Beeld en werkelijkheid: een analyse van de adviezen van de Raad van State mr M. Tj. Bouwes1



Dovnload 244.07 Kb.
Pagina3/7
Datum07.11.2017
Grootte244.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

In het advies over het wetsvoorstel aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (33 754) was de afdeling van oordeel dat de wettelijke bepaling dat bij ministeriële regeling uitleners kunnen worden aangewezen die niet verplicht zijn een depot aan te houden, niet voldoen aan de eis dat het betreft voorschriften van administratieve aard of uitwerking van details, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of waarvan te voorzien zijn dat ze met grote spoed moeten worden vastgesteld (Aanwijzing 26). De bepaling kent geen begrenzing. Het nader rapport vermeld dat de bepaling is aangepast.

In het advies over het wetsvoorstel taken meteorologie en seismologie (33 802) herhaalt de afdeling Aanwijzing 26 en wijst zij erop dat de onderwerpen die volgens het voorstel in een ministeriële regeling zullen worden opgenomen de reikwijdte van de publieke taakuitoefening bepalen. De afdeling adviseert de onderwerpen in het wetsvoorstel op te nemen. Ook de samenstelling, de benoeming en de taken van de raad van toezicht en de rechtspositie van zijn leden betreffen belangrijke elementen en komen niet in aanmerking voor delegatie aan de minister. Het voorstel is daarop aangepast.

In de nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoering stelsel verantwoorde mestafzet (33 322) werd een grondslag gelegd voor het regelen bij of krachtens amvb van een verbod intermediaire activiteiten te verrichten zonder voorafgaande registratie bij de minister. Verder bevatte het voorstel een grondslag voor het regelen bij of krachtens amvb van weigering, schorsing of schrapping van een registratie. Gelet op het vergunningskarakter van de registratie was de afdeling van mening dat het verplicht stellen daarvan dient te geschieden bij amvb (zie ook Aanwijzingen 24, eerste lid, onderdeel a, met de daarop gegeven toelichting, en 26). Aan het advies is gevolg gegeven.

In het advies over het voorstel tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof (33 669) wees de afdeling erop dat bij de verdeling van de elementen van een regeling over de wet, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, de hoofdelementen van een regeling zoveel mogelijk in de wet worden opgenomen en de nadere uitwerking in een algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Delegatie aan de minister dient beperkt te blijven tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld (Aanwijzingen 22-24 en 26). De grenswaarde voor een passende beoordeling in het kader van de programmatische aanpak is naar het oordeel van de afdeling van groot belang voor de uitvoeringspraktijk van wege de (gedeeltelijke) vrijstelling van de vergunningplicht die daaraan verbonden is. De vaststelling van de grenswaarde betreft geen aangelegenheid van administratieve aard en evenmin de uitwerking van een detail van een regeling. De afdeling adviseerde daarom de grenswaarde bij amvb vast te stellen. In het nader rapport wordt uiteengezet dat in dit geval een flexibel en snel inzetbaar instrumentarium nodig is en het voorgestelde niveau aansluit bij andere sterk geclausuleerde vrijstellingen en dat daarom het advies niet wordt gevolgd.

In het wetsvoorstel wijzigingswet financiële markten 2014 (33 632) was een grondslag opgenomen om bij of krachtens amvb nadere voorschriften te stellen ter invulling van de zorgplicht. De afdeling merkte op dat de voorgestelde algemene zorgplicht ertoe strekt als vangnet te fungeren onder de reeds bestaande specifieke voorschriften voor financiële dienstverleners en naar haar aard onbepaald is. De afdeling meende dat het in dat licht niet voor de hand ligt om de vangnetbepaling bij lagere regelgeving nader in te vullen. De afdeling merkt verder op dat, nu de reikwijdte van de zorgplicht onbepaald is, de grondslag voor nadere regelgeving dat eveneens is. De afdeling acht een dergelijke onbegrensde grondslag voor nadere regelgeving onwenselijk. De delegatiegrondslag is daarop uit het voorstel geschrapt. De afdeling stelde voorts vast dat bij ministeriële regeling de kring van personen aan wie informatie kan worden verstrekt kan worden uitgebreid tot andere instanties en daardoor in beginsel onbegrensd is. Zij acht dat onwenselijk gelet op de aard van de geheimhoudingsbepalingen en het uitgangspunt van een gesloten systeem van verstrekking. Daarop is in het voorstel de kring van personen aan wie informatie kan worden verstrekt in de wet begrensd.

In hetzelfde voorstel (33 632) waren de essentiële onderdelen van de regeling met betrekking tot de kapitaalbuffer niet in het voorstel opgenomen. De desbetreffende regeling zou bij of krachtens amvb worden uitgewerkt, waarbij kan worden bepaald dat de omvang van de onderdelen van de kapitaalbuffer kan worden vastgesteld bij besluit van DNB. De afdeling realiseerde zich dat in de loop der jaren veel bancaire regelgeving is uitgewerkt in lagere regelgeving, ook op het niveau van de toezichthouders. Daardoor is de rol van de wetgever in formele zin op dit terrein dienovereenkomstig geleidelijk beperkter geworden. In het licht van het primaat van de wetgever dienen de belangrijkste keuzes echter door de wetgever zelf te worden gemaakt; zij mogen iet worden overgelaten aan de lagere regelgever. De afdeling adviseerde de belangrijkste elementen, met name de aard van de drie onderscheiden kapitaalbuffers, in de wet zelf op te nemen en eventuele (sub)delegatie te motiveren en te clausuleren. Conform het advies van de afdeling zijn de componenten van de kapitaalbuffer op wetsniveau benoemd en op die manier geclausuleerd. In het nader rapport is er wel op gewezen dat deze regelgeving een bij uitstek technisch karakter heeft en vaak snel moet worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden of nieuwe inzichten.

In het advies over het wetsvoorstel wijziging van de Wet op de dierproeven in verband met de implementatie van de richtlijn 2010/63/EU wees de afdeling (onder verwijzing naar de toelichting op Aanwijzing 145) erop dat het bestendige lijn is dat het strafbaar stellen en omschrijven van misdrijven voorbehouden dient te blijven aan de wetgever in formele zin, gelet op de indringendheid van de straffen die kunnen worden opgelegd bij veroordeling wegens een misdrijf. Uit de toelichting werd niet duidelijk of en, zo ja waarom, van genoemde bestendige lijn wordt afgeweken. De afdeling adviseerde in de toelichting op het voorgaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen. Het voorstel is daarop aangepast.

In het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid (33 818) was voorgesteld dat bij ministeriele regeling zal worden geregeld dat reeds na zes maanden alle arbeid als passend wordt aangemerkt. De afdeling merkte op dat van delegatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften – in verband met het uitgangspunt dat deze op zo hoog mogelijk regelniveau worden vastgesteld – terughoudend gebruik moet worden gemaakt. De afdeling verwijst naar Aanwijzing 26. Gelet hierop en gelet op het feit dat de invulling van het begrip passende arbeid een essentiële factor is voor het recht op uitkering adviseerde de afdeling die invulling ten minste plaats te doen vinden op het niveau van een amvb. Dit advies is gevolgd.

Over het Besluit basisregistraties personen (W04.13.0369/I) merkte de afdeling op dat artikel 3.3 eerste lid, van de wet bepaalt dat in de amvb door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang worden aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistraties kunnen worden verstrekt. In het tweede lid wordt deze aanwijzingsbevoegdheid geclausuleerd. Slechts werkzaamheden kunnen worden aangewezen die samenhangen met een overheidstaak, strekken tot het in stand houden van een voorziening voor burgers die onderwerp is van overheidszorg, of waarbij anderszins gelet op de overheidsbemoeienis met die werkzaamheden, ondersteuning daarvan door gegevensverstrekking uit de basisregistratie gerechtvaardigd is. In het besluit worden twee organisaties aangewezen. De afdeling merkt op dat voor beide aanwijzingen een motivering ontbreekt waarom de gegevensverstrekking aan deze instanties past binnen één van de genoemde categorieën uit artikel 3.3, tweede lid, van de wet. In het nader rapport en de toelichting is verantwoord dat de aanwijzing voldoet aan de voorwaarden die de wet stelt.

In het advies over de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (33 966) merkte de afdeling op dat het voorstel een groot aantal delegatiebepalingen bevatte en dat er sprake was van delegatie van hoofdelementen van de regeling, die de reikwijdte en de structuur van de regeling in belangrijke mate bepalen. Delegatie van dergelijke elementen is in de regel niet aangewezen (de afdeling verwees naar Aanwijzing 22). De afdeling was van oordeel dat de bevoegdheid tot delegatie niet terughoudend was gebruikt (Aanwijzing 26) en dat elke delegatie zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt begrensd (Aanwijzing 25). In het nader rapport is per delegatiebepaling aangegeven dat de betreffende voorschriften alsnog in de wet worden opgenomen dan wel dat de delegatiebepaling is geschrapt.

In het voorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen in verband met het organiseren van kansspelen op afstand (33 996) speelde de vaker voorkomende constructie dat dat er naast de delegatiebepalingen in de afzonderlijke artikelen een algemene delegatiebepaling was opgenomen. Deze was naar het oordeel van de afdeling zeer ruim geformuleerd. Blijkens de toelichting was het artikel nodig vanwege de flexibiliteit, maar werd op dat moment geen concrete invulling van de bevoegdheid voorzien. De afdeling meende dat de toelichting niet duidelijk maakt wat de toegevoegde waarde van het artikel was. Het nader rapport meldt het advies van de afdeling om de noodzaak van de diverse delegatiebepalingen nader te bezien is gevolgd en dat de algemene delegatiegrondslag is geschrapt. Het nader rapport merkt daarbij op dat de kansspelautoriteit aan vergunningen voorschriften kan verbinden en dat de minister op grond van artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot de taakuitoefening door de kansspelautoriteit.


  1. Motivering in het licht van onderzoek en evaluatie

De afdeling verwacht van de wetgever dat hij rekening houdt met de uitkomsten van onderzoek en evaluaties. De motiveringseis krijgt te meer gewicht als onderzoek of evaluatie in een andere richting wijst dan het voorstel of als de uitkomsten van verplichte of toegezegde evaluaties niet worden afgewacht. De afdeling neemt geen genoegen met de stelling dat een voorstel wenselijk of nodig is (als uitvoering van het regeerakkoord). Soms vraagt de afdeling om bespreking van alternatieven.

De onderbouwing door onderzoek of andere gegevens speelde in het advies over het wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (33 685). De afdeling was van oordeel dat het voorstel vanwege met name de cumulatie van de ontoereikende motiveringen met betrekking tot de verschillende strafverhogingen deels nader diende te worden overwogen. Met betrekking tot het witwassen wees de afdeling bijvoorbeeld op de recente evaluatie van de Financial Task Force, waaruit naar voren komt dat het aantal vervolgingen en veroordelingen in Nederland heel behoorlijk was; er worden geen aanbevelingen gedaan de strafmaxima voor witwassen te verhogen. Daarnaast merkte de afdeling op dat de stelling in de toelichting dat sprake is van verhoudingsgewijze lage straffen waarmee het plegen van fraude, omkoping en witwassen wordt bedreigd, niet is gemotiveerd. De afdeling stelt dat in de toelichting niet aannemelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld met praktijkvoorbeelden of empirisch onderzoek, dat de huidige strafmaxima bij witwassen daadwerkelijk te kort schieten. In het nader rapport wordt hierop geantwoord, onder verwijzing naar rapportages van verschillende anti-corruptie organen, dat de strafmaxima in Nederland in verhouding tot ons omringende landen laag zijn en dat uit recent WODC-onderzoek naar georganiseerde criminaliteit blijkt dat financieel gewin de belangrijkste drijfveer vormt voor het plegen van zware criminaliteit. Gesteld wordt dat het aan het kabinet is om deze ontwikkelingen te signaleren, erop te anticiperen en te reageren door de aanpak van financieel-economische criminaliteit krachtig te ondersteunen.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht in verband met het wettelijk regelen van de verbetertermijn voor zeer zwakke instellingen (33 796) merkte de afdeling op dat door wetswijzigingen de afgelopen jaren het toezicht van de Onderwijsinspectie is aangescherpt en het aandeel zeer zwakke scholen drastisch is gedaald. De effecten van de genoemde veranderingen in wetgeving en inspectiebeleid zijn volgens de afdeling nog niet volledig uitgekristalliseerd. Een wettelijk verplichte evaluatie van de werking van een nieuwe bepaling over beëindiging van de bekostiging is nog niet uitgevoerd. De toelichting zou duidelijk moeten maken waarom deze evaluatie niet kan worden afgewacht en de noodzaak van het voorstel in aanvulling op recente wetswijzigingen en overige beleidsinitiatieven verdient een zelfstandige motivering. Het nader rapport antwoordt dat er tal van succesvolle maatregelen zijn genomen, maar dat er incidenteel situaties zijn waarin dergelijke maatregelen onvoldoende effect hebben. De memorie van toelichting is aangevuld met informatie over scholen die de afgelopen jaren niet voldoende verbeteringen wisten te bewerkstelligen.

In het advies over het wetsvoorstel langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (33 816) wees de afdeling erop dat vrijwel alle adviesinstanties hebben vermeld dat de ervaringen met en de effectiviteit van de wet uit 2008 waarbij de totale duur van de voorwaardelijke beëindiging is verruimd tot negen jaar nog onbekend zijn. In de memorie van toelichting werd hierover opgemerkt: “Hieruit volgt niet dat de voorgestelde maatregel prematuur is. Een evaluatie van een eerdere wetswijziging is geen noodzakelijke voorwaarde voor een daaropvolgende wetswijziging, ook niet wanneer dit een verdere aanscherping van die eerdere wijziging betreft.” De afdeling achtte dit onvoldoende overtuigend en vond het wenselijk meer ervaring op te doen met de wet alvorens deze te evalueren. Mede naar aanleiding van die evaluatie kan worden bezien of verdere verlenging of opheffing van de maximumduur noodzakelijk is. De afdeling achtte het voorstel derhalve prematuur. Het nader rapport stelt dat de maatschappelijke veiligheid en het voorkomen van nieuwe slachtoffers eerste prioriteit zijn en dat nieuwe cijfers van het WODC aantonen dat het percentage recidivisten met een zeer ernstig delict onder zedendelinquenten na lange tijd na uitstroming uit de tbs-maatregel nog toeneemt. Derhalve is het noodzakelijk thans maatregelen te treffen. De toelichting is op dit punt niet aangepast.

Voor de onderbouwing van een door de wetgever gemaakte keuze acht de afdeling het van belang of alternatieven zijn overwogen (modernisering stelsel landelijke publieke omroep) (33 541).
4.Motivering voor het terugkomen van eerdere beleidskeuzes

Een gevoelig punt in de adviezen is regelmatig geweest het terugkomen van eerder gemaakte beleidskeuzes en het wijzigen van beleid zonder voldoende onderbouwing. Die onderbouwing kan bijvoorbeeld gelegen zijn in gebleken tekortschietende handhavingsmogelijkheden die tot aanpassing of uitbreiding van het instrumentarium noodzaken of nieuwe onderzoeksgegevens die tot wijziging of aanpassing van de regeling leiden.

Bij het Besluit verpakkingen (verbetering handhaafbaarheid) (Stcrt. 2013, nr 1935) stelde de afdeling dat de toelichting niet duidelijk maakt of de oorspronkelijke uitgangspunten hun geldigheid hebben verloren en zo ja, waarom dat zo is.

Bij het wetsvoorstel tot afschaffing van de plusregio’s (33 659) miste de afdeling een draagkrachtige motivering. Zij wees erop dat de regering op achtereenvolgende momenten telkens dezelfde keuze maakte: zij kwam steeds uit op niet vrijblijvende samenwerking in stedelijke regio’s langs de lijnen van de kaderwetgebieden. Zij wees ook op twee evaluaties waaruit bleek dat de stadsregio’s naar tevredenheid functioneerden en dat binnen de kaders van de Wgr-plus makkelijker afspraken kunnen worden gemaakt over de (niet vrijblijvende) samenwerking en afstemming. Het was de afdeling opgevallen dat de genoemde evaluaties bij de voorbereiding van het wetsvoorstel niet leken te zijn meegewogen. “Dat roept de vraag op of het zin heeft wetsevaluaties te laten uitvoeren als aan de uitkomsten daarvan geen consequenties worden verbonden bij de beleidsontwikkeling.” De afdeling adviseerde kritisch (“niet aldus...”). In het nader rapport merkte de minister in reactie hierop op dat de reden voor het niet noemen van de twee evaluaties gelegen is in het feit dat het kabinet wél reden ziet om het voortbestaan van de plusregio’s ter discussie te stellen, omdat zij inbreuk make op de bestuurlijke hoofdstructuur. Een wettelijke verplichting tot samenwerking acht het kabinet niet langer gerechtvaardigd.

In het advies over het wetsvoorstel herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (33 745) wees de afdeling erop dat detentiefasering nog in 2011 het uitgangspunt vormde en de waarde ervan werd twee jaar daarvoor nog eens duidelijk vastgesteld: detentiefasering dient een integraal onderdeel te vormen van het detentie- en re-integratieplan. De afdeling merkte op dat het voorstel elementen bevat die een breuk inhouden met de al jarenlang bestaande detentiefasering met een penitentiair programma. In die zin wordt de lijn uit 2011 niet voortgezet. De afdeling kon zich niet aan de indruk onttrekken dat het voorstel primair budgettaire overwegingen dient. De afdeling was van oordeel dat – hoe legitiem budgettaire argumenten als zodanig kunnen zijn – een dergelijk vergaande beslissing, zoals hier aan de orde, niet primair uit budgettaire overwegingen kan voortvloeien. De inhoudelijke noodzaak van de afschaffing van de reeds decennialang bestaande detentiefasering dient duidelijk te blijken. Het nader rapport merkt op dat de beschikbare wetenschappelijke literatuur over de effectiviteit van strafrechtelijke interventies weinig eenduidige en algemeen geldende conclusies toelaat. De conclusie dat de bestaande, algemeen geldende detentiefasering een significante bijdrage heeft geleverd aan het terugdringen van recidive valt uit de wetenschappelijke literatuur niet te trekken. Het tegenovergestelde overigens ook niet. De memorie van toelichting is alsnog ingegaan op wetenschappelijke inzichten inzake sanctietoepassing.

De motivering voor een beleidswijziging speelde ook bij het wetsvoorstel overheveling taak en budget voor onderwijshuisvesting van gemeente naar school (33 361). De afdeling wees erop dat de toelichting niet ingaat op de achtergrond van de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling ten aanzien van het buitenonderhoud en de belangen die daarmee worden gediend. Naar het oordeel van de afdeling werd in de toelichting dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom een overheveling, anders dan in 2005, thans wel kan steunen op voldoende draagvlak. De toelichting is daarna aangepast.

Enigszins daarmee verwant betrof de vraag die speelde bij het wetsvoorstel Wet minimumloon in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde overeenkomsten van opdracht (33 623). Het wetsvoorstel hield in dat het wettelijk minimumloon dat geldt voor werknemers die op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten, ook zou gelden voor personen die werkzaam zijn op basis van een overeenkomst van opdracht. De afdeling wees erop dat in het Tijdelijk besluit postbezorgers 2011 wordt voorgeschreven dat een postvervoerbedrijf met ten minste 80% van de postbezorgers een arbeidsovereenkomst dient te hebben. De regering is er daarbij vanuit gegaan dat deze overheidsinterventie slechts tijdelijk van aard zou zijn, omdat het uitgangspunt is dat sociale partners primair verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van arbeidsvoorwaarden. De afdeling miste bij het voorstel een behandeling van het Tijdelijke besluit postbezorgers 2011, terwijl zowel het voorstel als dat besluit zien op de beloning van postbezorgers. In de toelichting is daarop uitgelegd dat het Tijdelijk besluit gedurende een overgangsfase nodig blijft als aanvulling op de structurele bescherming die het wetsvoorstel biedt.

De verhouding met andere maatregelen speelt ook als het gaat om cumulatie van maatregelen. In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken (33 757) merkte de afdeling op dat de voorgestelde verhogingen van het griffierecht op onderdelen onmiskenbaar gevolgen hebben voor de toegang tot de rechter. Daarbij komt dat in het bijzonder de verhogingen van het griffierecht in hoger beroep en cassatie en de verhoging van het griffierecht voor natuurlijke personen in eerste aanleg in bepaalde bestuurszaken cumuleren met andere maatregelen, zoals de voorgenomen verhogingen van de eigen bijdragen voor rechtsbijstand. Voorts zijn de griffierechten in burgerlijke zaken bij de invoering van de Wet griffierechten burgerlijke zaken reeds fors verhoogd. Op de gevolgen van de cumulatie van alle in het recente verleden (voor) genomen maatregelen voor de toegang tot de rechter gaat de toelichting niet in. De afdeling adviseerde dat alsnog te doen. Het nader rapport stelt dat de gevolgen voor de toegang tot de rechter van cumulatie met maatregelen in het verleden gering zijn. Geschetst wordt dat de verhoging slechts 2% tot 5% is en dat na 2004 alleen aanpassing aan het prijspeil heeft plaatsgevonden. De memorie van toelichting is in deze zin aangevuld.

In het advies over het Besluit aanpassingen eigen bijdrage rechtzoekenden en vergoeding rechtsbijstandverleners (Stcrt. 2013, nr. 26480) constateerde de afdeling dat aan de oorzaken en de gevolgen van het voorstel in de context van andere maatregelen in de toelichting weinig aandacht wordt besteed, terwijl de verhogingen van de eigen bijdrage en de overige maatregelen die nu worden voorgesteld korte tijd na eerdere verhogingen volgen. Voort is ook nog een verhoging van het griffierecht aangekondigd. Bij dit alles komt dat het geheel van deze bezuinigingsmaatregelen vooruitloopt op een toegezegde uitwerking van een nieuw stelsel van rechtsbijstand. In het licht van het recht op toegang tot de rechter en het daarbij behorende belang van een toegankelijk stelsel van rechtsbijstand achtte de afdeling het van groot belang dat de effecten van de cumulatie van de reeds plaatsgevonden hebbende bezuinigingsmaatregelen op het terrein van de rechtsbijstand inzichtelijk worden gemaakt. In het nader rapport wordt toegezegd dat in de toelichting meer aandacht wordt besteed aan de gevolgen van het voorstel in relatie tot andere maatregelen. Opgemerkt wordt dat ook in de toekomst goed acht moet worden geslagen op de effecten die deze en nog te nemen maatregelen zullen hebben op het beroep op de rechtsbijstand. In het vervolg zullen daarom de volume-effecten van de genomen maatregelen worden gemonitord. De Tweede Kamer zal over deze effecten worden geïnformeerd.

In het advies over het Besluit aanpassing vergoeding vervolgaanvragen vreemdelingen (W03.13.0254/II) wees de afdeling erop dat de regering over het vraagstuk van de resultaatgerelateerde beloning in de advocatuur een terughoudend standpunt inneemt omdat ee dergelijk systeem ertoe leidt dat de advocaat een eigen – financieel – belang krijgt bij een procedure terwijl de cliënt er recht op heeft dat alleen zij belang wordt gediend. Gelet op de voorzichtigheid waarmee het vraagstuk van de resultaatgerelateerde beloning wordt benaderd is niet inzichtelijk dat in het besluit in het algemeen voor tweede en volgende aanvragen voor verblijfsvergunningen een vorm van resultaatgerelateerde beloning zou moeten worden ingevoerd. In het nader rapport wordt erop gewezen dat bij vervolgaanvragen wordt voortgebouwd op een al uitvoerig bediscussieerd dossier van de aanvrager, waarvoor de rechtsbijstandverlener eerder al een volledige vergoeding heeft ontvangen terwijl het bij de eerdere discussie ging om zaken die nog niet bij de advocaat bekend waren en waarover nog geen procedures waren gevoerd.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina