Beeld en werkelijkheid: een analyse van de adviezen van de Raad van State mr M. Tj. Bouwes1



Dovnload 244.07 Kb.
Pagina5/7
Datum07.11.2017
Grootte244.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7


  1. Opneming van het maatschappelijk doel in het wetsvoorstel

Een nieuwe figuur van wetgeving lijkt het opnemen van het maatschappelijk doel in een voorstel. Wat de betekenis van een dergelijke bepaling is, is nog niet uitgekristalliseerd. Heeft zo’n bepaling normatieve betekenis in de zin dat de bepaling toetssteen is voor bestuur en rechter of heeft de bepaling alleen symbolische betekenis als beleidsdoel? De afdeling beoordeelt dergelijke bepalingen verschillend.

In haar advies over de nota van wijziging van de Wet natuurbescherming (33 348) merkte de afdeling op dat de voorgestelde doelbepaling geen toegevoegde waarde heeft en verwarring kan wekken. Zij adviseerde deze bepaling te schrappen en het doel van het wetsvoorstel in de toelichting weer te geven. De betreffende bepaling luidde: “Deze wet is gericht op: (a) het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, en (b) het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies.” Het tweede lid luidde: “Een bestuursorgaan oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen, genoemd in het eerste lid, zoals nader bepaald bij of krachtens deze wet.” De afdeling merkte op dat het oogmerk van een wet kan blijken uit de considerans. Daarin worden strekking van en, indien daartoe aanleiding is, het motief tot de vaststelling van een wet in hoofdzaak kort weergegeven. De toelichting biedt een nadere duiding en motivering van de doelstelling. De considerans en de toelichting zijn van belang voor de beoordeling van het ontwerp door de wetgever, voor de rechterlijke macht van bijvoorbeeld reikwijdte van bevoegdheden en voor de evaluatie van de wet. De afdeling merkte op dat de doelstelling geen enkele functie vervult in het wetsvoorstel. De toelichting wijst juist op andere bepalingen waarin de normatieve werking tot uitdrukking komt en waarin wordt geëxpliciteerd dat de doelbepaling bij de afweging door bestuursorganen en bij de beoordeling door de rechter evenmin als toetsingskader geldt. Gelet hierop mist de doelbepaling niet alleen toegevoegde waarde, maar kan deze ook verwarring wekken. Opname van de doelbepaling wekt immers de indruk dat deze toch zelfstandige betekenis zou hebben. De voorgestelde doelbepaling, die eerder een beleidsdoel lijkt te verwoorden, past niet bij de normatieve betekenis van de wet als grondslag voor overheidshandelen en voor de rechtszekerheid van burgers. De afdeling adviseert de bepaling te schrappen. De staatssecretaris antwoordt in het nader rapport dat de in de wet geformuleerde doelstelling een belangrijk uitgangspunt belichamen van haar beleid en van het wetsvoorstel. Opname van deze doelstelling in het wetsvoorstel zelf, in plaats van alleen in de considerans of in de toelichting, doet naar mijn oordeel recht aan het centrale karakter van dit uitgangspunt in dit wetsvoorstel. De voorgestelde doelbepaling sluit bovendien aan bij de voorgenomen regeling in de Omgevingswet, die ook een dergelijke bepaling zal kennen waarin de maatschappelijke doelen van die wet zijn opgenomen. Om deze reden is de doelbepaling in het voorstel gehandhaafd.



Het wetsvoorstel voor een Omgevingswet (33 962) bevat een vergelijkbare bepaling over het maatschappelijk doel van de wet. Artikel 1.3 luidt: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.” De afdeling constateert in haar advies dat de maatschappelijke doelstelling in het voorstel is vastgelegd, maar heeft er geen kritiek op. Daarentegen adviseert de afdeling wel om de milieubeginselen van artikel 191 van het VWEU in het voorstel te codificeren. Artikel 191 van het VWEU bepaalt dat de EU in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Dientengevolge zijn deze beginselen richtinggevend voor het door de EU – en daarmee ook voor de lidstaten – te voeren milieubeleid en wetgeving. De afdeling meent dat, gelet op het uitgangspunt van de wetgever om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het EU-recht, het integrale karakter van het voorstel en de harmoniserende werking die uitgaat van codificatie, alsmede de positie van de Staten-Generaal als medewetgever en het ordenend vermogen van een wet in formele zin, verankering van de belangrijkste beginselen in het voorstel in de rede ligt. De afdeling meent dat zij invulling geven aan wettelijke normen en de discretionaire bevoegdheden die in het voorstel zijn opgenomen en dat zij een leidraad bieden aan bestuursorganen en rechters bij de toepassing ervan. Daarmee dragen beginselen bij aan een betere voorspelbaarheid van het overheidsoptreden. Het nader rapport meldt dat (met uitzondering van enige specifieke instructieregels voor afgebakende activiteiten) het kabinet er niet voor gekozen heeft om beleidsbeginselen die nu langs beleidsmatige weg doorwerken als rechtsregel in dit wetsvoorstel te codificeren. Als reden wordt aangegeven dat de principes van artikel 191 VWEU primair ontwikkeld zijn voor het milieubeleid. Onduidelijk is welke effecten onverkorte doorwerking zou hebben op de andere domeinen van het omgevingsrecht, zoals bouwen, cultureel erfgoed en infrastructuur. Verder zou codificatie via jurisprudentie tot verstarring kunnen leiden en daarmee beperkingen kunnen opleggen aan de overheid om, gegeven de maatschappelijke en politieke omstandigheden, tot een acceptabel beleidspakket te komen. Het EU-recht dwingt niet tot codificatie. Tenslotte is er op dit moment nagenoeg geen beginselgeleide wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. In de periode 1992-2004 is er veel geschreven over nut en noodzaak en voor- en nadelen van codificatie van algemene beginselen van het milieurecht. Daarna heeft het toenmalige kabinet besloten “om de beginselen voorlopig niet wettelijk vast te leggen, omdat over de gevolgen van codificatie van milieubeginselen voor de praktijk de inzichten vooralsnog te veel uit elkaar lopen. Het betreft met name de inschatting van de extra lasten voor bestuur en justitieel apparaat ten gevolge van codificatie.(Kamerstukken II 2003/04, 29 540, nr. 57)”. In de tussentijd is er volgens het nader rapport bij de wetgever en bevoegde gezagsinstantie geen verdere ervaring opgedaan met beginselgeleide wetgeving die tot herziening van dat kabinetsstandpunt leidt.

Wetgevingsarchitectuur

In het wetsvoorstel gebruik camerabeelden en meldplicht datalekken (33 662) waren de twee maatregelen in één wetsvoorstel opgenomen uit een oogpunt van wetgevingseconomie en vanwege het inhoudelijk verband. De afdeling meende dat de onderdelen weinig inhoudelijk verband vertoonden en adviseerde tot splitsing. Zij wees erop dat daarmee ook kon worden voorkomen dat door bezwaren in de verdere wetgevingsprocedure tegen één van beide onderwerpen, beide regelingen vertraging zullen oplopen. Dit advies is gevolgd.

Het wetsvoorstel maatregelen woningmarkt 2014 (33 756) bestond uit drie onderdelen, te weten een verhuurderheffing, beperking van de hypotheekrenteaftrek en herstel van enige onduidelijkheden. De toelichting vermeldde dat het naar de mening van de regering paste de onderdelen 1 en 2 vanwege de thematische en uitvoeringstechnische samenhang in het wetsvoorstel op te nemen “en zodoende in samenhang te beoordelen”. De afdeling merkte op dat er op de woningmarkt meer vraagstukken zijn die in de toekomst aandacht vragen. Daarmee rijst de vraag waarom de onderhavige voorstellen wel in samenhang zouden moeten worden beoordeeld, hoewel de onderwerpen uiteenlopend van aard zijn, maar niet in samenhang met een of meer op korte termijn nog te verwachten voorstellen. Het nader rapport antwoordt dat het bij deze voorstellen om de fiscale uitvoeringstechnische kant gaat.

In het advies over het wetsvoorstel verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen (33 610), uitwerking van het regeerakkoord, speelde de samenhang met andere maatregelen betreffende pensioen. De afdeling achtte het niet wenselijk dat wijzigingen van het Witteveenkader vooruitlopen op te verwachten wijzigingen van de Pensioenwet. Zolang niet duidelijk is welke de wijzigingen in de Pensioenwet zullen zijn, wordt met het voorstel een voorschot genomen op de uitkomsten van een nog verder te voeren debat over het twee-pijlerpensioen. De afdeling wees voorts op het door sociale partners gesloten pensioenakkoord. Nog niet duidelijk is of, en zo ja hoe, aan het pensioenakkoord uitvoering wordt gegeven en de bestaande afspraken in het nieuwe systeem worden ingepast. Dit betekent dat de mogelijke effecten van het pensioenakkoord en het overgangsrecht nog niet bekend zijn. Hierdoor ontbreekt naar de mening van de afdeling het zicht op de cumulatieve effecten van de geschetste versoberingen, daaronder begrepen het cumulatieve effect van het overgangsrecht en het overgangsrecht dat met het pensioenakkoord gepaard zal gaan. Daarnaast merkt de afdeling op dat met het voorstel vooruitgelopen wordt op (de uitkomsten van) het inmiddels al lopende debat over de solidariteit die aan het pensioenstelsel ten grondslag ligt en over de verplichtstelling van het tweedepijler-pensioen. De afdeling adviseerde tot heroverweging (“niet dan nadat...”). Het nader rapport stelt dat het kabinet echter van mening is dat wetgevende stappen op het gebied van ambitie, zekerheid, financiering en risicodeling afzonderlijk gezet kunnen worden en niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd genomen moeten worden. Na de eerste termijn van de plenaire behandeling in de Eerste Kamer heeft het kabinet van dit voorstel alsmede het daarmee samenhangende wetsvoorstel pensioenaanvullingsregelingen (33 672) aanhouding gevraagd voor nader beraad. Het kabinet heeft vervolgens de conclusie getrokken dat wijzigingsvoorstellen noodzakelijk zijn alvorens een zinvolle behandeling in de Kamer mogelijk is.

In verzoek om voorlichting inzake de verankering van de democratische controle bij de hervormingen in het economisch bestuur in Europa ter bestrijding van de economische en financiële crisis5 kwam aan de orde parlementaire betrokkenheid bij regelgeving op het terrein van financieel-economisch en monetair bestuur in Europees verband. De afdeling wijst erop dat de politieke besluitvorming over de begroting van het volgende jaar in belangrijke mate wordt verlegd van het najaar naar het voorjaar. De behandeling van de wetsvoorstellen tot vaststelling van de begroting en de bijbehorende voorstellen, zoals het Belastingplan, hebben daarmee, wat de hoofdlijnen betreft, meer het karakter gekregen van de uitwerking en formalisering van al vastgelegde afspraken. De gang van zaken rond de begrotingen voor 2013 (met name het Lenteakkoord) was hiervan een eerste voorbode. Volgens de afdeling mag worden verwacht dat deze trend zich in versterkte mate zal voortzetten. Het verdient naar het oordeel van de afdeling aanbeveling dat de beide Kamers bij het uitoefenen van hun medewetgevende en controlerende taken rekening houden met deze verschuiving van de begrotingscyclus en daarover afspraken maken met de regering.

Over het wetsvoorstel wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met de implementatie van richtlijn 2010/63/EU (33 692) merkte de afdeling op ervoor gekozen is om de richtlijn te implementeren door wijziging van de Wet op de dierproeven en niet door een nieuwe wet op te stellen. Zij wijst erop dat bijna alle bepalingen van de wet ingrijpend worden gewijzigd en dat bovendien veel nieuwe bepalingen worden ingevoegd. Volgens de afdeling komt dat de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van het wetsvoorstel niet ten goede. De afdeling wijst erop dat het goed gebruik is bij voorgenomen omvangrijke wijzigingen in een regeling te overwegen de bestaande regeling in te trekken en een nieuwe regeling vast te stellen (zie Aanwijzing 224). In het nader rapport wordt opgemerkt dat de wet diverse bepalingen bevat die geen verband houden met de richtlijn, maar van nationaal belang zijn. Een geheel nieuwe wet zou niet sporen met Aanwijzing 331 dat bij implementatie geen andere regels worden opgenomen dan voor implementatie nodig zijn. Bovendien had de richtlijn al geïmplementeerd moeten zijn. Geheel nieuwe vaststelling zou voor onnodige vertraging van het wetgevingsproces kunnen leiden. Toegezegd wordt dat bij publicatie van de wijzigingswet zal worden overgegaan tot integrale tekstplaatsing van de Wet op de dierproeven in het Staatsblad. De afdeling adviseerde voorts om, nu de implementatietermijn al was verstreken, in de toelichting in te gaan op de gevolgen van de overschrijding van de termijn en aandacht te besteden aan de vraag hoe aan bepaalde verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien wordt voldaan tot het moment waarop het voorstel in werking treedt. In het nader rapport wordt geantwoord dat de huidige wet al zoveel mogelijk richtlijnconform wordt toegepast en dat met de huidige wet het beoogde beschermingsniveau al grotendeels gerealiseerd wordt.

In het advies over het wetsvoorstel aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (33 754) merkte de afdeling op dat het voorstel ingrijpende keuzes bevat op het terrein van het punitieve sanctierecht. De snelheid die de behandeling van het belastingpakket 2014 door Tweede en Eerste kamer vergt, kan naar het oordeel van de afdeling aan de zorgvuldige behandeling van dit ingrijpende voorstel in de weg staan. Daarom adviseerde de afdeling het voorstel los te koppelen van het belastingplanpakket 2014 en de ingangsdatum ervan vast te stellen bij koninklijk besluit. In het nader rapport wordt uiteengezet dat een voortvarende aanpak bij de bestrijding van fraude noodzakelijk is en dat daarom de antifraudemaatregelen op zo kort mogelijke termijn effectief moeten worden. Aan het wetsvoorstel is wel een horizonbepaling toegevoegd, op grond waarvan de fraudebepalingen vervallen na vijf jaar tenzij voordien een daarop betrekking hebbend wetsvoorstel wordt ingediend. In die periode moet de effectiviteit blijken.

In de toelichting op het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten, houdende vaststelling van een grondslag voor het stellen van kwaliteitseisen over beroepsbeoefenaren werkzaam in de jeugdzorg en voor het aanwijzen van een kwaliteitsregister (33 619) miste de afdeling een paragraaf die de hoofdlijnen en oogmerken van het wetsvoorstel kort weergeeft. De toelichting is daarop in die zin aangepast.

Bij het voorstel voor de Jeugdwet (33 684) merkte de afdeling op dat een toelichting zelfstandig leesbaar dient te zijn en een dragende motivering moet bevatten voor alle relevante artikelen. Dit geldt ook voor een wetsvoorstel dat beoogt een nieuwe regeling te scheppen in de plaats van een al bestaande wet. De afdeling merkte op dat de toelichting op onderdelen tekort schoot. Zo wordt veel bekend verondersteld, ontbreken verwijzingen naar bestaande artikelen en wordt anderzijds uitsluitend volstaan met verwijzing naar geldende artikelen zonder deze inhoudelijk toe te lichten. De afdeling gaf in overweging de toelichting kritisch te toetsen, te ontdoen van onjuistheden en herhalingen en ook overigens aan te passen zodat zulks resulteert in een duidelijke, goed leesbare verantwoording van de nieuwe regeling. Het nader rapport meldt dat de toelichting is aangepast.

Over het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33 818) merkte de afdeling op dat veel voorgestelde bepalingen moeilijk leesbaar zijn als gevolg van de vele onderlinge verwijzingen en omslachtige formuleringen. In dit opzicht is de voorgestelde tekst aanmerkelijk complexer dan de huidige wettekst. De afdeling adviseerde de tekst daarom in zijn geheel opnieuw aan een redactionele toets te onderwerpen en waar mogelijk te vereenvoudigen.




  1. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Uitvoeringslasten kwamen aan de orde in het advies over het wetsvoorstel Wet pensioenaanvullingsregelingen (33 672). De afdeling oordeelde dat de aanvullende inkomensopbrengst van de voorgestelde pensioenexcedentenregelingen (financieel en fiscaal) beperkt is, dat hieraan zeer hoge uitvoeringslasten zijn verbonden en dat verwacht moet worden dat de uiteindelijke opbrengst ervan voor de meeste pensioendeelnemers minimaal, zo niet te verwaarlozen, is. De afdeling concludeerde dat over het voorstel in deze vorm niet positief kon worden geoordeeld (“niet aldus...”). De afdeling was tevens van oordeel dat, gegeven de beperkte omvang van het hiermee gegenereerde aanvullend inkomen en de hoge uitvoeringslasten daarvan, een verplichtstelling in de meeste gevallen tot een disproportionele belasting voor deelnemers leidt. Zij adviseerde dat deelname uitsluitend op vrijwillige basis zou moeten plaatsvinden. Het nader rapport meldt dat sociale partners hechten aan de mogelijkheid van verplichtstelling, maar dat zij ook de ruimte hebben geen verplichtstelling na te streven. Na de eerste termijn van de plenaire behandeling in de Eerste Kamer heeft het kabinet van dit voorstel alsmede het daarmee samenhangende wetsvoorstel verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (33 610) aanhouding voor nader beraad gevraagd. Het kabinet heeft vervolgens de conclusie getrokken dat wijzigingsvoorstellen noodzakelijk zijn alvorens een zinvolle behandeling in de Kamer mogelijk is.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van kansspelen op afstand (33 996) speelde de vraag naar de effectiviteit en de handhaafbaarheid in grote rol. De afdeling merkte op dat de effectiviteit van het voorstel in hoge mate afhangt van de wijze waarop kan worden opgetreden tegen illegale aanbieders. De afdeling merkte op dat uit onderzoek in andere landen dat bevoegdheden tot optreden ofwel niet werden toegepast van wege praktische problemen ofwel niet effectief waren. Zo blijkt in Noorwegen het tegengaan van betalingen gemakkelijk te omzeilen. In Duitsland is om die reden nog niet overgegaan tot het gebruik van de mogelijkheid betalingsverkeer te blokkeren. In Nederland is in hoger beroep een door de rechtbank opgelegd bevel aan internetproviders om de site van Pirate Bay te blokkeren ongedaan gemaakt vanwege het niet voldoen aan de effectiviteits-/evenredigheidseis van het gevraagde verbod. In het nader rapport wordt de mogelijkheid van omzeiling van een verbod erkend, maar wordt ook gewezen op recente jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie waarin internetproviders onder bepaalde voorwaarden mogen worden gelast hun klanten de toegang tot een illegale website te ontzeggen. En in Noorwegen is de omzet van illegale aanbieders na jarenlange groei gestagneerd, terwijl 30% van de Noorse spelers heeft aangegeven dat deelname aan illegale kansspelen door blokkades wordt bemoeilijkt. Het kabinet meent dat de voorgestelde handhavingsinstrumenten de nodige barrières tegen illegale aanbieders buiten Nederland kunnen opwerpen.




  1. Bestuurlijke inrichting

In het advies over het wetsvoorstel wijziging Wet primair onderwijs en andere wetten in verband met het onderwijs in de Friese taal (33 618) speelde de verdeling van verantwoordelijkheden en de vormgeving van provinciale betrokkenheid. De afdeling merkte op dat in de onderwijswetgeving ten aanzien van het primair onderwijs en voortgezet onderwijs het tot op heden zo is dat wetgever en regering de inhoudelijke eisen vaststellen ten aanzien van dat onderwijs. Waar is gekozen voor (horizontale) delegatie, is daaraan een voorhangprocedure gekoppeld, waardoor parlementaire betrokkenheid is verzekerd. In het voorstel was de bevoegdheid tot het vaststellen van de kerndoelen Friese taal gedelegeerd aan provinciale staten. Als gevolg daarvan zou de betrokkenheid van regering en parlement, welke tot op heden het uitgangspunt vormt bij het vastleggen van inhoudelijke deugdelijkheidseisen en welke bij de overige kerndoelen gehandhaafd blijft, gaan ontbreken. Naar het oordeel van de afdeling werd de wenselijkheid van deze inbreuk op het bestaande, mede door artikel 23, eerste, vijfde en zesde lid van de Grondwet ingegeven stelsel, in de toelichting onvoldoende dragend gemotiveerd. Voorgesteld was ook dat de minister instemming moet geven voor de criteria voor de door gedeputeerde staten te verlenen ontheffing van de verplichting tot het geven van onderwijs in de Friese taal. De afdeling merkte op dat gedeputeerde staten reeds vanaf 1980 een zelfstandige bevoegdheid hadden om ontheffing te verlenen, zonder betrokkenheid van de minister. De afdeling meende dat de instemmingsbevoegdheid van de minister als specifiek toezichtinstrument een afwijking vormde van het bij de herijking van het interbestuurlijk toezicht gekozen uitgangspunt dat in beginsel zal worden volstaan met het generieke instrumentarium. Zij meende dat deze afwijking onvoldoende gemotiveerd was. Op beide punten is het wetsvoorstel aangepast. De instemmingsbevoegdheid van de minister is vervangen door een goedkeuringsbevoegdheid. Daarbij is aangevoerd dat in het licht van artikel 23 Grondwet , waarbij de zorg voor het onderwijs expliciet bij de regering is gelegd, dat het instrument van goedkeuring door de minister dient te prevaleren ten opzichte van generiek interbestuurlijk toezicht.

In het advies over het wetsvoorstel voor de Jeugdwet (33 684) formuleerde de afdeling, onder verwijzing naar haar Derde periodieke beschouwing naar de interbestuurlijke verhoudingen6, formuleerde de afdeling een aantal randvoorwaarden voor decentralisatie:



  1. Een benadering die gericht is op maatwerk, vraagt om integraliteit in de overdracht van verantwoordelijkheden en bevoegdheden op brede samenhangende terreinen. Verkokering van beleid moet voorkomen worden en budgetten moeten ontschot worden.

  2. Alleen de opdracht om taken uit te voeren moet wettelijk worden geformuleerd (de “wat-vraag”), niet de wijze waarop de uitvoering gestalte moet krijgen (de “hoe-vraag”).

  3. Bij deze benadering past dat decentrale overheden de “hoe-vraag” op uiteenlopende wijzen beantwoorden.

Het wetsvoorstel bevatte de bevoegdheid om bij of krachtens amvb regels te stellen over onder andere de beschikbare deskundigheid, over voorzieningen die in ieder geval getroffen moeten worden alsmede over financiële randvoorwaarden en inkoopeisen. De afdeling merkte op dat deze bevoegdheid ongeclausuleerd is en dat dit ertoe kan leiden dat de beoogde beleidsvrijheid en de daarmee beoogde regiefunctie van de gemeente worden ondergraven. Naar het oordeel van de afdeling is het stellen van regels dan ook eerst aan de orde als ontoelaatbare knelpunten zouden ontstaan die niet anders dan door het stellen van nadere regels kunnen worden ondervangen. Het voorstel is daarop aangepast.

In het advies over het wetsvoorstel maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (33 801) verwijst de afdeling eveneens naar de Derde periodieke beschouwing naar de bestuurlijke verhoudingen en de randvoorwaarden die daarin zijn geformuleerd over de verschuiving van verantwoordelijkheden van de rijksoverheid naar gemeenten. De afdeling wijst erop dat het wetsvoorstel niet alleen op de punten van de tegenprestatie en de arbeidsverplichtingen, maar ook op dat van het sanctiebeleid de beleidsvrijheid van de gemeenten inperkt. Bevoegdheden worden omgezet in verplichtingen. De afdeling is van oordeel dat de inperking van de beleidsvrijheid, gelet op de dragende gedachten achter de WWB en gelet op het uitgangspunt dat maatwerk betekent dat gemeenten beleidsruimte nodig hebben om dat maatwerk te leveren, een dragende motivering behoeft. Het nader rapport merkt op de gemeenten binnen het wettelijk kader beleidsruimte hebben om in individuele situaties en bij bijzondere omstandigheden maatwerk te leveren. Het wettelijk kader voorkomt dat gemeenten ieder voor zich veel beleidskracht moeten investeren in het vormgeven van het maatregelenbeleid voor die gedragingen waarvoor op voorhand evident is dat daarvoor een zware maatregel passend is.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina