LESI). Stem en kracht geven aan vraag. Geraadpleegd op 15 februari 2010 op http://www.movisie.nl/onderwerpen/allochtoneouderen/docs/allochtone_ouderen_KeesPenninx.pdf

Singelenberg, J. (SEV). Een terugkeer naar oude concepten. Geraadpleegd op 11 februari 2010 op http://www.fnao.nl/127580/def/home_/allochtone_ouderen_/goed_wonen_voor_allochtone_ouderen/een_terugkeer_naar_oude_concepten/.

Talloen, D. (2008). Allochtone ouderen en de uitdaging voor de dienst- en zorgverlening. Welzijnsgids afl 67, 61 – 78.

Tiikkainen P., Heikkinen R. L. en Leskinen E. (2004). The structures and stability of perceived togetherness in elderly people during a 5 year following-up. The journal of applied gerontology, 23(3).

Uchino, B.N., J.T. Cacioppo en Kiecolt-Glaser J. (1996). The relationship between Social Support and Physiological Processes: A review With Emphasis on Underlying Mechanisms and Implications for Health. Psychological Bulletin 119: 488-531.

Vos H. de (1999). Sociale kwaliteit van buurten : Een sociaal- en welvaartstheoretisch perspectief op buren en buurten. In: Vôlker, B. en R. Verhoeff (red.), Buren en Buurten. Amsterdam: SISWO: 87-120.


Vos H. de (2003). Geld en ‘de Rest’: over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Sociologische Gids 50(3), 285-311.
Warnes A.M., Friedrich K., Kellaher L. en Torres S. (2004). The diversity and welfare of older migrants in Europe. Aging and society 24, 307 – 326.

Witter Y. (2007). Multiculturele voorzieningen voor oudere migranten. Een slimme corporatie in de wijk weet hoe zij oudere migranten bereikt. Aedes-Actiz; Kenniscentrum wonen en zorg.

Yerden I. (2000). Zorgen over zorg. Traditie, verwantschap, migratie en verzorging van Turkse ouderen in Nederland. Het Spinhuis.

Yerden I., Benaissa H. en Koutrik H. (2006). Oud worden in Amsterdam. Wonen, zorg en welzijn voor Turkse ouderen. Tint Amsterdam.



1 Personen met een andere culturele achtergrond worden vaak omwille van allerlei redenen vroeger dan hun 65ste tot de ouderen gerekend. Het woonzorgdecreet bestempelt elke 65+ als behorend tot de groep ouderen. Sommige etnisch culturele groepen, zoals Marokkanen en Turken, krijgen op jongere leeftijd gezondheidsklachten, die we bij autochtonen associëren met ouder worden (de Gruiter, Tierolf en de Meere 2008). Voor de afbakening van de doelgroep richten we op mensen met een andere culturele achtergrond vanaf 55 jaar.

2 Het Woonzorgoverleg is een overleg tussen een aantal stafleden vanuit het Kenniscentrum Woonzorg Brussel, de Brusslese Welzijns- en gezondheidsRaad, het Seniorencentrum en het Brussels Overleg Thuiszorg.

3 Een aanpak die zich op één of enkele specialistische domeinen beweegt, die zich slechts op één doelgroep richt of één soort programma verzorgt. Hier bedoelen we ‘doelgroepspecifiek’..

4 “draaglast” betekent de beperking die de zelfredzaamheid ernstig aantast.

5 “draagkracht” zijn de hulpbronnen die deze beperkingen kunnen compenseren.

6 Met een wederkerigheidsrelatie bedoelen we de wederkerige contacten of hulp die tussen twee mensen of partijen gegeven wordt. Het doelt op een gelijke behandeling over en weer. Dit kan bijvoorbeeld tussen familieleden, vrienden of mensen uit de buurt. In de evolutiebiologie betekent het een sociaal verschijnsel waarin één organisme (bv. een mens) bereid is een ander een dienst te verlenen wanneer hij weet dat hij hiervoor op een later tijdstip of op dat moment zelf een wederdienst kan verwachten '.

7 Bij gestippeld wonen woont een groep ouderen met dezelfde achtergrond verspreid over het woonzorgcentrum tussen de andere bewoners. Ze hebben een gezamenlijke ontmoetingsruimte waar zij elkaar kunnen ontmoeten.




Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina