Biologie samenvatting h9 – erfelijkheid 1 Wat zijn eigenschappen?



Dovnload 50.74 Kb.
Datum10.10.2018
Grootte50.74 Kb.


Deelvraag (vetgedrukt)

Begrip (Cursief)
Biologie samenvatting h9 – erfelijkheid

1.1 Wat zijn eigenschappen?

Eigenschappen zijn kenmerken die je tot mens maken, bijv. vorm van de neus. Elk mens heeft verschillende eigenschappen. Eigenschappen hebben vaak verschillende verschijningsvormen. Verschillende soorten haarkleuren, zijn bijvoorbeeld verschillende verschijningsvormen.
1.2 Wat betekend erfelijk?

Binnen een ‘stamboom’ komen vaak dezelfde eigenschappen en verschijningsvormen voor. Die eigenschappen worden doorgegeven, van geslacht tot geslacht. Daar heb je zelf geen invloed op. Wanneer de eigenschappen worden doorgegeven, noem je die eigenschap erfelijk.


1.3 Is een verschijningsvorm alleen maar erfelijk?

De verschijningsvorm van een eigenschap wordt ook wel het fenotype genoemd. Het fenotype is niet alleen afhankelijk van de erfelijke eigenschappen. Ook de omgeving speelt een rol bij het ontstaan van het uiterlijk van een organisme. Het fenotype kan je veranderen, door je haar te verven bijvoorbeeld. Paskal Jakobsen kan goed zingen en gitaar spelen, maar dat is geen eigenschap. Maar hij kan wel muzikale aanleg hebben. Het fenotype (goed kunnen gitaar spelen) is het resultaat van erfelijke aanleg (muzikaal) en de omgeving (veel oefenen en optreden).


2.1 Waar ligt jouw bouwbeschrijving?

In de kernen van je cellen zitten dunne draden: chromosomen. Die chromosomen bestaan voornamelijk uit de stof DNA. Je DNA is een bouwbeschrijving die precies verteld hoe je er uit moet zien en hoe je organen moeten werken.
(2.3) DNA bestaat uit heel lange en dunne draden. De vorm van de DNA-draden kan worden weergegeven als een wenteltrap. Een aantal treden van die wenteltrap bevat samen de informatie van één erfelijke eigenschap. Zo’n stukje van het DNA noem je een gen.
Ook de eigenschap ‘man’ of/en ‘vrouw’ ligt ook vast in de chromosomen . Deze eigenschap wordt bepaald door de geslachtschromosomen. Het geslacht is aangegeven met een X- en Y-chromosoom. Een man heeft een X en een Y een vrouw alleen 2 keer een X.

2.2 Hoe kom je aan je bouwbeschrijving?

Ouders geven een deel van hun eigen beschrijving door aan hun kinderen. Je moeder deed dat via 23 chromosomen in de eicel en je vader via 23 chromosomen in de zaadcel. Dus wanneer een man en vrouw seks hebben, komt de eicel bij de zaadcel en worden de bouwbeschrijving compleet met 46 chromosomen. Bij elke celdeling worden de chromosomen exact gekopieerd.




2.4 Hebben alle organismen dezelfde chromosomen?

Iedere soort heeft zijn eigen aantal chromosomen. De grootte van de chromosomen en het aantal genen dat erop ligt, verschilt sterk per soort. Bij onderzoek is gebleken dat heel wat genen bij verschillende soorten hetzelfde zijn.



3.1 Hoe geef je genen door?

Tijdens de meiose (reductieafdeling) worden geslachtcellen teruggebracht tot de helft. (46 -> 23)



Dat gaat stapsgewijs;

  1. De chromosomen gaan midden in de cel liggen,

  2. de chromosomen worden zichtbaar in de cel en gaan zich verdubbelen,

  3. de chromosomen gaan midden in de cel liggen,

  4. kopie en origineel van elk chromosoom gaan uit elkaar,

  5. de gescheiden groepjes vormen nieuwe kernen,

  6. de cel deelt en er ontstaan twee cellen met elk weer 46 chromosomen.



3.2 Waardoor hebben al je cellen dezelfde genen?

Je groeit doordat je cellen delen, dit heet mitose en dat gaat als volgt;



  1. De chromosomen liggen nog onzichtbaar in de celkern,

  2. de chromosomen worden zichtbaar in de cel en gaan zich verdubbelen,

  3. de chromosomen gaan midden in de cel liggen,

  4. kopie en origineel van elk chromosoom gaan uit elkaar,

  5. de gescheiden groepjes vormen nieuwe kernen,

  6. de cel deelt en er ontstaan twee cellen met elk weer 46 chromosomen.


3.3 en 3.4 – Begrippen (TIP: oefen het noteren van genotypen etc.)

Genotype = De genen die een organisme bezit voor één bepaalde eigenschap, deze worden in een code aangegeven bijvoorbeeld Aa, Rr.

Heterozygoot =een organisme bezit twee ongelijke genen voor één eigenschap, bijvoorbeeld genotype Aa of Rr.

Homozygoot = Een organisme bezit twee dezelfde genen voor één eigenschap, bijvoorbeeld genotype AA of rr.

Recessief =Onderdrukt gen van twee genen, die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde eigenschap.

Dominant = Een overheersend gen van twee genen die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde eigenschap.

Intermediair = De genen, die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde eigenschap hebben beide evenveel invloed, waardoor het fenotype een mengvorm van beide genen te zien geeft.
4.1 Wat is de kans op een jongen?

De geslachtscel bevat altijd maar één van de twee chromosomen. Daarna hangt het ontstaan van een jongentje of meisje af van welk zaadcel het snelst de eicel bevrucht. De kans op een jongen is één op twee (50%). Bij elke bevruchting is het weer fiftyfifty.




4.2 Hoe kun je het uiterlijk van nakomelingen voorspellen? Zie tekst boek blz. 103 of 95 en 96

4.3. Waardoor lijkt hij op z’n opa?

5.1 Wat is een stamboom?

Een stamboom is een overzichtelijk schema, waarin je de familieleden noteert. En daarbij noteer je het fenotype dat ze bezitten.


5.2 Wanneer ga je naar een erfelijkheid voorlichter?

Kinderen worden soms geboren met een aandoening. Je noemt die aandoening dan een aangeboren aandoening. Er zijn 2 manieren hoe die kunnen ontstaan:



  1. Erfelijke aandoening. Kind erft een defect gen van ouder.

  2. Niet erfelijk aandoening. Fout bij vorming geslachtcellen bij meiose.

Fout bij verkeerde stoffen in de embryo gekomen.

Een erfelijkheidsvoorlichter geeft informatie wanneer er in de familie een ernstige erfelijke aandoening voorkomt. Je kunt via dragerschap onderzoek laten onderzoeken of je drager bent van het gen dat zo’n aandoening veroorzaakt.


5.3 Hoe onderzoeken artsen erfelijke aandoeningen?

Artsen kunnen ook erfelijkheidsonderzoek doen tijdens de zwangerschap. Je noemt dat prenataal onderzoek. Dat kan op de volgende 3 manieren”:



  1. Een echoscopie. Een echoscoop zendt trillingen uit en vangt de teruggekaatste trillingen op.

  2. Een vruchtwaterpunctie. De arts zuigt met een naald een vruchtwater op voor onderzoek.

  3. Een vlokkentest. De arts verzamelt een klein beetje weefsel van de placenta. Hierin zitten cellen van het embryo. Die bevatten weer de chromosomen.


5.4 Wat is gentherapie?

Gentherapie is een mogelijke geneeswijze, waarbij een niet goed werkende gen wordt vervangen door een goed werkend gen.
Lees de begrippenlijst nog een keer goed door.

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina