Beeld en werkelijkheid: een analyse van de adviezen van de Raad van State mr M. Tj. Bouwes1



Dovnload 244.07 Kb.
Pagina4/7
Datum07.11.2017
Grootte244.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

In het wetsvoorstel langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (33 816) wordt voorgesteld de maximumduur van negen jaar van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te schrappen. De afdeling wees op de reactie op een motie uit 2003 waarbij een verlenging “tot bijvoorbeeld vijftien jaar” werd bepleit. De regering volgde die motie niet omdat “het nog langer voortduren van de voorwaardelijke beëindiging de legitimiteit van de strafrechtelijke maatregel TBS uiteindelijk niet ten goede komt”. De afdeling merkte op dat de principiële bedenking van de regering in 2003 bij een verdere verlenging van de maximumduur in de toelichting bij het huidige voorstel niet werd besproken. De afdeling adviseerde op deze bedenking in te gaan. Het nader rapport merkt op dat de genoemde bedenking voldoende wordt ondervangen door de korte verlengingen van een of twee jaar van de maatregel en door de periodieke rechterlijke toets en dat dit voldoende tot uitdrukking komt in de memorie van toelichting.

In het wetsvoorstel verlaging bezoldigingsmaximum WNT (33 978) werd voor topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector een verlaging met circa 25% voorgesteld van de bezoldigingsnorm die sinds 1 januari 2013 geldt. De afdeling merkte op dat consistente en houdbare wetgeving niet kan inhouden dat een bezoldigingsnorm die na jaren van discussie is ingevoerd als noodzakelijke maatregel om recht te doen aan de opgelopen achterstand in salarissen, een jaar later met een kwart wordt verlaagd met de stelling dat deze zo maatschappelijk meer aanvaardbaar, evenwichtiger en verantwoord wordt, zonder dat daar enig nader onderzoek of toelichting voor wordt gegeven. Het nader rapport merkt op dat de nu geldende norm voortkomt uit de advies- en onderzoekswerkzaamheden van de Commissie-Dijkstal die over een periode van zeven jaar haar werkzaamheden heeft verricht en waarna de totstandkoming van de WNT in ongeveer drie jaar zijn beslag heeft gekregen. Waar in dit tijdsbestek eerst de nodige accenten werden gelegd op een groeiende achterstand van de bezoldiging van de ambtelijke top en politieke ambtsdragers in vergelijking met andere delen van de arbeidsmarkt, groeide de aandacht door en voor excessen in de publieke sector en nog meer in verschillende semipublieke sectoren, en de wens om topinkomens in zijn algemeenheid, en zeker ook de excessen, op een andere wijze tegemoet te treden. In het licht van de geschetste ontwikkeling van het maatschappelijk debat over topinkomens in de semipublieke sector is naar de mening van het kabinet het voorliggende voorstel een gewenste en logische vervolgstap. Het nader rapport meldt dat het advies van de afdeling aanleiding is geweest de memorie van toelichting waar mogelijk nader aan te vullen op het punt van de onderbouwing van de normverlaging.




  1. Introductie van nieuwe maatregelen of betere toepassing van bestaande maatregelen

In de kabinetsnotitie Vertrouwen in wetgeving wordt, onder verwijzing naar de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht4 (“Ja, mach nur einen Plan!/Sei nur ein grosses Licht!/Und mach dann noch ‘nen zweiten Plan/Gehn tun sie beide nicht.”) de staf gebroken over het stapelen van beleid waarbij nieuwe maatregelen worden voorgesteld voordat het oude beleid ten volle in de praktijk zijn werking heeft kunnen krijgen. Het probleem blijft hardnekkig want de afdeling moet er herhaaldelijk op wijzen dat niet verantwoord wordt waarom de bestaande instrumenten niet worden gebruikt.

De nota van wijziging van het wetsvoorstel versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs (33 472) behelsde een uitbreiding van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister en maakte het voor de minister mogelijk te interveniëren indien (1) dat noodzakelijk is om de kwaliteit of goede voortgang van het onderwijs aan de school of instelling te waarborgen en (2) zonder aanwijzing de kwaliteit van het onderwijsstelsel in gevaar zou komen. De afdeling benadrukte dat de introductie van nieuwe maatregelen en bevoegdheden pas aan de orde is indien niet kan worden volstaan met een optimale toepassing van bestaande wetgeving. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel bleek volgens de afdeling niet dat is bezien of kan worden volstaan met de huidige toezichtinstrumenten met betrekking tot de onderwijskwaliteit, de aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van financieel-bestuurlijk wanbeheer en de eventuele aanscherping van het financiële toezicht. Tegen die achtergrond ontbreekt naar de mening van de afdeling de noodzaak van de aanwijzing als onontbeerlijk en effectief middel om bij acute systeembedreigende kwaliteitsproblemen te kunnen optreden, mede gezien de huidige en voorgestelde financiële toezichtmechanismen. De afdeling verwijst ook naar het onderzoek financiële problematiek Amarantis waar de onderzoekscommissie de opdracht bij de minister legt om – gegeven zijn stelselverantwoordelijkheid – de ontwikkelingen bij schoolbesturen op de voet te volgen en ‘in die gevallen waar het onderwijsbeleid dit noodzakelijk maakt”, te kunnen interveniëren. Daarmee duidt de commissie volgens de afdeling niet zozeer op de kwaliteit van het onderwijs, maar op het voortbestaan van een instelling als zodanig in combinatie met de schaal ervan. In het nader rapport wordt aangegeven dat wordt vastgelegd dat een aanwijzing evenredig moet zijn aan het doel waarvoor zij gegeven wordt en dat de minister met redenen omkleed moet aangeven op welke punten sprake is van wanbeheer. Andere middelen om het doel te bereiken moeten zijn uitgeprobeerd en niet succesvol zijn gebleken voordat de aanwijzingsbevoegdheid kan worden ingezet.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet in verband met het versterken van het handhavingsinstrumentarium (33 798) merkt de afdeling ook op dat de introductie van nieuwe maatregelen en bevoegdheden pas aan de orde is indien niet kan worden volstaan met een adequate toepassing van bestaande wetgeving. In dit geval was in de toelichting niet aangegeven waarom bestaande lichtere maatregelen niet effectief blijken te zijn. Het nader rapport meldt dat over de effectiviteit van de hier voorgestelde maatregel (een verhuurverbod) overleg is geweest met gemeenten en dat de conclusie is getrokken dat de voorgestelde maatregel onvoldoende effectief zal zijn en daarom geschrapt is.

Over het wetsvoorstel uitbreiding wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (33 797) merkt de afdeling op dat zij de ernst van het beschreven probleem onderkent, maar zij wijst erop dat de bestaande handhavingsinstrumenten die een oplossing kunnen bieden om uiteenlopende redenen niet of onvoldoende worden benut. Met de introductie van nieuwe maatregelen en bevoegdheden moet terughoudend worden omgegaan. Duidelijk moet zijn dat ook adequate toepassing van de bestaande wetgeving niet toereikend is. In dat licht is de afdeling niet overtuigd van de noodzaak daaraan nieuwe instrumenten toe te voegen. De afdeling wijst daar erop dat uit evaluatie van de wet blijkt dat de bestaande maatregelen slecht in een zeer beperkt aantal gemeenten zijn toegepast. De afdeling wijst er voorts op dat het voorstel ingrijpende maatregelen bevat die in het geval van de huisvestingsvergunning ernstig inbreuk maken op de grondrechten vrijheid van vestiging en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Inmenging in deze rechten moet noodzakelijk en proportioneel zijn. Het nader rapport stelt dat het feit dat de meeste gemeenten de bestaande maatregelen niet toepassen – omdat ze die te zwaar vinden en net proportioneel – niet betekent dat de thans voorgestelde maatregelen niet noodzakelijk en niet proportioneel zijn. Het voorstel tot antecedentenonderzoek op basis van politiegegevens is vanwege de kritische opmerkingen van de afdeling voor heroverweging uit het voorstel geschrapt.

In het advies over het wetsvoorstel aanscherping van de maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast (33 882) merkte de afdeling op dat de noodzaak van de voorgestelde wijzigingen dient te worden bezien in het licht van de openbare orde-wetgeving als geheel. Uit onderzoek blijkt dat zowel gemeenten als arrondissementen vinden dat er veel wetten en instrumenten zijn om overlast te bestrijden. Deze wetten hebben vaak veel overlap, de onderlinge meerwaarde is niet altijd aan te tonen en vaak ontbreekt inzicht in de samenhang. “De gereedschapskist van burgemeesters is de laatste jaren overvol geraakt.” Verder zijn de ervaringen met de wet zelf van belang. Uit evaluatie blijkt dat de bevoegdheden van de wet weinig worden gebruikt: van de steekproef van 53 gemeenten en negentien arrondissementen hadden tien gemeenten en vier arrondissementen de wet toegepast. Voor een deel hangt dit samen met onwennigheid en koudwatervrees. Veel bestuurders wachten af tot er meer ervaring met de wet is opgedaan. De afdeling merkt op dat uit evaluatie niet blijkt van een structureel tekort aan (wettelijke) instrumenten om ernstige overlast in de publieke ruimte te bestrijden. De noodzaak om tot wetswijziging over te gaan is daarmee niet overtuigend gemotiveerd. Daar komt bij dat de voorgestelde wijzigingen diep ingrijpen in de persoonlijke vrijheid van de betrokkenen. De noodzaak daarvan dient grondig te worden gemotiveerd. In het nader rapport wordt de opvatting onderschreven dat wetten de tijd moeten krijgen om zich in de praktijk te bewijzen. Een te snelle evaluatie levert doorgaans weinig bruikbare informatie op. In dit geval waren er evenwel knelpunten naar voren gebracht door gemeenten, de VNG en de KNVB, en knelpunten die naar voren zijn gekomen in de evaluatie en de monitor, waarvan duidelijk is dat deze niet minder of anders zullen worden als meer ervaring zal zijn opgedaan met de toepassing van de wet. Dat nu tussentijds beter en extra gereedschap beschikbaar komt is volgens het nader rapport niet bezwaarlijk. Integendeel: het biedt de bestuurlijke vakman juist meer mogelijkheden om van geval tot geval het juiste gereedschap te kiezen.


  1. Nut en noodzaak

Bij de bespreking van nut en noodzaak bewandelt de afdeling twee wegen. Soms wordt het voorstel gewogen tegen de achtergrond van bestaande bevoegdheden en maatregelen en wordt de vraag gesteld wat de meerwaarde is van het voorstel bovenop het bestaande instrumentarium. In andere gevallen wordt de effectiviteit betwijfelt gelet op de bestaande praktijk in het desbetreffende domein. Een maatregel die niet effectief is kan ook niet nuttig of noodzakelijk zijn.

Het wetsvoorstel strafbaarstelling illegaal verblijf (33 512) werd onder het vorige kabinet voor advies aan de afdeling voorgelegd (advies 6 januari 2012) en onder het huidige kabinet ingediend (7 januari 2013). Het betrof uitvoering van het regeerakkoord. De afdeling kwam tot een kritisch advies (“niet dan nadat...”) en oordeelde dat de toegevoegde waarde van de voorgestelde strafbaarstelling van het illegaal verblijf ten opzichte van de strafbaarstelling van het handelen in strijd met het inreisverbod in twijfel kan worden getrokken, dus de vraag naar nut en noodzaak. Het advies gaat voorts in op het lex certa-beginsel, de verhouding tot de Terugkeerrichtlijn en de wenselijkheid om in de toelichting meer aandacht te besteden aan de maatschappelijke gevolgen van strafbaarstelling. In het nader rapport is aangegeven dat de generieke strafbaarstelling toegevoegde waarde heeft omdat daarmee anders dan bij een inreisverbod al kan worden opgetreden bij illegale vreemdelingen die voor de eerste keer zijn opgepakt.

In het advies over het wetsvoorstel terugdringen van geweld onder invloed van middelen (33 799) achtte de afdeling van belang dat de voorgestelde middelentest een strafvorderlijk dwangmiddel is dat inbreuk maakt op de onaantastbaarheid van het lichaam als gewaarborgd in artikel 11 Grondwet en op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van artikel 8 EVRM. Mede in dat licht moet het nagestreefde doel zorgvuldig worden afgewogen tegen de vrijheidsbeperkingen voor de individuele persoon. Niet duidelijk is volgens de afdeling wat de meerwaarde van het wetsvoorstel is ten opzichte van de bestaande praktijk van straftoemeting en strafoplegging. De toelichting verwijst niet naar relevant empirisch onderzoek waaruit zou blijken dat bij de straftoemeting op dit moment onvoldoende rekening wordt gehouden met de rol die middelengebruik bij de totstandkoming van het delict heeft gespeeld. Daarom is het naar het oordeel van de afdeling niet geëigend om middelengebruik als afzonderlijke strafverhogende factor aan te merken. Het nader rapport stelt dat nu in een proces-verbaal niet standaard melding wordt gemaakt van middelengebruik bij een geweldsdelict en dat de rechter nu in de meeste gevallen niet weet of de verdachte het geweldsdelict al dan niet onder invloed van middelen heeft gepleegd. Door het inzetten van de middelentest bij geweldsdelicten zal het middelengebruik wel in de rechtszaal aan de orde komen. Dat is de meerwaarde van het wetsvoorstel.

Volgens de afdeling was het voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten, houdende vaststelling van een grondslag voor het stellen van kwaliteitseisen over beroepsbeoefenaren werkzaam in de jeugdzorg en voor het aanwijzen van een kwaliteitsregister (33 619) niet nodig omdat de huidige regelgeving voldoende mogelijkheid biedt om jeugdzorgwerkers te binden aan beroepsethische normen. Zij wees er daarbij op dat de professionalisering van de jeugdzorg nog in een beginstadium staat. Gelet op de lange weg die nog te gaan is, klemt de vraag naar de noodzaak van de voorgestelde regelgeving. De afdeling verwijst uitgebreid naar de geldende regels van de Wet op de jeugdzorg en het Uitvoeringsbesluit en concludeert dat er nu al voldoende mogelijkheden zijn om in de thans voorgestelde grondslagen voor kwaliteitseisen te voorzien en aanvullende eisen te stellen aan bij jeugdzorgorganisaties werkzame jeugdzorgwerkers. Nu een jeugdzorgwerker reeds thans verplicht kan worden zich te houden aan beroepsethische normen, en daarmee een registratie niet langer vrijwillig plaatsvindt, is naar het oordeel van de afdeling de noodzaak van erkenning van een kwaliteitsregister niet overtuigend aangetoond. In het nader rapport wordt aangevoerd dat weliswaar op grond van de huidige wetgeving van jeugdzorgorganisaties kan worden verlangd dat ze taken toedelen aan gekwalificeerde medewerkers, maar dat dat nog niet meebrengt dat die medewerkers in een kwaliteitsregister zijn opgenomen. Die koppeling met een register wordt van groot belang geacht. Een erkend kwaliteitsregister biedt een jeugdzorgorganisatie ook zekerheid over de kwaliteiten van een medewerker, waarbij het voldoende is vast te stellen dat die medewerker is opgenomen in een register.




  1. Nut en noodzaak in relatie tot effectiviteit

Nut en noodzaak in het licht van de effectiviteit speelde een rol bij het wetsvoorstel gebruik camerabeelden en meldplicht datalekken (33 662). De afdeling miste voor wat de verwerken van strafrechtelijke gegevens een gedegen probleemanalyse en een toereikende onderbouwing van de nut en de noodzaak van het voorstel. Zij wees daarbij op passages in de toelichting waarin de huidige praktijk “misschien niet het meest optimale resultaat” bereikt en het “niet ondenkbaar is” dat meer informatie naar boven komt. De afdeling acht dat ontoereikend als motivering voor versoepeling van het regime van de Wbp. In het nader rapport is hier verder niet op ingegaan omdat het onderdeel in een apart wetsvoorstel zal worden opgenomen.

Bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet in verband met het versterken van het handhavingsinstrumentarium (33 798) was een verhuurverbod voorgesteld om te kunnen optreden tegen malafide pandeigenaren. De afdeling achtte van belang dat, zoals in de toelichting wordt erkend, het verhuurverbod een inmenging betekent in het ongestoord genot van de eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarom dient de toelichting dragend te motiveren dat het voorgestelde verhuurverbod noodzakelijk is en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tegen deze achtergrond maakt de afdeling opmerkingen over de noodzaak en de effectiviteit van het verhuurverbod. Omdat het verhuurverbod terecht inhoudt dat bestaande huurovereenkomsten hun (rechts)geldigheid behouden, en de gemeente Rotterdam het verbod lastig uitvoerbaar, controleerbaar en handhaafbaar vindt, is de noodzaak en effectiviteit naar het oordeel van de afdeling niet aangetoond. Het nader rapport meldt dat het voorstel van een verhuurverbod is geschrapt.

In de toelichting op het wetsvoorstel tot wijziging Wet primair onderwijs en andere wetten in verband met het onderwijs in de Friese taal (33 618) miste de afdeling een probleemomschrijving en een antwoord op de vraag op welke wijze het voorstel bijdraagt aan de doelen van het wetsvoorstel, namelijk kwaliteitsverbetering en stimulering van het gebruik van de Friese taal. Zij merkte op dat in de verschillende adviezen en rapporten die de aanleiding hebben gevormd voor het voorstel evenmin wordt gerefereerd aan de doelstellingen op het gebied van het onderwijs of het draagvlak voor het gebruik van de Friese taal. De afdeling adviseerde in de toelichting in te gaan op de wijze waarop het voorstel aan de verwerkelijking van de genoemde doelen bijdraagt. De memorie van toelichting is in die zin aangevuld.

In de toelichting op het verzamelbesluit evaluatie en uitbreiding Wet Bibob (Strcrt 2013, nr. 16616) miste de afdeling een adequate beschrijving van de aard en de omvang van het probleem. Het voorstel betrof een uitbreiding van de rechtstreekse verstrekking van gegevens door politie, justitie en de minister van VenJ aan bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak. De afdeling wees op de conclusie uit onderzoek dat het probleem met betrekking tot informatie-uitwisseling vooral lijkt te liggen in onduidelijkheid over bevoegdheden en niet zozeer in de onmogelijkheid van rechtstreekse verstrekking van justitiële, strafvorderlijke en politiegegevens. Voorts vroeg de afdeling nader in te gaan op de effectiviteit van rechtstreekse verstrekking van gegevens, zulks eveneens onder verwijzing naar onderzoek waaruit blijkt dat kleine gemeenten vaak niet beschikken over de benodigde capaciteit, kennis en ervaring om Bibob-onderzoek te doen en anderzijds dat omdat ook rechtstreekse verstrekking vaak ook geen soelaas zal bieden. De toelichting is daarop op beide punten aangevuld, mede in het licht van artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM.




  1. Uitwisseling van informatie

In een aantal adviezen heeft de afdeling het voorstel getoetst aan artikel 8 EVRM, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In het kader van de noodzakelijkheidstoets (“is de inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk in een democratische samenleving?”) is ingegaan op de doeltreffendheid van de maatregel (wetsvoorstel vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie) ( 33 542). De afdeling verwijst daarbij onder andere naar enige in de toelichting genoemde onderzoeken waaruit niet onmiddellijke de meerwaarde van de maatregel blijkt. Geadviseerd wordt een meer dragende motivering te geven. De afdeling maakte ook opmerkingen over de proportionaliteit van het voorstel en adviseerde aanpassing van de reikwijdte. Op beide punten zijn toelichting en wetsvoorstel aangepast.

Bij de verzamelwet kinderopvang 2013 (33 538) miste de afdeling een toetsing aan de uitgangspunten van de Wbp, namelijk dat persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden, en dat persoonsgegevens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar zijn met de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen, dat de verwerking toereikend is, ter zake dienend en niet bovenmatig. Voorts dient te worden voldaan aan de noodzakelijkheids- en evenredigheidseis die artikel 8 EVRM stelt. De toelichting is daarop aangepast en het wetsvoorstel is aangevuld met een grondslag voor het verstrekken van inzage in inspectierapporten.

In het advies over de wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisseling (33 579) wees de afdeling erop dat het feit dat de betrokken bestuursorganen zelf de risicoanalyse moeten toetsen aan het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, voortvloeiend uit artikel 10 Grondwet, artikel 8 EVRM, de richtlijn persoonsgegevens, artikelen 7 en 8 EU Handvest Grondrechten en de WBP, weliswaar in concrete gevallen waarde heeft, maar de wetgever niet ontslaat van de plicht om de toekenning van bestuursbevoegdheden en de daarmee gepaard gaande beperking van grondrechten zo concreet mogelijk te omschrijven.

Toetsing aan artikel 8 EVRM en het proportionaliteitsbeginsel speelde ook bij het voorstel voor continue screening van medewerkers in de kinderopvangsector (Besluit continue screening kinderopvang). De afdeling wees er onder andere op dat niet alle personen die bij kinderopvang betrokken zijn gescreend worden en dat ook in andere sectoren waar sprake is van contact met (jonge) kinderen, zoals onderwijs en sportclubs, of met personen met ernstige handicap of dementie geen systeem van continue screening bestaat. De afdeling vraagt of het de bedoeling is daar ook continue screening in te voeren, en indien niet, waarom dan wel in de kinderopvang. Het gaat hier in feite om consistentie van keuzes en van het wettelijk stelsel. Volgens het nader rapport is het voorstelbaar dat in de toekomst deze vorm van screening ook wenselijk en proportioneel wordt geacht voor andere sectoren. Randvoorwaarde is evenwel een actueel bestand van medewerkers dat gekoppeld kan worden aan andere gegevensbestanden.

In haar advies over het wetsvoorstel cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens (33 509) wees de afdeling erop dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van het recht op privacy. Het wetsvoorstel leidt ertoe dat private partijen weliswaar verantwoordelijk zijn/worden voor de uitwisselingssystemen, maar dat neemt naar het oordeel van de afdeling niet weg dat de minister, als bewaker in laatste instantie van de kwaliteit van de zorg, uiteindelijk aanspreekbaar blijft op de kwaliteit van de gegevensuitwisseling, met name in situaties waarin private partijen tekort (dreigen te) schieten. De functionele, technische en organisatorische eisen voor de elektronische gegevensverwerking zullen worden opgenomen in een amvb op grond van artikel 26 Wbp. Deze regeling is echter nog niet gereed. De afdeling merkte in dit verband op dat uniformering van de hiervoor bedoelde eisen van groot belang is. Zij adviseert daarom in de toelichting een schets op te nemen van de contouren van de amvb op grond van artikel 26 Wbp. Het kabinet heeft dit advies opgevolgd.

In het wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg (32 399) was een grondslag opgenomen voor het zonder toestemming van betrokkene uitwisselen van strafrechtelijke en medische persoonsgegevens door een groot aantal actoren. Dit was vormgegeven door het introduceren van zowel een verplichting tot het verstrekken van gegevens als een vorderingsrecht van inlichtingen en inzage in gegevens en bescheiden. De afdeling adviseerde in de toelichting in te gaan op de mogelijkheden voor het bieden van passende waarborgen en de wijze waarop de betrokkene kennis kan nemen van de uitgewisselde gegevens en het voorstel aan te passen. Daarop is de verplichte informatieverstrekking beperkt en is een delegatiegrondslag opgenomen om bij amvb regels te kunnen stellen welke gegevens mogen worden uitgewisseld. Verder is bepaald dat de zorgverantwoordelijke wordt geïnformeerd indien gegevens worden uitgewisseld zonder toestemming van de betrokkene (de zorgverantwoordelijke moet dat vervolgens in het dossier van betrokkene aantekenen).

Het wetsvoorstel wijzigingswet financiële markten 2014 (33 632) bepaalde dat de toezichthouder vertrouwelijke gegevens kan verstrekken aan de AIVD, de belastingdienst, de FIOD, de nationale politie, het OM en andere bij ministeriële regeling aan te wijzen instanties voor zover dat, met het oog op de integriteit van de financiële markten en de op die markt werkzame personen, voor en goede samenwerking en informatie-uitwisseling met die instanties nodig is. Blijkens de toelichting strekt deze bepaling er toe informatie-uitwisseling binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) beter mogelijk te maken. De afdeling merkt op dat de toelichting geen inzicht biedt in de (formeel-juridische) status van het FEC en evenmin in het Informatieprotocol FEC 2011 op basis waarvan informatie-uitwisseling plaatsvindt. Naar het oordeel van de afdeling kan het feit dat op grond van het voorstel informatie mag worden verstrekt aan de daar genoemde partijen er niet toe leiden dat ook informatie-uitwisseling binnen het FEC mogelijk wordt. De toezichthouders mogen namelijk toezichtvertrouwelijke informatie slechts verstrekken in een één-op-één relatie met de in de wet genoemde partijen. Ieder van deze partijen is vervolgens gehouden deze informatie vertrouwelijk te behandelen. De afdeling merkt voorts op dat het geformuleerde noodzaak-criterium, te weten “voor zover dat met het oog op de integriteit van de financiële markten en de op die markten werkzame personen, voor een goede samenwerking en informatie-uitwisseling met die instanties nodig is” nauwelijks beperkend is. Naar aanleiding van deze opmerkingen is het noodzaakcriterium aldus aangepast dat de informatie slechts mag worden verstrekt als dat voor de ontvangende instantie dienstig is voor de uitoefening van haar wettelijke taak.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina