Boek Genesis in de literatuur



Dovnload 74.89 Kb.
Datum13.06.2018
Grootte74.89 Kb.

HET BIJBELBOEK GENESIS IN RECENTE LITERATUUR
Rita Ghesquière*

De discussie rond de scheppingsverhalen blijft actueel. Creationisme en Intelligent Design wekken verbazing en ergernis. Het kan toch niet dat mensen in de eenentwintigste eeuw zich vastklampen aan mythische verhalen om hun kijk op de kosmos te duiden. Maar wat is dan de betekenis van deze scheppingsverhalen als ze door de wetenschap hopeloos in diskrediet worden gebracht? Mensen zoeken steeds opnieuw in verhalen naar de zin van hun complexe bestaan. De oude scheppingsverhalen blijven wetenschappers en literatoren inspireren. Ook als we ze vandaag niet langer letterlijk interpreteren, ze fascineren ons omdat we achter die verhalen een diepere boodschap vermoeden1.


In wat volgt staan we stil bij enkele recente romans en verhalen die in het boek Genesis inspiratie vonden. Het gaat om de trilogie De kinderen van het Paradijs van de Zweedse auteur Marianne Fredriksson, De Schepping en Het Paradijs van Bart Moeyaert, Kaïn van José Saramago en Engelen vallen langzaam van Karl Ove Knausgård.

De twee bijbelse scheppingsverhalen
Het boek Genesis bevat twee scheppingsverhalen. Het eerste (Gn 1,1–2,4a) stamt uit de priesterlijke traditie. Dit scheppingsverhaal werd wellicht geredigeerd na de Babylonische ballingschap (586-538 v.Chr.). Het vertelt in een eerder plechtige liturgische stijl, hoe God de wereld schept in zeven dagen. Op de zesde dag maakt hij de mens aan wie de schepping wordt toevertrouwd. De zevende dag rust God. Het tweede scheppingsverhaal (Gn 2–3) is hoogstwaarschijnlijk ouder dan het eerste. In ieder geval lijkt het uit een andere traditie te komen. De scheppingsverhalen verruimen het joodse godsbeeld. Nadat God door het volk Israël in zijn geschiedenis herkend werd als de bevrijder (zie het exodusverhaal), wordt hij in de scheppingsverhalen getekend als een universele God, die de mens (reeds) uitverkoren heeft in en door zijn schepping.
Beide scheppingsverhalen dienen niet chronologisch gelezen te worden, maar wel theologisch. Het zijn teksten die iets verduidelijken over de relatie tussen de mens en God. Beide verhalen zijn ook complementair. Terwijl het eerste verhaal vooral de grootsheid en de harmonie centraal stelt, zoomt het tweede scheppingsverhaal in op de fundamentele menselijke tekorten. Waarom kunnen man en vrouw zo moeilijk samenleven? Vanwaar komen passie en agressie? Waarom zijn mensen sterfelijk? Het verhaal van Kaïn en Abel sluit daar onmiddellijk bij aan. Zowel in het scheppingsverhaal als in het verhaal van de broedermoord wordt de mens getekend als een begrensd wezen: hij is feilbaar in zijn relatie met God en met de andere. De zondigheid van de mens heeft steeds te maken met vrijheid en verantwoordelijkheid.
In het eerste scheppingsverhaal schept God orde door woord en daad. Alles wat er bestaat is zijn werk. Scheppen is scheiden, maar alles is schepsel: niets kan of mag voortaan nog vergoddelijkt worden. Dat geldt voor de zon en de maan en de dieren. De mens krijgt van God een mandaat. Hij is een gesprekspartner. De dualiteit van de mensheid is wezenlijk: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen’ zegt de tekst en deze dualiteit impliceert gelijkwaardigheid. Dat de zevende dag een rustdag is, past binnen de priesterlijke traditie met het respect voor de sabbat. De mens moet ook investeren in zijn relatie met God.
Het tweede scheppingsverhaal heeft vooral oog voor de complexiteit van het bestaan. De mens is meer dan een wezen gemaakt uit klei, hij kreeg ook Gods levensadem mee (2,7). De tuin van Eden verwijst niet naar een geografische plek maar naar de harmonie die ontstaat wanneer de mens in gemeenschap leeft met God. De boom van het leven verwijst naar het leven als gave, als overvloed2. De boom van kennis van goed en kwaad is verwijst naar het oordeel. Het is niet aan de mens om te oordelen over de ander, of over goed en kwaad. Het uiteindelijke oordeel ligt bij God. De mens geeft de dieren namen en drukt via de taal zijn superieure positie uit. Daarna krijgt hij van God een gezellin. In het derde hoofdstuk neemt het verhaal een tragische wending. De slang, symbool van het kwaad, maakt deel uit van de schepping, maar de mens kiest ervoor om de afspraak met God te verbreken. Beiden zijn verantwoordelijk voor het gebeuren. De harmonie is verbroken en Adam en Eva zijn zich daarvan bewust: ze schamen zich en verbergen zich voor God. God toont zich een zorgende en trouwe God. Adam en Eva worden geraakt in hun identiteit: ze zullen gebukt gaan onder de last van zwangerschap en van het werk. Maar God maakt ook kleren van huiden en kleedt hen.
Genesis 4 vertelt het verhaal van de zonen van Adam en Eva: Kaïn en Abel. Omdat het offer van de schaapherder Abel God welgevallig is, wordt Kaïn overvallen door woede. God spreekt hem daarover aan, maar Kaïn kan zich niet beheersen en doodt zijn broer Abel. God roept hem ter verantwoording, maar Kaïn ontkent zijn verantwoordelijkheid: ‘Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?’ Daarna vervloekt God hem. Maar opnieuw toont Hij medelijden, wanneer Kaïn klaagt dat hij als een zwerver door het leven moet en een gemakkelijk doelwit is. God geeft hem een merkteken. Wie Kaïn doodt zal zevenvoudig boeten.

De scheppingsverhalen van Bart Moeyaert
De twee prentenboeken die Bart Moeyaert maakte in samenwerking met de Duitse kunstenaar Wolf Erlbruch zijn even complementair als de scheppingsverhalen uit Genesis. De Schepping (2003) volgt het patroon van het eerste, priesterlijke scheppingsverhaal, waarin God de wereld schept in zeven dagen. Moeyaert brengt een intrigerende en heel menselijke versie van de schepping. Het verhaal wordt verteld door de mens, die getuige is van het hele gebeuren. Het begint met een kleine reflectie over ‘niets’ dat zo moeilijk is om voor te stellen. Als alles weggelaten is houd je alleen God en de verteller over.
Het is moeilijk God en mij over te houden als je net aan het niets hebt gedacht, maar ach God en ik zijn niet veel. We zijn nog minder dan je denkt. We zijn dat beetje lucht dat ’s nachts om de wereld reist. We zijn niet eens de sneeuw die verleden jaar gevallen is. Zo weinig zijn we. Maar evengoed waren we erbij, in het begin. Er was niets, en God en ik – en een stoeltje om op te zitten, want er is heel lang niets geweest. Het was verschrikkelijk. Maar dan neemt God initiatief en als een machtige meester-goochelaar, steekt hij de wereld in elkaar. Dat gebeurt op een haast kinderlijke wijze zonder veel woorden maar eerder met brede handgebaren of met een opgestoken duim. Na de dag en de nacht komen de wind, het water en het land en een slordig tapijt van gras en groen en grond. En telkens zucht God van tevredenheid. Dan schept God de dieren en ten slotte een vrouw. Het gesprek tussen God en de ik-figuur krijgt soms filosofische allures. De mens voelt zich klein tegenover de machtige God. Als God en ik maar weinig zijn, dan ben ik van ons tweeën – eerlijk is eerlijk – het allerminst. Een stofje. Maar Gods creativiteit wekt ook zijn ergernis op. Hij noemt hem een ‘opschepper’. Gevoelens van onzekerheid, angst, jaloezie en ontevredenheid steken de kop op. ‘Nog nooit heb ik mij zo alleen gevoeld, onder uw sterren, op uw grond, in de wind, in de wind, in de wind.’ Nergens ontdekt hij een plant met armen en benen die op hem lijkt. Soms klinkt de mens ronduit chagrijnig. ‘Wat wilt u eigenlijk van me? Waarom ben ik hier? Voor het applaus? Om u straks een bos met bloemen te geven voor de moeite?’ Maar gaandeweg ontdekt de mens dat God voor hem een eigen plaats en bestemming gereserveerd heeft. Ineens stond daar een vrouw. Ze was mooi en bloot als ik, en ze gaf bijna licht. ‘Welja’, zei God. Meer woorden gebruikt hij niet om de vrouw te introduceren. Hij is moe van het vele scheppingswerk; God moet dringend uitslapen en dat doet hij dan ook zonder gêne. Hij ronkt zachtjes en prevelt in zijn slaap, terwijl de man en de vrouw rustig toekijken. Hoewel God in dit scheppingsproces krachtig en uniek is, toch gedraagt hij zich heel menselijk. Hij beleeft plezier aan het werk van zijn handen, glimlacht, grinnikt en laat zich niet afleiden door het gezeur van de mens. Belangrijke verschilpunten zijn het feit dat de mens vanaf het begin getuige is van de schepping, maar hij krijgt geen bijzonder mandaat of verantwoordelijkheid van God. De taal speelt nauwelijks een rol in het scheppingsgebeuren. God werkt vooral met zijn handen en het is eerder de vragende, mopperende mens die het woord neemt.
Zeven jaar later verschijnt Het Paradijs (2010), opnieuw een eigenzinnige hertaling nu van het tweede scheppingsverhaal. Hoewel de titel niet gewaagt van het ‘Aards Paradijs’ toch gaat het om een heel aards verhaal, een oermythe zonder veel expliciete bijbelse verwijzingen. God, de slang, de appel en de straf zijn weggelaten. De personages en de plek blijven onbenoemd. Wat overblijft, is een sober verhaal over een man en een vrouw. In hun verste herinnering is er alleen het suizen van de wind en de val door het bladerdak. Daarna staan ze naakt op een open plek in het bos. Er is water en zon, er zijn planten en dieren. Aanvankelijk voelen ze zich nooit alleen. Er is overvloed, ze verdrinken in het leven en in elkaar. Terwijl de vrouw gulzig geniet van de rijkdom van de natuur, probeert de man orde te scheppen. Hij kapt en snoeit en sjort. Zij wil het bos laten begaan. Zij is zich ook sterker bewust van de kwetsbaarheid van de dingen en van zichzelf. Misschien vallen we zo meteen uit elkaar, omdat we niet hebben gezien dat onze rimpels barstjes waren. Maar ook in de relatie van de man en de vrouw komen er barstjes. Zij ligt soms wakker en zegt treurige dingen. Het wordt steeds moeilijker voor de man om de vrouw te vinden. Zij voelt zich één met de natuur, niet alleen met alles wat groeit en bloeit, maar ook met de donkere onderkant, met het slijk en de dood. Als de man het rollebollen in het slijk kan accepteren gaat het weer goed: ze eten en trekken iets aan.
Het Paradijs is een universeel verhaal over de man en de vrouw, partners op zoek naar elkaar. Overal duikt de spanning op tussen natuur en cultuur, tussen orde en chaos. Leven en dood zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Alleen de geoefende lezer zal nog subtiele sporen van het bijbelse scheppingsverhaal en van de aloude traditie ontwaren zoals ‘de zachte bries’ of de ‘val’.
De Schepping en Het Paradijs zijn boeken zonder leeftijd3. In het eerste boek is de toon nog speels en luchtig, ook al worden er fundamentele vragen gesteld over de plaats van de mens in de kosmos en zijn relatie tot God. De sobere tekst van Het Paradijs heeft een sterke existentialistische ondertoon. Van bij het begin verbergt het weelderige paradijs ook verval. De zon gaat branden, de kamperfoelie stinkt, er is leegte en eenzaamheid. De stijl is poëtisch, maar ook geladen. Er is een sterk contrast tussen de concrete invulling: de eenvoudige gebaren, de namen van planten of dieren en de verborgen impliciete betekenis ervan. Wolf Erlbruch opteerde voor sobere lijntekeningen en een zacht okergeel coloriet. Terwijl de man in het verhaal als verteller het woord neemt, staat de vrouw in de tekeningen centraal. Erlbruch hanteert een verstilde, geconcentreerde stijl die vooral stemmingen en emoties oproept en bij momenten herinnert aan de exotische vrouwennaakten van Gauguin.

De kinderen van het paradijs (Marianne Fredriksson)
De Zweedse auteur Marianne Fredriksson schreef de trilogie De kinderen van het paradijs aan het begin van de jaren tachtig. Het boek Eva (2003), Het boek Kaïn (2004) en Norea, dochter van Eva (2004)4 werden pas meer dan twintig jaar later in het Nederlands vertaald. Later verschenen van haar nog een Jezusroman, Volgens Magdalena (1997), en De Zondvloed (2008).
Het boek Eva begint ‘in medias res’, na de moord van Kaïn op zijn jongere broer Abel. Om in het reine te komen met zichzelf keert Eva terug naar haar geboortestreek Eden op zoek naar uitgewiste herinneringen. Eva beseft na de zware tocht beter hoe anders zij is; ze reflecteert over de rol van taal en herinnering maar vooral over haar relatie met Adam. Na haar terugkeer bouwen ze verder aan de toekomst.
De tweede roman, Het boek Kaïn, zoomt in op het personage Kaïn, intussen een volwassen man en getrouwd met Letha. Kaïn voelt zich nog steeds een buitenstaander binnen de familiegroep. Hij vlucht op zijn beurt naar Eden, om de storm in zijn lichaam te bedaren en doodt er in een opwelling de ‘duivelse’ leider. Na een kort verblijf bij de herdersstam van zijn schoonfamilie bouwt hij een toekomst op in Nod.
In het derde deel, Norea, de dochter van Eva, staat het jongste kind centraal. Zij heeft de wondere gaven van haar moeder geërfd en leeft in grote verbondenheid met de natuur. Na de dood van haar broer Kaïn reist ze met haar moeder naar Nod, waar ze zich meteen thuis voelt. Later keert ze terug om opgeleid te worden tot priesteres.
Genesis, een historisch verhaal

Marianne Fredriksson hertaalt het verhaal van Adam en Eva en hun kinderen voor lezers van nu. Ze maakt de statische vlakke personages tot mensen van vlees en bloed en verleent de setting een historische geloofwaardigheid. De vele lege plekken in de oude mythen worden ingevuld. Doorheen de verschillende romans wordt het verleden van de personages vooral in flash backs onthuld zodat de lezer langzaam een complex en samenhangend verhaal kan opbouwen. Psychologisering en historisering zijn daarbij de belangrijkste strategieën. Een derde terugkerend element is de reflectie op de genese van mythen en verhalen. Eva en Kaïn maar ook tal van nevenpersonages worden zich ervan bewust dat verhalen een andere, tweede werkelijkheid creëren. Eva ontdekt hoe Adam hun belevenissen herschept tot een eigen verhaal. Op die manier kreeg Eva het verhaal over hun vlucht nog een keer te horen, nu in de woorden en beelden van haar man. Weer werd haar de schuld toegeschoven: zij had hem met een list verleid. Er werden ook nieuwe beelden geschetst, dingen die ze niet herkende. Zo kon Adam de vervloekingen van de sjamaan woordelijk herhalen, maar beweerde hij dat God zelf die ernstige woorden had gesproken. Eva had met de gespleten tong van de slang gesproken, zei hij, en hem aangespoord en verleid om de vruchten van de verboden boom te eten. Vanaf dat moment had ze hem geheel in haar macht gehad (Eva, 153). Vooraleer hij ingaat op het aanbod om naar Nod te trekken, verklaart Kaïn dat hij geen geloof hecht aan de verhalen uit Nod over godenbloed. Het zijn sagen die misschien wel kracht geven, maar geen waarheidsgehalte hebben. ‘Ik heb net geleerd dat de werelden van mensen altijd op mythen van de ene of andere soort gebaseerd zijn. Ik kan best meedoen in jullie dromen, in jullie zinsbegoocheling meespelen’ (Kaïn, 131). Door dit terugkerende motief wordt ook de lezer gedwongen om zijn positie ten opzichte van de personages en de mythen te bepalen.


Op basis van de informatie uit de volledige trilogie vatten we kort samen hoe Marianne Fredriksson Adam en Eva voorstelt. Eva is het kind van een koningsdochter uit Nod. Haar moeder verliet Nod omdat het koningshuis snel degenereerde. Samen met een priester trok ze naar Eden, een bosrijk gebied met primitieve bewoners die ‘vreemd’ en ‘vrij’ genoemd worden. Eva’s moeder en de sjamaan hadden een dubbele roeping: nieuwe levenskracht opdoen en de primitieve bewoners de taal bijbrengen. Eva’s vader is de leider van deze pre-mensen, die in groep leven, zonder taal, zonder herinnering, zonder verantwoordelijkheid. Ze gedragen zich niet als individuen maar gaan volledig op in het collectief. Seksualiteit en geweld bepalen de spelregels. Eva ontvangt van haar moeder de kennis die ze uit het beschaafde Nod meebracht: ze kan spreken en kent de geneeskracht van kruiden. Anderzijds krijgt ze als opgroeiend meisje ook de vrijheid om te participeren aan het leven van de primitieve bewoners. Als de groep haar eerste dode kindje in het moeras gooit, vinden haar onmacht en woede een uitweg in de taal. Ze maakt zich los uit de groep. ‘Dat is het moment geweest waarop ik de stap naar de overkant gemaakt heb’ (Eva 75). Adam, de jongen met het grote hoofd, werd al eerder door de sjamaan uitverkoren uit diezelfde groep om hem op te volgen. De sjamaan leert hem spreken en geeft hem zijn kennis en rituele teksten door. Als Eva Eden moet verlaten, kiest hij tegen de wil van de sjamaan in, om haar te volgen. Adam wordt in de buitenwereld erkend als een genezer en een regenmaker. Adam en Eva worden tijdens de vlucht een paar, ze vestigen zich op een berg en bouwen samen hun bestaan uit. Adam blijft de trouwe leerling van de sjamaan. Hij vereert zijn God tussen de appelbomen die hij meebracht uit Eden. Zijn godsbeeld is wettisch: verantwoordelijkheid en schuld spelen een belangrijke rol. Toch weet Eva zich te handhaven tegenover haar man: ze beheerst beter de taal en haar intuïtieve kennis van de natuur is uitgebreider. Beiden verwerven aanzien bij de herdersstammen uit de omgeving die hen raadplegen bij ziekte of droogte. Hun verhaal krijgt vorm in een lied en bereikt zo Nod.
Op de berg wordt Kaïn geboren, veel vroeger dan verwacht. Hij heeft de trekken van zijn moeder Eva: de haviksneus en de vlammende ogen. Eva heeft het moeilijk om dit kind te accepteren. Kaïn is gesloten en gedraagt zich vreemd. Abel, de blonde tweede zoon, krijgt door zijn open karakter en zijn taalvaardigheid spontaan meer aandacht en affectie. Hij wordt de verhalenverteller genoemd en is bij iedereen geliefd. De rivaliteit tussen de beide zonen leidt tot doodslag. Eva neemt de schuld voor dit gebeuren op zich en vertrekt naar Eden om in het reine te komen met zichzelf. De tocht werkt louterend, en versterkt haar zelfvertrouwen. Tegelijkertijd is de ontmoeting met het wilde volk ook confronterend. Zij maakte ooit deel uit van het wilde volk. Langzaam dringt de waarheid door: Kaïn is het kind van de groep.
De confrontatie met de wereld van Eden maakt haar bewust van haar eigen individualiteit en van het anders-zijn van Adam. De ontmoeting met (de engel) Gabriël versterkt het gevoel dat ze een eigen opdracht heeft. Op de terugweg verblijft ze bij de herdersstam van Emer. Daar verneemt ze dat haar moeder en de sjamaan vermoord werden en dat ze via haar moeder afstamt van het koningsvolk van Nod. Terug op de berg verloopt het contact met Adam moeilijk door onderhuidse spanningen en openlijke agressiviteit. Seth wordt geboren en later Norea. Kaïn keert terug naar zijn ouders en wordt uitgehuwelijkt aan de dochter van Emer.
De zwangerschap van Letha ervaart Kaïn als bedreigend; hij vreest opnieuw afgewezen te worden. Dat gevoel lag aan de basis van ‘de daad’. De dood van zijn broer heeft hem even gemaakt tot iemand die echt bestond. Kaïn vlucht op zijn beurt naar Eden, om de storm in zijn lichaam te bedaren. Wanneer hij de geile groep wezens ziet copuleren, doodt hij in een opwelling de ‘duivelse’ leider. Opnieuw ervaart hij die daad als bevrijdend, al weet hij niet waarom. Daarna trekt Kaïn naar de herdersstam waartoe Letha behoorde. Hij meldt er de geboorte van zijn zoon, maar vertelt zijn schoonvader Emer ook over de dood van de duivel. Kaïn oogst waardering en respect als vader van een zoon maar ook omdat hij de leider in Eden doodde, wat als ‘bloedwraak’ geduid wordt.
Het is daar dat de verkenners uit Nod, onder leiding van Bek-Neti Kaïn aantreffen. Omdat de oude koningin in Nod geen wettige troonopvolger heeft, ging men op zoek naar de ‘onbekende’ koningszoon, over wie in een lied wordt gezongen. Priesters bevestigden het oude verhaal en een blinde zieneres gaf hem een naam: Kaïn. Met toestemming van zijn schoonvader, die hiervoor rijkelijk beloond wordt, vertrekt Kaïn naar Nod, waar hij met zijn kennis over landbouw en irrigatie voorspoed brengt. Hij huwt de dochter van de opperbevelhebber en krijgt verschillende kinderen. Op de berg sterft Letha van verdriet. Kaïn voelt zich hiervoor verantwoordelijk. Uit het politieke huwelijk met de dochter van de koning van Sum wordt een kind geboren, dat alle trekken vertoont van de duivelse leider uit Eden. Nu pas beseft Kaïn dat deze duivel wellicht zijn vader was. In een soort droomgesprek met zijn moeder wordt dit niet ontkend. Kaïn die tot nog toe de oorlog met de Sumeriërs steeds ontweken had, laat nu de strijd losbarsten. Tijdens het laatste gesprek met de oude koningin Nin, ontdekt hij dat ook in haar gezin een broedermoord plaatsvond. De woorden van de koningin: ‘Dat was de reden waarom ik mijn oudste zoon moest doden, een broedermoordenaar kan immers niet onder ons leven’, treffen hem in het diepste van zijn bestaan. Met ware doodsverachting gooit hij zich in het krijgsgewoel. Na de overwinning keert Kaïn terug naar Nod, maar hij valt ten prooi aan een diepe zwaarmoedigheid. Dan rijpt het besluit om de last van zijn verleden met de anderen te delen. Tijdens een maaltijd bekent hij de moord op zijn broer Abel. Daarna gaat hij naar de toren, het hart van het godsdienstig leven, en doodt zichzelf met het rituele mes.
De dood van Kaïn zorgt ook op de berg voor beroering. Norea had na een droomgesprek al het vermoeden dat haar broer gestorven was. Eva, die tot nog toe steeds weigerde naar Nod te gaan, beslist nu toch om samen met Norea de afscheidsplechtigheid in Nod bij te wonen. De komst van Eva helpt om de orde te herstellen in de onrustige stad. Ze maakt er kennis met Natie en de kinderen en helpt haar schoondochter om moeilijke beslissingen te nemen. De bijzondere gaven van Norea blijven niet onopgemerkt. Enkele jaren later keert Norea terug naar Nod, waar ze onder de hoede van de blinde zieneres opgeleid wordt tot priesteres. Norea’s liefde voor An-Nam wordt zwaar op de proef gesteld als ze verkracht wordt in de tempel door een primitieve man. Na hun huwelijk op de berg keert het jonge paar terug naar Nod.
Bijbelse gegevens

Uit de reconstructie van de plot blijkt hoe vrij Marianne Fredriksson omgaat met de bijbelse stof. Adam en Eva zijn niet de eerste mensen, maar prototypes die iets laten oplichten van het complexe ontstaansproces van de menselijke soort. Ze maakt dat duidelijk door de gespletenheid van zowel de samenleving als de verschillende individuen in kaart te brengen. Er is een voortdurende spanning tussen natuur en cultuur, tussen dierlijke driften en beheersing, tussen polygamie en monogamie, tussen veelgodendom en het geloof in de ene ware God. De taal speelt in dit ontwikkelingsproces een belangrijke rol. Door de taal krijgt het bewustzijn vorm en kan het individu zich losmaken uit de vormloze groep. Taal vormt de basis van herinnering en opent de weg om uit het nu te stappen en een verleden en een toekomst op te bouwen. Daaruit komen vrijheid en verantwoordelijkheid voort, maar ook angst en schuld. De taal zelf is complex, ze schept zowel samenhorigheid als verdeeldheid en is bovendien niet steeds betrouwbaar. Zo ontdekt Kaïn dat je met taal kan liegen, maar ook dat leugens soms heilzaam zijn.


Eden is niet een paradijs waar alles harmonie is, maar een primitieve samenleving waarin de kinderlijke symbiose met de ander nog niet doorbroken is. Het zintuiglijke is allesoverheersend, vandaar de ongeordende seksualiteit en het geweld5. Het diffuse witte licht verwijst zowel naar intens zintuiglijk genot als naar de dood. In het Eden van Fredriksson is er geen God. De bijbelse woorden worden uitgesproken door de sjamaan en door de engel Gabriël, een boodschapper van God.
Eden verlaten is in deze romancyclus eerder een positieve gebeurtenis. Het betekent zelfstandig worden en een eigen wereld opbouwen. Het is buiten Eden, op de berg, dat Adam en Eva hun eigen scheppingsproces kunnen inzetten. Pas na de dood van Abel ervaren ze hun bestaan als zinloos. ‘Waar dient het toe, onze kennis, onze moeizame arbeid, al onze plannen? vraagt Eva aan Gabriël. Hij antwoordt enigszins verbaasd: ‘Jullie hebben die wereld immers zelf geschapen. Daar moeten jullie zelf achter zien te komen’ (Eva, 82). De zware arbeid levert resultaat op; Adam en Kaïn slagen erin om grond vruchtbaar te maken, om ruimten bewoonbaar te maken, om stallen op te zetten, dieren te kweken, enz. Kaïn bouwt ook een vlot om de rivier te bevaren. Het baren van kinderen wordt als pijnlijk beschreven (Eva en Letha). De terugkeer naar Eden roept bij Eva en Kaïn zeer gemengde gevoelens op, maar niet het verlangen om daar te blijven. Ondanks het aantrekkelijke witte licht lijkt voor Eva het paradijs uit haar jeugd erger dan de dood. Bij Kaïn is de beklemming en de weerzin nog duidelijker. Door de duivelse leider te doden, breekt hij onbewust met zijn duistere voorgeschiedenis.
Terwijl in de bijbelse Genesisverhalen Adam de eerste verantwoordelijkheid krijgt over de schepping, geeft Fredriksson in haar trilogie de hoofdrol aan Eva. Het is Eva die de kracht van de taal ontdekt en het meest vertrouwd is met de natuur. Die kennis geeft ze door aan haar kinderen Kaïn en Norea. Eva bouwt vertrouwen op uit kennis en ervaring. Ze gelooft niet zozeer in geestkracht maar eerder in de helende stoffen die de aarde schenkt6. Terwijl Adam het geloof in één God meekreeg van de sjamaan, stelt Eva zich kritisch op tegenover de God van haar man. ‘Je oordeelt alsof je God zelf bent. Je denkt dat de waarheid de ervaringen van de mens volgt’ (Eva 171). Eva zoekt heil in de natuur. Bijbelse symbolen zoals de appel en de slang worden op hun beurt ingepast in een nieuwe context. Ze krijgen een eerder positieve connotatie.
Nod is in Genesis een naam zonder verdere invulling7. Daarna trok Kaïn weg uit de nabijheid van de heer en vestigde zich in het land Nod ten oosten van Eden (Gn 4,16). Marianne Fredriksson geeft de lezer een uitvoerige beschrijving van Nod, een land met een eigen cultuur en een rijk verleden. De heersers in Nod geloven dat ze direct van de goden afstammen, hun priesters vereren de maan. Er zijn tal van rituelen, zo bijvoorbeeld het aansteken van het vuur bij het begin van elke dag, maar ook vaste afspraken in verband met de verdeling van de macht en de troonopvolging8. Op die manier schetst Fredriksson een gedetailleerd beeld van een beschaving die contrasteert met de meer primitieve levenswijze van rondtrekkende nomaden en het veelgodendom van eenvoudige landbouwgemeenschappen.
Opvallende echo-effecten verbinden de verschillende werelden met elkaar. Verkrachting9, moord en zelfdoding10 vinden we in Eden, in Nod en in de gemeenschap van Adam en Eva. Daardoor krijgt het kwaad een universele betekenis. Het is niet verbonden aan een bepaalde groep. Wreedheid en geweld woekeren in Nod en ze vormen de directe aanleiding voor het vertrek van de Koningsdochter. Maar agressiviteit maakt ook wezenlijk deel uit van Eden, de primitieve wereld die ze opzoekt.
Terwijl het besef van goed en kwaad afwezig is in Eden, heeft het een duidelijke invulling in Nod. De sjamaan, de moeder van Eva, de machthebbers in Nod hebben een oordeel over goed en kwaad en proberen daarnaar te handelen. Eva zelf voelt zich verantwoordelijk voor de daad van Kaïn. Ze heeft het kind (van de groep) te weinig affectie gegeven en vraagt hem daarvoor ook vergiffenis. De invulling van Fredriksson ligt in de lijn van de interpretatie die Balmary aan het verhaal van de broedermoord geeft. Ook zij oordeelt dat Kaïn door de houding van zijn ouders niet tot een volwaardige persoon kon uitgroeien: ‘Hij is niet in staat hetgeen hem werd aangedaan te symboliseren omdat zijn geboorte in de symbolische wereld nog niet heeft plaatsgehad’11. Kaïn komt slechts langzaam tot inzicht en kan zijn gevoelens moeilijk uiten. Het kwaad overvalt hem zoals een storm raast door het landschap. Het doden van zijn broer ervaart hij als een moment van bevrijding. Het zijn de reacties van de anderen die schuld en schaamte in hem opwekken. Als hij door de ogen van Nin naar de daad kijkt, worden schuld en schaamte ondraaglijk en verkiest Kaïn om uit het leven te stappen.

Kaïn (José Saramago)
Kaïn is de laatste roman van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago die in 2010 overleed. Met deze bijbelroman is Saramago niet aan zijn proefstuk toe. Eerder schreef hij Het Evangelie volgens Jezus Christus (1993), een boek dat veel controverse losmaakte. Kaïn kan men beschouwen als Saramago’s persoonlijke lectuur van het Oude Testament. In beide romans hanteert hij gelijkaardige strategieën, zo bijvoorbeeld de duidelijk zichtbare en opdringerige verteller die het verhaal stuurt. Op pagina 10 lezen we: Punt van orde. Voor we verdergaan met dit leerzame en definitieve verhaal van kaïn, waar we met nooit vertoonde durf onze schouders onder hebben gezet, is het wellicht raadzaam een criterium op te stellen voor de chronologie der gebeurtenissen, opdat u, geachte lezer, niet voor de tweede keer in verwarring wordt gebracht door anachronistische maten en gewichten. Dat zullen we dus maar doen, en we beginnen met het wegwerken van enige kwaadwillige twijfel die beslist hier en daar gerezen is, namelijk of adam op zijn honderddertigste nog wel in staat was om een kind te maken. Daarna volgt commentaar over de vruchtbaarheidscijfers uit de moderne tijden en over de leeftijd van de bijbelse personages.
Maar eerst een korte samenvatting. Het boek begint met het scheppingsverhaal. Een onthutste god stelt vast dat adam en eva niet kunnen spreken12. Haastig duwt hij hen een tong in de mond om deze fout te herstellen. Meteen kunnen de eerste mensen aan de heer hun naam meedelen. Een hele tijd later eten adam en eva van de boom van goed en kwaad. Over het verbod zelf rept het verhaal niet. Een toornige heer verschijnt. Adam verwijst naar eva, eva naar de slang die haar in een droom verscheen. God geeft hen een stel dierenhuiden en zet hen buiten de hof van eden opdat ze ook niet van de levensboom zouden eten. Eva zal in pijn moeten baren, adam moeizaam het land bewerken. Een cherubijn bewaakt de hof van eden. Een hongerige eva neemt het initiatief om naar de hof terug te keren. Met een glimlach weet ze de engel te overtuigen om haar voedsel te geven. Samen met adam keert ze terug. Daar verneemt het paar van de engel dat ze niet de eerste mensen zijn. Azaël leert hen vuur maken en stelt voor dat ze aansluiten bij een rondreizende karavaan. En zo geschiedt. Adam en eva passen zich vlot aan. Adam wordt een uitstekende boer. Ze krijgen twee kinderen en de buren beschouwen hen als ‘een gezin met toekomst’. De zonen kaïn en abel gaan hun eigen weg: kaïn heeft zijn veld, abel zijn vee. Als god het offer van kaïn niet aanvaardt, drijft abel de spot met zijn broer; hij noemt zichzelf uitverkoren. Een woedende kaïn doodt abel ‘met voorbedachten rade’. De heer verschijnt en roept kaïn ter verantwoording. Kaïn twist met de heer en aanvaardt zijn almacht niet. Hij beroept zich hiervoor op zijn eigen vrijheid en roept op zijn beurt god ter verantwoording. ‘Waarom heeft god toegelaten dat abel gedood werd?’ ‘Waarom weigerde hij koppig om het offer van kaïn te aanvaarden?’ Kaïn bekent aan god dat hij abel alleen doodde omdat hij god niet kon doden. God straft kaïn met een merkteken – een zwarte vlek op zijn voorhoofd – en stelt dat hij steeds onder zijn toezicht zal staan. Zonder afscheid te nemen vertrekt kaïn. Hij loopt door een dorre vlakte, de regen spoelt het bloed weg uit zijn kleren, hij vindt onderdak in een bouwvallige hut. In een gesprek met een vreemde oude man die vragen stelt over zijn teken, besluit kaïn om de naam van zijn broer te gebruiken. Als ‘abel’ bereikt hij nod. Hij vindt er werk als kleitrapper. Al snel wordt hij opgemerkt door de heerseres van de stad, lilith, een ware mannenverslindster. Ze kiest hem als minnaar. Zijn positie wekt jaloezie op en op een dag wordt hij in een hinderlaag gelokt. Maar kaïn wordt beschermd door de heer, hij kan niet gedood worden. Bij zijn terugkeer in de stad, vertelt hij alles aan lilith en hij neemt opnieuw zijn eigen naam aan. Zijn moorddadig verleden fascineert haar. Kaïn weigert om noah, de echtgenoot van lilith, te vermoorden, maar hij blijft haar minnaar. Lilith wordt zwanger en na de geboorte van het kind verlaat kaïn op een ezel nod. In de volgende hoofdstukken verplaatst hij zich niet alleen naar andere streken, hij reist ook door de tijd. Hij komt achtereenvolgens terecht in het land van abraham, in babel – herkenbaar maar niet bij naam genoemd –, opnieuw bij abraham, in sodom, in de sinaï tijdens de exodus, in jericho. Nog even keert hij terug naar nod, waar hij lilith en zijn zoon enoch ontmoet. Daarna belandt kaïn in us, het land van job. De twee laatste hoofdstukken vertoeft hij in het gezelschap van de arkbouwer noah.
De postmoderne hertaling

Terwijl Marianne Fredriksson het Genesisverhaal de allures geeft van een historische roman, en de lezer via tal van realistische details overtuigt van de waarschijnlijkheid van het gebeuren, opteert Saramago voor een postmoderne aanpak. Via bewust gekozen strategieën wijst hij de lezer voortdurend op de tegenspraak en de ongerijmdheden in de teksten. De verteller, het doorbreken van de chronologie, de anachronismen herinneren de lezer eraan dat hij een verhaal leest, een verhaal dat trouwens even onbetrouwbaar is als de personages die erin voorkomen.


Wellicht de meest in het oog springende strategie van Saramago is het doorbreken van de chronologie. Van zodra Kaïn Nod verlaat krijgt het relaas fantastische allures. Kaïn reist van het ene heden naar het andere zonder enig respect voor de historische volgorde van de gebeurtenissen, waardoor het historische karakter van de bijbelverhalen ondermijnd wordt. Zijn we dus in de toekomst, vragen wij, daarover hebben we wel eens een film gezien, en ook boeken gelezen. Ja, dat is de gangbare manier om iets als wat hier kennelijk gebeurd is te verklaren, de toekomst zeggen wij, en we halen al weer rustig adem, we hebben er immers een naam, een etiket op geplakt, maar volgens ons zouden we het nog beter begrijpen als we het een ander heden zouden noemen, want het gaat om dezelfde streek, waarvan alleen het heden wisselt, soms is het een voorbij heden, andere keren een heden dat nog moet komen, doodsimpel, dat snapt een kind (69).
De verschillende hedens vormen ‘losse onsamenhangende beelden, zonder onderlinge continuïteit of onderling verband’ (92). Het bewust doorbreken van de chronologie zet ook de logica van de roman zelf onder druk. In het laatste hoofdstuk sterven alle bewoners van de ark, met uitzondering van de meevarende Kaïn. Hij zegt aan God dat niemand de ‘nieuwe mensheid’ zal missen. Toch heeft de lezer in de vorige hoofdstukken flarden van het exodusverhaal en de verovering van Jericho gelezen. Hij wordt dus gedwongen om de bijbelverhalen vanuit een nieuw gecreëerd kader te herlezen.
De verteller wijst zelf herhaaldelijk op het onwaarschijnlijke karakter van het relaas dat nooit een weergave kan zijn van de werkelijkheid. Laten wij, nu de valse abel in de richting van het plein loopt ingaan op de alleszins gepaste opmerkingen van enkele attente lezers, het soort lezers dat oplet, dat vindt dat het gesprek dat we als waargebeurd hebben opgetekend, in historisch en cultureel opzicht absoluut niet kan, want een boer met weinig en nu zelfs helemaal geen land en een oude man wiens beroep noch roep bekend zijn kunnen in het echt nooit zo denken en praten. Dat ze die woorden niet hebben gesproken is overduidelijk, maar de twijfels, vermoedens, verbijstering, het heen en weer van de redeneringen, dat alles was er wel degelijk. We hebben gewoon het dubbele en voor ons onoplosbare mysterie van de taal en het denken uit die tijd overgebracht naar het hedendaagse portugees (42).
Meestal verschuilt hij zich achter zijn rol van verteller, hij is niet meer dan ‘een simpele waarnemer van de gebeurtenissen’. ‘Wij die niets anders doen dan oude verhalen navertellen’ klinkt het verontschuldigend. De verteller voelt zich niet verantwoordelijk, noch voor de gruwelijkheden, noch voor de losse, onsamenhangende beelden die opgedist worden. Soms formuleert hij een ‘werkhypothese’ die weinig aan de verbeelding overlaat. Dat God het verwekken van kinderen – op welke wijze ook – zo belangrijk vindt is misschien wel bedoeld om de vele oorlogsdoden te compenseren (94) en zou God zich niet verbergen in een rookkolom uit schaamte omdat er in zijn wereld zoveel misloopt?
Op verschillende momenten worden fantasierijke elementen uitvergroot. Zo krijgen de engelen een belangrijk aandeel in de gebeurtenissen, bijvoorbeeld bij het afsluiten van de hof van Eden, bij het offer van Isaak en bij de bouw en de tewaterlating van de ark. Ze zijn meer dan figuranten en sturen mee het verhaal. Dat hun optreden vaak wat onhandig is, en ze slechts moeizaam de positie van God kunnen verdedigen tegenover de mondige Kaïn, zorgt voor grappige situaties.
Ook de vele anachronismen relativeren de ernst van het betoog. De verteller doorspekt zijn discours met verwijzingen naar moderne zaken. Wanneer Kaïn vertrekt uit Nod, heeft hij alleen een ezel, maar zo luidt de commentaar: geen wegenkaart, geen paspoort, geen aanbevelingen van hotels en restaurants, het zou een reis worden zoals men vroeger reisde, op goed geluk of, zoals men toen al zei, god zegene de greep (68).
Het onverzadigbare minnespel van Lilith en Kaïn ontlokt hem de volgende bedenking: je zou gerust kunnen zeggen dat ze beiden in het paradijs van Allah waren, dat nog uitgevonden moest worden (55).
Bij de zondvloed is er sprake van het ‘hydraulisch systeem van de planeet’; God moet de ‘distributienetwerken’ inspecteren en de ‘manometers’ in de gaten houden (145). De ark wordt vergeleken met de zeppelin Hindenburg en de tewaterlating veroorzaakt een ‘tsunami’ (146).
Deconstructie van de bijbelse boodschap

De eigenwijze verteller spaart zijn woorden niet om de boodschap uit de Bijbel in diskrediet te brengen. De scherpste pijlen richt hij daarbij op God. Van bij het begin wordt de heer als ‘onbetrouwbaar’ voorgesteld. Twee keer herstelt hij bij het mensenpaar een kleine constructiefout. De mensen kunnen niet spreken, en krijgen daarom snel nog een tong. Later verbetert God de esthetiek door Adam en Eva een navel te geven. Onbetrouwbaar blijkt God ook omdat hij heel irrationeel te werk gaat. Zo merkt de verteller op dat het opgelegde verbod wel heel vreemd luidt: In de eerste plaats zou zelfs het meest rudimentaire intellect moeiteloos inzien dat kennis hebben altijd te verkiezen is boven het ontbreken van kennis, vooral bij zulke delicate kwesties als die van goed en kwaad, waarbij je zonder dat je het merkt het gevaar loopt eeuwig tot de hel te worden veroordeeld (10).


De heer wordt ‘meedogenloos’ genoemd, wanneer hij het offer van Kaïn zonder enige reden versmaadt. Vaak zijn de straffen die hij bedenkt niet in verhouding tot de fout.
In de volgende verhalen krijgt een andere karaktertrek van de heer steeds meer aandacht: God is wraakzuchtig en wreed. Zo verwacht hij dat Abraham zijn enige zoon offert. Om zijn schepping zuiver te houden en de uitverkorenen te redden, doodt hij zonder ophouden. Vaak zijn daar ook onschuldige slachtoffers bij zoals de kinderen van Sodom. God is ook jaloers. Hij is afgunstig op de torenbouwers van Babel in plaats van trots te zijn op hun verwezenlijkingen (77). Bovendien laat de moraal in de oude samenlevingen onder de hoede van God heel wat te wensen over. De verteller verwijst naar de incestueuze relatie tussen Lot en zijn dochters (93) en naar het onwelvoeglijke gedrag van Cham en zijn vader Noah (141).
Andere personages versterken het beeld van de onbetrouwbare en gewelddadige God. Adam vertelt aan de engel dat hij geen enkele ervaring heeft om het land te bewerken en dat ze beter af zouden geweest zijn als het stof dat we vroeger waren, zonder wil of verlangen (23). Eva vraagt waarom de heer hen geschapen heeft als er toch al andere mensen bestonden. Volgens de engel zijn Adam en Eva niet meer dan ‘een experiment’, maar hij verbergt zich verder achter de uitspraak dat gods wegen ondoorgrondelijk zijn (23).
Kaïn ontpopt zich in de loop van de roman tot een kritisch spreekbuispersonage dat de strijd aangaat met God. Hij veroordeelt God zeer expliciet als medeverantwoordelijk voor alle kwaad en na een lang twistgesprek aanvaardt God deze gedeelde verantwoordelijkheid (31). In de laatste hoofdstukken discussieert Kaïn met de engelen die Noah bijstaan bij het bouwen en verplaatsen van de ark. Zij verdedigen het vernietigingsplan van God. De mens heeft er een zootje van gemaakt en God is diep ontgoocheld. Kaïn stelt dat veel slachtoffers niet verantwoordelijk zijn voor het kwaad en verwijst opnieuw naar de onschuldige kinderen van Sodom, die misschien beter niet geboren waren13.
Het beeld van de straffende God wordt ook expliciet verbonden met de kerk en met de paus. Bij zijn terugkeer in de tuin van Eden draagt God een driedelige kroon en heeft hij een scepter in de hand (13). Ook bij de veroordeling van Kaïn wordt verwezen naar deze attributen (30).
De kritiek van de verteller betreft ook de bijbelse personages zelf. Adam wordt als ‘belabberd’ gezinshoofd gekwalificeerd. Hij is ‘wankelmoedig’. Eva gaat nogal vrijmoedig om met de cherubijn Azaël en even wordt gesuggereerd dat Abel daar het gevolg van is. Als abel wordt geboren, zullen alle buren opkijken van het roze velletje waarmee hij ter wereld komt, alsof hij de zoon van een engel is, of een aartsengel, of, ik mag het niet hopen, een cherubijn (27). Saramago maakt van Abel een zelfingenomen personage; het ontbreekt hem aan mededogen, hij bespot zijn broer, die hopeloos zoekt om God te behagen14.
Tussen neus en lippen omschrijft de verteller het Genesisverhaal met woorden die veel lezers misschien vertrouwd in de oren klinken. Met Adam en Eva delen ze de ervaring dat de verhalen zelf vervagen tot op niets gegronde verzinsels, dingen die ze niet zelf hadden meegemaakt, niet eens gedroomd, maar aanvoelden als iets wat waarschijnlijk een ander leven was geweest, een ander bestaan, een ander, afwijkend lot (28).
De bijbelverhalen worden ook door ironie en humor in diskrediet gebracht. Saramago eigent zich de vrijheid toe om schaamteloos met de vertrouwde bijbelteksten te spelen. Van zodra Kaïn door de tijd reist, krijgt hij een rol in de latere bijbelverhalen. Zo neemt Kaïn bij het offer van Isaak de rol van reddende engel op zich en verhindert hij dat Abraham zijn zoon doodt. Dat kan alleen maar omdat de bijbelse engel te laat op het toneel verschijnt. Je bent laat, zei kaïn, isaak is alleen maar niet dood omdat ik dat verhinderd heb. De engel trok een boetvaardig gezicht. Het spijt me vreselijk dat ik te laat ben, maar daar kan ik niets aan doen, op weg hierheen kreeg ik panne, mijn rechtervleugel sloeg niet meer synchroon met de linker zodat ik constant van koers veranderde en de kluts kwijtraakte (72). Het alledaagse taalgebruik staat in schril contrast met de verheven status van de engel. Bovendien blijkt opnieuw dat de geschiedenis alles behalve vlekkeloos verloopt en daar kan alleen God verantwoordelijk voor gesteld worden.
De sterkste ingreep vinden we aan het einde van het boek, waar Saramago het verhaal van de zondvloed herschrijft. Kaïn reist mee met de ark en krijgt van Noah de toestemming om gemeenschap te hebben met alle vrouwen die meevaren. Zo zullen er voldoende kinderen geboren worden om de nieuwe aarde te bevolken. Maar Kaïn vermoordt de vrouwen en dwingt de wanhopige Noah om zelfmoord te plegen. God noemt Kaïn een wrede moordenaar maar Kaïn dient hem van repliek: Maar niet zo wreed en vuig als u, denk maar aan de kinderen van sodom. Er viel een diepe stilte (154). De verteller vermoedt dat God en Kaïn daarna eindeloos doorgingen met ruziën en eindigt als volgt: En daarmee is de geschiedenis afgelopen, er zal niets meer te vertellen zijn (155).

* * *


Het tweede deel van dit artikel, met de voorstelling van de roman van Knausgård en met een onderlinge vergelijking van alle besproken boeken, publiceren we in het volgende nummer van Ezra. Als voorlopige conclusie kunnen we stellen dat de kracht van eigentijdse bijbelse romans en verhalen niet onderschat mag worden. Voor veel volwassenen is het een manier om opnieuw in contact te komen met de oude mythische verhalen. Voor sommige lezers gaat de kennis van de bijbelverhalen wellicht terug tot hun kindertijd. De romanschrijver krijgt dan alle vrijheid om zonder veel weerwerk eigen inzichten of interpretaties aan de lezer mee te geven. De aanpak, toon en stijl van de auteurs is erg verschillend. Bart Moeyaert volgt relatief getrouw de oorspronkelijke tekst, al zijn er ook bij hem duidelijke aanpassingen. Door verschuivingen en weglatingen komt de mens in ‘Het Paradijs’ op de voorgrond, terwijl God verdwijnt. Marianne Fredriksson, José Saramago en Karl Knausgård veroorloven zich grotere vrijheden. Verhaal en retoriek krijgen de overhand. Lezers worden wel uitgenodigd om na te denken en een eigen mening op te bouwen.

Bibliografie
Ausloos, H. & Lemmelijn, B., De bijbel: een (g)oude(n) gids, Leuven: Acco, 2005.

Balmary, M., La Divine Origine. Dieu n’a pas créé l’homme, Paris: Grasset, 1993.

Balmary, M., Abel, dwars door Eden, Averbode: Averbode; Kampen: Kok, 2000.

Barr, J., The Garden of Eden and the Trope of Immortality, London: SCM Press, 1992.

Bianchi, E., Adam où es-tu ?: traité de théologie spirituelle. Genèse 1-11, Paris: Cerf, 1998.

Forester-Brown, J.S., The two Creation Stories, Berkeley & London: Shambala, 1974.

Lernout, G., “In den Beginne” Van Adam & Eva tot Intelligent Design, Antwerpen/Amsterdam: Meulenhof, 2007.
Fredriksson, M., Volgens Magdalena, Breda: De Geus, 1997.

Fredriksson, M., Het boek Eva, Breda: De Geus, 2003.

Fredriksson, M., Het boek Kaïn, Breda: De Geus, 2004.

Fredriksson, M., Norea, dochter van Eva, Breda: De Geus, 2004.

Fredriksson, M., De Zondvloed, Breda: De Geus, 2008.

Knausgård, K.O., Engelen vallen langzaam, Breda: De Geus, 2010.

Moeyaert, B. & Erlbruch, W., De Schepping, Amsterdam: Querido, 2003.

Moeyaert, B. & Erlbruch, W., Het Paradijs, Amsterdam: Querido, 2010.

Saramago, J., Het evangelie volgens Jezus Christus, Amsterdam: Meulenhoff, 1993.

Saramago, J., Kaïn, Amsterdam: Meulenhoff, 2010.

Noten
* Rita Ghesquière is emeritus professor Literatuurwetenschappen aan de Faculteit Letteren van de K.U.Leuven. Ze heeft een grote interesse voor jeugdliteratuur en publiceerde onder meer een overzicht van de Europese literatuurgeschiedenis. Aan de Faculteit Godgeleerdheid doceerde zij de cursus ‘Christelijke thematiek in de hedendaagse letterkunde’.
1. Met dank aan Dirk Boone die mij het boek van Enzo Bianchi, Adam es-tu? (1998) leerde kennen en aan Robert Ceusters, s.j. die mij in het werk van Marie Balmary introduceerde.
2. Dit motief komt ook voor in het Gilgamesj-epos (Balmary 2000).
3. Bart Moeyaert is vooral bekend om zijn jeugd- en kinderboeken maar omwille van zijn literaire stijl wordt hij ook door volwassenen gelezen en gewaardeerd. De laatste jaren schrijft hij ook voor een volwassen lezerspubliek. Het Paradijs is een boek dat vooral adolescenten en volwassenen die gevoelig zijn voor symboliek kan aanspreken. De Schepping werd geschreven in opdracht van het Nederlands Blazers Ensemble voor hun muziektheaterproductie. Ook het tweede verhaal is onderdeel van een productie van hetzelfde ensemble en fungeert als tekst bij een versie van Die Jahreszeiten van Joseph Haydn.
4. Evas bok (1980), Kains bok (1981) en Noreas saga (1983). Een bundeling van de drie romans verscheen in 1985 met als titel Pardisets barn.
5. Ook Balmary beschouwt Eden niet als een ‘paradijs’: ‘Welk geluk is er voor de mensen, zolang ze niet bewust zijn van zichzelf, nog niet aanwezig zijn voor de ander en nog niet voldoende klaarziend om de valstrikken te vermijden en de juiste weg te kiezen om er te geraken?’ (Balmary 2000, p. 238).
6. Eenzelfde feministische lectuur vinden we ook in Volgens Magdalena en in mindere mate in De Zondvloed waar Naëma, de vrouw van Noah, die rol vervult.
7. Volgens Balmary (2000, p. 307) betekent de naam Nod ‘vlucht’, ‘ronddolen’. De vlucht naar Nod drukt dan een paradox uit. Kaïn neemt zijn intrek in het land van de vlucht.
8. Godsdienst en rituelen herinneren aan bepaalde inzichten en praktijken uit het faraonische Egypte.
9. Eva wordt verkracht door de duivelse leider van de groep, al wordt dit binnen Eden niet zo aangevoeld, omdat vrijheid en verantwoordelijkheid er geen plaats hebben; Norea wordt verkracht door de Reus in de tempel van Nod (Norea, p. 169).
10. Kaïn doodt zijn broer Abel en de duivelse leider in Eden. De oudste zoon van Nin doodt zijn broer en wordt daarna gedood door zijn moeder. Verschillende koningen in Nod slaan de hand aan zichzelf en ook Kaïn kiest voor zelfdoding. Enki doodt de bastaardzoon van Nin om Kaïn van deze taak te ontslaan.
11. Balmary 2000, p. 301.
12. Saramago gebruikt nooit hoofdletters. Daarom zijn in de samenvatting van het boek en in de citaten ook de hoofdletters weggelaten.
13. De kindermoord in Sodom herinnert sterk aan een leidmotief uit Het evangelie volgens Jezus Christus waarin de kindermoord in Bethlehem Jozef en later zijn zoon Jezus kwelt.
14. Over Abel, de herder, zegt de Bijbel alleen dat de heer welwillend neerziet op zijn offer (Gn 4,2-4).

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina