Beeld en werkelijkheid: een analyse van de adviezen van de Raad van State mr M. Tj. Bouwes1



Dovnload 244.07 Kb.
Pagina6/7
Datum07.11.2017
Grootte244.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

In het advies over de vierde nota van wijziging bij het wetsvoorstel Invoeringswet Werken naar vermogen (advies W12.13.0314/III) plaatst de afdeling de nota van wijziging tegen de achtergrond van de bredere decentralisatieagenda en verwijst zij naar de drie uitgangspunten als geformuleerd in de derde periodieke beschouwing interbestuurlijke verhoudingen. De afdeling heeft voorts opmerkingen over de verplichting voor gemeenten samen te werken op het niveau van 35 arbeidsmarktregio’s. In dit verband wijst de afdeling op een paradox dat waar beoogd wordt door middel van decentralisatie taken dichter bij de burger te laten uitvoeren, ditin de praktijk gepaard gaat met gemeentelijke schaalvergroting, in eerste instantie vooral via verplichte samenwerkingsverbanden, waardoor het bestuur fysiek centraliseert en daarmee juist verder van de burger af komt te staan. De afdeling merkt voorts op dat het interbestuurlijk toezicht, in het bijzonder de regeling van taakverwaarlozing, voldoende zou moeten zijn om gemeenten die de vereiste resultaten niet bereiken, daarop aan te spreken en dat de verplichte samenwerkingsverbanden bij de onderscheiden decentralisaties verschillend worden samengesteld. Het nader rapport merkt op dat het kabinet streeft naar congruente regio’s in het brede sociale domein (Jeugdwet en Wmo), maar er daarbij van uitgaat dat reeds bestaande, goed functionerende samenwerkingsverbanden gerespecteerd dienen te worden. De delegatiebepaling in de participatiewet is een stok achter de deur om de samenwerking binnen het sociale domein nader te regelen indien dat nodig mocht blijken te zijn.


  1. Consultatie

In het advies over het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof) (33 669) wees de afdeling erop dat op grond van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen conceptregelgeving met relevantie voor decentrale overheden voor advies moet worden voorgelegd aan IPO, VNG en UvW en dat het advies dient te worden meegezonden naar de afdeling. De afdeling constateerde dat op ambtelijk niveau overleg is gevoerd met IPO en VNG en dat van ambtelijk overleg met de UvW in de toelichting geen melding wordt gemaakt. De afdeling is van mening dat, gelet op de afspraken die zijn neergelegd in de code, het van belang is dat IPO, VNG en UvW bestuurlijk advies uitbrengen over het wetsvoorstel. De afdeling beveelt aan alsnog advies te vragen en, mocht het voorstel naar aanleiding van de adviezen ingrijpend worden gewijzigd, het voorstel opnieuw aan haar ter advisering voor te leggen. In het nader rapport wordt uiteengezet dat provincies, gemeenten en waterschappen bij de voorbereiding van het wetsvoorstel uitvoerig betrokken zijn geweest en dat bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden en dat zij met het voorstel kunnen instemmen. De toelichting is in die zin verduidelijkt.

Bij het wetsvoorstel langdurige zorg (33 891) merkte de afdeling op dat op het moment dat het wetsvoorstel bij de afdeling aanhangig was gemaakt, het advies van het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) nog niet was ontvangen. Voor haar oordeelsvorming als laatste adviseur dient de afdeling te beschikken over adviezen van (verplichte) adviescolleges en de reactie daarop. Bij het ontbreken van advies houdt de afdeling in beginsel de behandeling van het wetsvoorstel aan tot dat het ontbrekende advies en de reactie daarop wordt ontvangen. Echter, in dit geval heeft de afdeling bij wijze van uitzondering het wetsvoorstel wel reeds in behandeling genomen vanwege het spoedeisend karakter daarvan.



  1. Naming and shaming

In 2014 is door de sector wetgevingskwaliteitsbeleid op basis van de jurisprudentie en de literatuur een leidraad opgesteld voor de al dan niet wettelijke grondslag en vormgeving van de openbaarmaking van sanctiebesluiten en toezichtgegevens7. Uit de leidraad blijkt een duidelijke voorkeur om voor dergelijke beslissingen een wettelijke grondslag te scheppen die ook waarborgen voor rechtsbescherming van de onder toezicht staande ondernemingen en instellingen bevat.

Het advies van de afdeling over het voorstel tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in verband met de stroomlijning van het door de ACM te houden markt toezicht (33 622) kan als richtinggevend voor de benadering van de afdeling worden beschouwd. In dat advies kwam aan de orde de openbaarmaking van sanctiebesluiten en bindende aanwijzingen. De afdeling wees erop dat openbaarmaking van een sanctie naming and shaming inhoudt, die diep kan ingrijpen in de betrokken onderneming en tot aanzienlijke economische en morele schade van de onderneming en de betrokken natuurlijke personen kan leiden. Artikel 8 EVRM eist voor inmenging in de persoonlijke levenssfeer een specifieke bij wet voorziene afweging in termen van proportionaliteit. Naar het oordeel van de afdeling vereist openbaarmaking een afzonderlijke afweging, waarbij beoordelingsruimte dient te bestaan om te bepalen of gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval openbaarmaking evenredig is aan het nagestreefde doel. Openbaarmaking moet uitkomst zijn van een afzonderlijke belangenafweging die uiteindelijk door de rechter kan worden getoetst. In een dergelijke belangenafweging dient het beginsel dat een maatregel gelijke maat houdt met de normschending (evenredigheidsbeginsel) in acht te worden genomen, mede in verband met de mogelijke toepasselijkheid van de artikelen 6 en 8 van het EVRM. De afdeling wijst op artikel 65 van de Mededingingswet waarin een volledige toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk is, doordat alle in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur geregelde uitzonderingen een grond kunnen opleveren om van openbaarmaking af te zien. In het nader rapport wordt dit advies gevolgd. Het wetsvoorstel dat gekozen is voor een gedifferentieerd regime, waarbij het doel van de openbaarmaking te weten de waarschuwing van consumenten en marktpartijen, onveranderd vooropstaat, maar aan het belang van rechtsbescherming van de betrokken marktorganisaties meer gewicht wordt gegeven.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg over de mogelijkheid tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van bestuurlijke sancties daarbij inbegrepen, volgt de afdeling dezelfde benadering. Ook hier meent de afdeling dat de wet ten aanzien van openbaarmaking van sanctiebesluiten de mogelijkheid moet bieden voor een toetsing aan de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, onderdelen e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur en tevens voor een individuele belangenafweging.

De toetsing aan artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 EVRM speelt ook bij de automatische openbaarmaking van de oplegging van een bestuursverbod of de schorsing van een bestuurder. In het advies over het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod (34 011) merkt de afdeling op dat de opname van een aan een bestuursverbod onderworpen persoon in een (openbaar) register een ingrijpende inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene als bedoeld in artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM. Een dergelijke inbreuk is slechts gerechtvaardigd indien is voldaan aan een aantal vereisten: de inbreuk moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en er moet voldaan zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en er moet worden voldaan aan de eisen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens.




  1. Doorberekening van toezichtkosten

Op 7 mei 2014 bood het kabinet een herziening van het rapport Maat houden over de doorberekening van toelatings- en handhavingskosten uit juni 1996 aan de Tweede Kamer aan8. Kern van het nieuwe kabinetsstandpunt is dat er reden is voor een uitzondering op het beginsel dat toezicht en handhaving uit de algemene middelen worden gefinancierd indien individuele (rechts-)personen of groepen van (rechts-)personen in substantiële mate profijt hebben bij toezicht en handhaving door de overheid (het profijtbeginsel).

In haar advies over de wijziging van de Wet bekostiging financieel toezicht in verband met de afschaffing van de overheidsbijdrage (33 957) bleek dat het – toen nog niet gepubliceerde - kabinetsstandpunt bij de afdeling niet op een positief onthaal zou kunnen rekenen. De afdeling was van oordeel dat groepsprofijt geen rechtvaardiging kan vormen voor het volledig afschaffen van de overheidsbijdrage aan het toezicht. Zij merkte daarbij op dat het toezicht primair in het publiek belang wordt uitgeoefend. Het toezicht, eventueel door straffen te handhaven, strekt er toe in het algemeen belang de naleving van wet- en regelgeving te waarborgen. Het toezicht is gericht op bescherming van klanten van financiële ondernemingen tegen onzorgvuldige behandeling en ter bescherming van de maatschappij tegen niet solide financiële ondernemingen en op instabiele financiële sector. Het profijt van het toezicht is in die zin het profijt van de maatschappij als geheel. Het uitgangspunt dat het toezicht in de eerste plaats wordt uitgeoefend in het algemeen belang, brengt naar het oordeel van de afdeling met zich dat het toezicht ook, ten minste ten dele, uit de algemene middelen moet worden gefinancierd. De afdeling houdt het kabinet het wetsvoorstel tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt9 voor, waarin wordt bepaald dat de kosten van de ACM die samenhangen met de uitvoering van de wettelijke taken in beginsel ten laste worden gebracht van marktorganisaties. De kosten van de ACM die samenhangen met het uit eigen beweging doen van marktonderzoeken en maken van rapportages, met de behandeling van bezwaar- en beroepsschriften, met het bestraffen van overtredingen waaronder het nemen en bekendmaken van besluiten omtrent het opleggen van bestuurlijke sancties en bindende aanwijzingen, met werkzaamheden die uitsluitend ten behoeve van andere overheidsorganisaties worden verricht, en met het geven van deskundige raad worden echter niet ten laste gebracht van marktorganisaties maar komen ten laste van de algemene middelen. In dezelfde zin bepaalt artikel 12 van de Wet marktordening gezondheidszorg dat het budget voor de beheerskosten van de Nederlandse zorgautoriteit wordt gedekt uit ’s Rijks kas. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt naar de mening van de afdeling een fundamenteel afwijkende keuze gemaakt. Het nader rapport stelt dat in lijn met het nieuwe Maat houden dat er niet alleen sprake is van systeemprofijt als toezicht noodzakelijk is voor de marktordening, maar ook als handhavingsactiviteiten noodzakelijk zijn voor het vertrouwen in de kwaliteit van de producten of dienstverlening in een specifieke sector.

Ook in het advies over het voorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van kansspelen op afstand (33 996) merkt de afdeling op dat het primaire belang van het toezicht een publiek belang is. Het strekt ertoe in het algemeen belang toe, eventueel door straffen te handhaven, de naleving van wet- en regelgeving te waarborgen. Het uitgangspunt dat het toezicht in de eerste plaats wordt uitgeoefend in het algemeen belang, brengt naar het oordeel van de afdeling met zich dat het toezicht ook, ten minste ten dele, uit de algemene middelen moet worden gefinancierd.

Gelet op haar principiële stellingname ligt het voor de hand dat de afdeling bij nieuwe voorstellen tot doorberekening van kosten zal vragen in de toelichting in te gaan op de mate van doorberekening van kosten gelet op het belang dat ook de samenleving heeft bij de uitvoering van toezichthoudende taken.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt in verband met de stroomlijning van het door de ACM te houden markttoezicht (33 622) stelde de afdeling vast dat in vergelijking tot de bestaande situatie in het voorstel sprake was van een aanzienlijke verruiming van de mogelijkheid om kosten door te berekenen. De afdeling noemde kosten voor het opstellen van het jaarverslag en het verstrekken van inlichtingen en kosten voor het inwinnen van advies van een actuaris. Bovendien kunnen kosten die in een amvb of ministeriële regeling zijn opgenomen (“krachtens de wet”) worden doorberekend. Niet duidelijk is aan de hand van welke maatstaf de kosten daadwerkelijk bij de individuele bedrijven worden neergelegd. De afdeling achtte het van belang dat de hoofdlijnen van de doorberekeningssystematiek in de wet worden geregeld. Het gaat immers om financiële lasten, die voor ondernemingen zowel naar omvang als naar hun aard van gewicht zijn. In zulk een geval behoort de wet ten minste de kaders voor toerekening aan sectoren en individuele ondernemingen te bevatten. In navolging van het advies zijn enkele hoofdlijnen van de systematiek volgens welke de kosten worden bepaald en ten laste gebracht van marktorganisaties in de wet opgenomen.

In het wetsvoorstel wijzigingswet financiële markten 2014 (33 632) werden de kosten van toezicht op afwikkelondernemingen niet doorberekend omdat het toezicht een grensoverschrijdend karakter heeft en daardoor de kosten die gepaard gaan met het toezicht niet op eenduidige wijze zijn toe te rekenen aan de onder toezicht staande ondernemingen. De afdeling merkt op dat toezicht op grote internationaal opererende ondernemingen ontegenzeggelijk een grensoverschrijdend karakter heeft terwijl de kosten wel worden doorberekend en dat volgens het voorstel kosten die wel eenvoudig zijn toe te rekenen aan individuele ondernemingen volgens het voorstel ook niet kunnen worden doorberekend. De afdeling adviseert de toelichting in dit licht aan te vullen en het voorstel zo nodig aan te passen. In het nader rapport wordt opgemerkt dat DNB de bedoelde werkzaamheden uitvoert als deelneemster aan het Europees stelsel van nationale centrale banken alwaar de aandacht vooral uitgaat naar het voorkomen van systeemrisico’s die zich over de landsgrenzen kunnen uitstrekken. Daardoor is geen eenvoudige scheidslijn tussen de verschillende koste te maken. Bepaalde kosten kunnen wel worden doorberekend. Daartoe zal nog een nota van wijziging worden voorbereid waarover advies aan de afdeling zal worden gevraagd, aldus het nader rapport.



  1. Keuze sanctiestelsel

In het wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet in verband met het verstrekken van het handhavingsinstrumentarium (33 798) werd de keuze voor de bestuurlijke boete onderbouwd door te wijzen naar de kabinetsnota uit 2008 over de besloten en open context10. De afdeling merkte, onder verwijzing naar eerdere adviezen, op dat dit criterium onvoldoende houvast biedt om een keuze te maken tussen sanctiestelsels; dit mede gelet op het feit dat een strikte toepassing van het criterium “open en gesloten context” tot onevenwichtige resultaten leidt. Daarom heeft de afdeling meer dan eens overwogen dat niet zozeer de context waarbinnen de overtreding heeft plaatsgevonden, maar eerder de aard en de ernst van het feit bepalend dienen te zijn voor de keuze van een sanctiestelsel. Omdat de aard en de ernst van het feit de basis vormen voor de keuze van een sanctiestelsel, dient voor dezelfde overtreding steeds te worden gekozen voor één sanctiestelsel. In het nader rapport wordt aangegeven dat in de praktijk herstelsancties van last onder dwangsom en last onder bestuursdwang voor een bepaalde categorie van overtreders niet effectief zijn en strafrechtelijke vervolging een te vergaand of minder geschikt handhavingsmiddel zijn. Een lik-op-stuk-sanctie als de bestuurlijke boete is bij dergelijke overtredingen vaak noodzakelijk.


  1. Publieke belangen

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht in verband met het wettelijk regelen van de verbetertermijn voor zeer zwakke instellingen (33 796) had de afdeling bezwaar tegen de bepaling dat de Onderwijsinspectie indien zij van oordeel is dat de onderwijskwaliteit langer dan een jaar tekortschiet, aan de minister moet voorstellen de bekostiging te beëindigen. De afdeling merkt op dat, daar de inhoud van het advies reeds wettelijk vaststaat en de wet dwingend voorschrijft wanneer het moet worden gegeven, het advies geen aanvullende betekenis heeft naast de al verplichte melding aan de minister en het advies geen functie heeft ten behoeve van de onderbouwing van de bekostigingsmaatregel. In het nader rapport wordt aangegeven dat het advies om de verplichte inhoud van het voorstel achterwege te laten, is overgenomen.

Over het wetsvoorstel taken meteorologie en seismologie (33 802) adviseerde de afdeling om in de toelichting aandacht te schenken aan de vraag hoe de ministeriële verantwoordelijkheid voor en de kwaliteit van de uitvoering van publieke taken geborgd zijn indien de bedoeling is dat de minister in het kader van zijn zorgplicht op het gebied van meteorologie taken laat uitvoeren door organisaties buiten het ministerie. Indien daarentegen beoogd is om de desbetreffende publieke taken uitsluitend te laten uitvoeren door een of meer organisatieonderdelen van het ministerie, dan adviseert de afdeling ter verduidelijking om de zorgplichten te vervangen door een expliciete taaktoedeling aan de minister. In het nader rapport wordt gesteld dat het van tevoren vastleggen welke taak onder directe aansturing van de minister zou moeten vallen en welke taak meer op afstand kan worden uitgevoerd, de wet erg complex en rigide zou maken.



  1. Samenloop van private en publieke regulering

Een van de kernpunten van het wetgevingsbeleid is dat bij het bepalen van de wijze van overheidsinterventie zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector (Aanwijzingen 7 en 8). Overheidsingrijpen is slechts op zijn plaats als van het zelfregulerend vermogen van de maatschappij onvoldoende is te verwachten. De afdeling is echter kritisch mengvormen van private en publieke regulering. De adviezen gingen in op de vraag in hoeverre private partijen hun veronderstelde verantwoordelijkheid zullen waarmaken, of de handhaving van de regeling is gewaarborgd en hoe publieke en private taken kunnen worden afgebakend. De Afdeling volgt het uitgangspunt dat publieke taken binnen het publieke domein worden uitgevoerd.

In haar advies over de wijzigingswet financiële markten 2015 (33 918) verwijst de afdeling uitdrukkelijk naar het uitgangspunt van wetgevingsbeleid dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector. Nu de sector de invoering van tuchtrecht al ter hand had genomen en er binnen de bancaire sector zeer groot draagvlak is voor de introductie van privaatrechtelijk tuchtrecht, rees de vraag waarom de overheid dit initiatief moet ondersteunen met een wettelijke verplichting. In het nader rapport hield de minister aan het voorstel vast omdat door een wettelijke regeling het tuchtrecht in de bancaire sector ook voor een enkele wellicht wat minder welwillende bank effectief wordt.

De samenloop van publiekrechtelijke handhaving en strafrechtelijke handhaving vroeg bij het Besluit verpakkingen (verbetering handhaafbaarheid) (Stcrt. 2013, nr. 1935) de aandacht. Zowel bestuursrechtelijke (bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom) als strafrechtelijke (via de Wet op de economische delicten) handhaving kon plaatsvinden. De afdeling was er in de daar gekozen constructie dat producenten hun werkzaamheden aan een collectieve organisatie konden overdragen via een privaatrechtelijke overeenkomst, niet van overtuigd dat bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving effectief zou zijn. De vermenging van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten kon bovendien de vraag doen rijzen wie op een bepaald moment verantwoordelijk is voor de naleving van het Besluit. Het antwoord op die vraag was in het voorstel afhankelijk van een privaatrechtelijke overeenkomst. De vraag zou kunnen rijzen of de overeenkomst nog van kracht was, bijvoorbeeld in geval van wanprestatie. Het Besluit is op het laatste punt aangepast.

De afdeling vond het voorstel tot wijziging van de Wet op de Jeugdzorg en enkele andere wetten, houdende vaststelling van een grondslag voor het stellen van kwaliteitseisen over beroepsbeoefenaren werkzaam in de jeugdzorg en voor het aanwijzen van een kwaliteitsregister (33 619) onwenselijk omdat de overheid zich voor de ontwikkeling en aanpassing van beroepsethische codes en voor het tuchtrecht dat een privaatrechtelijk karakter houdt, via een wettelijk geregelde stichting, bindt aan en daarmee afhankelijk maakt van de beroepsverenigingen. De afdeling merkt op dat de voorgestelde onderbrenging van het kwaliteitsregister bij een door de beroepsverenigingen op te richten stichting, die aan een aantal in het wetsvoorstel genoemde randvoorwaarden moet voldoen, leidt tot een in essentie privaatrechtelijke regeling met publiekrechtelijke elementen. Daarbij komt volgens de afdeling dat de overheid weliswaar eisen stelt aan de inrichting en werkwijze van de stichting, maar de oprichting en instandhouding ervan overlaat aan de beroepsverenigingen. Voorts wordt ook de ontwikkeling en aanpassing van de beroepsethische codes overgelaten. Het tuchtrecht blijft op privaatrechtelijke leest geschoeid. Dit betekent volgens de afdeling dat de overheid zich via wetgeving bindt aan de beroepsverenigingen. De afdeling vindt deze wijze van regulering niet gewenst en ziet ook overigens niet de noodzaak in van een publiekrechtelijke regeling van de stichting. In het nader rapport betoogt de regering dat ook in een andere opzet een wettelijke regeling met normstelling onontkoombaar is. De binding van de overheid aan het beoogde kwaliteitsregister kan worden losgelaten indien dat niet langer in het belang is van de jeugdzorg.

In het advies over het voorstel wijzigingswet financiële markten 2014 (33 632) merkte de afdeling op dat financiële dienstverleners nu reeds een bijzondere zorgplicht jegens hun klanten hebben op grond van het civiele recht. De noodzaak van een aanvullende, publiekrechtelijke zorgplicht zal daarom toereikend moeten worden gemotiveerd. In het nader rapport is aangegeven dat publiekrechtelijke verankering van de zorgplicht handhaving door de toezichthouder mogelijk maakt, zonder dat naleving van de zorgplicht afhankelijk is van een gang naar de civiele rechter door de getroffen consument.


  1. Overgangsrecht

De afdeling heeft onder verwijzing naar adviezen in het verleden opgemerkt van oordeel te zijn dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht moet worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van de regel rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden kunnen worden gevormd door aanmerkelijke aankondigingseffecten of een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening. De noodzaak van terugwerkende kracht moet deugdelijk worden onderbouwd (verplicht schatkistbankieren, 33 540). In de toelichting is alsnog aangegeven dat terugwerkende kracht beoogt aankondigingseffecten te minimaliseren.


  1. Een paar bevindingen

Wat opvalt is dat allerlei beelden die over wetgeving en wetgevingsproces bestaan in deze analyse niet worden bevestigd. Zo worden adviezen van de afdeling helemaal niet “weggeschreven”. Opvallend is eerder dat de adviezen zo gemakkelijk worden overgenomen. Bij delegatiebepalingen moest de afdeling advisering van de Raad van State in haar adviezen regelmatig wijzen op de delegatievoorschriften van de Aanwijzingen voor de regelgeving met de constatering dat het voorstel door delegatie naar een te laag niveau daar niet aan voldeed. Vaak werd het advies voor delegatie naar een hoger niveau overgenomen11. Dat suggereert dat er niet een heel sterke opvatting bestaat over het wenselijke niveau van regelgeving. De Raad van State merkt in zijn Jaarverslag over 2013 (p. 51-52) overigens ook op dat doorwerking van de adviezen op veel manieren zichtbaar zijn. Het is geen uitzondering, eerder regel, dat een advies ertoe leidt dat de regering het voorstel of de toelichting bijstelt. Het lijkt erop dat in veel gevallen de afdeling scheidsrechter is in een al bij de voorbereiding gebleken verschil van inzicht of in een geval van twijfel over het voorstel bij de indiener. De afdeling spreekt dan het verlossende woord.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina