Certificaat : verzorgen omgeving veehouderijbedrijf(cbi6)



Dovnload 0.6 Mb.
Pagina5/5
Datum20.05.2018
Grootte0.6 Mb.
1   2   3   4   5

HOOFDSTUK 5 Veehouderij/Loonwerk/Akkerbouw




5.1. Herkenning van ziekten/onkruiden (voor alle leerlingen)
http://www.moecom.nl/onkruiden/index.html alle 3 pagina’s .

5.2. Alleen voor veehouderij leerlingen

De gewasbescherming in de veehouderij bestaat grofweg uit de volgende onderdelen:


1. onkruidbestrijding grasland

2. ziektebestrijding grasland

3. onkruid/ziektebestrijding snijmaïs

4. bestrijding schadelijke organismen bij dieren


1. Methoden voor onkruidbestrijding bij grasland.
In de weidebouw worden we gelukkig niet zoveel geplaagd door hinder­lij­ke onkruiden als bij de akkerbouw en de vollegronds groenteteelt. Maar toch moeten we er soms iets aan doen.
Problemen met onkruiden kunnen vaak voorkomen worden door een goede verzorging en een goed gebruik van het grasland. Onder andere door er zorg voor te dragen dat de grasmat niet beschadigd wordt (maaima­chine afstelling, beweiden als het perceel niet te nat is e.d.) voorkomt men dat onkruiden kunnen kiemen en zich kunnen ontwikkelen. Een aantal plan­tensoorten wordt normaal door het vee gegeten en wordt pas onkruid als ze in grote aantallen (> 5 % van het oppervlak) voorkomen en dan de gasproductie nadelig beïnvloeden.

Tweezaadlobbige onkruiden kunnen worden bestreden met groeistoffen. De groeistoffen moeten verspoten worden met een grove druppel en lage druk en minimaal 600 l/ha. Groeistoffen werken het besta als ze gespoten worden als het gewas goed groeit en op een droog gewas.

De meeste onkruiden zijn kort voor de bloei het gevoeligst voor be­strijdingsmiddelen.
Als men in het najaar moet bestrijden dan moet men wachten tot de onkruiden voldoende blad hebben. Deze hoeveelheid blad is nodig om het middel goed om te kunnen nemen.
Het is lang niet altijd nodig om volvelds te spuiten er zijn namelijk een aantal onkruiden die voornamelijk pleksgewijs voorkomen bijv. zuring, brandnetel en distels. Deze kunnen dus het beste pleksgewijs bestreden worden.
Als je middelen en dergelijke wil weten dan kijk je in de "Handlei­ding"
OPDRACHT: Vragen
1. Kunnen we in het weidegebruik iets doen om de onkruiden te voor­komen?

Geef een korte motivatie.


Als we menen tot bestrijding over te moeten gaan staan ons een paar methoden ter beschikking, n.l. chemisch (pleksgewijs of volvelds) of mechanisch.


2. Geef voorbeelden van onkruiden waartegen mechanische bestrijding niet zo effectief zal zijn.

Als het noodzakelijk is om onkruiden (chemisch te bestrijden dan kan het hele veld behandeld worden (volvelds) of op een paar plaatsen (plekgewijs).


3. Op welke wijze kan je plekgewijs ingrijpen?

4. Wanneer ga je plekgewijs handelen en wanneer volvelds?

5. Als je plekgewijs gaat behandelen, moet je dan nog iets doen aan de nazorg van de behandel­de plek?

De meeste boeren vinden enige onkruiden in een weiland niet erg. Men vindt het wel gezond i.v.m. de mineralenvoorziening.


6. Bij welke onkruidbezetting zou je gaan bestrijden?

Welke onkruiden ga je altijd bestrijden?

Men kan onkruiden bestrijden door het perceel grasland helemaal opnieuw in te zaaien. Dat kan met of zonder doodspuiten.

doodspuiten doe je als je bang bent dat de onkruiden het onderploegen overleven.


7. Als een perceel om moet, is doodspuiten dan altijd nodig?

8. Wanneer is doodspuiten nodig en wanneer niet?


2. Ziektebestrijding bij grasland

Bestrijding van ongedierte in grasland.
Emelten
Emelten zijn de larven van de langpootmug. Ze zijn grijsgrauw van kleur, hebben geen duidelijke kop en geen poten. In ons land komen twee soorten langpootmuggen voor. Ze zijn met het oog niet uit elkaar te houden. Maar hun levenscyclus is wel duidelijk anders. De ene soort kent maar één generatie per jaar; de andere soort langpootmuggen kent twee generaties per jaar.

Van de eerste soort vliegen de muggen vanaf eind juli tot begin september en leggen dan hun eieren. De larven (Emelten) uit deze eieren vervellen enkele keren en blijven 's winters in de grond. Van maart tot begin juni voeden zijn zich met graswortels en 's nachts ook met bovengrondse delen. Dan volgt de verpopping en er is weer een nieuwe langpootmug.

De tweede soort komt de winter ook door als emelt. De eerste generatie vliegt na een verpopping in mei uit. Ze legt dan eitjes waaruit een emelt ontstaat.

Deze emelt voedt zich met grasplanten van mei tot ongeveer augustus. na de verpopping ontstaat een tweede generatie langpootmuggen. Deze legt weer eieren waaruit een emelt ontstaat. Deze emelt voedt zich met grasplanten van mei tot ongeveer augustus. Na de verpopping ontstaat een tweede generatie langpootmuggen. Deze legt weer eieren waaruit de Emelten komen die overwinte­ren.

Langpootmuggen leven slechts 1 à 3 dagen en in die paar dagen kan het vrouwtje 300 tot 400 eieren afzetten. De voorkeur van de langpootmug­gen gaat uit naar Engels raaigras. De eieren hebben 2 à 3 weken nodig om uit te komen. De meeste eieren zijn eind september uitgekomen.
Emelten leven het liefst in een humusrijke vochthoudende omgeving die beschut is, dus bijv. ruig grasland. Door te zorgen dat in augustus de bossen gemaaid zijn, de molshopen geslecht en door het onkruid te bestrijden, zorgt men er voor dat er minder Emelten zijn.

Emelten hebben geen last van de winter. Ze verstijven gewoon. Wel hebben ze hinder van wateroverlast.

Als Emelten massaal aanwezig zijn kan er een enorme schade aangericht worden. De grasmat komt dan geheel los te liggen van de ondergrond. Als het dan droog is, kan de grasmat hierdoor volledig afsterven. De schade is al aanwezig voordat men ze ziet. Het begint al in de winter en is het grootst in maart en april. Dit komt omdat de larven dan gaan verpoppen
Voor bestrijdingsmogelijkheden kijk je in de "Handlei­ding"


Rouwvlieglarven
De larve van de rouwvlieg is bruin-grijs en ongeveer 2 cm groot. De rouwvliegen komen in hoopjes van enige honderdtallen bij elkaar voor. Ze vreten plekgewijs de grond kaal. Als men de schade ziet is men te laat. Er zijn dan al poppen aanwezig en bestrijden heeft daardoor geen zin meer.
Voor middelen e.d.: zie de "Handleiding".
Mollen
Ook mollen kunnen het beste in de winterperiode worden bestreden. De bestrijding vindt plaats met klemmen of met pillen. Aangezien de pillen zeer giftig zijn is een aparte vergunning nodig om er mee te mogen werken.

De klemmen kan men het beste plaatsen aan de perceelranden.

Het meest effectief is het samen met je buren bestrijden van mollen.
OPDRACHT: Vragen.
1. Welke insecten worden in grasland bestreden?
Een bestrijdingsdrempel is die mate van aantasting waarbij de bestrij­dingskosten even groot zijn als de te verwachten schade.
2. Is van een van deze insecten een bestrijdingsdrempel bekend? Hoe groot is de bestrijdings­drempel? Hoe bepaal je de bestrijdings­drempel?

3. In welke groep(en) vallen de belagers van grasland?




5.3. Alleen voor akkerbouw/loonwerkleerlingen

Fotomateriaal ziekten bij aardappelen, bieten en granen.


HOOFDSTUK 6 EMISSIE EN EMISSIE­BEPERKING


Onder emissie wordt het `weglekken' van middelen naar het milieu verstaan. Emissie kan het gevolg zijn van ongelukken of van opzette­lijke lozingen waarbij gewasbe­schermingsmiddelen in het milieu te­rechtkomen. In dit hoofdstuk beperken we ons echter tot de emissie die het gevolg kan zijn van normaal landbouwkundig gebruik. Het is voor de dagelijkse gebruiker belangrijk op de hoogte te zijn van verschil­lende emissievormen. De toepasser is zich dan meer bewust van de noodzaak emis­sie te voorkomen.


Voor drinkwater wordt duidelijk aangegeven hoeveel milligram van een bepaald bestrijdingsmiddel per liter in het water mag zitten en hoeveel van alle middelen bij elkaar.

Ook de bestrijdingsmiddelenwet, de Wet Verontreiniging opper­vlaktewa­ter, de Wet Bodembescher­ming en Het be­strijdings­middelenbesluit bevatten bepalingen op grond waarvan emissie van middel naar het milieu tot een minimum beperkt moet wor­den.


De gegevens uit dit hoofdstuk over de afzonderlijke emissie­routes komen voor het merendeel uit het Achter­gronddocument Emissie (1990), dat aan de basis ligt van het Meerjaren­plan Gewas­bescherming.

De omvang van het probleem





volle­grond­s­t­eel­ten

teelten on­der glas

totaal verbruik
emissie naar:

lucht


bodem en grond­water

oppervlaktewater


totaal in pro­centen:

totaal in ton­nen:



18700 ton

20-22%


2-4%

1-3%
23-28%

4300-4900 ton


1200 ton

51-52%


< 1%

4%
54-57%

650-680 ton



Tabel 6.1 De emissie naar lucht, bodem en water.

Tabel 6.1 geeft een beeld van de hoeveelheid bestrij­dings­middel die in 1987 in de lucht, de bodem, het grondwater en het oppervlakte­water be­landde. Cijfers kunnen misleiden. In de paragrafen hierna staat steeds vermeld hoeveel middel er in heel Neder­land via een bepaalde route verdwijnt. Ook de totale aantallen kunnen misleiden: een kleine­re sector heeft minder invloed op de totale emissie, maar de emissie van een bedrijf uit deze sector speelt een even grote rol voor het omrin­gen­de milieu als de emissie bij een bedrijf uit een grotere sector. Waar het uiteindelijk om gaat, is de situatie per bedrijf. Een andere vorm van mislei­ding ontstaat wanneer er alleen naar de aantal­len gekeken wordt. Immers, het veelgebruikte captan levert in verhou­ding minder problemen dan het veel minder gebruikte atrazin. De afbreek­baarheid van de middelen blijkt namelijk een belangrijke rol te spelen. Verder zijn de hoe­veelheden die per emis­sieweg opge­geven worden slechts indica­ties. Het gaat om zeer moeilijk meetbare proces­sen. De cijfers zijn niet meer dan ruwe schattingen. De routes worden behan­deld in volgorde van afne­mende omvang (landelijk bezien).



Route 1: verdamping van grondontsmet­tingsmiddelen
Grondontsmettingsmiddelen, bijvoorbeeld ter bestrijding van aardappel­moeheid, kunnen vanuit de grond verdampen. Vooral als de grond te nat is of bij een slecht afge­dichte toplaag komt deze vorm van emissie voor. De overheid probeert onder andere door de regulering van het gebruik van deze middelen deze emissievorm te beper­ken. Tot het jaar 2000 mag men eens in de vier jaar op een perceel een ontsmetting uitvoeren, daarna een keer per vijf jaar.

Voor de open teelten schat men de totale emissie op twintig. Dat is 2430 ton middel; in de kasteelten vijf­tig procent, dat komt overeen met 500 ton werkza­me stof.




Route 2: verdamping overige mid­delen
Bij andere middelen spelen twee vormen van verdamping een rol:

- tijdens en direct na het spuiten

- verdamping vanaf het gewas en vanaf de bodem.
In de buitenteelten verdwijnt een tot vijf procent van het middel in het milieu door verdamping tijdens of vlak na het spuiten. In de fruitteelt, waar andere middelen met andere apparatuur worden ver­spreid, rekent men op tien tot twintig procent (52 tot 292 ton).

Vanaf blad en bodem verdampt naar schatting zo'n twintig procent, dat is ongeveer 1400 ton.




Route 3: uitspoeling naar grondwater en drainwater
Bestrij­dingsmiddel op en in de bodem zakt gewoonlijk langzaam met het regen­water naar beneden, totdat het soms na jaren in het grondwater terecht­komt. Soms wordt een middel gebonden aan gronddeeltjes. Ook kan een middel afgebroken zijn voordat het in het grondwater terecht is gekomen. Deze emissie­vorm wordt dus vooral bepaald door de uitspoe­lingsgevoeligheid van een middel.

Middelen met beperkingen voor waterwingebieden zitten in deze catego­rie.

Men schat de totale emissie in de vorm van uitspoeling op 100 tot 400 ton.


Route 4: drift
Drift is het verwaaien van spuitdruppels tijdens een bespui­ting. Het komt ook in gesloten teelten voor in de vorm van spuitvloeistof die uit niet‑gesloten ramen of via kieren verwaaid. De spuitvloei­stof kan door verwaai­ing in aangrenzende sloten neerslaan, maar ook in andere gewassen, in na­tuurgebieden, tussen bebouwing enzovoort. De hoeveel­heid drift hangt vooral af van vijf factoren:

1 de druppelgrootte

Hoe kleiner de druppels, hoe makke­lijker ze verwaaien. De gebruiker kan in ieder geval door het kiezen van de juiste spuitdop en druk zijn apparatuur goed instellen (wanneer die goed onder­houden is);



2 de hoogte van de spuitboom of afstand van spuitdop tot de boom

Hoe groter de afstand tussen spuitdop en te bespuiten object hoe meer drift;



3 het weer

Op warme dagen en/of in droge lucht' krimpt' de spuit­druppel snel en verwaaid dan makkelijker. Waait het harder dan vier meter per seconde dan is bespuiting sterk af te raden. Maar ook met weinig wind bestaat er op zonnige dagen een risico: dan kan een luchtstro­ming omhoog ontstaan, waardoor de druppels langer in de lucht blijven;



4 de spuittechniek

Luchtondersteuning bij veldspuiten vergroot de neer­waartse druk, waardoor de zijwaartse druk (de drift) afneemt. Bij LVM‑technieken (Low Volume Mist) in de gesloten teelten zijn de deeltjes zo klein dat ze gemak­kelijk door kieren kunnen ontsnap­pen. Daarnaast bestaat de kans dat op het moment van afluchten (het openen van de ramen) nog niet al de spuitvloei­stof op de grond is gekomen en zo gemakkelijk naar buiten komt.



5 (bij de gesloten teelten) de afsluiting van de kas

Hoe goed is deze kas afgesloten tijdens het spuiten (ramen, kie­ren) en hoeveel tijd zit er tussen bespuiting en afluchten?




Route 5: reinigen van spuitapparatuur
Een spuitbeurt levert niet alleen verontreinigde spuit­appara­tuur op, maar meestal ook een restant spuitvloei­stof. Soms verspuit de gebrui­ker dit op het veld en soms bewaart hij het in de tank. Maar in een aantal gevallen loost hij dit restant ergens op het perceel of laat hij het langs een weg of kavelpad in de bodem of de sloot lopen. Dat betekent een extra belasting van het milieu. Naast dit overblijfsel van de be­spuiting bevat de tank standaard ook een hoeveelheid dood volume (het gedeelte uit de tank dat niet meer te verspuiten valt omdat het in de slangen en in de pomp zit). Vaak blijft dat gewoon in de spuitmachine zitten, maar soms moet het eruit: bijvoorbeeld wanneer na een onkruidbespuiting hetzelfde apparaat voor schimmel‑ of insectenbestrijding nodig is. Dit dood volume volgt dan meestal dezelfde weg als de andere restanten. Spuitres­tant en dood volume bedragen in de open teelten ongeveer één procent van het ver­bruik. Totaal schat men dat op deze manier 30 tot 70 ton middel in het milieu terecht­komt.

Verder maakt een boer of tuinder zijn spuit­machine gemiddeld drie tot vier maal per jaar van buiten schoon. Elke wasbeurt levert dan 100 tot 200 liter schoon­maak­water op. Ook dit water bevat restanten van de gebruikte bestrij­dingsmid­de­len. Het lozen van waswater in bijvoor­beeld het oppervlaktewater kan plaatselijk grote vis­sterf­te en sterfte van andere levensvormen in het water veroorzaken.




Route 6: afspoeling naar oppervlakte­water
Soms gebeurt het dat er zoveel neerslag valt dat het water niet snel genoeg de bodem kan in zakken. Het teveel aan water op de bodem spoelt naar lager gelegen stuk­ken op het perceel en stroomt uiteindelijk meestal de sloot in. Met dit water kan gewasbeschermingsmiddel in het milieu verdwijnen. Voor heel Nederland schat men deze emissievorm op 30 tot 40 ton.


Route 7: winderosie
Door verstuiven van grond kunnen gewasbeschermingsmidde­len zich verplaat­sen. Dit komt vooral in de veenkoloniën en Limburg voor.


Route 8: beheer van watergangen
In Nederland verdwijnt via deze route in zijn totaliteit niet zo veel bestrijdings­middel. Het gaat om enkele tonnen werkzame stof per jaar. Maar voor individu­e­le bedrijven en hun omgeving kan deze route wel degelijk een rol spelen. Wanneer een boer of tuinder ervoor kiest om zijn taludranden te be­spui­ten, dan ontstaat er ter plekke in die watergang een piekcon­centratie bestrij­dingsmiddel, die voor het leven in het water ­zeer ge­vaarlijk kan zijn.

Via deze route verdwijnen (in de open teelten) enkele tonnen bestrij­dingsmid­del per jaar naar het milieu.




Specifieke routes
Behalve via de algemene routes komt er nog bestrijdings­middel via enkele specifieke routes in het milieu. Voorbeelden zijn:
- restanten van dompelbaden in bloembollen- en pootaard­appelteelt,

- restanten voorbehandelingoplossingen bij siergewas­sen,

- condenswater in kasteelten,

- afloop van regenleidingen die ook voor het verspreiden van be­strijdingsmidde­len worden gebruikt.


Tabel 6.2 geeft een overzicht van de verschillende ontsnappingsrou­tes. De hoeveelheden zijn afgerond op hele tonnen werkzame stof. Ook geeft tabel 6.2 aan hoeveel elke route nu uiteindelijk bijdraagt aan de emissie door het totaal van de open gesloten teelten. De hoeveelhe­den zijn afgerond op hele tonnen en hele per­centages.
In deze tabel valt de enorme rol van de verdamping van zowel de grondontsmet­tings­middelen als de overige midde­len op: minstens 85 procent van de landelijke emissie in de open teelten verloopt via deze route. De gesloten teelten laten geen ander beeld zien.
De tabel is interessant om te zien hoe op landelijke schaal bestrij­dingsmiddel naar het milieu verdwijnt, maar zegt minder over de situatie op het bedrijf. Tabel 6.3 zal daarom de ondernemer zelf vermoedelijk wat meer zeggen. Daarin staan nogmaals de emissiepercen­tages. Anders dan in tabel 6.2 gaan deze percentages uit van het gebruik door de boer of tuinder (de gebruikte hoe­veelheid) en geven zij aan welk deel daarvan ontsnapt of verloren gaat. De getallen geven een indruk, ze zijn het resultaat van allerlei inschattingen: voor­zichtigheid is op zijn plaats.




Open teelten

Gesloten teelten

Route

Hoeveel­heid (ton w. stof)

Aandeel in tota­le emis­sie

in pro­centen



Hoeveel­heid

(ton w. stof)



Aandeel in tota­le emis­sie

in pro­centen



1 verdamping grond­ont­smettingsmiddelen

2430

53

500

75

2 verdamping bij spui­ten

111 - 398

2 - 9

21 - 43

3 - 6

verdamping gewas/bodem

1350 - 1420

30 - 31

85

13

3 uitspoeling

195 - 390

4 - 9

17 - 25

3 - 4

4 drift

115

3

-

-

5 reinigen

30 - 70

1 - 2

4

1

6 afspoeling

30 - 40

1

-

-

7 winderosie

1

<1

-

-

8 beheer watergan­gen

paar ton

<1

-

-
















Specifieke routes:













- restant dompelbad

2 - 5

<1

-

-

- voorbehandeling

-

-

4 - 5

1

- condensgoten

-

-

14

2

- afloop regenlei­ding

-

-

4

1

Totaal

4265 - 4870

100

649 - 680

100


Tabel 6.2 Omvang van de emissieroutes in heel Nederland


Route

Open teelten

(in procen­ten)



Gesloten teel­ten

(in procenten)



1 verdamping grondont­smettingsmiddel

20

50

2 verdamping bij spui­ten

1 - 5

5 - 10

verdamping b­oo­m+­fr­u­it:

10 - 20




verdamping gewas/bo­dem

20

20

3 uitspoeling

1 - 2

2 - 3

4 drift

1 - 2

0.1

5 reinigen

1%

1

6 afspoeling

0.3 - 0.4

-

7 winderosie

1.8

-


8 beheer watergangen

onbekend

-

Specifieke routes:







- restant dompelbad

onbekend

-

- voorbehandeling

-

onbekend

- condensgoten

-

10

- afloop regenleiding

-

onbekend

Tabel 6.3 Emissie als deel van de gebruikte hoeveelheid spuitmiddel
VRAGEN HOOFDSTUK 6
1. Wat wordt verstaan onder emissie?

2. Waarheen treedt emissie op?

3. Zie tabel 6.1

Waar naar toe vindt de grootste emissie plaats?


4. Noem 3 redenen waarom cijfers over aantallen zoals vermeld in tabel 6.1 misleidend kunnen zijn.

5. Welke 8 routes worden onderscheiden? Zet erachter in procenten hoe groot elke route is voor open teelten. Zie Tabel 6.2.

Zet dit in een grafiek (staafdiagrammen) uit.

6. Vul de volgende tabel in.


emissie- route

hoeveelheid hangt af

van


te beperken door

verdamping

grondontsmetting










verdamping overig







uitspoeling water








Drift







Spuittechniek







reinigen appara­tuur








afspoeling naar

oppervlaktewater










Winderosie







beheer watergan­gen









HOOFDSTUK 7 OPSLAG VAN BESTRIJDINGSMID­DELEN


(alleen lezen)

Orde en netheid bij de opslag van bestrijdingsmiddelen kan ongelukken voorko­men. Wanneer een verpakking met een vloeibaar bestrijdingsmidde­len bovenin de bestrijdings­midde­lenkast staat en omvalt, is de kans dat de verpak­king kapot gaat veel groter dan wanneer de verpakking onderin staat. Een goed afgesloten kast voor­komt dat bijvoorbeeld kinderen bij de bestrijdings­midde­len kunnen komen. Een goede opslag is dus van groot belang.


Type opslagplaats
Het type opslagplaats dat geschikt is, is mede afhanke­lijk van de hoeveelheid die wordt opgeslagen:

* < 150 kg: een losse kist of kast volstaat,

* 150‑400 kg: een bouwkundige kast is noodzakelijk,

* > 400 kg: een betreedbare bewaarplaats is noodzake­lijk.

Een bestrij­dingsmiddelen­kast (met een inhoud van minder dan 400 kg) moet aan de vol­gende eisen voldoen (artikel 9 van het Bestrijdingsmid­delenbe­sluit):

* solide bouw en stevige standplaats,

* (muis)dichte constructie,

* twee ventilatieopeningen van elk minimaal twee vierkante dm, ventilatieopeningen zover mogelijk uit elkaar (diago­naal tegenover elkaar),

* ventilatie mag niet uitkomen in werk‑ of schaftlokaal (eet smake­lijk),

* alle kastdelen moeten glad en effen zijn,

* geen poreuze of absorberende materialen gebruiken,

* lekbak over de gehele bodem,

* deur afsluitbaar met stevig slot,

* onbevoegden, zoals kinderen, moeten niet bij de sleutel kun­nen,

* deur voorzien van verplicht waarschuwingsbord (doods­kop met tekst `bestrij­dingsmiddelen' en verbodssignaal vuur, open vlam en roken verboden met daaronder tekst `verboden voor onbevoeg­den',

* standplaats droog, koel en buiten van invloed zonne­stra­ling,

* dichtbij de kast een wasplaats met stromend water. Als er een elektrische installatie (bijvoor­beeld verlichting) in de kast aanwezig is moet het materi­aal bestand zijn tegen chemische invloeden; de kast moet in een goede staat van onderhoud worden gehou­den; de kast moet doelmatig worden ingericht en zo schoon en opgeruimd mogelijk zijn.

Eisen die gelden voor een grote kast en betreedbare opslag­ruimte (van meer dan 400 kg opslag) zijn dezelfde eisen als eisen die ook gelden voor kleine kast aange­vuld met:

* Er moet sprake zijn van een goedgekeur­de instructie die duidelijk zichtbaar aan de buitenzij­de van de bewaar­plaats is opgehangen. Deze instructie, die door de Arbeidsinspectie wordt uitgegeven als publicatieblad P73, geeft aan wat er moet worden gedaan in het belang van de veiligheid en ge­zondheid en wat moet worden nagelaten bij de opslag van en de omgang met bestrij­dingsmidde­len.

* Ventilerend oppervlak minimaal 1/250‑ste deel van het vloer­op­pervlak.

* Ramen maximaal 90 dm², in brandwerende kozij­nen en voorzien van glas met gaasbewa­ping (maaswijd­te maximaal 10 mm).

* Wanden, zolders, deuren en ramen dienen brandwerend te zijn (NEN 3884).

* Binnen een afstand van twee meter van de ruimte mogen geen andere bewaarplaatsen, brandbare con­structies of materia­len zijn.

* Verwar­ming zonder vuur, oppervlakte verwarmingsmid­del maxi­maal 350 graden.

* Afstand tussen vloer en plafond minimaal 250 cm bij bestaan­de situatie en 300 cm bij nieuwbouw.

* Degene die bestrijdingsmiddelen in voorraad heeft, is ver­plicht ervoor te zorgen dat er in de bewaar­plaats niet wordt gerookt en er geen open vuur aanwezig is.



Persoonlijke kast

Het is handig naast de bestrijdingsmiddelenkast een persoon­lijke verzorgings­kast te zetten. Deze moet aan dezelfde voor­waarden voldoen. De kasten mogen niet rechtstreeks met elkaar in verbin­ding staan. Een muurtje ertussen is een oplos­sing.


HOOFDSTUK 8 BEREKENEN HOEVEELHEID MID­DEL EN WATER


Een belangrijk gegeven dat je nodig hebt voor het uit­voeren van een bespuiting, is de dosering van het te gebruiken mid­del. De dosering is te vinden op het etiket van het middel.


Er zijn twee manieren om de hoeveelheid middel aan te geven:
a hoeveelheid per oppervlakte eenheid, bijvoorbeeld liter/kg middel per ha. Het is voor deze methode belangrijk het juiste aantal liters spuitvloei­stof per ha te weten. Deze methode wordt vooral in de buiten­teelten toegepast.
b concentratie van het middel, bijvoorbeeld vier li­ter/kg per 100 liter water.
Maak ter inleiding de volgende opgaven (als huiswerk)
Om tijdens het spuiten niet met het probleem: spuit­vloeistof over of tekort, opgezadeld te worden, is het noodzakelijk enig rekenwerk te beheersen. Het gaat dan over vragen als: Hoeveel water en bestrij­dingsmiddel heb ik voor de totale bespuiting nodig? Hoeveel bestrij­dingsmiddel moet ik in elke tank doen en welke rijsnel­heid moet ik aanhouden? Daarom nu de volgende rekenop­drachten.

Vul in:

.. m2

.. ha

.. are

3.000

0,3

30

......

5,2

..

......

...

70

4.550

...

..

......

...

43

......

1,45

..

16.000

...

..

......

...

12

......

2,10

..



Vul in:

.. l

.. ml

.. cc

4

4.000

4.000

....

12­.­000

.....

0,4

..­.­...

.....

7,2

..­.­...

.....

....

..­.­...

8.600

....

150

.....

17

..­.­...

.....

....

3.900

.....



Vul in:

dosering in l of kg per ha

dosering in ml of gr per are

5 l/ha

50 ml/ha

3 kg/ha

.. gr/are

.. l/ha

20 ml/are

6 l/ha

.. ml/are

2 l/ha

.. ml/are

0,5 kg/ha

.. gr/are

.. kg/ha

30 gr/are

.. l/ha

50 cc/are

.. l/ha

60 cc/are

.. kg/ha

12 gr/are

4,5 l/ha

.. ml/are


Vul in:

dose­ring

middel wa­ter



te be­spui­ten

opper­vlak



benodigde hoe­veel­heid

water en middel



tank-

inhoud


aan­tal

tanks


hoeveel­heid

middel per tank



3 l/ha

400 l/ha


5000 m²

0,5 ha  3 l = 1,5 l

0,5 ha  400 l = 200 l



100 l

200  100

= 2


1,5 l  2

= 0,75 l


20 ml/are
20 l/are

60 are

.........­...­......­....
.........­...­......­....

10 l

...­...­....

.....­...­...­....

40 gr/are
5 l/are

25 are

.........­...­......­....
.........­...­......­....

10 l

...­...­....

.....­...­...­....

4 kg/ha
500 l/h

5 ha

.........­...­......­....
.........­...­......­....

400 l

...­...­....

.....­...­...­....

8 l/ha
300 l/ha

4,5 ha

.........­...­......­....
.........­...­......­....

675 l

...­...­....

.......­....­....

50 gr/are
400 l/ha

10 are

...........­.......­....
...........­.......­....

200 l

...­...­....

.......­....­....

0,5 l/ha
200 l/ha

2 ha

...........­.......­....
...........­.......­....

100 l

...­...­....

.......­....­....

Eindopdrachten:


Opdracht 1

Op een perceel van 2,5 ha moet een vloeibaar onkruidbe­strij­dingsmid­del worden toegediend. Op het etiket wordt een dose­ring van 3 liter per ha vermeld. De

hoeveelheid water bij deze behandeling is 200 liter per ha.

a Bereken de hoeveelheid middel die nodig is.

b Bereken de hoeveelheid water die nodig is.

Opdracht 2

Op een perceel van 1500 m² moet een vloeibaar ziektebe­strij­dingsmid­del worden toegediend in een opgaand gewas. De `dosering' (beter: meng­verhouding of concentratie) is volgens het etiket 50 ml middel per 100 liter water. De beno­digde hoeveelheid spuitvloeistof is 20 liter per 100 m.

a Bereken de benodigde hoeveelheid water in liters.

b Bereken de benodigde hoeveelheid middel in ml.



Opdracht 3

Op een perceel van 5 ha wordt een spuitpoeder toegepast tegen bladluizen. De dosering bedraagt 0,5 kg per ha.

a Hoeveel kg middel moet in totaal afgewogen worden?

b Dit middel moet ook worden toegepast op een klein perceel.

Hoeveel middel is er voor dit perceel nodig, uitge­drukt in gram per are?


Opdracht 4

Op een perceel van 20 meter bij 25 meter moet een on­kruidbe­strijding worden uitgevoerd. Voor het uitrekenen van de beno­digde hoeveelheid middel en water moet je de oppervlakte weten.

Bereken de oppervlakte van dit perceel:

a in m².


b are.

c ha.


Opdracht 5

Op een perceel van 20 bij 25 meter moet een onkruidbe­strijding worden uitge­voerd. Op het etiket wordt voor het middel een dosering vermeld van 3 liter per ha. Bereken de hoeveelheid middel die voor deze bespuiting nodig is:

a in liters.

b in milliliters.

c Waar hangt het van af of je de hoeveelheid uitdrukt in liters of in millili­ters?

Opdracht 6

Op een perceel van 20 bij 25 meter moet een onkruidbe­strijding worden uitge­voerd. Op het etiket wordt voor het middel een dosering vermeld van 3 liter per ha en een hoeveelheid water van 200 liter per ha. Bereken de hoeveelheid water die voor de bespuiting nodig is.



Opdracht 7

Op een perceel van 40 bij 25 meter moet een onkruidbe­strijding worden uitge­voerd. De dosering van het middel is 3 liter per ha en de hoeveelheid water 200 liter per ha. De bestrijding wordt uitge­voerd met een rugspuit die een tankinhoud heeft van 15 liter.

a Bereken de hoeveelheid middel en water die nodig is.

b Kan met 1 tankvulling worden volstaan?

c Bereken de hoeveelheid middel voor de eerste tankvul­ling.

d Bereken de hoeveelheid middel en water voor de tweede tank­vul­ling.



Opdracht 8

Een veldspuit heeft een inhoud van 1000 liter. Hiermee wordt op een perceel een bespuiting uitgevoerd. Op het etiket wordt voor het middel een dosering van 5 liter per ha aangegeven. De hoeveelheid water per ha is 400 liter. Hoeveel middel moet worden gereed gemaakt voor 1 tankvul­ling?


Opdracht 9

Op een perceel wordt een bespuiting uitgevoerd. De dosering van het middel is 5 liter per ha. De hoeveel­heid water per ha is 400 liter. De tank moet voor de laatste omgang bijgevuld worden. Er is nog 100 liter spuitvloei­stof in de tank. Er moet nog 2 ha gespoten worden. De noodzakelijke hoeveelheid rest­vloeistof is 25 liter.

a Met hoeveel water moet worden bijgevuld?

b Hoeveel middel moet hier aan worden toegevoegd?



Opdracht 10

Op een bietenperceel van 5 ha wordt een rijenbepuiting uitge­voerd. De rijenaf­stand is 50 cm. De te bespuiten strook is 20 cm. Gerekend naar een volveldsbe­spuiting zou 300 liter per ha worden verspoten worden en de dosering van het middel zou 5 liter per ha zijn. De noodzakelijke hoeveel­heid restvloeistof

bedraagt 25 liter (De veldspuit heeft een tank van 1000 li­ter).

a Hoeveel spuitvloeistof moet er worden gereedgemaakt?

b Hoeveel middel moet hier aan worden toegevoegd?

HOOFDSTUK 9 UITVOEREN GEWASBESCHERMING

Vul aan de hand van naslagwerken en de handleiding gewasbe­scherming de volgende tabellen in al naar gelang je bedrijfstak is.


Indien meerdere middelen worden geadviseerd kies dan 1 .
TABEL 1: Snijmais (voor veehouderij-leerlingen en loonwerk-leerlingen)


BELAGER

WERKZAME

STOF


MIDDEL

DOSERING

TOEP.

TIJDSTIP


KOSTEN

PER HA


melganzevoet,

zwarte nacht-

­ schade















kweekgras















hanepoot















haagwinde

















ritnaalden














vogels















fritvlieg
















TABEL2: Aardappelen, akkerbouwleerlingen


BELAGER

WERKZAME

STOF


MIDDEL

DOSERING

TOEP.

TIJDSTIP


KOSTEN

PER HA


melganzevoet,

zwarte nacht-



­ schade














kweekgras















aaltjes















phytophthora

















Bladluizen pootgoed















Coloradokever















Rhizoctonia knolbehandeling



















examen gewasbescherming.kies je sector en maak de toets




Licentie 1 gewasbescherming




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina