Certificaat : verzorgen omgeving veehouderijbedrijf(cbi6)



Dovnload 0.6 Mb.
Pagina4/5
Datum20.05.2018
Grootte0.6 Mb.
1   2   3   4   5

HOOFDSTUK 2 RISICO'S CHEMISCHE MIDDELEN

De veelvuldige toepassing van chemische middelen in de land­bouw leidt tot een succesvolle bescherming van de gewassen en een verhoging van de productie. Echter de boer die chemische middelen toepast, is vaak meer met zijn gewassen bezig dan dat hij aandacht heeft voor zijn eigen bescherming. Bij veel werk­zaam­heden worden stof en chemicaliën geproduceerd. De mens staat gedu­rende zijn gehele leven bloot aan allerlei schadelijke invloeden van buitenaf. De opeenho­ping van al die invloeden kan op den duur negatieve gevolgen hebben voor de gezond­heid. Het is van groot belang om bewust te leven. Bij het werken met chemische middelen kunnen allerlei persoon­lijk beschermingsmaatregelen ter hand worden genomen. Wanneer ondanks de nodige voorzorg toch een `ongeluk' gebeurt, moet er ook een aantal maatregelen worden genomen.


Vergiftigingsverschijnselen en eerste hulp
Bij warm weer is het gevaar voor vergiftiging groter dan bij koel weer. De meeste vergiften doen hun schadelijke werking eerst gelden nadat zij in het bloed zijn opgeno­men.

De opname van vergiften in het lichaam kan als volgt gebeuren:

‑ door de onbeschadigde huid en de slijmvliezen (onder andere het bindvlies van het oog). Bestrij­dingsmidde­len (vooral de orga­nische fosforverbindin­gen en DNOC) kunnen door de huid binnen dringen,

‑ door inademing (opname via de longblaasjes),

‑ door de mond en spijsverteringswegen (opname via de dunne darm).
Elk vergif tast bepaalde weefsels en organen aan of heeft een nadelige invloed op de stofwisseling. Het brengt daarom bepaalde, veelal voor dat vergif kenmer­ken­de ziekteverschijnselen te­weeg. Bij het optreden van een vergiftiging dient men onverwijld de hulp van een arts in te roepen, waarbij de naam van de werkzame stof en de toxicologische groep moeten worden meege­deeld (deze staan vermeld op het etiket van de verpakking).
Eerste hulp
In afwachting van de komst van de arts moeten in het algemeen de volgende maatregelen worden genomen.

- Is de huid door een bestrijdingsmiddel verontreinigd, was deze dan zorgvuldig schoon (eerst met koud, daarna met warm water en zeep). Kledingstuk­ken doordrenkt met bestrijdingsmid­del dienen direct te worden verwijderd en de huid moet op die plaats worden gewassen.

- Is er bestrijdingsmiddel in de ogen gekomen spoel deze dan met stromend water uit. Indien men met sterk bij­tende stoffen (zuren en logen) te doen heeft, moet deze behan­deling ten minste een kwartier lang worden voortgezet.

- Is er bestrijdingsmiddel in de maag terechtgekomen, laat het slachtoffer dan twee glazen water drinken en wek vervolgens braken op. Tenzij het een bijtend middels is, dan alleen laten drinken. Het laatste kan men doen door een schone vinger tegen de achterwand van de keel te bewegen. Laat het slachtoffer vier à vijf tabletten of één eetlepel Norit opgelost in een glas water drinken. Let op! Geef het slachtoffer nooit te drinken als hij niet zelf in staat is het drinkglas vast te houden! Bij vergifti­gingsgeval­len door bestrijdings­middelen is het beter om geen melk te drinken. Vele bestrijdings­middelen lossen namelijk beter op in vetten en oliën dan in water; melk bevordert de opname van deze stoffen in het lichaam. Wek geen braken op als het een bijtend middel is.

- Is de vergiftiging ontstaan door de inademing van bestrij­dings­middelen in de vorm van gas, damp, stof of nevel, breng het slachtoffer dan zo spoedig mogelijk in een omgeving waar de lucht zuiver is, daarbij rekening houdend met de eigen veiligheid.

- Is het slachtoffer bewusteloos, leg hem dan op een zijde (stabiele zijlig­ging) met het hoofd opzij en achterovergebogen; de mond naar beneden. Verwijder een kunstgebit, maak knellende kleding­stuk­ken (riem, boord) los en dek het slachtoffer warm toe (dit laat­ste geldt niet voor een DNOC‑ver­gifti­ging, waarbij afkoelende maatregelen op hun plaats zijn). Reinig zo nodig ogen en huid; geef het slachtoffer niet te drinken.



- Ademt het slachtoffer onvoldoende: dan direct beade­men.

Vergiftigingsverschijnselen
Voor enkele van de meest belangrijke bestrijdingsmidde­len zijn de specifieke vergiftigingsverschijn­selen vermeld (voor zover die door een leek kunnen worden geconstateerd) met, waar nodig, aanvullende mede­delingen omtrent eerste hulp. Zodra de eerste vergiftigingsver­schijnselen optreden, moet men die `waarschu­wing' ter harte nemen en de werkzaamheden met de bestrij­dingsmid­delen onmiddellijk beëindi­gen.
Ter illustratie volgen hier de vijf belangrijkste groe­pen chemische middelen met de vergiftigingsver­schijnse­len, die zij kunnen veroorza­ken. Het is niet de bedoe­ling dat men alle groepen met bijbehorende verschijnse­len kent. Wel moet men weten welke verschijnselen op vergiftiging kunnen wijzen.
a Organische fosforverbindingen zoals parathion, mevin­fors (phos­drin) en carbamaten met cholinestera­se remmen­de werking zoals carbaryl.
Verschijnselen: hoofdpijn, duizeligheid, misse­lijk­heid, be­klemd gevoel op de borst, onrust, tranenvloed en slecht, zien. In een wat meer gevorderd stadium van de vergif­tiging kunnen buikkrampen, diarree, sterk zweten, be­nauwdheid en trekkingen in de spieren ont­staan. Eerste hulp: De hiervoor genoemde algemene maatregelen en verder absolute rust (niet lopen of zitten, maar rustig stilliggen) en veel drinken (geen melk).
b Dinitroverbindinqen zoals DNOC, DNBP en binapacryl (Acri­cid).
Verschijnselen: lichte gevallen: gevoel van warmte, sterk zweten en rood hoofd. Ernstige tot zeer ernstige gevallen: zeer sterk zweten dorst, vermoeid­heid, hoofd­pijn, snelle pols, onrust, verhoging van de lichaams­tem­peratuur, misselijk­heid, braken, diarree, blauwzien, beven en krampen. Eerste hulp: De al eerder genoemde algemene maatregelen en verder absolu­te rust op een koele plaats, veel drinken, (liefst suikerhou­dende dranken echter geen melk), afwassen met koud water.
c Dithiocarbamaten zoals maneb, zineb en thiram (ook TMTD genoemd).
Verschijnselen: prikkeling van de slijm­vliezen. Na inademen: hoesten, niezen, pijn in de keel en achter het borstbeen. Na inslikken: misse­lijk­heid, braken en diar­ree. Eerste hulp: algemene maatregelen zoals hierboven beschreven. Opmer­king: beslist geen alcohol geven daar zich in combinatie met alcohol verschijn­se­len van onvol­doende ademhaling kunnen voordoen.
d Dipyridiliumderivaten (paraquat, diquat).
Verschijnselen: bij inslikken: pijn in de mond en de keel, buikpijn, diarree, toenemende benauwd­heid en blauwzien. Eerste hulp: de eerder genoem­de algemene maatregelen.
e Gechloreerde koolwaterstoffen (lindaan, het vroegere veel ge­bruikte DDT).
Verschijnselen: beven, spierschokjes en ‑krampen, opwin­ding, onrust, angst, hoofdpijn, misselijk­heid, braken en diarree. Eerste hulp: de algemene maatrege­len.

Vragen bij hoofdstuk 2
1 Noem een voordeel en een nadeel van het werken met chemische middelen

2 Op welke verschillende manieren kan je vergiftigd worden door een chemisch middel?


3 1: Wat moet je doen als iemand met de huid in aanraking is ge­weest met een bestrijdingsmiddel?

2: Wat moet je doen als je een bestrijdingsmiddel in jouw ogen hebt gekregen?

3: Wat moet je doen als iemand een bestrijdingsmiddel op heeft gedron­ken?

4: Als iemand een bestrijdingsmiddel in heeft geademd, wat moet je dan doen?

5: Als iemand die in aanraking is geweest met bestrijdingsmidde­len bewusteloos is, wat moet je dan doen?

6: Wat moet je doen als een slachtoffer onvoldoende ademt?

4 Waarom is het belangrijk om te weten welke werkzame stof in een middel zit en wat de toxicologische groep is?


HOOFDSTUK 3 HERKENNEN BELANGRIJKSTE AFWIJKINGEN

Jammer genoeg verloopt de teelt van een gewas meestal niet zonder problemen. Vaak treden er bepaalde ziektes en/of plagen op. Ze veroor­zaken afwijkingen aan het gewas. Afwijkingen aan het gewas kunnen economische schade tot gevolg hebben. Denk maar eens aan rotting, verwelkte planten, vreterij, misvormin­gen of (bij sierteeltproducten) alleen al de aanwezigheid van de aantaster.


Vaak is er preventief of curatief nog wel wat aan te doen.

Preventieve maatregelen zijn maatregelen ter voorkoming van problemen.

Curatieve maatregelen bestrijden een ziekte of plaag.
Om actief een bestrijding in een gewas uit te kunnen voeren is het noodzakelijk om vast te stellen om welke afwijking het gaat. Aan de hand van de symptomen(verschijnselen) wordt de diagnose gesteld.

Om dit goed te kunnen doen moeten we de belangrijkste afwijkingen kennen. Hiermee wordt bedoeld dat je moet weten tot welke groep de veroorzaker van een afwijking hoort.


Soms is er sprake van een parasiet, zoals een schimmel, een insect, een virus; zij voeden zich ten koste van planten. Soms moet de oorzaak gezocht worden in een niet-parasitaire oorzaak, zoals bemestingsfouten of spuitschade.
Een aparte rol spelen de onkruiden. Onkruiden zijn planten die groeien op een plaats waar wij ze eigenlijk niet willen hebben. Ze nemen n.l. water, voedsel en licht weg, wat voor het gewas bestemd is. Ook kunnen onkruiden fungeren als waardplant, d.w.z. dat er b.v. insecten of schimmels op leven die ook het gewas kunnen aantasten.
Het kennen van de belangrijkste oorzaken van afwijkingen is noodzake­lijk om een juiste bestrijding die bij een bepaalde groep van gewasbe­schadigers hoort, uit te kunnen voeren.

Bij het optreden van insecten op een gewas hoort een eventuele chemi­sche bestrijding met een insecticide. Bij het optreden van schim­mels(=fungi) hoort een fungicide etc.


We kunnen de gewasbelagers op de volgende manier indelen:


I Plantaardige gewasbeschadigers.
a. Schimmels
- Schimmelpluis op de plant.
We noemen dit ook wel mycelium. Het kan zijn dat de schimmel in de plant leeft en schimmeldra­den naar buiten steekt om zijn spore te kunnen verspreiden buiten de plant. Het kan ook zijn dat de schimmel buiten op de plant leeft en schimmeldraden in de plant steekt om zich te voeden.
- Sporenhoopjes op de plant.
Schimmels die in de plant leven maken soms sporenhoopjes op de buiten­kant van de plant. Deze sporen­hoopjes hebben vaak een voor de ziekte karakteristieke kleur. Denk bijv. aan gele en bruine roest.


b. Bacteriën
- Bacterieslijm.
Om uitdroging te voorkomen maken bacteriën slijm aan. Wanneer er sprake is van een bacterie aantasting zal meestal ook van dit slijm in verschillende kleuren waar te nemen zijn.
- Afsterving / verrotting.
Vaak treedt er bij een bacterie aantasting een afsterving van het weefsel op gevolgd door natrot.

II Dierlijke gewasbeschadigers
a. Zoogdieren
- Diverse vormen van vraat
b. Vogels
- Uitpikken van het zaad
- Wegpikken van gehele of gedeeltelijke blad
c. Insecten
- Diverse vormen van vraat
Sommige insecten vreten vooral langs de randen van bladeren. Anderen vreten vooral gaten in de bladeren.
- Skeletteren
Wanneer de opperhuid van het blad en het bladmoes wordt weggevreten blijft er alleen een skelet van het blad over.
- Mineren.
Wanneer alleen het bladmoes tussen de twee opperhuiden wordt weggevre­ten blijft ook een doorschijnende lijn op het blad achter. Vaak is er in de zo ontstane gangen de verantwoordelijke larve van het insect waar te nemen.
- Zuigschade.
Wanneer een insect over een geschikt monddeel beschikt kan hij cellen van een plant leegzuigen. Meestal blijven dan licht gekleurde cellen achter. Wanneer insecten vooral aan de onderkant van het blad zuigen zal door het wegvallen van de celspanning (turgor) het blad om gaan krullen.
- Honingdauw.
Insecten nemen vaak (te) veel suiker op uit de plantencellen. Veel van deze suiker verlaat onver­werkt het lichaam van het insect. Deze suiker wordt afgezet in de vorm van een plakkerige laag op het gewas. Dit noemen we honingdauw.

d. Spinachtigen: mijten - spint
- Witte bladcellen.
Doordat spint plantencellen leegzuigt ontstaan er witte bladcellen.
- Fijn spinrag.
Evenals de grotere ons bekende spinnen maakt ook spint fijn spinrag, vaak aan de onderkant van de bladeren.
e. Aaltjes
- Moeheidverschijnselen.
Planten vertonen een trage groei. Vaak komt dit verschijnsel plekge­wijs in het perceel voor. We spreken van valplek.
- Knobbeltjes op de wortel.
Doordat veel aaltjes de plant vanuit de grond belagen treden veel verschijnselen op aan de wortel. Bij sommige aaltjes vormt de wortel knobbeltjes op de wortel.
- Cysten.
Bij sommige aaltjes zijn de achterlijven van de vrouwelijke aaltjes op de wortel te zien. Deze zijn boordevol gevuld met eitjes en larven. Wanneer de plant en kort daarna het aaltje sterft spreken we van cysten. Een cyste is dus een gestorven aaltje met hierin een groot aantal eitjes en / of larven.
- Baardige wortels.
soms is het effect van aaltjes te zien aan het ontstaan van heel erg vertakte wortels. We spreken van baardige wortels.

f. Slakken
- Vraat.
Slakken zijn in staat om met hun rasptong grote stukken uit het blad te vreten.
- Slijmspoor.
Om goed over een oppervlak te kunnen glijden scheiden slakken slijm uit. Dit is als een slijmspoor op het gewas te zien.

III Virussen
- Verkleuringen van het blad.
Een veel voorkomend verschijnsel blij het optreden van virussen is het plekgewijs verkleuren van het blad. We noemen dit ook wel bont. Ook gehele bladverkleuringen komen voor.

- Vormveranderingen.


Vaak komen allerlei veranderingen aan de plant voor. Bijv. bobbelig blad, en het oprollen van de bladeren.

IV Onkruiden
Tot de onkruiden rekenen we eigenlijk alle planten die niet gewenst zijn.
We onderscheiden
a. zaadonkruiden

b. wortelonkruiden


Zaadonkruiden vermeerderen zich alleen d.m.v. zaad. Wortelonkruiden kunnen zich ook vermeer­deren door zaad echter deze groep maakt vaker gebruik van de mogelijkheid zich te vermeerderen d.m.v. ondergrondse delen. Deze ondergrondse kunnen uitlopen en hierop kunnen zich nieuwe planten ontwikkelen.

Daarnaast kunnen de onkruiden worden ingedeeld in:


a. eenzaadlobbig , bij kieming komt 1 zaadlob boven (grasachtigen). Deze planten kenmerken zich door smalle langwerpige bladeren.

b. tweezaadlobbig, bij kieming komen 2 zaadlobben boven (breedbladi­gen).




V Ongunstige omstandigheden
Hiertoe behoren:

1. weersinvloeden: - vorst

- hagel

- droogte



2. bemestingsfouten
3. spuitfouten
4. luchtverontreiniging
5. bodemproblemen: - verdichting

- te zuur

- structuur


Vragen bij hoofdstuk 3
1 Waarom moeten ziekten en plagen bestreden worden in een gewas?

2 Wat is het verschil tussen preventief en curatief werkende midde­len?

3 Wat is een parasiet en noem een voorbeeld.

4 Noem de definitie van onkruiden.

5 Waarom willen we geen onkruiden in het gewas?

6 Wat is een waardplant?

7 Vul onderstaande tabel in:
Bron: http://gewasbescherming.startpagina.nl/



Gewasbeschadiger

Voorbeeld

Soort schade

Schimmel







Bacterie







Zoogdier







Vogel







Insect







Aaltje







Slak







Virus







Onkruid

















OPDRACHT: HERKENNING GEWASBELAGERS: ZIEKTEN
Vul voor de volgende ziekten de onderstaande tabel in. Gebruik daarbij de boekjes over ziek­ten/pla­gen van de gewassen die ter inzage aanwezig zijn en internet.

Bron: http://gewasbescherming.startpagina.nl/ en http://databank.groenkennisnet.nl/


GEWAS: AARDAPPELEN


NAAM

SOORT

SYMPTOMEN

SCHADE

Bladrol









Aardappelziekte

(phytophthora)











Aardappelmoeheid

(aardappelcyste-

aaltje)










Rhizoctonia









Fusarium



















GEWAS: SUIKERBIETEN




NAAM

SOORT

SYMPTOMEN

SCHADE

Wortelbrand









Bietecysteaaltje









Bietevlieg









Wortelknobbel­aaltje









Vergelingsziekte




















GEWASGROEP: GRANEN




NAAM

SOORT

SYMPTOMEN

SCHADE

Meeldauw









gele roest









Bladvlekkenziek­te









Fritvlieg
































OPDRACHT: VRAGEN
1. Hoe zien afwijkingen door de volgende ongunstige omstandigheden eruit:
a. bemestingsfout door overlapping van strooibanen:

b. spuitfouten.

c. bodemproblemen.

2. Welke groepen gewasbelagers zijn belangrijk voor de volgende teelten. Met groepen gewasbelagers bedoelen we: onkruiden, schimmels, bacteriën, insecten, virussen, aaltjes. Zet de belangrijkste voor de betreffende teelt bovenaan.

a. grasland:

1.
2.


3.
b. snijmaïs:

1.
2.


3.

c. suikerbieten:

1.
2.
3.
d. aardappelen:

1.
2.


3.
HOOFDSTUK 4 BESTRIJDINGSMETHODEN

Ziekten, plagen en onkruiden in land- en tuinbouwgewas­sen zijn onge­wenst. Dit omdat ziekten en plagen ten koste gaan van de opbrengst en de kwaliteit. Ter be­strij­ding van allerlei ziekten en plagen staat ons een aantal bestrijdingsprinci­pes ter beschikking.

Om te weten welke bestrijdingsmethode het beste past bij een eventuele aantas­ting van het gewas, is het noodzake­lijk deze verschillende bestrijdingsprin­cipes te kennen.
We kennen:

- mechanische bestrijding,

- chemische bestrijding,

- biologische bestrijding,

- geïntegreerde bestrijding en geïntegreerde teeltsyste­men,

‑ geleide bestrijding.





  1. Mechanische bestrijding

Bron: gewasbescherming.startpagina.nl
Mechanische ziekte-/plaagbestrijding in zijn meest eenvoudige vorm is het met de hand verwijderen van ziekteverwekkers en zieke planten. Denk aan het selecte­ren in uit­gangsmateriaal, bijvoorbeeld in poot­aardap­pe­len of aardbeiplan­ten. Ook het wegknippen van zieke of aange­taste delen is een vorm van mecha­nische ziekte‑/plaagbestrijding. Verder zou je kunnen denken aan het wegknippen van rupsennesten in de fruitteelt of het zetten van klemmen tegen mollen of konij­nen. Zelfs het zetten van gaas ter bestrijding van insekten wordt in de volle­gronds­groenteteelt met succes toege­past. Mechanische onkruidbestrij­ding kan worden uitgevoerd met aanaarden, schoffe­len, eggen enzovoort.



  1. Chemische bestrijding

Bron: gewasbescherming.startpagina.nl

Een ziekte, plaag of onkruid kan worden bestreden met chemi­sche midde­len. In de landbouw is het spuiten de meest toegepas­te vorm van gebruik van chemi­sche midde­len. Je kunt echter ook denken aan dompe­len, poederen, verneve­len, vergassen en strij­ken. Aan het gebruik van gewasbescher­mings­middelen kleven nadelen. We noemen hier: de nadelen voor het milieu, het optreden van resistentie en de giftigheid voor degene die het middel toepast.



Nadelen voor het milieu

Bron: gewasbescherming.startpagina.nl

Gewasbeschermingsmiddelen worden soms moeilijk afgebro­ken. We noemen deze middelen persistent. Doordat sommige middelen moeilijk afbreken kunnen zij uiteindelijk in het grondwater terechtkomen. Het grondwater wordt dan onge­schikt om er drinkwater van te maken, vandaar dat alle persistente midde­len niet in de buurt van waterwin­putten gebruikt mogen worden en over enkele jaren zelfs in heel Nederland verboden zullen wor­den. Een ander nadeel is dat bij het spuiten nogal weleens van het middel in het oppervlaktewater, bijvoorbeeld een sloot, terecht­komt. Sommige middelen zijn zeer schadelijk voor alles wat in het water leeft.

Ook blijkt een deel van het middel net na het spuiten van het gewas te verdam­pen, het middel komt dan op een andere plaats met regen weer naar bene­den. Als laatste nadeel kan men noemen, dat bij bestrijding van bijvoor­beeld insecten, niet alleen het insect gedood wordt dat men wil doden, maar ook andere nuttige insecten. Bij het be­strijden van bladluizen met veel gangbare middelen gaan niet alleen de bladluizen dood, maar ook veel insecten die bladluizen eten.




Het optreden van resistentie

Bron: gewasbescherming.startpagina.nl

Als men een middel heel intensief gebruikt, blijkt soms dat een middel helemaal niet meer werkt. We zeggen dan dat een plant of dier resis­tent is geworden tegen het middel. Als er vervolgens geen goed ander middel voor­handen is, kan een bepaald schadelijk organisme niet meer bestre­den worden.

Resistentie kan men voorkomen door niet meer te spuiten dan echt nodig is en door regelmatig van middel te wisse­len. Men geeft een schadelijk organisme geen kans om resistentie tegen een middel op te bouwen. Re­sis­tentie komt onder andere voor bij het middel atrazin dat veel gebruikt wordt/is bij de onkruid­bestrijding in maïs en bij veel insecticiden onder andere het nu verboden middel DDT.



Giftigheid
De meeste gewasbeschermingsmiddelen zijn schadelijk of zeer giftig. Bij de toepassing van deze middelen moet men dan ook alle beschermende maatrege­len treffen die op het etiket van een middel staan vermeld.
In verband met de nadelen van het gebruik van gewasbe­scher­mingsmid­delen streeft de overheid ernaar het ge­bruik van gewasbescher­mings­middelen in het jaar 2000 met de helft teruggebracht te hebben in vergelij­king met het gebruik in de periode van 1984 tot 1988.

Hoe de vermindering van gebruik van gewasbeschermings­mid­delen bereikt kan worden staat beschreven in het Meerja­renplan Gewasbe­scherming.





  1. Biologische bestrijding

Bron: gewasbescherming.startpagina.nl

Het principe van biologische bestrijding is het bestrij­den van het ene organisme met het andere organisme. Een voorbeeld hiervan is het be­strijden van spint met roof­mijten.

In de boomteelt kennen we het bestrijden van de taxuske­ver met een aal­tje, in de groenteteelt het bestrijden van de witte vlieg met een schimmel.

Op dit moment worden de grootste successen behaald in de teel­ten onder glas. Zo wordt de witte vlieg in de toma­ten‑ en kom­kommerteelt onder glas geheel door middel van een sluipwesp met succes bestreden. Wellicht kunnen ook in de toe­komst nog meer en betere resultaten dan op dit moment geboekt worden in de vollegrond­steelten.





  1. Geïntegreerde bestrijding en geïnte­greerde teeltsyste­men

Geïntegreerde bestrijding is het toe­pas­sen van een aantal bestrij­dingsmethoden in combinatie met mechani­sche en chemische bestrijding.


Een goed voorbeeld van geïntegreerde bestrijding is de bestrijding van aardap­pel­cystenaaltjes in de akker­bouw. Deze aaltjes veroorzaken de zogeheten aardap­pelmoe­heid. De geïntegreerde aanpak kan bestaan uit het geheel van de volgen­de maatrege­len:
* bedrijfshygiëne

Schone werktuigen op het land, voorkomen van besmet­ting van buren of buurpercelen. Voorts is het belang­rijk opslag­planten van voorgaande teelten te bestrij­den in verband met het vermeerderen van de aaltjes op deze opsl­agplanten.



* grondonderzoek

In het laboratorium kan vastgesteld worden of de aaltjes aanwezig zijn, in welke aantallen en om welk type aaltje het gaat.



* rassekeuze

Als bekend is welk type aaltje aanwezig is, kan er moge­lijk een resistent ras geteeld worden.



* vruchtwisseling

Door ruimere vruchtwisseling vermindert het aantal aard­appel­cystenaaltjes.



* chemische bestrijding

Als ondanks voorgaande maatregelen toch een besmetting is opge­tre­den kan men een chemische

bestrijding toe­pas­sen.
Ook combinaties van biologische en chemische bestrijding komen in de praktijk voor. Bijvoorbeeld in de uienteelt waar de uienvlieg met succes bestreden wordt door het uitzetten van steriele uienvliegman­netjes. De overige ziekten en plagen worden chemisch bestre­den.
Nog verder dan de geïntegreerde bestrijding gaat het geïntegreerd telen. Hier gaat het erom een optimaal teeltresultaat te bereiken met een minimale inzet van chemische middelen en kunstmest. Het kan bijvoor­beeld betekenen dat de bemesting wordt aangepast om ziekten en plagen te voorkomen. Het gaat er bij dit teeltsys­teem ook niet om zoveel mogelijk kg product van een perceel te halen. Voorop staat het hoogst mogelijke economische eindresultaat. Een verlies aan productie is niet erg als de lagere kosten van bestrijdingsmiddelen en kunst­mest dit maar compense­ren.



  1. Geleide bestrijding

Geleide bestrijding wil zeggen dat pas tot bestrijding wordt overge­gaan als aan de hand van waarnemingen is gebleken dat dit ook inder­daad nodig is. Deze waarnemin­gen dienen dan te worden vergeleken met voor dit gewas bekende economische scha­de- of bestrijdingsdrempels. Een voorbeeld van het vaststellen van schadedrem­pels is het gebruik van feromoonvallen of seksvallen.

Bijvoorbeeld het aantonen van erwtenpeulboorder door het uitzetten van valletjes waarin een dopje hangt met feromoon of sekslokstof. De lokstof trekt mannetjes aan. Deze mannelijke vlindertjes blijven plakken in de lijm aan de binnenzijde van het doosje. Door regelmatige controle van de valletjes kan men vaststellen of deze insecten in schadelijke aantallen aanwezig zijn. Aan de hand van deze waarnemingen kan men besluiten om tot bestrijding over te gaan. In de fruitteelt wordt dezelf­de methode gebruikt bij het vaststellen van vruchtblad­rol­lers en fruitmot.

Bij het hanteren van een economische schadedrempel gaat men er­van uit, dat de kosten van een bestrijding mini­maal goed ge­maakt dienen te worden door de meeropbrengst die te verwachten is na de bestrijding. Korter gezegd: Wegen de kosten op tegen de extra opbrengsten die men mag verwachten? Pas wanneer deze vraag positief is beantwoord dient een bestrijding te worden uitgevoerd.

Bij het bepalen van de kosten moet men uiteraard verder gaan dan alleen het bepalen van de kosten van het mid­del. Denk ook aan de kosten van apparatuur, arbeidsloon, eventueel groei­remming van het gewas enzovoort
Aan de andere kant moet bij de opbrengst rekening worden gehou­den met de prijs van het product en de eventuele prijsschommelingen. Duidelijk is dat de economische schadedrempel meestal geen vast gegeven is, maar in de tijd kan variëren. Zo kan de schadedrempel in het begin van het oogstseizoen wanneer de prijs hoger is, anders liggen dan later in het teeltsei­zoen met lagere prijzen.
Volgens de `oude' of `traditionele' aanpak wordt de bestrij­ding uitgevoerd op kalenderdatum of nadat de eerste luizen zijn verschenen. Men gaat hier ook meer preventief te werk.

Gaat een teler te werk volgens de geleide bestrijding dan zal hij pas moeten spuiten als bijvoor­beeld vijftien procent van de planten is bezet met luizen. Het is dus noodzakelijk dat hij regelmatig zijn gewas controleert en tellingen ver­richt.

Het nieuwe systeem van de geleide bestrijding past goed binnen het overheids­be­leid om het middelengebruik terug te dringen en het ver­dient als zodanig ook steun. Het is namelijk aangetoond dat door het hanteren van deze methode met minder chemische middelen kan worden vol­staan. Zo wist een groep preitelers op proef­percelen door beter waarnemen de hoeveelheid gewasbe­schermings­mid­delen met 52 procent terug te brengen.

Een probleem bij het toepassen van geleide bestrijding is het nog niet beschik­baar zijn van economische schade­drempels voor alle gewassen.



VRAGEN HOOFDSTUK 4
1. Geef 4 voorbeelden van mechanische bestrijding.

2. Waarmee wordt mechanische bestrijding uitgevoerd?


3. Wat is chemische bestrijding?

4. Noem 3 nadelen van chemische bestrijding en 2 voordelen.

voordelen:
nadelen:

5. Wat wordt bedoeld met:


a. persistent:

b. resistent:


6. Hoe kun je resistentie voorkomen?

7. Wat is biologische bestrijding en noem 4 voorbeelden.

8. Wat is geïntegreerde bestrijding en noem een voorbeeld.


9. Wat is geïntegreerd telen?

10. Wat is geleide bestrijding en noem een voorbeeld.

11. Wat wordt bedoeld met een economische schadedrempel?

12. Werken met schadedrempels heeft voordelen en nadelen.


a. noem een aantal voordelen:

b. noem een aantal nadelen:




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina